Ze klimt nog gewoon, hoor. Sinds Angelika Rainer is gestopt, kijkt er alleen geen jury meer mee bij de drievoudige wereldkampioene ijsklimmen. En ze hoeft ook niet meer tegen de klok te klauteren. ‘De IJskoningin’ begon enkele jaren geleden last te krijgen van de permanente druk om te presteren en verloor mede daardoor de lol in het ‘klettern’. Tegenwoordig verlegt de Italiaanse klimster zonder competitie haar eigen grenzen in weldadige decors te Zwitserland, IJsland en Griekenland.
Intussen heeft Rainer in My Upside Down World (70 min.) echter, in de woorden van haar man en coach Marco Servalli, nog altijd een draak te verslaan: zichzelf. Beter: het stemmetje dat zegt dat ze iets niet kan. Dat gevoel gaat ver terug. Nadat Angelika’s vader het gezin had verlaten, groeide zij alleen met haar moeder op in Zuid-Tirol. Ze miste een vaderfiguur in haar leven en elke vorm van zelfvertrouwen, vertelt de Italiaanse klimster in deze bijzonder fraai ogende film van Elena Goatelli.
Die zet duidelijk niet in op spanning en drama, maar benadrukt de persoonlijke zoektocht van haar hoofdpersoon en de zelfreflectie die daarmee gepaard gaat. Met elke haak die ze in een berg- of ijswand bikt, bepaalt Angelika meteen hoe ze zelf verder gaat. Als sporter, als mens én als vrouw. ‘Ik weet dat ik de eerste vrouw in mijn familie ben die daadwerkelijk kan doen wat ze wil’, constateert ze onderweg. En elk klimtraject dat ze, alsnog, succesvol afrondt zorgt voor hernieuwd vertrouwen.
Heel even voelt ze zich dan onoverwinnelijk. Je bent nu eenmaal een winnaar of niet. Maar op de keper beschouwd is er maar één ding dat écht telt, weet Angelika Rainer: de overwinning op jezelf. En die boek je stapje voor stapje, behoedzaam klimmend. Naar de grenzen van je eigen comfort zone.
Samen met haar oma is Milana vanuit hun tijdelijke woonplaats Bratislava in Slowakije overgekomen naar het Oostenrijkse Piesendorf. Tijdens een zomerkamp gaat het tienjarige meisje een week lang samen met andere kinderen proberen om een Alpentop te beklimmen. Ook oma Olga moet eraan geloven tijdens Camp Courage (33 min.).
Milana mist een deel van haar linkerbeen. Ze raakte ‘t kwijt in haar woonplaats Marioepol. Op 24 januari 2015, de dag die ze ‘Zwarte Zaterdag’ zijn gaan noemen. Toen ze ook haar moeder verloor. Het Oekraïense meisje was erbij toen zij stierf bij een explosie op haar werk en werd zelf later onder het puin gevonden. ‘Ik zei altijd: Milana, wanneer je weer naar buiten mag zal ik je de helderste ster laten zien’, herinnert oma zich geëmotioneerd. ‘En daar woont je moeder.’
Olga en haar puberende kleindochter gaan in de zomer van 2022, een half jaar nadat ze vanwege de Russische inval hun moederland hebben moeten ontvluchten, enerverende dagen tegemoet in het bergachtige Oostenrijk. Vrijwilligers van de Mountain Seed Foundation, waarvan oprichter en Irak-veteraan Nathan Schmidt zo weer zijn eigen issues heeft, begeleiden Milana bij het overwinnen van zichzelf en het verleggen van haar grenzen, zowel fysiek als sociaal.
Intussen heeft ook oma steun nodig. ‘Jij bent de veilige persoon met wie ze zich dit conflict kan hebben’, houdt een vrijwilliger haar voor, als Olga merkt dat ze Milana soms moeilijk kan bereiken. En regisseur Max Lowe, die eerder de zeer persoonlijke klimfilm Torn maakte, vereeuwigt dit kleine familieverhaaltje, dat natuurlijk een veel grotere kwestie weerspiegelt, in een fijne korte documentaire. Over losmaken, loslaten en ook loskomen. Ieder voor zich en toch samen.
Is dit geen Russische roulette? vraagt een interviewer.
De Zwitserse bergbeklimmer Ueli Steck waant zich jarenlang onaantastbaar. Niemand beklimt zo snel de noordwand van Alpentoppen zoals de Eiger, Matterhorn en Grandes Jorasses als hij. Free solo, nota bene. Zonder zekering. Steck weet er zijn broodwinning van te maken. En dan meldt zich ineens een landgenoot, die Steck jarenlang als zijn grote held heeft beschouwd. Dani Arnold verbetert eerst diens record op de Eiger. Daarna gaat de Matterhorn eraan. Meine Güte!
Ueli Steck staat voor een dilemma: moet hij terug gaan om zijn records te heroveren? En hoeveel risico is hij dan bereid om te nemen? ‘Als je verliest, sterf je’, drukt zijn klimmaat Don Bowie ‘t plastisch uit in Duell Am Abgrund (Engelse titel: Race To The Summit, 90 min.), waarin Steck en Arnold zich voor het oog van de wereld verliezen in een wedstrijdje ver plassen op duizenden meters hoogte. De mannen zijn ook tegenpolen: de doorgewinterde profi tegenover het tamelijk laconieke natuurtalent.
Gevaar zit in de aard van hun sport opgesloten. Als alpinist ben je nu eenmaal altijd zo goed als je laatste bergtop – of de snelheid waarmee je die hebt bereikt. ‘Als een succes wordt gevierd,’ stelt televisiepresentatrice Mona Vetsch in deze klimfilm van Nicolas de Taranto en Götz Werner, ‘rijst altijd direct de vraag: wat nu?’ Intussen levert het lichaam elk jaar een heel klein beetje in, waardoor ‘t steeds moeilijker wordt om jezelf te blijven verbeteren en die ander voor te blijven.
‘Op snelheid klimmen op dit niveau is slechts statistiek’, benadrukt Dani Arnolds klimvriend Thomas Senf. ‘Vind je niet ergens het punt waarop je stopt, dan zul je onvermijdelijk op een dag sterven.’ Dat staat er op het spel in deze stevige documentaire. Waarbij de imposante omgeving, adembenemend vastgelegd met drones en allerlei andere camera’s, vooral een decor is voor puur menselijke bewijsdrang – en de duivels gevaarlijke rivaliteit die daaruit kan voortvloeien.
Zodra het echte klimmen begint, moet Werner Herzog afhaken. Zijn korte documentaire Gasherbrum – Der Leuchtende Berg (44 min.) stamt uit 1984, een tijd waarin de technische mogelijkheden om op duizelingwekkende hoogte te filmen nog zeer beperkt zijn. De Duitse filmer zit dus vast op het basiskamp en registreert daar de voorbereidingen. Als de befaamde alpinist Reinhold Messner en zijn kompaan Hans Kammerlander in Pakistan op weg gaan om twee Himalaya-toppen van achtduizend meter hoogte te bestijgen, is Herzog aangewezen op de beelden die zij zelf maken met hun minuscule cameraatje, het bewijsmateriaal dat ze de top daadwerkelijk hebben gehaald. Als ze daarvan terugkeren, tenminste.
