Ze waren zomaar een Iers bandje. Heel populair, dat wel. Ook bij de meisjes. De Ierse Beatles, zeggen ze nu zelf. Maar dat is natuurlijk zwaar overdreven. Ruim veertig jaar na dato zou er waarschijnlijk geen haan meer kraaien naar The Miami Showband als de groep in 1975 niet betrokken zou zijn geraakt bij het bijzonder gewelddadige conflict over Noord-Ierland.
In ruim drie decennia raakten zo’n 40.000 gewone burgers gewond tijdens ’The Troubles’. 3700 Ieren, vaak op geen enkele manier betrokken bij de strijd om Ulster, stierven een gewelddadige dood. Waaronder drie muzikanten die nu anders waarschijnlijk in het golden oldies-circuit zouden hebben gespeeld: zanger Fran O’Toole, gitarist Tony Geraghty en trompettist Brian McCoy. Ze kwamen op 31 juli 1975 om bij een bloedige bomaanslag: The Miami Showband Massacre (71 min.).
Twee bandleden, bassist Stephen Travers en saxofonist Des McAlea, zaten ook in het Volkswagenbusje dat de band naar huis moest brengen na een optreden in de Castle Ballroom in Banbridge, maar overleefden de tragedie. Een derde, drummer Ray Miller, was in zijn eigen auto op weg naar huis en ontsprong de dans eveneens. Zes Ieren. Vier katholieken, twee protestanten. Al was dat volgens de overlevende bandleden nooit een thema binnen de groep.
In een burgeroorlog is echter niemand veilig en worden er bovendien regelmatig vieze spelletjes gespeeld. In deze boeiende tv-docu belicht Stuart Sender de pogingen van Stephen Travers om de ware toedracht te ontdekken achter de tragedie die drie van zijn muzikale vrienden het leven kostte. Was het een volledig uit klauw gelopen blokkade van de loyalistische Ulster Volunteer Force? Of ging het zelfs om een clandestiene actie van de Britse geheime dienst MI5, die Noord-Ierland koste wat het kost bij Groot-Brittannië wilde houden?
Toen Bob Marley,
de man die het iconische gezicht van reggae zou worden, zich halverwege de
jaren zeventig goed en wel internationaal begon te manifesteren, werd Trojan
Records gedwongen om de tent de sluiten. De Britse
platenmaatschappij had als bruggenhoofd gefungeerd voor de wereldwijde
distributie van de muziekgenres reggae, ska en rocksteady en vroege helden als Derrick Morgan, Toots & The
Maytals, Desmond Dekker, Lee ‘Scratch’ Perry en Jimmy Cliff in de
vaart der volkeren opgestuwd.
Rudeboy: The Story Of Trojan Records (85 min.) blaast het stof van die essentiële
muzikale periode, waarvan het startpunt vrij eenvoudig is te traceren: de onafhankelijkheid
van Jamaica in 1962, waarna 100.000 inwoners verkassen naar de voormalige
kolonisator Groot-Brittannië. Als bruidsschat nemen ze muziek mee naar hun
nieuwe vaderland, die daar wordt omarmd door witte tegenhangers van de
Jamaicaanse rudeboys. Deze
skinheads, arbeidersjongens met gemillimeterde coupes, bretels en kistjes,
maken van ska een multicultureel fenomeen. Later, als ook in het Verenigd
Koninkrijk racisme welig begint te tieren, ontstaat echter ook een
extreemrechtse variant.
Regisseur Nicolas Jack Davies probeert die dampende Trojan-periode (1968-1975) daadwerkelijk te laten herleven met acteurs en een overdaad aan gefictionaliseerde scènes. Die zijn wellicht broodnodig – vanwege beperkt beeldmateriaal van enkele hoofdpersonages – maar leggen het qua authenticiteit af tegen het joyeuze archiefmateriaal. Want daarin gebeurt ‘t, met klassieke songs als Rudy, A Message To You, Monkey Man en Wonderful World, Beautiful People. En daaraan, aan loom of juist lustig swingende muziek die een halve eeuw na dato nog altijd uiterst vitaal klinkt en noopt tot ongegeneerd skanken, ontleent deze film zijn aantrekkingskracht.
‘Welkom bij boyband-theorie’,
zegt Dara terwijl ze met een stift op een whiteboard begint te schrijven. De
Australische Take That-fan wijst op een foto van vier okselfrisse jongens met
bloempotkapsels. ‘Dit zal sommige mensen misschien verbazen, maar het fenomeen
begon met The Beatles. De vroege Beatles.’ Ze verduidelijkt: hun manager zorgde
voor op elkaar afgestemde kleren en liet ze liefdesliedjes en enkele covers
spelen. ‘De marketing en hysterie, alles was op en top boyband.’
Dara probeert het fenomeen
boybands, het thema van de documentaire I
Used To Be Normal: A Boyband Fangirl Story (94 min.), verder te plaatsen.
Leeftijd: tussen 17 en 21 jaar oud. ‘Een boyband is een groep jongens.
Idealiter drie tot vijf, maar vier is zeker ook mogelijk. En dan hebben we de
songthema’s. De voornaamste is, natuurlijk, liefde. Omdat de meisjes die naar
de liedjes luisteren moeten geloven dat de jongens die voor hen zingen.’ En
seks? wil filmmaakster Jessica Leski
weten. ‘Zolang het niet openlijk is.’
Dara, inmiddels een 33-jarige
merkstrategist, ontleedt vervolgens nauwgezet de samenstelling van de groepen.
Allereerst De Mysterieuze. Ze wijst enkele concrete voorbeelden aan op haar
bord: Robbie Williams (Take
That), Zayn (One
Direction), John Lennon (The Beatles) en AJ (Backstreet Boys) van de groepen die
centraal staan in deze film. En dan heeft een beetje boyband nog nodig: Het
Schatje, De (Gevoelige) Oudere Broer en Het Sexy Ventje. ‘Daarvan is de kans
het grootst dat-ie zijn shirt uitheeft.’ En tenslotte is er volgens Dara – we
zouden hem bijna over het hoofd zien – Degene Die Je Altijd Vergeet.
