Kobe Bryant’s Muse

BNNVARA

Een kleine drie kwartier eerder is hij geblesseerd geraakt. Gevolgd door cameraploegen strompelt Kobe Bryant in april 2013 op krukken de kleedkamer in. Een afgescheurde achillespees, zo lijkt het. De topbasketballer oogt verslagen. ‘Als iemand dit te boven kan komen, ben jij het’, meent een journalist niettemin. ‘Toch?’ Bryant werpt zijn hoofd tussen zijn schouders. ‘Man toch. Shit.’ Even later heeft hij zichzelf al herpakt. Op de vraag of dit de grootste uitdaging uit zijn carrière is, antwoordt hij: ‘Maar het motiveert me. Dat voel ik nu al.’

Bij aanvang van de documentaire Kobe Bryant’s Muse (79 min.) uit 2015 hangt het einde van zijn lange, rijke loopbaan echter als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd. Is de sportlegende op leeftijd (34) in staat om een blessure te overleven, die menige collega al de kop heeft gekost? Terwijl hij zich terug probeert te knokken naar een prominente plek in de NBA, doet Bryant tegelijkertijd het relaas van zijn leven en carrière. Aan het eind komen deze twee verhaallijnen logisch samen in een dramatische slotscène.

Kobe Bryant is een charismatische persoonlijkheid en interessante spreker en toont zich zeer openhartig en kwetsbaar in het centrale interview. Zonder gêne vertelt hij over ambitie, tegenslag, twijfel, woede én relatieproblemen (die volgens hem dramatische gevolgen hebben gehad). ‘s Mans intieme terugblik wordt door regisseur Gotham Chopra geïllustreerd met meeslepende beelden van zijn prestaties bij The Los Angeles Lakers. En tussendoor werkt Bryant dus, in stijlvol zwart-wit, aan zijn comeback na die ontwrichtende achillespeesblessure.

Deze autobiografie van de man, die het uiteindelijk lukte om zich bij zijn voorbeelden Michael Jordan en Magic Johnson te scharen, heeft natuurlijk alleen nog maar aan lading gewonnen door de dramatische gebeurtenissen op zondag 26 januari 2020, toen Kobe Bryant, zijn dertienjarige dochter Gianna en zeven andere passagiers omkwamen bij een dramatische helikoptercrash. Deze film houdt hem, op de één of andere manier, toch een beetje in leven.

Shut Up And Dribble

Het had een eer moeten zijn. De uitnodiging voor de kersverse basketbalkampioen The Golden State Warriors om het Witte Huis te bezoeken. Sterspeler LeBron James en zijn teamgenoten bedanken er echter voor in de zomer van 2017. In Donald Trump hebben ze geen zin. ‘De nummer één van Amerika begrijpt de mensen niet en geeft ook geen fuck om hen’, maakt James van zijn hart geen moordkuil. Het komt hem – natuurlijk! – op stevige kritiek van Fox News te staan. ‘Houd je politieke praatjes maar bij je’, zegt talkshow-host Laura Ingraham recht in de camera. ‘Of zoals iemand ooit zei: Shut Up And Dribble.’

En daarmee heeft deze driedelige documentaireserie (153 min.) over de rol van Afro-Amerikanen in de basketbalhistorie meteen zijn leidmotief te pakken. Regisseur Gotham Chopra plaatst de politieke stellingname van Lebron James en de zijnen in hun historische context. Hij keert daarvoor terug naar de tijd dat basketbal nog een volledig witte sport was. Het verheven tijdverdrijf kreeg in de jaren vijftig plotseling te maken met zwarte nieuwelingen, die actief aanvallen gingen blocken, ongegeneerd dunkten en in het algemeen veel swingender speelden. De tegenstelling tussen zwart-wit die zo ontstaat zal decennia later nog slim worden uitgevent met de opgeklopte rivaliteit tussen Magic Johnson en ‘the great white hope’ Larry Bird.

Begeleid door volvette soul, funk en hiphop trekt de gelikte serie soepel langs invloedrijke zwarte basketballers zoals Bill Russell, Kareem Abdul-Jabbar en Isiah Thomas. Gezamenlijk belichamen zij tevens de ontwikkeling die zwart Amerika sinds de Tweede Wereldoorlog heeft doorgemaakt; van de burgerrechtenbeweging en Vietnam via de opkomst van de zwarte celibrity-cultuur en het crackgebruik van de jaren tachtig naar het presidentschap van Barack Obama en Black Lives Matter. Het is een aansprekend verhaal dat van context wordt voorzien door zwarte opiniemakers als LL Cool J, Kendrick Lamar. Common en Jay-Z.