‘Zijn jullie bevriend?’ heeft Herzog de twee even daarvoor gevraagd. ‘Zo zou ik dat niet zeggen’, antwoordt Messner, enigszins ongemakkelijk lachend, terwijl hij samen met Kammerlander een laatste bad neemt in een piepklein bergmeertje. ‘We kennen elkaar relatief goed. Voor deze onderneming heb ik Hans uitgekozen omdat hij van de bergbeklimmers die ik persoonlijk ken zo ongeveer de enige is waarvan ik me kan voorstellen dat hij ’t volhoudt.’ Het is een opmerkelijk duo: de spraakwaterval Messner, de eerste mens die de veertien hoogste bergtoppen van de wereld bedwingt, en Kammerlander, een voormalige bouwvakker en man van weinig woorden.
Werner Herzog is niet zozeer geïnteresseerd in de prestaties van deze gekende alpinisten, maar in hun beweegredenen. Nadat Messner heeft verteld over alle collega-klimmers die hem zijn ontvallen en dat sommige mensen in zijn directe omgeving hem voor gek verklaren, vraagt Herzog: ‘Geloof jij zelf dat je misschien een beetje gestoord bent?’ Reinhold Messner lacht eens. ‘Net zoals alle kunstenaars, mensen die iets proberen te scheppen, geestelijk gestoord zijn, ben ik dat ook.’ Tegelijkertijd vraagt hij ’t zich zelf ook af: waarom doet hij dit nog? Zijn ‘Ehrgeiz’ is zo langzamerhand toch wel bevredigd? Het moet een soort verslaving zijn.
Doodsdrift misschien? oppert Werner Herzog. Ook op die vraag heeft de Duitse topklimmer een pasklaar antwoord. Toch vindt zijn landgenoot, die zelf ook nergens voor terugdeinst om een topprestatie te leveren, een weg naar binnen. Als Herzog heel direct naar persoonlijk verdriet vraagt, breekt Reinhold Messner en komt dit psychologische portret tot een climax. Al wordt de vraag daardoor nog urgenter of ’t eigenlijk ergens goed voor is – en voor wat dan precies? – dat bergbeklimmen. Het antwoord daarop laat zich echter nauwelijks in woorden vatten. Een ultiem teken van leven misschien?
Waar een wil is, is zogezegd een weg. Zeker als anderen zeggen dat die weg onbegaanbaar is – of de berg veel te hoog. Mount Everest, om precies te zien. Te paard, ook dat nog. Met de mediacampagne #RidingEverest wil de Britse twintiger Max Stainton de uitdaging, die hij zichzelf heeft gesteld voor het jaar 2018, toch proberen te verwezenlijken.
Max is geboren met Cerebrale Parese, zit doorgaans in een rolstoel en heeft 24 uur per dag zorg nodig, maar wil koste wat het kost die Himalayatop op. Een speciaal samengesteld team staat hem terzijde. Ze begeleiden hem als hij op het paard Rocky omhoog gaat. En als het dier er de brui aan wil geven, dragen ze hem desnoods naar boven. Het is een ontzagwekkende onderneming, die bovenmenselijke inspanningen vraagt en tegelijk ook vragen oproept.
Wat wil hij hiermee bewijzen? vraagt zijn moeder Martha zich bijvoorbeeld af, ongetwijfeld ook namens diverse mensen uit Max’s directe omgeving en argeloze kijkers van deze film van Carl Woods (die de hachelijke tocht, als onderdeel van het team, van zeer nabij heeft vastgelegd). Het antwoord ligt natuurlijk voor de hand: laten zien dat je ‘t wél kunt. Bewijzen aan de wereld dat je ertoe doet, als man met een lichamelijke beperking.
My Everest (86 min.) laat zien hoeveel kruim dat kost: pijn, vermoeidheid en angst. Niet alleen bij Max Stainton zelf, maar ook bij zijn begeleidingsteam, vriendin Candy in het bijzonder. Samen maken ze zijn droom waar. Dit laat echter weer zijn eigen trauma’s en littekens achter, bekent de hoofdpersoon naderhand. Daarmee voorkomt hij dat deze film een wat al te roze vertelling wordt, die netjes wordt wordt afgerond met een verplicht happy end.
Want de overwinning die Max, getuige talloze jeugdfilmpjes een doorgewinterd door-riemen-en-ruiten type, bij Everest op zichzelf boekt, blijkt toch vooral een Pyrrusoverwinning. Zodra het gewone leven weer een aanvang neemt, merkt hij pas wat die historische tocht, als de eerste sterveling met Cerebrale Parese die het basiskamp van Mount Everest bereikt, hem eigenlijk heeft gekost.
Hoe kan ze hun gezamenlijke leven het beste eren? Door te blijven rouwen om haar plotseling overleden echtgenoot Doug? Of door hun gezamenlijke levenswerk voort te zetten? Uiteindelijk is het geen keuze voor Kris Tompkins: de Amerikaanse klimaatactiviste blijft zich inzetten voor het behoud van het natuurgebied in Patagonië, dat ze sinds begin jaren negentig in bezit hebben. Als eerbetoon aan haar overleden echtgenoot, ooit een fervente bergbeklimmer, wil Kris bovendien ’hun’ bergtop beklimmen in dit gebied, dat zich uitstrekt over de landen Chili en Argentinië.
En daarbij krijgt ze hulp van Jimmy Chin, die samen met Elizabeth Chai Vasarhelyi bekende klimfilms als Meru en Free Solo heeft gemaakt. Tussendoor vertellen ze in Wild Life (92 min.) het verhaal van Kristine’s leven met Douglas Tompkins (1943-2015). Als ze elkaar ontmoeten, hebben de twee al een heel leven, dat hen in andere relaties en bij de kledingmerken Patagonia en Esprit heeft gebracht, achter de rug. De lokale autoriteiten kunnen intussen maar niet geloven dat die ‘lelijke’ Amerikanen werkelijk land opkopen voor een nationaal park. Er moet wel een addertje onder het gras zitten.
Chin en Chai Vasarhelyi tonen hoe Kris en Doug hun gezamenlijke droom, een beschermd natuurgebied met een hernieuwde biodiversiteit, desondanks blijven najagen. Óók als het noodlot toeslaat en hij bij een tragisch ongeluk om het leven komt. Het is een optimistische vertelling. Over hoe ieder mens, met een lumineus idee en een goedgevulde portemonnee, een positieve bijdrage kan leveren aan de wereld. Dat resulteert alleen niet per definitie ook in een héél spannende film – al maken het verdriet en de wanhoop van Kris na het overlijden van haar zielsverwant beslist indruk.
Net als de vastberadenheid waarmee ze zich daarna toch weer aan hun gedeelde ideaal wijdt in deze degelijke documentaire, die de uitbundige flora en fauna van Patagonië in de etalage zet – en zo meteen de noodzaak van het behoud daarvan nog eens onderstreept.