Tenminste eentje van hen moet een instrument kunnen bespelen, stelt de nog altijd overtuigde Take That-fan. ‘Iemand die bij een radio-interview zijn instrument pakt, zodat ze een a capella-liedje kunnen doen.’ Belangrijk is tevens dat de bandleden goed zijn gestyled, in kleren die goed met elkaar matchen. Ook evident: géén baarden, wél gezichtsbeharing. Dara heeft nog meer regels: de groepsleden mogen zichzelf niet te serieus nemen. En vriendinnetjes zijn natuurlijk ook uit den boze! Zelf had ze, net als de andere boybandfans in deze vermakelijke documentaire, een crush op één specifiek lid: Gary Barlow. En dat is achteraf bezien best vreemd: Dara wist als tiener al dat ze op vrouwen viel.
De gemiddelde boyband gaat zo’n vijf jaar mee, constateert de dertiger uit Sidney tot besluit. ‘De hele reden dat dit fenomeen bestaat, los van wereldvrede, is dat het een commerciële onderneming is.’ Waarmee ze haar voornaamste punt heeft gemaakt. Tevreden kijkt Dara nog eens op het bord. In ruim twee minuten, één enkele documentairescène, heeft ze de complete film, die ruim anderhalf uur gebruikt om de impact van boybands op enkele fans te duiden, glashelder uiteen gezet.
The Konrads, Davie Jones And The King Bees en The Lower Third. Ooit hadden deze popbands stuk voor stuk de pretentie om de wereld te veranderen. Ze stierven echter een stille dood, als willekeurige hobbygroepjes die het lokale jeugdhonk nooit ontstegen. De enige reden dat we ze, ruim een halve eeuw na dato, überhaupt zouden kunnen kennen is omdat één bandlid later alsnog wereldberoemd zou worden.
David Jones, een bijzonder ambitieuze jongeman uit Brixton, versleet negen bands in elf jaar. Op achttienjarige leeftijd had hij zichzelf bovendien een andere achternaam gegeven: Bowie. En daarmee zou het in 1973 ein-de-lijk lukken: met Ziggy Stardust werd David Bowie een ster en kregen bandjes als The Konrads, Davie Jones And The King Bees en The Lower Third alsnog een plek in de pophistorie toebedeeld. Net als bijvoorbeeld – popquizzz!!! – The Golliwogs, On A Friday of The Quarrymen.
De televisiedocumentaire David Bowie: Finding Fame (90 min.), ook wel The First Five Years getiteld, graast het terrein af dat Five Years en The Last Five Years, de twee andere Bowie-films van filmmaker Francis Whately, braak hadden laten liggen: de jaren waarin de Britse zanger nog gewoon één van die would be-popsterren was, met véél meer ambitie dan succes. ‘Amateuristisch klinkende zanger die de verkeerde noten en vals zingt’, noteerde een jurylid van het BBC-programma Pick Of The Pops over één van zijn bandjes. Een andere criticaster: ‘Een tandeloos, nietszeggend ensemble dat een zanger zonder karakter begeleidt.’
Met voormalige bandleden, producers, managers, jeugdvrienden en familieleden schetst Whately, die ook de hoofdpersoon zelf veelvuldig aan het woord laat, vaardig de turbulente jonge jaren van de zoeker die er nog geen idee van heeft dat hij een fenomeen zal worden: het liefdeloze gezin dat hem voortbracht, de klotebaantjes, zijn (mislukte) experimenten met andere kunstvormen, al die naamloze bandjes en projectjes én zijn eerste grote liefdes. Zo werd met veel pijn en moeite de bedding gelegd, waar de veelkleurige rivier David Bowie in de navolgende dikke veertig jaar doorheen kon stromen.
‘Jij en ik zijn samengebracht door God’, zou Michael volgens Wade hebben gezegd. ‘We zijn gewoon voorbestemd voor elkaar.’ Wade ‘Little One’ Robson, een Australische Jackson-fan en -imitator, was zeven. Ze waren voor het eerst intiem met elkaar. Er was niks engs aan. Gewoon twee kinderen die elkaar ontdekten – ook al was die ander, in theorie dan, al rond de dertig. Michael beschouwde zichzelf echter als Peter Pan, de jongen die nooit wilde opgroeien. Ze bevonden zich niet voor niets in Neverland. En misschien hoorde daar ook wel orale seks bij.
Jimmy Safechuck had soortgelijke ervaringen. Het Amerikaanse jongetje, dat met Michael in een commercial voor een colamerk had gespeeld, lichtte op onder de blik van het ultieme popicoon en beschouwde alles wat daarna kwam eigenlijk als normaal. En zijn ouders lieten zich, net als de familie van Wade, kinderlijk eenvoudig buitenspel zetten. Verblind als ze waren door Michaels sterrenstatus. Zodat de vriendschap met hun kind, die zelfs uitmondde in een soort van ‘huwelijk’, uitbundig kon bloeien.
Eenmaal uit elkaar, toen de muziek en het tourleven Michael weer riepen, floreerde hun omgang als nooit tevoren met urenlange telefoongesprekken, stapels faxen en logeerpartijtjes. En nog steeds greep er niemand in. Tenminste, als we Robson, Safechuck en hun families moeten geloven. Want Leaving Neverland (244 min.) is hún getuigenis. Ongefilterd, zonder weerwoord. De erven Jackson is niets gevraagd – en Michael zelf ligt alweer bijna tien jaar in zijn graf (waar hij zich nu wellicht omdraait).
Vanaf het moment dat de epische film van de Britse filmmaker Dan Reed eind januari in première ging op het Amerikaanse Sundance Film Festival werd de documentaire genadeloos onder vuur genomen door Michael Jackson-fans. De verklaringen van Robson en Safechuck, die hun relaas volgens Reed volledig los van elkaar hebben gedaan, zouden volstrekt ongeloofwaardig zijn en puur voor de poen. Echte Jacksonites bleven volledig overtuigd van Michaels onschuld en riepen dat van de hoogste toren – zónder overigens dat ze de film hadden gezien.