Intussen geraakt de sport via met name superster Michael Jordan volledig vercommercialiseerd. Hij opereert als een kameleon, die op verzoek voor iedereen iemand anders kan zijn en zich dus ook niet zomaar laat inzetten voor de zwarte zaak. Zelfs niet als Rodney King voor het oog van de natie gruwelijk wordt mishandeld door enkele witte politieagenten van de Los Angeles Police Department. Zijn redenering daarvoor is even simpel als fnuikend: Republikeinen kopen ook sneakers. Jordan heeft daarnaast een belangrijke les voor alle zwarte sporters goed in zijn oren geknoopt: ‘don’t scare the white man!’.

Met de komst van Donald Trump keert ook het engagement weer helemaal terug in het topbasketbal. Nadat de American footballer Colin Kaepernick uit protest tegen politiegeweld weigert te gaan staan voor het volkslied, verklaart LeBron James zich solidair. ‘Ik heb sport in mijn leven ervaren als iets dat mensen met elkaar verbroedert’, zegt hij in een interview met Don Lemon. ‘Maar Trump gebruikt sport om verdeeldheid te zaaien tussen blank en zwart.’ En daarmee is het zwarte basketbal in zekere zin weer terug bij af. Al zijn de betrokken atleten niet meer automatisch de onderliggende partij.

Student Athlete

Miljoenen kinderen dromen ervan, maar slechts voor een enkeling is een carrière als topsporter daadwerkelijk weggelegd. Elk jaar vindt er een enorme schifting plaats, waarbij een enkele droom voorlopig in leven wordt gehouden terwijl talloze andere worden vertrapt. Bij de voornaamste Amerikaanse sporten, football en basketbal, vindt die selectie voor een belangrijk deel plaats binnen de zogenaamde collegeteams.

Daarbij is iets vreemds aan de hand. Terwijl de schoolteams floreren en hun coaches dik betaald worden, moeten de Student Athletes (88 min.) koste wat het kost amateur blijven. Anders verliezen ze wellicht hun toegang tot een profloopbaan. Deze ‘studenten’ verdienen werkelijk geen rooie rotcent en moeten zich soms in de gekste bochten wringen om te overleven. Dat kan alleen in Amerika, zou je zeggen.

Die misstand is slechts één van de prangende kwesties die wordt aangesneden in deze gedegen film van Sharmeen Obaid-Chinoy en Trish Dalton, waarin enkele (voormalige) talenten worden gevolgd en een gewezen coach en anonieme Nike-medewerker aan het woord komt. Zij trekken zich het lot aan van de jonge helden, die in hun tienerjaren roofbouw plegen op hun lijf en zich zonder problemen laten exploiteren. Terwijl het nog maar de vraag is of ze ooit in aanmerking komen voor een profcontract.

De talenten die vandaag een biedingsoorlog kunnen ontketenen hebben morgen, vanwege een blessure of domme pech, misschien al een glorieuze toekomst achter zich. En dan is er, gelukkig, ook nog altijd die ene positieve uitzondering, die tegen alle verwachtingen een plek in het elitecorps verovert.

Hoop Dreams

 

Documentairemaker Steve James was al eens eregast op het International Documentary Festival Amsterdam. Zijn oeuvre is zeer divers; van het meeslepende portret van de ontspoorde redneck Stevie, die James ooit als idealistische jongeman op het rechte pad probeerde te houden, tot Life Itself, een film over de stervende filmcriticus Roger Ebert.

James’ debuut Hoop Dreams (1994) is misschien wel zijn allermooiste documentaire. In deze bijna drie uur klokkende film, die diverse prijzen won, volgt hij gedurende vier jaar Arthur Agee en William Gates, twee basketbaltalenten uit Chicago die dromen van een carrière in de NBA.

Hoop Dreams is een onvervalst coming of age-drama, waarin de hoofdpersonen ongegeneerd durven te dromen over het achterlaten van de achterbuurt waarin ze opgroeiden en die aspiraties vervolgens, in weerwil van blessures en andere tegenslag, proberen te verwezenlijken.