Hoewel ze de beste wielerploeg van de wereld vormen, winnen ze nog altijd vaker niet dan wel. De verwachtingen bij Jumbo-Visma zijn niettemin hooggespannen voor 2022: enkele klassiekers willen sportief directeur Merijn Zeeman en zijn team winnen, net als de Giro d’Italia en zowel de gele als de groene trui in Tour de France. Ze hebben daarvoor meerdere ijzers in het vuur: de kopmannen Wout van Aert, Tom Dumoulin, Primoz Roglic en Jonas Vingegaard.
In de traditie van Nederlandse wielerfilms als De Tour Van Bauke, Nieuwe Helden: In Het Hart Van De Tour en Code Geel laat de zesdelige serie All-In: Team Jumbo-Visma (300 min.) van Job van der Zon van binnenuit zien wat er van die ambities terechtkomt. Dat betekent dus wederom: teambesprekingen, trainingskampen, hotelkamers, massagetafels én peptalkende, juichende en teleurgestelde taferelen in de ploegleiderswagen, die steevast als de machinekamer van de koers fungeert. Één van de machinekamers van de koers, welteverstaan. Want elke ploeg beleeft immers zijn eigen race, viert uitbundig zijn eigen overwinningen en likt stiekem z’n wonden.
Dit is wel duidelijk een Jumbo-Visma productie, waarbij Van der Zon veel kan laten zien, maar ongetwijfeld ook regelmatig rekening heeft moeten houden met de wensen van de ploegleiding. Zoals dat gaat in een tijd waarin pak ‘m beet celebrities, bands en sportteams een documentaire(serie) als een probaat promotiemiddel beschouwen. Bezien vanuit die context bevat de serie overigens best aardige elementen, zoals de gesproken columns van schrijver Frank Heinen over de wielersport, z’n helden en hun mythologie – al blijven die miniatuurtjes ook wel fremdkörpers binnen een verder tamelijk conventioneel opgezette en strak afgewerkte productie.
Behalve fly on the wall-materiaal bij diverse wielerwedstrijden en interviews met de renners en teamleiding bevat All-In ook bijdragen van oud-wielercrack Tom Boonen en sportjournalisten zoals Thijs Zonneveld, Raymond Kerkhoffs en Diana Kuip. Zij moeten voor onafhankelijke duiding zorgen bij de verschillende gebeurtenissen. Daarbij is opnieuw een bijzondere rol weggelegd voor de (voormalige) klasbak Tom Dumoulin, die ook in de eerdere wielerdocu’s al voor het nodige drama zorgde. Gedurende de serie wordt steeds duidelijker dat een definitief afscheid van de sportcarrière, die hij eerder al eens op pauze heeft gezet, nu echt onvermijdelijk wordt voor Dumoulin.
De flegmatieke renner die zich steeds nadrukkelijker naar de finish moet worstelen, waar hij zo vaak met bloemen is opgewacht, slaat vermoedelijk de spijker op z’n kop als hij stelt dat hij weliswaar de benen heeft van een topper, maar zich ongemakkelijk voelt bij de bijbehorende positie. Dat pleit tegelijkertijd ook voor hem en leidt bovendien tot één van de mooiste verhaallijnen in deze miniserie (waarvan ik tot dusver drie afleveringen heb gezien), als hij zijn maatje Koen Bouwman aan een etappeoverwinning helpt. ‘Koen is gewoon een schat van een jongen’, zegt Dumoulin, na de koers liggend op de massagetafel. ‘Die ene rit in de Giro gaat voor mij – dat is misschien cru om te zeggen – het verschil niet meer maken. En voor hem is dit gewoon de mooiste wielerdag uit zijn leven.’
Daarmee geeft Dumoulin zowel uitdrukking aan wie hij is als mens en als (voormalige) toprenner, maar ook als lid van een ploeg die zichzelf voorhoudt dat niemand groter is dan het team. En daar zit ongetwijfeld ook, doelbewust, de voornaamste boodschap van All-In: Team Jumbo-Visma, waarin de totstandkoming van een ongekend succesverhaal van binnenuit wordt belicht.
Inmiddels is er ook over het wielerseizoen 2022 van Jumbo-Visma’s concurrent Quick-Steph Alpha Vinyl een documentaireserie gemaakt: Wolfpack.
Marc Dutroux kostte hem bijna dertig jaar geleden zijn carrière. Althans, dat is de premisse van de tweedelige documentaire Rasti Rostelli: The Show Must Go On (84 min.), die toevallig wordt uitgebracht op het moment dat de ‘meesterhypnotiseur’ een comeback wil maken. Zijn drijfveren? Voormalig voorprogramma Hans Klok windt er geen doekjes om: ‘Ik denk geld. Want hij heeft altijd een hoop geld nodig. Maar misschien heb ik ‘t helemaal mis. Misschien hunkert hij wel naar de publieke aandacht.’
‘Ik heb meer dan vijftig- tot zestigduizend mensen gehypnotiseerd op het podium’, stelt de Arubaanse Nederlander Rasti Rostelli (echte naam: Roland van den Berg) over zijn glorieperiode in de jaren tachtig en negentig. De beelden daarvan spreken nog altijd tot de verbeelding: een goeroe-achtige verschijning laat hoogzwangere mannen op het podium bevallen, geeft enkele vrouwen ondraaglijke jeuk door een voodoopop te kriebelen en praat anderen aan dat ze helemaal naakt op het plankier staan. Verbijsterend, tussen hemel en aarde laverend topamusement! Of toch smakeloos en ethisch bijzonder twijfelachtig leedvermaak?
Dit gelikte portret past in een soort herwaardering van de goeroes/charlatans uit het recente verleden, die eerder al resulteerde in miniseries zoals Jomanda: Lady Of The Light en Op Hete Kolen: Het Leven Volgens Emile Ratelband. Het procedé is bekend: een omstreden hoofdpersoon, enkele intimi (zus Ilva van den Berg, jeugdvriend Glenn Pocorni, protégé Menno Bandini en neef/technicus Ricardo Tuinenburg Muis), een paar mediatypes die hem ter wille zijn geweest (Fayah Lourens, die door Rasti van haar wijnverslaving zou zijn afgeholpen, en de ‘Brutale Meiden’ Jennifer de Jong en Tatum Dagelet) en criticasters zoals hoogleraar klinische psychologie Willem van der Does en Jan Willem Nienhuys van de Stichting Skepsis.
Regisseur Manon Hoornstra lardeert Rostelli’s comebackverhaal, dat nog wel wat open eindjes bevat, met spraakmakende fragmenten uit zijn vroegere shows, smeert de boel dicht met zo’n beetje de halve top 100 van de jaren tachtig en heeft daarnaast nog één uitgesproken troef achter de hand: de Vlaming Philippe Coppens. Als achttienjarige was hij in 1995 te gast bij een Rasti Rostelli-show in het Casino te Blankenberge. Nadat Coppens onder hypnose met ontbloot bovenlijf een showtje bleek te hebben weggegeven als ‘de beste danser van The Chippendales’, kreeg hij vrijkaarten om de dag erop terug te komen. Die gaf hij door aan twee vriendinnen met wie hij op vakantie was.
En zo kwam het monster dat Marc Dutroux heet in Rasti Rostelli’s leven.