En nu is de gewraakte documentaire dan eindelijk toegankelijk gemaakt voor de ganse wereld. Met twee mannen, en hun directe verwanten, die helemaal tot de bodem gaan. En een regisseur die hun schokkende ervaringen, ondersteund door bijzonder archiefmateriaal van het in opspraak geraakte idool en de jongetjes die zij ooit geweest moeten zijn, met grootse (overzichts)shots en weelderige muziek heeft ingekleurd. Hij geeft ze bovendien alle tijd van de wereld: meer dan vier uur zuivere speeltijd.
Uit die (te) uitputtende interviews valt een verontrustende narratief te destilleren. Van een eeuwig (en beschadigd) kind, dat elk jaar een jeugdig object zoekt – een afspiegeling van zijn jonge, onschuldige zelf wellicht – waarop hij zijn liefde en lust kan projecteren. Totdat er een nieuw liefdeskind langskomt en z’n huidige protegé wordt afgedankt (of zich althans zo voelt). Voor wat het waard is: de andere jongensnamen die in dat verband vallen, waaronder de vermaarde kinderster Macaulay Culkin, houden (tot dusver) vol dat ze nooit een seksuele relatie hebben gehad met Jackson.
Waarmee je zou kunnen
concluderen dat de nee- of nikszeggers het betoog van de ja-sprekers in deze interviewfilm
vakkundig neutraliseren. Gezien de mate van detail in de belastende
verklaringen van Robson en Safechuck, en het indirecte ondersteunende
bewijsmateriaal, laten die zich echter niet zomaar wegredeneren. Het zijn
aangrijpende, van schuld en schaamte doortrokken verhalen die blijven resoneren.
Hetzelfde geldt voor deze krachtige, hoewel wat overcomplete documentaire, die
het beeld van Michael Jackson wel
eens definitief zou kunnen doen kantelen.
Binnen enkele uren is Neverland niet alleen voor Jacksons voormalige oogappels een plek geworden die je, als je er eenmaal geweest bent, nooit meer helemaal kunt verlaten.
Ik herinner het me als de dag van gisteren: ‘I heard the Jews are having a pyjama party at the concentration camp.’ Hij zei ’t echt, tijdens een optreden op het Take Root-festival in Tilburg in 2002. De Amerikaanse singer-songwriter Daniel Johnston. Een dikkige wereldvreemde kerel, die zich met onvaste stem en onbeholpen gitaarspel door zijn eigen oeuvre worstelde. De Holocaust-grap vormde de anticlimax van een sowieso erg ongemakkelijk optreden, waarin hij ook nog verhaalde over een man die de doodstraf had gekregen vanwege een zelfmoordpoging.
Helemaal verbaasd over zijn ontregel(en)de gedrag konden concertgangers niet zijn. De wilde verhalen waren Johnston al vooruitgesneld. En die werden drie jaar later, in 2005, allemaal nog eens bevestigd, van een zeer persoonlijke context voorzien en met ongelooflijk veel verve uitgeserveerd in de overrompelende documentaire The Devil And Daniel Johnston (110 min.) van Jeff Feuerzeig. Het is een portret waarin de hoofdpersoon op alle mogelijke manieren aanwezig is (via zijn muziek, kunstprojecten, familiefilmpjes en archiefmateriaal), maar zelf niet wordt bevraagd. Dat is ook nauwelijks mogelijk.
Behalve een hele stoet liefhebbers en fans komen wel zijn betrokken vader, moeder, broer en zus aan het woord. Daniel zelf laat van zich horen via talloze audiocassettes die hij gedurende de jaren heeft gemaakt. Daarop stort hij zijn hart uit, gaat als een gek tekeer over Satan en legt tevens stiekem situaties in familiekring vast. ’Ik wil niet dat mijn zoon het lachertje wordt’, hoor je zijn moeder Mabel bijvoorbeeld tegen de jonge Daniel tieren. ‘Maar dat is wat je bent.’ De instabiele artistiekeling, gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis, blijkt al van jongs af aan het zorgenkindje van een gelovig gezin. Volgens zijn beste vriend David Thornberry noemde zijn moeder hem regelmatig een ‘unprofitable servant of the Lord’. Daniel zelf verbasterde dat op geheel eigen wijze dan tot ‘an unservicable prophet’.
Daniels beeld van de wereld komt gaandeweg steeds meer op gespannen voet te staan met de werkelijkheid van anderen. Op de plaatselijke kunstacademie ontmoet hij bijvoorbeeld de liefde van zijn leven Laurie Allen, die hij op camera braaf ‘I love you, Danny’ laat zeggen. Zij heeft echter geen idee van zijn gevoelens en al wel een vriendje. Meer heeft Daniel niet nodig om in een diepe depressie te raken. In zekere zin geniet hij, volgens zijn vriend David, echter ook van de ontstane situatie: met haar afwijzing heeft hij iets om zich diep ongelukkig over te voelen. Er zullen nog vele inzinkingen volgen, met de bijbehorende waanbeelden, paranoia en verplichte opnames – en onnavolgbare muziek en tekeningen.
Illustratief is een bizar optreden in de New Yorkse undergroundclub Piers Platter, waarbij Daniel het publiek laat meezingen met het bijzonder macabere lied Funeral Home: ‘Funeral home. Funeral home. Going to the funeral home. Got me a coffin, shiny and black. I’m going to the funeral and I’m never coming back.’ Met zulke ziel snijdende performances verwerft hij begin jaren negentig een cultstatus, zeker nadat Nirvana-zanger Kurt Cobain zich laat vereeuwigen met een Daniel Johnston T-shirt. Vanuit een psychiatrisch ziekenhuis onderhandelt de man zelf intussen met platenmaatschappijen. Tot een succesvolle carrière zal het echter nooit komen. Johnston blijft een figuur in de marge, die vanuit zijn ouderlijk huis een gestage stroom songs en tekeningen (die ook worden geëxposeerd en verkocht) op gang houdt.
‘Ik weet zeker dat Daniel straks naar de hemel gaat’, zegt één van de sprekers in deze bijzonder aangrijpende film. ‘Want in de hel is hij al geweest.’
In 2015 verscheen er nog een lekker speelse korte film met de singer-songwriter, getiteld Hi, How Are You Daniel Johnston?, waarin geanimeerde versies van de jeugdige en oudere Daniel met elkaar in gesprek gaan en de filmmaker zelf, Gabriel Sunday, in enkele scènes een jonge Johnston speelt. Met bovendien een fraai nummer van Lana del Rey, Some Things Last A Long Time.
Als één zwarte soulzanger zich grondig heeft laten ‘whitewashen’, dan is het Sam Cooke. Hij leeft voort als de man van gladgestreken popsoulsongs als Wonderful World, Cupid en You Send Me. Een zwarte Sinatra. Zijn vader waarschuwde hem al: ‘Je kunt de wereld winnen en je ziel verliezen.’ Maar Sam wilde van jongs af aan wereldberoemd worden. Pas na zijn vroegtijdige dood in 1964 werd A Change Is Gonna Come uitgebracht, een lijflied van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging.
In de geoliede popdocu The Two Killings Of Sam Cooke (74 min.) schetsen voormalige vrienden en medewerkers van de zakelijk ingestelde zanger en tijdgenoten als Smokey Robinson, Dionne Warwick en Quincy Jones de opkomst van Cooke, die gaandeweg steeds nadrukkelijker voor zichzelf opkwam en gelijkgestemden vond in politiek activist Malcolm X, acteur Jim Brown en bokser Mohammed Ali. Gezamenlijk stonden ze aan de basis van een nieuw zwart zelfbewustzijn dat Black Power zou gaan heten. Tegen de tijd dat de burgerrechtenbeweging goed op gang kwam, was Sam Cooke echter al dood.
Hij stierf als de eerste de beste ‘nikker’. Onder mysterieuze omstandigheden doodgeschoten in het haveloze Hacienda Motel in de beruchte Watts-wijk van Los Angeles. Theorieën over wat zich daar heeft afgespeeld waren er te over. Had de vrouw die de trekker waarschijnlijk overhaalde zich moeten verdedigen tegen de agressieve dronkenlap Cooke? Was de succesvolle zanger op slinkse wijze beroofd? Of ging het toch om een samenzwering tegen een zwarte artiest die zijn plaats niet wist in een industrie, die van oudsher wordt gerund door louter witte mannen?
Een serieus onderzoek naar zijn gewelddadige dood is er volgens deze documentaire van Kelly Duane nooit gekomen. Als zoiets al met de grote Sam Cooke kon gebeuren, wat had een gewone afro-Amerikaan in de roerige tijden van Martin Luther King, Malcolm X en Medgar Evers dan van de autoriteiten te verwachten? Die vraag is, getuige de Black Lives Matter-beweging, verrassend actueel. En zoals er nu grootschalige protesten ontstonden na de gewelddadige dood van Freddie Gray, Eric Garner en Mike Brown, zou het na Cookes dood blijven broeien in Watts, dat in 1965 het toneel werd van serieuze rassenrellen.
Bart Chabot leidt de hoofdpersoon van deze documentaire op geheel eigen wijze in: nee, hij is niet zo bekend als Barry Hay of Herman Brood, maar hij is de beste muzikant van de Nederlandse popscene, iedereen wil met hem werken en toch wordt-ie niet herkend op straat. Heeft u al door over welke Onbekende Nederlander de inmiddels dolenthousiaste Chabot het heeft? Gelukkig worden nu de usual suspects voorgesteld die de man in kwestie verder zullen duiden: Cesar Zuiderwijk, Henk Hofstede, Anton Corbijn, Rinus Gerritsen en Freek de Jonge. Stuk voor stuk hebben ze gewerkt met – tromgeroffel, doodse stilte, trompetgeschal! – Robert Jan Stips – De Tovenaar Van De Nederpop (59 min.).
In strandpaviljoen De Fuut in zijn thuisstad Den Haag tovert Stips aan een nieuwe plaat, waarmee hij wil voortborduren op het magische werk van zijn eerste bandje Supersister. Hij laat zich daarbij tevens ondersteunen door vroegere vrienden uit die vermaarde progrockgroep uit de sixties. Ook de ‘simpele rock & roll-muzikanten’ van enkele vooraanstaande vaderlandse bands melden zich voor de opnamesessies. Terwijl de oude kameraden elkaar begroeten en onder leiding van Stips samen gaan musiceren, loopt regisseur Marcel Goedhart de carrière van de multi-instrumentalist door: van Supersister via Golden Earring, Gruppo Sportivo, Sweet D’ Buster en The Nits naar Freek de Jonge.
Het bevalt Robert Jan Stips wel, die rol in ‘de subtop’. Op die manier heb je als muzikant een langer leven, meent hij. Misschien is het ook een manier om enigszins op afstand te blijven, ga je als kijker denken. Zeker als je vervolgens zijn dramatische familieverhaal krijgt te horen (dat Goedhart ondersteunt met enkele fraaie geanimeerde scènes). Met name de relatie met zijn vader, die in zijn hart misschien ook kunstenaar had willen zijn, maar zijn dagen sleet als ambtenaar, speelt Stips nog altijd parten. ‘Het vaderschap heb ik zelf moeten uitvinden. En daar ben ik ook niet altijd even goed in’, zegt hij. ‘Ik vind het lastig om heel warm te zijn naar het gezin toe. Dat zou wel warmer kunnen.’ Zelfs in de muziek is dat zo, constateert hij. ‘Misschien maak ik daarom ook wel andersoortige muziek dan blues of liefdesliedjes.’
Met die muziek heeft hij niettemin vrienden voor het leven gemaakt, in de Nederlandse muzikantenscene, maar ook ver daarbuiten. Met de internationaal vermaarde fotograaf en filmregisseur Anton Corbijn bijvoorbeeld, die zich nog goed kan herinneren hoe hij in 1973 als middelbare scholier een fotoshoot mocht doen met de band waarvan hij al enkele jaren fan was. Als tegenprestatie, vertelt hij met hartverwarmend enthousiasme, stelde Corbijn alles in het werk om vele jaren later de Supersister-evergreen She Was Naked een plek te geven in zijn debuutfilm Control. En dat viel weer in goede aarde binnen de internationale progrockscene, waarbinnen de eerste band van Stips – Arjay voor zijn Amerikaanse fans – nog altijd een cultstatus heeft.