Een dag eerder, op vrijdag 24 april 2015, is er in het klooster van het Himalaya-dorp Langtang nog een ‘ghewa’ gehouden, een boeddhistisch ritueel voor een overleden inwoner. ‘De hele gemeenschap was bijeen’, vertelt de dorpeling Jhangbu, die niet veel later zijn hele hebben en houwen kwijt zal raken. ‘We chantren mantra’s en dansten. We dansten tot de volgende middag. Dat was de laatste ghewa.’
Het zal zelfs de allerlaatste activiteit in het Nepalese dorp ooit worden. Want op zaterdag 25 april slaat het noodlot toe, in de vorm van de heftigste aardbeving in tachtig jaar. Die zorgt tevens voor een ongekende ravage, massale paniek en bijna negenduizend doden in Kathmandu en omgeving. En ook westerse klimmers op de Mount Everest worden er volledig door overvallen. Zij zien de dood letterlijk in de ogen als ze volledig afgesloten raken van de bewoonde wereld.
In de driedelige docuserie Aftershock: Everest And The Nepal Earthquake (149 min.) kijken stedelingen, dorpsbewoners, buitenlandse toeristen, sjerpa’s, professionele klimmers en hulpverleners terug op hoe ze na de ramp, beducht voor naschokken en verraderlijke lawines, zichzelf en anderen in veiligheid proberen te brengen. Regisseur Olly Lambert kan daarbij tevens terugvallen op foto’s en filmbeelden die zij voor, tijdens en na de beving hebben gemaakt.
Daarbij springt de miraculeuze redding van Pemba Tamang, een achttienjarige jongen die vijf dagen onder het puin heeft gelegen, natuurlijk in het oog. Dit is echter niet louter een verhaal van opoffering, mededogen en solidariteit. Nadat enkele Israëlische toeristen geld blijken te hebben meegenomen van een overleden inwoner van Langtang komen de verhoudingen met de plaatselijke bevolking bijvoorbeeld op scherp te staan. Die betichten hen van diefstal en het ontheiligen van de doden.
En ook de manier waarop andere westerse bergbeklimmers tijdens de reddingsacties een bevoorrechte positie proberen te claimen, stuit menigeen ter plaatse tegen de borst. Het pleit voor Lambert dat hij in deze gedegen reconstructie ook de lelijke kanten van de mens laat zien. Zodat Aftershock niet blijft steken op het niveau van een gladgestreken ode aan het menselijke uithoudings- en doorzettingsvermogen in barre tijden en de dodelijke slachtoffers die desondanks zijn gevallen.
De zaak escaleert letterlijk voor het oog van de camera. Wat op 16 augustus 1988 is begonnen als een min of meer reguliere bankoverval op een filiaal van de Deutsche Bank in Gladbeck, loopt al snel uit op een enorm mediaspektakel. De overvallers gijzelen twee bankmedewerkers. Het losgeld moet worden afgeleverd door een politieagent in minuscule zwembroek. En de pers is erbij om dat (bijna) live uit te zenden.
Met dit onwerkelijke tafereel start deze fascinerende reconstructie van een geruchtmakend gijzelingsdrama, dat in totaal 54 uur in beslag zal nemen en zich volledig en plein public voltrekt. De twee mannen slagen erin om in een vluchtauto, met het geld én de gijzelaars, naar de veel noordelijker gelegen Duitse stad Bremen te vluchten. En daar kapen ze een bus met ruim twintig passagiers.
‘We gaan eisen stellen en als ze die niet gaan inwilligen, gaan we knallen’, zegt Hans-Jürgen Rösner, één van de twee gijzelnemers, laconiek als hij voor een uitgebreid televisie-interview naar buiten komt. ‘Meen je dat echt?’ wil een verslaggever weten. ‘We zijn klaar met het leven’, antwoordt Rösner. ‘En we eindigen met…’ – hij stopt zijn doorgeladen wapen in z’n mond – ‘… dit dus.’
Rond hem heeft zich een groepje journalisten en fotografen verzameld. De sfeer is opmerkelijk ontspannen. ‘Het is net een bedrijfsuitje’, zegt reporter Christian Berg tijdens een live-uitzending op televisie. ‘Niks is afgezet.’ Daarna zal de situatie echter snel verder escaleren in de fascinerende documentaire Gladbeck: Das Geiseldrama (92 min.), die volledig is opgebouwd uit authentiek archiefmateriaal.
Regisseur Volker Heise presenteert de bizarre gebeurtenissen sec, aan de hand van de nieuwsbeelden en -foto’s die destijds van de gijzeling zijn gemaakt. Hij voegt daar alleen verduidelijkende teksten, krantenkoppen en muziek aan toe. Terugblikinterviews blijven bijvoorbeeld achterwege. Terwijl de crisis zich ogenschijnlijk live ontvouwt, wordt invoelbaar hoe machteloos de autoriteiten zich moeten hebben gevoeld.
Overgeleverd aan de grillen van Rösner (‘Ich scheiß auf mein Leben!’) en zijn weinig spraakzame maat Dieter Degowski, die uiteindelijk koers zetten richting Nederland. En nog altijd op de vingers gekeken door de media als de zaak onvermijdelijk tot een grimmige afwikkeling komt. Udo Röbel, een verslaggever van een tabloid uit Keulen, is dan zelfs vrijwillig bij de gijzelnemers ingestapt.
Negerin, noemden ze haar soms. En hij werd wel eens Zwarte Piet genoemd. Andere kinderen mochten niet met hen spelen. Of ze wreven over hun arm, om te zien of die huidskleur misschien afgaf. Officieel hadden Wanda van der Kleij en Cor Linssen een witte vader, maar iedereen die goed keek wist wel beter. Zij móesten afstammen van een zwarte man. Een soldaat uit het Amerikaanse leger, om precies te zijn, één van de strijders die Limburg aan het eind van de Tweede Wereldoorlog bevrijdde van de Duitsers.
Historica Mieke Kirkels, die het boek Kinderen Van Zwarte Bevrijders schreef, en de Amerikaanse schrijver Joe Wilson Jr. kunnen in Kinderen Van Zwarte Bevrijders: Half An American (52 min.) alles vertellen over de zwarte militairen in het Amerikaanse leger en hun rol in de bevrijding van West-Europa. Gaandeweg melden ook researcher Eric van den Berg, en in mindere mate regisseur Bram Endedijk, zich in hun eigen documentaire. Van den Berg vraagt Wanda en Cor of hij in DNA-banken op zoek mag naar hun biologische vader.
Dat onderzoek vormt de basis voor deze aardige tv-docu, die thematisch sterk verwant is met Hans Heijnens documentaire Zwarte Limburgers (2018): lukt het om directe verwanten van Wanda van der Kleij en Cor Linssen te vinden? En staan zij ervoor open om Nederlandse familieleden te leren kennen? Half An American wordt een emotionele reis, met enkele onvervalste Surprise Show-elementen. ‘Ik had al zoiets dat jullie me voor het blok zouden zetten’, zegt Cor bijvoorbeeld tegen de filmmakers als zij hem nieuwe informatie gaan geven over zijn afkomst.