Zo ontvouwt zich een liefdevol portret van een gewaardeerde muzikant, die op een gracieuze manier ouder en grijzer is geworden (al zijn die strakblauwe kijkers gebleven). En daarbij neem je de wat gekunstelde barscène met Bart Chabot, die natuurlijk ook op gedragen toon een punt mag zetten achter de film, over waarom die nederpoptovenaar nooit een Bekende Nederlander is geworden maar voor lief. Zou het misschien kunnen – in de oren van Hay- en Brood-adepten klinkt dat wellicht ongeloofwaardig – dat Robert Jan Stips ‘gewoon’ prettig bescheiden is (gebleven) en ervoor kiest om vooral via zijn instrumentarium te spreken?
Hoeveel documentaires zitten er in één enkel mensenleven? Willekeurig voorbeeld: Lennon, J.W. Geboren op 9 oktober 1940 in Liverpool, Engeland. Zanger, gitarist, acteur en – vooruit – liedjesschrijver. Gestorven op veertigjarige leeftijd op 8 december 1980 te New York, Verenigde Staten. Laten we eens kijken…
Na het verscheiden van zijn band leefde Lennon, J.W. overigens nog even door. Zijn periode in New York, activiteiten als anti-oorlogsactivist, de moordaanslag die hem het leven kostte en ’s mans allerlaatste interview zijn allemaal geboekstaafd voor de eeuwigheid. Voor de zekerheid verschenen er ook biografieën zoals Imagine over de man die anders, natuurlijk, al lang en breed vergeten zou zijn. U begrijpt dat dit bepaald geen uitputtend overzicht is. Hooguit een zeer willekeurige selectie. Één aspect verdiende in elk geval nog verdere uitwerking volgens regisseur Michael Epstein, die in 2011 al LennoNYC maakte: de totstandkoming van het soloalbum Imagine uit 1971 en de samenwerking met Lennons toenmalige echtgenote. Het resultaat luistert naar de naam John & Yoko: Above Us Only Sky (88 min.).
Met direct betrokkenen en Ono, Y. zelf worden de opnames in Lennons thuisstudio op Tittenhurst Park, onder leiding van producer Spector, H.P., gereconstrueerd, met bijzondere aandacht voor dat liedje over die jaloerse vent, het inmiddels best wel bekende titelnummer en een later uitgebracht klassiek kerstliedje. De invloed van zijn Japanse echtgenote mag daarbij niet worden onderschat, betogen diverse intimi die het wel eens zouden kunnen weten. Dat wordt ook zichtbaar. Het gehele proces is door een alerte cameraploeg en fotograaf vastgelegd. Als Lennon, J.W. een scheet zou hebben gelaten – wat bij een man van zijn kaliber nauwelijks is voor te stellen – dan was die beslist voor het nageslacht vastgelegd.
Zo is ook in beeld gevangen hoe Lennon, J.W. uitgebreid in gesprek gaat met een door hem geobsedeerde Vietnam-veteraan met PTSS, die plotseling aan de poort van zijn landgoed op het Britse platteland staat. ‘Verwar de songs niet met je eigen leven’, houdt Lennon hem voor. Deze Claudio laat zich echter niet zomaar uit het veld slaan: ‘Weet je nog dat je schreef: je kunt uitstralen en penetreren wat je wilt? Syndiceren wat je wilt.’ J.W. blijft nuchter: ‘Toen speelde ik wat met woorden.’ Sterker: het was Ono, Y. die ooit met de termen ‘radiate’ en ‘syndicate’ op de proppen kwam. De verwarde jongen mag naderhand echter gewoon mee-eten in huize Lennon. De innemende scène tekent het oog voor detail waarmee ook dit tamelijk belangwekkende hoofdstuk uit J.W. Lennons bestaan, en daarmee ook de wereldwijde popgeschiedenis, nu is gedocumenteerd.
Henny ontvangt zijn zoon. Xander heeft een nieuwe bas meegebracht. Vader speelt het kenmerkende basloopje van Doris Day en constateert: ‘Ik mis bas.’ Hij probeert nog een stukje. Pesterig: ‘Nou, dan ga ik even een bas pakken.’ Even later, als Henny zijn eigen instrument bespeelt: ‘Hoor je hem? Dit is bas.’ Nu is het de beurt aan Xander om te stangen. ‘Dat is toch totaal over de top’, zegt hij tegen zijn vader. ‘Jij doet alsof het daarom gaat.’ Henny legt het nog één keer uit: ‘B.A.S.’ Hij laat een stilte vallen: ‘Bas.’
Ze lijken lijnrecht tegenover elkaar te staan, vader en zoon Vrienten. Kort door de bocht: Henny is van het gevoel, Xander van de techniek. Wat hen bindt is dat ene snaarinstrument. Vader werd er met Doe Maar een Nederlandse wereldster mee, zoon speelt de exemplarische dienende rol bij Jett Rebel. Want dat kleeft er aan de door hen zo geliefde basgitaar: hij wordt bespeeld door waterdragers, kleurloze types die nu eenmaal niets anders kunnen. Zoals je alleen keeper wordt als je niet kunt voetballen, gelden bassisten als mislukte gitaristen.
De delicieuze documentaire Vrienten & Vrienten In: Basmannen (54 min.), waarin Henny en Xander collega-bassisten zoals Rinus Gerritsen (Golden Earring; men neme bijvoorbeeld de signatuur-baslijn van Radar Love), Herman Deinum (Cuby And The Blizzards), Michel van Schie (Trijntje Oosterhuis), Glen Gaddum Jr. (Anouk), Gino Cochise (Sarah-Jane) en Hein Offermans (Guus Meeuwis) en zijn dochter Jasja (India Askin) bezoeken en met hen spreken over het vak, bewijst het tegendeel. Dit zijn rasmuzikanten. Als kinderen in een zéér exclusieve snoepwinkel bewonderen ze elkaars instrumenten. Soms mogen ze het zelfs vasthouden en eventjes bespelen.