Het spoor leidt onvermijdelijk naar Amerika, waar zwarte inwoners ten tijde van de Tweede Wereldoorlog nog werden beschouwd als tweederangs burgers en een deel van de wortels van Wanda en Cor liggen.
In 1944 bevrijden Amerikanen Limburg. Onder hen zijn veel zwarte soldaten. Twee van hun Nederlandse kinderen gaan op zoek naar hun afkomst. Lukt het hun Amerikaanse familie te vinden?
Er gingen al jaren verhalen rond over de ongezonde interesse van filmproducent Harvey Weinstein in actrices. In de omgeving van Jeffrey Epstein werd er openlijk gegrapt over zijn voorkeur voor veel te jonge meisjes. Maar Brian Warner had, getuige Phoenix Rising (149 min.), echt de ideale deal met de duivel gesloten. Via een alter ego genaamd Marilyn Manson kon hij als rockartiest al zijn bedorven fantasieën kwijt aan de wereld. Intussen mocht hij die achter de schermen, als een horror-variant op R. Kelly, daadwerkelijk botvieren op enkele zorgvuldig geselecteerde slachtoffers, onder wie zijn voormalige vaste vriendin en de protagonist van deze tweedelige documentaire, de Amerikaanse actrice Evan Rachel Wood. Volgens haar broer Ira is Manson niets minder dan een wolf in wolfskleding.
‘Ik was geen fan van zijn muziek, maar ik mocht hem en waar hij voor stond’, schreef Evan Rachel Wood (Thirteen, The Wrestler en Westworld) na hun ontmoeting in 2006 in haar dagboek. ‘Hij houdt mensen een spiegel voor en wijst ze op hun hypocrisie en domheid.’ Zij was achttien, hij zevenendertig. Wood, een kwetsbaar meisje uit een gebroken gezin, raakte al snel volledig in de ban van de bekende rockster. Volgens haar was het een typisch geval van ‘grooming’: hij maakte haar volledig afhankelijk van hem, isoleerde haar van haar directe omgeving en begon haar vervolgens als zijn privéslaaf te behandelen. Tot er helemaal niets meer van haar over was. ‘Ik begon te beseffen dat ik daar zou sterven’, zegt ze in deze film van Amy Berg, die heel dicht bij haar komt. ‘Ik wist niet hoe ik weg kon.’
Zeker in het tweede deel daalt Evan Rachel Wood daadwerkelijk af in de hel die Marilyn Manson ruim viereneenhalf jaar van haar leven heeft gemaakt, inclusief brandmerken, elektroshocks en zweepslagen (met een nazizweep, natuurlijk; ze was tenslotte Joods). Haar getuigenissen zijn gelardeerd met schrijnende details, komen overeen met de ervaringen van andere ex-vriendinnen en maken daardoor een zeer geloofwaardige indruk. Om het helemaal pijnlijk te maken verwerkte hun agressor de vernederingen ook in zijn werk. Zoals een ander slachtoffer het verwoordt: misbruik als kunst. Soms ook letterlijk: tijdens de opnames voor een videoclip, die tot frustratie van de #IStandWithEvan-crowd overigens nog altijd online staat, zou Manson tegen haar wil seks hebben gehad met Wood. Verkrachting, gewoon voor de camera.
Marilyn Manson heeft inmiddels gereageerd op de beschuldigingen met een aanklacht vanwege smaad. In de documentaire is hij veelvuldig te zien – via zijn werk, dat door deze nieuwe bijsluiter een nog naargeestiger karakter heeft gekregen – maar komt hij zelf niet aan het woord. Via citaten uit zijn autobiografie The Long Hard Road Out Of Hell probeert Amy Berg toch vat te krijgen op de beschadig(en)de persoon Brian Warner. ‘Ik kreeg de kans om herboren te worden’, schrijft hij daarin. ‘Marilyn Manson was de perfecte hoofdpersoon voor een gefrustreerde schrijver als ik. Een personage dat vanwege z’n minachting voor de wereld om hem heen en vooral voor zichzelf er alles aan doet zodat mensen hem aardig vinden. Als hij hun vertrouwen eenmaal heeft gewonnen, maakt hij ze kapot.’
Dat lijkt een adequate beschrijving van de handelswijze waarvan hij nu wordt beticht door ‘survivors’ zoals Evan Rachel Wood. Een kleine tien jaar na het einde van hun relatie is de actrice nog altijd doodsbang voor hem. De weg die zij met Manson heeft afgelegd – van onschuldig meisje naar beschadigde vrouw – wordt door Berg geïllustreerd met animaties die Disney-achtig beginnen en gaandeweg een steeds naargeestiger karakter krijgen. Dat is een wel erg Amerikaanse inkleuring van de loop der dingen, maar op basis van deze doeltreffende film is er zeker alle reden om Brian Warner, die jarenlang achter zijn Antichristus-achtige personage heeft kunnen schuilen, indringend te bevragen over de verontrustende #metoo-beschuldigingen aan zijn adres. Phoenix Rising zou daarbij wel eens als breekijzer kunnen fungeren.
Waarom moet iemand de Everest beklimmen? ‘Omdat hij er is’, antwoordde de vermaarde Britse klimmer George Mallory ooit in stijl. Samen met Andrew Irvine zou hij de berg in 1924 proberen te bedwingen. Tevergeefs. Geen van beiden kwam terug. Het zou nog bijna dertig jaar duren voordat een expeditie, bij de elfde poging, daadwerkelijk de top bereikte. Op 29 mei 1953 plantte (Sir) Edmund Hillary, terzijde gestaan door de sherpa Tenzing Norgay, zijn vlag op de bergtop. ‘De top van de wereld was bereikt.’
Waar hedendaagse klimdocu’s zoals Free Solo, The Alpinist of 14 Peaks: Nothing Is Impossible zich vooral richten op zulke glorieuze verrichtingen van een select groepje alpinisten en de ontberingen die zij daarbij moeten doorstaan, benadert de klassieker The Conquest Of Everest (75 min.) deze beklimming van de hoogste berg ter wereld, op de grens van Tibet en Nepal, eerder als een groepsprestatie, met tevens aandacht voor de antropologische en wetenschappelijke dimensies ervan.
Regisseur George Lowe had destijds natuurlijk ook geen drones, minieme cameraatjes of mobiele geluidsapparatuur tot zijn beschikking om elke stap omhoog tot in ijzingwekkend detail te vereeuwigen. Hoewel zijn documentaire uit 1953 daardoor qua spanning en dramatiek nooit kan wedijveren met hedendaagse topfilms, lukt het hem wel degelijk om het hachelijke karakter van de onderneming over het voetlicht te brengen – en wat er toentertijd allemaal nodig was om zo’n expeditie op te zetten.
Cameraman Tom Stobart, die zijn ongetwijfeld loodzware apparatuur ook mee naar boven moest zeulen, verricht daarbij fabuleus werk. Verteller Meredith Edwards krijgt tevens een sleutelrol toebedeeld. Hij voorziet de gebeurtenissen in het hooggebergte voortdurend van duiding, drama en achtergrondinformatie. En de alomtegenwoordige klassieke muziek maskeert tenslotte effectief dat de activiteiten van de helden ter plaatse zonder audio zijn vastgelegd. De film won niet voor niets een BAFTA en werd genomineerd voor een Oscar.