Hoewel ze zich wel eens verliezen in name dropping en vakjargon is de liefde en trots (t-shirt: ‘like most musicians you’re following the bass player’) waarmee deze bassisten van verschillende muziekgeneraties over hun stiel vertellen onweerstaanbaar. Net als de blikken die ze in deze film van Joris Postema uitwisselen tijdens het samen spelen – of de irritatie als dat niet helemaal lekker loopt. Vakmanschap is meesterschap, vat Henny Vrienten, die de afgelopen jaren al in diverse fijne muziekdocumentaires floreerde, het gloedvol samen. Geschraagd door pure liefde voor het vak.
Deze muziekfilm, die thematisch een vervolg lijkt op de documentaire Gitaarjongens van Erik de Bruyn uit 2013, heeft in de wisselwerking tussen vader en zoon Vrienten een sterke troef. Xander had vroeger last van een soort Jordi Cruijff-complex, waardoor hij zich aanvankelijk puur op gitaar richtte. Niet vreemd: zijn vader geldt als één van Neerlands toonaangevende bassisten. Tot overmaat van ramp schreef hij ook nog eens de enorme hit Pa. De puber Xander speelde een bij voorbaat verloren wedstrijd. ‘Kap nou eens met die dad-issues en pak die bas aan’, beet een vriend hem uiteindelijk toe. En zo geschiedde.
Nu kan zoon zich als bassist moeiteloos meten met vader. Al zijn de verschillen gebleven. Als Xander aan Henny een jazzimprovisatie van een bassist en drummer laat luisteren, vraagt die na enige bedenktijd: ‘zouden ze elkaar horen?’ Ook voor zijn zoon heeft pa Vrienten nog wel wat vaderlijk advies: Xander moet gewoon de ‘noodzakelijke basnoten’ spelen, in plaats van ‘snarenfietsen’. En zo steggelen deze gezworen Basmannen vrolijk verder. Met elkaar, hun instrument (de b.a.s.) én de kijker, die onbedaarlijk zit te smullen.
‘Age ain’t nothing but a number’, zong de vijftienjarige zangeres Aaliyah in 1994. ‘Take my hand and come with me. Let me show you to ecstacy. Boy be brave, don’t be afraid. Cause tonight we’re gonna go all the way.’ De hitsingle Age Ain’t Nothing But A Number werd geschreven door de twaalf jaar oudere Robert Sylvester Kelly, oftewel R&B-superster R. Kelly, met wie ze later dat jaar, zogenaamd als achttienjarige, kortstondig in het huwelijk zou treden. De affaire werd een flinke mediahype, die voor de man in kwestie verder geen serieuze consequenties had.
Een voorliefde voor jonge meisjes hoeft geen onoverkomelijke kwestie te zijn voor popsterren of rock & rollers. ‘I’ll do anything for my sweet sixteen, zong Billy Idol niet voor niets. Jerry Lee Lewis zag er ook geen kwaad in en trouwde zijn dertienjarige nichtje. ‘I can see that you’re fifteen years old’, sneerde Mick Jagger enige tijd later in de Rolling Stones-evergreen Stray Cat Blues. ‘No, I don’t want your ID.’ Zijn bandmaatje Bill Wyman, tegen de vijftig inmiddels, zou later de daad bij het woord voegen en werd verliefd op de dertienjarige Mandy Smith. Toen ze achttien was, konden ze trouwen. Net voordat het huwelijk stuk liep, trouwde Wymans oudste zoon nog met Smiths moeder.
Het tienersterretje Aaliyah is inmiddels al achttien jaar dood, in 2001 gestorven tijdens een vliegtuigongeluk. Haar voormalige echtgenoot R. Kelly kan zich zo langzamerhand gaan opmaken voor een bestaan als Robert K. De man, toepasselijke ‘survivor’-tattoo op de onderarm, waant zich al decennia onaantastbaar, maar het net begint zich nu toch echt te sluiten rond de glibber die een miljoenenpubliek wijs heeft gemaakt dat hij kan vliegen. De zesdelige televisiedocu Surviving R. Kelly (297 min.), waarvan Kelly uitzending heeft proberen te voorkomen, is een nieuwe nagel aan de doodskist van het seksuele roofdier, dat zich tot dusver door niets of niemand heeft laten kooien.
Sinds hij begin jaren negentig carrière begon te maken als
zanger en songschrijver wordt R. Kelly omgeven door hardnekkige geruchten over
seksueel misbruik. Volgens diverse getuigen in deze vet aangezette serie,
volgepompt met slicke shots en dreigende muziekjes, hing hij als twintiger al
geregeld rond op middelbare scholen, hongerig naar nieuw tienervlees. Sindsdien
heeft Kelly zijn modus operandi alleen maar geprofessionaliseerd. Als een volledig
oversekste rattenvanger van Hamelen, een imago dat hem ook als artiest wel past,
is hij altijd op zoek gebleven naar ambitieuze zangeresjes, die goedschiks dan
wel kwaadschiks hun carrière een zetje in de goede richting willen geven.
Ook z’n fans zijn niet veilig voor R. Kelly. Jerhonda Pace bijvoorbeeld is veertien als ze haar held in 2008 ontmoet bij de rechtbank, waar hij zich moet verdedigen vanwege het bezit van kinderporno, in het bijzonder een videotape waarop hij seks zou hebben met een minderjarig meisje. Jerhonda wordt bij hem thuis uitgenodigd. Ze is nog maagd. ‘Dat komt goed uit’, zou Kelly hebben gezegd. ‘Dan kan ik je zelf trainen en van je maagdelijkheid verlossen.’ Als het zover komt, is de zanger nog in de veronderstelling dat ze meerderjarig is. Hij laat zich echter niet ontmoedigen door haar identiteitsbewijs. ‘Blijf tegen iedereen zeggen dat je achttien ben’, zou hij haar hebben geadviseerd. ‘En gedraag je als 21.’