Enkele dagen na de verovering van Mount Everest werd overigens, om het Britse feest helemaal compleet te maken, Elizabeth tot koningin van het Verenigd Koninkrijk gekroond. Het waren de dagen van Brittannia rules the waves – ook al was het dan via een Nieuw-Zeelander (Hillary) en kind van de Himalaya (Norgay).
Solo-alpinisme is volgens kenners de meest pure en avontuurlijke vorm van klimmen. Het is ook de dodelijkste vorm. ‘Zo’n beetje de helft van alle bekendste soloklimmers is in de bergen gestorven’, zegt de befaamde Italiaanse alpinist Reinhold Messner. ‘Dat is tragisch en moeilijk te verdedigen. Maar het hoort bij het idee: als je een avontuur aangaat, zijn moeilijkheden en gevaar nodig. Als de dood niet tot de mogelijkheden zou behoren, dan stelt de klim overleven ook niets voor.’
Hoe gevaarlijk het ook wordt, er zijn altijd waaghalzen te vinden met voldoende bewijsdrang en doodsverachting om de uitdaging tóch aan te gaan – en documentairemakers om de ijzingwekkende onderneming vervolgens met tal van camera’s te vereeuwigen. Zoals de 23-jarige Canadees Marc-André Leclerc, alias The Alpinist (92 min.), en de man die hem met zijn apparatuur op de huid zit en de halsbrekende toeren zo nu en dan ook van commentaar voorziet, Peter Mortimer (eerder al verantwoordelijk voor de enerverende klimfilm The Dawn Wall).
Leclerc is een free solo-klimmer. Hij probeert de hoogste toppen te bestijgen, zonder enige vorm van zekering. Een beetje documentairekijker kijkt daar sinds Free Solo niet meer van op. Been there, done that. Op het beeldscherm, tenminste. En dan mengt de hoofdrolspeler van die Oscar-winnende documentaire uit 2018 zich hoogstpersoonlijk in de strijd. ‘Mensen denken dat het free solo-klimmen zoals ik dat doe gekkenwerk is’, zegt Alex Honnold. ‘Maar ik werk met rotsen. Dat is in veel opzichten veilig. Het materiaal is superrobuust. En dan zie ik Marc-André free solo-klimmen op ijs en sneeuw….’
IJs en sneeuw hebben namelijk één kenmerkende eigenschap: ze zijn onderhevig aan de omstandigheden en daardoor totaal onbetrouwbaar. Ideaal terrein dus voor een onverbeterlijke durfal, ooit gediagnosticeerd met ADHD, die de drang heeft om zijn eigen grenzen te blijven verleggen. Leclerc is alleen geen fan van cameraploegen. Dan is het tenslotte niet meer echt vrij en solo. Voor Mortimer en zijn coregisseur Nick Rosen is dat een flinke uitdaging als hun protagonist, die volgens kenners de grenzen van alpinisme flink aan het oprekken is, zich opmaakt voor zijn grootste uitdaging tot dan toe: Torre Egger, een ontzagwekkende bergtop in Argentinië, die hij ook nog in hartje winter wil gaan beklimmen.
The Alpinist volgt daarmee trouw het stramien van dit soort heroïsche klimdocu’s, waarbij de held met wie je je gaandeweg steeds meer hebt kunnen identificeren uiteindelijk alles in de waagschaal stelt, inclusief de liefde van zijn bewonderende vriendin, om een bovenmenselijke prestatie te verrichten, die dan tevens dienst doet als de grandioze apotheose van de film. En zo had het nu inderdaad ook kunnen uitpakken… Het lot beslist alleen anders, zet de vertelling danig op z’n kop en zorgt ervoor dat ook deze nieuwe free solo-docu er weer behoorlijk inhakt.
Heb jij kínderen? De andere klimmers konden het nauwelijks geloven. Daarvoor moest je toch een verantwoordelijk leven leiden? En dat leek lastig te verenigen met het bedwingen van de hoogste bergtoppen van de wereld. Toch was dat precies wat Alex Lowe deed. Samen met zijn vaste partner Conrad Anker behoorde hij zelfs tot de absolute wereldtop. Tot die ene fatale dag in Tibet, 5 oktober 1999.
Ruim twintig jaar later kijkt zijn oudste zoon Max Lowe, die tien was toen Alex plotseling verdween, samen met zijn moeder Jennifer en jongere broers Sam en Isaac terug op het leven van zijn illustere vader. Waarbij onvermijdelijk de vraag opspeelt of dat klimmen nu werkelijk belangrijker was dan zijn gezin? En hoe nabestaanden vervolgens moeten omgaan met het antwoord op die vraag?
Max bekijkt in Torn (92 min.) beelden van de laatste expeditie van de man waaraan hij en zijn broers slechts beperkt herinneringen hebben. Hij vraagt zijn maat Conrad bovendien om te vertellen wat hij nog weet van die tragische trip, toen ze werden overvallen door een helse lawine. Wat ging er in zijn vader om tijdens de laatste dagen en uren van zijn leven? Dacht hij nog aan hen?
Max Lowe’s persoonlijke zoektocht brengt hem in de tweede helft van deze intieme, intense en erg ontroerende film op precair terrein, als hij exploreert hoe zijn familie omgaat met wat zijn vader heeft achtergelaten. Welke plek kan Alex nog spelen in het leven dat voor hen gewoon verder gaat? En kan iemand ooit de plek innemen van deze geïdealiseerde ouder, die elke dag meer op ‘Superman’ begint te lijken?
Voor de emotionele afwikkeling van dat zeer persoonlijke proces begeven Max Lowe en zijn familie zich naar de plek waar alles begon en eindigde: Shishapangma in Tibet. Daar kunnen ze afscheid nemen van de man die al ruim twintig jaar over hun schouder meekijkt terwijl zij er samen, in zijn geest, het beste van proberen te maken.
Jangmu Sherpa ziet het met lede ogen aan. Nog niet zo lang geleden was haar broer Mingma een soort held in eigen land. Met een Nepalees team beklom de berggids de K2, de op één na hoogste berg van de wereld. Die was nog nooit in de winter bedwongen. ‘Zelfs niet door Nepalezen’, zegt Jangmu, die als verteller voor deze korte docu fungeert. En toen meldde het Coronavirus zich ook in hun leven…
Nu is hun voornaamste levensader, het bergtoerisme, vooralsnog helemaal doorgesneden. Zouden de Goden misschien boos zijn omdat de toeristen hun land zo hebben bezoedeld? vraagt de jonge vrouw zich af. Samen met dorpsgenoten begint ze het afval op te ruimen, in de hoop de boven hen gestelden weer een beetje gunstig te stemmen. Schone Bergen (18 min.), juist.
Als Mingma wordt gevraagd voor een Chinese expeditie naar de top van de Mount Everest, willen Jangmu en de haren eveneens mee. Om de rotzooi weg te werken, die klimmers ook daar hebben achtergelaten. Deze productie van Geertjan Lassche, die in 2014 zelf een bergtop in de Himalaya probeerde te beklimmen voor de documentaire Hemelbestormers, wordt daarmee een soort antiklimheldenfilm.
De barre tocht naar en het bereiken van de top zijn niet meer dan een aanloop naar de afdaling, waar broer en zus Sherpa letterlijk worden geconfronteerd met de restanten van glorieuze dan wel dramatische beklimmingen, die vaak voor de gehele wereld zijn vastgelegd in heroïsche films en waarvoor mensen zoals zij, doorgaans buiten beeld, het vuile werk hebben opgeknapt. Net als nu, trouwens.
De besneeuwde bergtoppen, geselende wind en klimmers die tot het uiterste moeten gaan, vastgelegd met de helmcamera’s van Mingma Sherpa en Shishir Maharjan, worden er overigens niet minder indrukwekkend door. Het is een wereld die zich uiteindelijk helemaal niet door de mens laat bedwingen. Hoe vaak die ook, in de rug gedekt door nijvere sherpa’s, zijn vlag op een top probeert te planten.
Voor de Sherpa’s is werken als berggids op de Mount Everest de belangrijkste inkomstenbron. Maar door de pandemie blijven de toeristen weg. Is het een straf van de goden voor al het achtergelaten afval op de berg?
De befaamde Italiaanse alpinist Reinhold Messner was de eerste die de top van de veertien hoogste bergen van de wereld bereikte. Hij deed er in totaal zestien jaar over. Een andere klimmer slaagde er later in om ze te bedwingen in slechts zeven jaar. De Nepalees Nirmal Purja heeft het in 2019 in zijn hoofd gehaald om deze bergtoppen van 8000 meter hoogte te gaan beklimmen in niet meer dan zeven maanden. Dat is onmogelijk, zegt alles en iedereen. Voor een doorgewinterde streber zoals ‘Nims’ is dat echter alleen maar een aansporing. Hij dubt het ambitieuze plan Project Possible.
Dat is nogal een uitdaging. Ook voor filmmaker Torquil Jones: hoe houd je een tocht langs veertien toppen interessant? Ze lijken allemaal op elkaar: hoog, wit en gevaarlijk. Als het er veertien worden tenminste, want zo’n ambitieuze onderneming kan natuurlijk onderweg stranden op een onbegaanbare wand, in een sneeuwstorm of met een fatale val. Daar lijkt het alleen nooit echt op. Ook doordat Purja zelf fungeert als verteller en alle gebeurtenissen achteraf van commentaar voorziet. 14 Peaks: Nothing Is Impossible (101 min.) moet z’n spanning dus ergens anders vandaan halen.
En dus biedt elke top zijn eigen specifieke uitdaging. De eerste, Annapurna in thuisbasis Nepal, is bijvoorbeeld zo gevaarlijk dat er, volgens collega Don Bowie, voor elke drie klimmers die de top bereiken één doodgaat. Check. (V). Bij een andere berg krijgt ‘Nims’ last van de hoogteziekte H.A.C.E. (V), tijdens een volgende beklimming stuit de popi Nepalees op een collega die meer dood dan levend is (V) en bij de Mount Everest moet hij zich dan weer een weg banen door een hele file van klimmers (V). Purja maakt er een foto van, die direct ‘viral’ gaat.
Zo gaat het maar door, beklimming op beklimming. Die worden gepresenteerd met straffe oneliners van het type ‘Je ziel wordt onderdeel van de berg’ en ‘Als je opgeeft, sterf je’, dreigende en hé-le spannende muziek en enkele geanimeerde scènes (voor als er geen camera bij de hand was toen het echt over leven en dood ging). Jones lardeert Purja’s poging om eeuwige roem te verwerven – en meteen de Nepalese klimgemeenschap op de kaart te zetten, een doel dat hij blijft benadrukken – bovendien met enkele extra obstakels: geen financiering (V), uitblijvende klimvergunning (V) én doodzieke moeder (V).
En dan heeft de Nepalese klimheld één berg ook nog moeten beklimmen met een hardnekkige kater (V). Eigen schuld, dat wel. Ondanks al die grote en kleine hobbels op de weg naar het Guinness Book Of Records wordt 14 Peaks nooit écht enerverend. Daarvoor is de film toch te glad en geconstrueerd. Als een Hollywood-versie van het echte klimmersbestaan, waarbij mensen van vlees en bloed worden gereduceerd tot een bordkartonnen versie van zichzelf. En dat Nirmal Purja het allemaal voor een hoger doel – en niet gewoon voor zichzelf – zou hebben gedaan? Daar mag een mens best even besmuikt om grinniken. (V).
Het vergt weinig inlevingsvermogen om de nietigheid van de mens – en van bijna al wat leeft – te ervaren tijdens het bekijken van Berg (79 min.). De verstilde documentaire van Joke Olthaar, geschoten in expressief zwartwit, bestaat vrijwel volledig uit berglandschappen, vereeuwigd in het Triglav National Park in Slovenië. Als op die stillevens al mensen zijn te ontwaren, dan is het in de vorm van minuscule kleine poppetjes die bijna wegvallen tegen het indrukwekkende decor. Figuren met het formaat van een vlieg of insect, die dus ook in een oogwenk kunnen worden verdelgd door Moeder Natuur.
Gesproken wordt er alleen in de begin- en slotscène. Enkele zinnetjes maar. En dan ook nog off screen. Berg biedt verder geen enkel menselijk gezicht als houvast. Olthaar volgt weliswaar drie bergwandelaars, maar ook zij blijven figuranten in een spel dat hen – en ons allen – ontstijgt. Wind, onweer of simpelweg de ondergaande zon begeleiden hen tijdens hun tocht door een wereld die voortdurend van kleur verschiet en die mens en dier op alle mogelijke manieren en op elk ogenblik kan overweldigen. De documentairemaakster ondersteunt dit met een minimalistisch geluidsdecor.
De scope van de film en de precisie waarmee Joke Olthaar, tevens actief als theatermaakster, tegelijkertijd kijkt naar de ontwikkelingen die zich voltrekken in haar kader, behoren zonder twijfel tot de zegeningen van deze immersieve film, die in de tweede helft even wordt onderbroken door de komst van een helikopter en oude beelden in kleur van een reddingsactie. Voor wie doorgaans steun zoekt bij personages of wil worden meegenomen door een verhaal blijft Berg nochtans precies wat de titel al belooft: een uitdaging die slechts voor een select gezelschap is weggelegd.
Een voetbalclub die zijn jubileum wil opluisteren met een documentaire maakt zich kwetsbaar. Daar kan Ajax over meepraten. In het kader van hun honderdjarige bestaan lieten de Amsterdammers in het seizoen 1999-2000 regisseur Roel van Dalen binnen voor de documentaire Ajax: Daar Hoorden Ze Engelen Zingen, een ontluisterende film die uiteindelijk als sluitstuk zou fungeren voor een ronduit dramatisch seizoen.