Alle getuigenissen in deze serie tezamen – van familieleden, medewerkers, journalisten, deskundigen, familieleden en talloze misbruikte meisjes, waaronder zijn ex-vrouw Andrea – schetsen een onthutsend beeld van R. Kelly als een ongelooflijke machtswellusteling, die jarenlang vrijelijk zijn gang mocht gaan en zijn eigen sekssekte kon stichten. Omdat zijn hele entourage, die wel degelijk op de hoogte was van Kellys lopende band met véél te jonge meisjes en de gretige afname daarvan door ‘daddy’ zelf, besloot om niet in te grijpen, de lippen stijf op elkaar te houden en eventuele geruchten erover de kop in te drukken. Ook toen er geweld, videocamera’s en gevangenschap aan te pas kwamen.
Die attitude is in zekere zin nog altijd in Surviving R. Kelly te herkennen. Waar in vrijwel elke muziekdocu een hele trits popsterren zijn licht over de hoofdpersoon laat schijnen, telt deze er welgeteld één: John Legend. Anderen wilden (of durfden) blijkbaar hun vingers nog altijd niet te branden aan de dirty old man van de zwarte Amerikaanse muziek, die een volledig verknipte relatie met seksualiteit lijkt te hebben (gekregen). Het gevolg is een #metoo-kwestie in het kwadraat, waarvoor deze gelikte en erg lange documentaireserie, inclusief bevrijdingsactie met verborgen camera, een enorme berg bewijsmateriaal overlegt aan het grote publiek, dat nu voor ‘judge’ en ‘jury’ mag fungeren.
Volgens Ray Davies is het album ‘de meest succesvolle flop aller tijden’. Het duurde in elk geval een halve eeuw voordat er 100.000 exemplaren waren verkocht van The Kinks Are The Village Green Preservation Society, de zesde studioplaat van zijn band uit 1968. Zanger en songschrijver Ray, zijn gitarende broer Dave en drummer Mick Avory blikken in The Kinks: Echoes Of A World (71 min.) terug op het laatste album dat ze in de originele bezetting van de band maakten.
Ze worden vergezeld door het gebruikelijke contingent aan musicerende bewonderaars, zoals Paul Weller (The Jam), Suggs (Madness) en Graham Coxon (Blur), dat zich, ook al zoals gebruikelijk, in louter superlatieven uitlaat over The Kinks en dit conceptalbum in het bijzonder, dat toentertijd desondanks geen enkele hitsingle opleverde. ‘Het is net zo belangrijk als Sergeant Pepper’, stelt Oasis-spil Noel Gallagher, die de plaat vergelijkt met de Beatles-klassieker. ‘Voor mij is het een soort vervolg.’ En stuk voor stuk zouden deze beroemde fans zich zelf ook schuldig maken aan eigen ‘vervolgen’ op het Kinks-oeuvre.
‘We waren niet de beste band die er ooit bestond’, blijft de bewierookte songschrijver Ray Davies nochtans bescheiden. ‘Maar we hadden momenten waarop we de hele wereld aankonden.’ Deze eikenhouten televisiedocumentaire van Charlie Thomas gebruikt het welbekende Classic Albums-stramien, waarin een klassieke popplaat track voor track wordt doorgenomen, om de schijnwerper te zetten op één van die momenten. Toen de wereld nog niet klaar leek voor wat de typisch Britse Kinks hadden te bieden.
Thomas’ enige echt opmerkelijke keuze komt in de gedaante van acteur Danny Horn, die in de succesvolle musical Sunny Afternoon een jonge Ray Davies vertolkte en nu op camera diens herinneringen verwoordt aan de langspeler waarmee hij de (imaginaire) wereld van zijn jeugd opnieuw tot leven wekte. Die toevoeging voelt uiteindelijk wat als een fremdkörper in een verder heel traditioneel opgezette popdocu.
‘Als ik een suggestie doe, wil ik ook dat we het uitproberen.’ Luke Goss probeert duidelijk een punt te maken vanachter zijn drumkit. ‘Als het shit is, kunnen we het altijd nog weggooien.’ Zijn tweelingbroer Matt, zanger en boegbeeld van Bros, kijkt hem moedeloos aan. Hij speelt al sinds jaar en dag de eerste viool. En dat zit Luke, die toch echt elf minuten ouder is, nog altijd niet lekker. Helemaal niet lekker zelfs.
De Britse gebroeders Goss lopen inmiddels tegen de vijftig en zijn verder gegaan met de rest van hun leven nadat hun tienerbandje in 1992 definitief implodeerde. Luke is tegenwoordig filmmaker in Los Angeles en draagt opvallend verantwoorde shirts van Green Day, CBGB en Soundgarden, Matt werkt als entertainer in Las Vegas. De broers hebben weinig contact met elkaar. Zodra ze hun groepje 25 jaar na dato reanimeren voor de verplichte reünietournee en samen met een groep sessiemuzikanten alvast oude magie proberen op te roepen in de repetitieruimte, speelt alle vroegere wedijver echter direct weer op.
De filmmakers David Soutar en Joe Pearlman hebben zich vast stiekem staan te verkneukelen tijdens de opnames voor Bros: After The Screaming Stops (97 min.) over de lange tenen, het kinderachtige geruzie en de gekrenkte ego’s van de tweeling. Met terugwerkende kracht is het heel gemakkelijk voor te stellen dat Bros één van de meest gehate acts van het einde van de jaren tachtig was. Behalve bij The Brosettes natuurlijk, tienermeisjes die soms dagenlang bivakkeerden voor het ouderlijk huis van de Gossjes. Ook toen waren hoog oplopende emoties nooit ver weg.
Deze film markeert de tijdelijke terugkeer van de broers – Craig Logan, de oorspronkelijke bassist van Bros is in geen velden of wegen te bekennen – en oogt soms bijna als een mockumentary, waarbij ieder ogenblik David Brent voor de camera kan springen of Vanilla Ice zich (ongevraagd) meldt voor een cameo-rol. Terwijl het stadionconcert steeds dichterbij komt, lopen de spanningen tussen de tweelingbroers, die in de afgelopen jaren ook nog hun moeder hebben moeten afgeven, zienderogen op. Kunnen ze de ballast uit het verleden achter zich laten?