Dit heeft Frans van Seumeren, grootaandeelhouder van FC Utrecht, er niet van weerhouden om camera’s toe te laten in het vijftigste levensjaar van de club waarin hij al jarenlang hart, ziel en een aanzienlijk geldbedrag steekt. En Van Seumeren zal er ook wel voor hebben gezorgd dat hij bij de samenstelling van FC Utrecht: No Guts No Glory (193 min.), waarin hij zelf de hoofdrol krijgt toebedeeld en ook aandacht is voor goodwill-acties naar de supporters en ‘de maatschappelijke poot’ van de club, een dikke vinger in de pap heeft.
Een treurmars is de zesdelige serie dan ook niet geworden. Al gaat het er soms best stevig aan toe. Als de omstreden Spaanse aanvaller Adrian Dalmau in de wedstrijd tegen ADO Den Haag een rode kaart krijgt en zijn team vervolgens blijft steken op een teleurstellend gelijkspel, wordt hij flink aangepakt. Eerst is het collega-spits Eljero Elia, zelf ook bepaald nog geen succesverhaal, die zijn ‘amigo’ in de kleedkamer ter verantwoording roept. Dreigend: ‘Je hebt geluk dat die camera hier is.’
Daarna krijgt de treurende Spanjaard ten overstaan van al zijn ploeggenoten (en de camera’s in de kleedkamer) ook nog eens van onder uit de zak van trainer René Hake. ‘Hee, Dalmau’, schreeuwt die met overslaande stem. ‘Heb je niks te zeggen tegen de jongens? In plaats van met je hoofd naar beneden te zitten. Je hebt de wedstrijd verkloot met je twee stomme gele kaarten!’ De gifbeker is dan overigens nog lang niet leeg voor de onfortuinlijke spits, die gedurig met zijn vorm blijft worstelen.
Zo levert FC Utrecht: No Guts No Glory uiteindelijk precies wat van dit soort voetbalseries (men neme bijvoorbeeld Tottenham Hotspur, Sunderland en binnenkort Feyenoord) wordt verwacht: een combinatie van flitsend gemonteerde wedstrijdbeelden, begeleid door bombastische muziek (en – aardige toevoeging – het chauvinistische radiocommentaar van RTV Utrecht-verslaggever René van den Berg en oud-speler en -trainer Gert Kruys). En materiaal vanuit het hart van de club: het trainingscomplex, de kleedkamer en de tribune (waar Van Seumeren de camera permanent op zich gericht weet).
Utrechts tocht over hoge toppen en door diepe dalen, die nochtans gewoon is afgesloten met een vertrouwd plekje in de subtop, wordt begeleid door interviews met de trainer, manager, directeur, materiaalman en enkele spelers (de ernstig geblesseerde aanvoerder Willem Janssen en zijn vrouw in het bijzonder). En ook de achterban krijgt natuurlijk spreektijd – van de bloemenverkoper tot de buschauffeur – om het gevoel in de stad te verwoorden. Alle denkbare voetbalclichés worden daarbij nog eens netjes afgestoft. Een gruwel wellicht voor de kritische kijker, maar ‘gefundenes Fressen’ voor iedereen die leeft voor de bal.
Pastor Helge Fossmo van de Knutby Philadelphia-kerk had er al over gedroomd dat zijn vrouw Heléne zou sterven. En verdomd, niet veel later overleed ze inderdaad, slechts 27 jaar oud, in de badkuip. De hele kerkgemeente in het Zweedse dorp was er in 1999 van overtuigd dat God hem de boodschap hoogstpersoonlijk had ingefluisterd. Tegelijkertijd was er enorm respect voor de martelaar Helge, een weduwnaar die zijn lot manmoedig droeg. Nu scheelde ‘t natuurlijk ook dat Heléne naar een betere plek ging. Uiteindelijk was zij in de hemel misschien zelfs wel beter af dan hier in het ondermaanse.
Vijf jaar later verwisselde ook Helge’s tweede echtgenote Alexandra het tijdelijke voor het eeuwige. Zij bleek te zijn neergeschoten door Sara Svensson, het kindermeisje van het stel dat op dezelfde avond ook hun buurman Daniel Linde ernstig verwondde. Van diens vrouw Anette werd overigens gefluisterd dat ze alles had om vrouw numero drie van Helge te worden. Het was hem als pastor alleen niet toegestaan om te scheiden. Echt vreemd was het dan ook niet dat de politie in 2004 serieus inzoomde op het uitbundige SMS-verkeer tussen Helge en Sara. Hij zou haar toch niet hebben aangezet om zijn vrouw en de echtgenoot van zijn clandestiene geliefde neer te schieten?
Het illustere duo opereerde, getuige de zesdelige docuserie Pray, Obey, Kill (318 min.) van Henrik Georgsson, alleen beslist niet in een vacuüm. Ook Åsa Waldau, de leidster van de eigenzinnige pinkstergemeente die zich ‘de Bruid van Christus’ liet noemen, speelde daarin een prominente rol. Zij had haar zinnen eveneens gezet op Helge – een man die nochtans eerder oogt als een gemiddelde verwarmingsmonteur dan als een dodelijke combinatie van Brad Pitt, George Clooney en Johnny Depp – en wilde de ontwikkelingen ook maar al te graag naar haar hand zetten. Oh ja, om de zaak helemaal ingewikkeld te maken: Åsa was tevens de oudere zus van Alexandra.
De gebeurtenissen worden vijftien jaar na dato nog eens grondig onderzocht door de journalisten Martin Johnson en Anton Berg, die de hand weten te leggen op de originele politieverhoren van Helge Fossmo en met behulp van maquettes en tests duidelijk proberen te krijgen wat er precies gebeurd kan zijn. Ze krijgen tevens de kans om allerlei leden van de kerkgemeenschap te interviewen, inclusief de man die sinds 2004 vastzit voor de mysterieuze dood van zijn echtgenotes én de vrouw die namens hem bij echtgenote numero twee de trekker zou hebben overgehaald. Een handlanger met wie hij, natuurlijk, ook amoureuze betrekkingen had aangeknoopt.
Zoals dat gaat bij dit soort true crime-producties doorlopen de protagonisten allerlei onderzoekspistes die de zaak verdiepen of verbreden, worden ze aan het eind van elke aflevering met een belangwekkend nieuw feit geconfronteerd en stuiten ze onderweg op bewijs dat de gebeurtenissen wel eens in een ander licht zou kunnen plaatsen, zoals het ruwe materiaal van de politiereconstructie van Sara’s dodelijke tocht langs de slaapkamers van Alexandra en Daniel. De pogingen van Johnson en Berg om – via een continue onderlinge dialoog, die soms op een toneelstukje begint te lijken – tot waarheidsvinding te komen zijn overtuigend en spannend.
Wat er zich rond de eeuwwisseling precies heeft afgespeeld in die verknipte Zweedse sekte te Knutby, is na een kleine zes uur nog altijd niet helemaal opgehelderd: wie was het werktuig van welke duivel? Trok de onopvallende charmeur Helge aan de touwtjes? Of was het stiekem tóch, in de woorden van Sara, ‘de koningin van de hemel, de opperste liefde van het universum’ Äsa? Pray, Obey, Kill laat de kijker in elk geval achter met een knoeperd van een cliffhanger, die doet vermoeden dat er nog wel eens een tweede seizoen in het vat zou kunnen zitten.