Iedereen die de regels van het spel kent, kan moeiteloos voorspellen of deze Spinal Tap voor boybands eindigt met een daverende ruzie of toch met een glorieuze verzoening. En daarna, dat staat ook op voorhand vast, is het tijd voor de onvermijdelijke climax, de wereldhit die zich al dertig jaar schuilhoudt in de voetnoten van de pophistorie: When Will I Be Famous?. Die klinkt als… – laten we zeggen – vanouds.
Zien en – vooral – worden gezien. Liza Minelli, Bianca Jagger en Andy Warhol. Farah Fawcett, Sylvester Stallone en Truman Capote. Rod Stewart, O.J. Simpson en Michael Jackson (met een gigantische afro). Als je halverwege de jaren zeventig dacht dat je iets voorstelde, dan zorgde je ervoor dat je op de gastenlijst van Studio 54 (99 min.) belandde en zette je vervolgens je allerbeste beentje voor op de dansvloer. En buiten stond het gewone volk in een eindeloze rij te wachten, op een goede bui van de portier.
Was het meer dan schaamteloos exhibitionisme? In deze documentaire, aangekleed met smakelijk archiefmateriaal en volvette discomuziek, houden voormalige betrokkenen vol dat de New Yorkse club, behalve een gecultiveerde celebrity-verering, ook een podium bood aan seksuele bevrijding, van homoseksuelen in het bijzonder. Sex was in the air, herinnert één van de betrokkenen zich met overduidelijk genoegen. Achteraf bezien was die dampende periode niet meer dan een wankele brug tussen een verleden in de kast en een bedompte toekomst, waarin het aidsvirus de swingende atmosfeer rigoureus de nek zou omdraaien.
Toen was Studio 54 echter allang ter ziele. Na slechts drie absolute tropenjaren. In die periode waren er de gebruikelijke problemen met vergunningen, drugs en justitie, waarbij de eigenaren van Studio 54 zich lieten vertegenwoordigen door de beruchte advocaat Roy Cohn, de voormalige rechterhand van de dubieuze communistenjager Joe McCarthy en mentor van een ambitieuze jonge vastgoedman, ene Donald Trump. Waren er connecties tussen de disco-eigenaren en de georganiseerde misdaad? Getuige deze onderhoudende film van Matt Tyrnauer werd er in elk geval flink belasting ontdoken. En dat zou de eigenaren duur komen te staan…
Als je hem ziet staan hakken op dat hardcorefeest, te midden van al die strakke koppen, doet niets vermoeden dat Matthijs Wognum over een onvermoed muzikaal talent beschikt. Hij oogt als een archetypische gabber: kaalgeschoren kop met staartje, een flinke tribal-tattoo op de rechterschouder en gekleed in dat typische hardcore-uniform (een Australian-pet, Lonsdale-shirt en Thunderdome-jas).
In een muziekwinkel wordt de veertiger ineens een ander mens. Hij bespeelt de vacante vleugel alsof zijn leven ervan afhangt – en dat zou ook zomaar het geval kunnen zijn. Zijn jongere vriend René ziet alleen weinig in zo’n bakbeest in de kamer. En hij weet als geen ander hoe gefrustreerd Matthijs kan raken tijdens het piano spelen. ‘Max, hou je bek dicht!’, schreeuwt hij even later tegen zijn huisdier als het niet wil lukken. ‘Godverdomme, kuthond!’ Het komt uit de grond van zijn hart. Want de oudere jongere wil niet zomaar spelen. Hij jaagt zijn jeugddroom na.
In de observerende documentaire Wognum (54 min.) zit de 27-jarige Tim Bary de aspirant-pianist negen maanden lang héél dicht op de hielen. Als een zeer opmerkzame vlieg op de muur legt hij vast hoe Matthijs rücksichtslos voor zichzelf kiest. Eindelijk!, vindt hij zelf. ‘Iedereen kan even de touwtyfus genieten, om het heel egoïstisch te zeggen’, beweert de aspirant-pianist als hij heeft besloten om de vleugel tóch aan te schaffen. Terwijl hij ongeduldig staat te wachten totdat het ding wordt afgeleverd, komt René aangelopen. ’Ah, daar hebben we de directie’, klinkt het vijandig.
Matthijs laat zich deze tweede kans beslist niet afnemen – of hem dat nu zijn geliefde kost of niet. In deze fraaie, persoonlijke film, waarmee Bary afstudeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, is te zien hoe hij zichzelf heruitvindt als concertpianist en alle schroom van zich afspeelt. Intussen worden de vooroordelen, die serieuze muziekliefhebbers wellicht hadden over de overjarige gabber die zonodig klassiek piano moet spelen, kneiterhard verpulverd, maar kan zijn relatie elk moment onder de druk bezwijken.
De succesvolste Nederlandse rapper Ronnie Flex wordt vader, maar wil niet zeggen wie de moeder van het kind is. De afgelopen tijd stonden de roddelbladen er vol mee. Enkele weken eerder werden diezelfde pagina’s gevuld met het verhaal dat Flex en YouTube-ster Famke Louise een setje zouden zijn. Zij is echter niet zwanger.
Vanuit marketingtechnisch oogpunt zou je zulke reuring de ideale opmaat kunnen noemen voor deze vierdelige documentaireserie over Famke Louise, het negentienjarige meisje uit Hoogezand dat ineens wereldberoemd werd. En supergehaat, dat ook. Met een fanatisme dat in Nederland, voor zover ik het kan overzien, tot dusver was voorbehouden aan Dinand Woesthoff, de voormalige zanger van Kane.
Met een geheel eigen mengeling van verbazing, lol en ingehouden vrees leest de hoofdpersoon in de eerste aflevering van Famke Louise, De Documentaire (97 min.) voor waar ze online zoal voor wordt uitgemaakt. Het leeuwendeel is het herhalen echt niet waard. Veel ziektes, scheldwoorden en slechtbedoelde adviezen. En tijdens optredens is er altijd wel iemand die ‘hoer’ roept, zijn middelvinger opsteekt of een lading bier over haar heen probeert te kieperen. Het is, blijkbaar, de tol van de roem.
Famke Louise speelt zelf opzichtig met haar imago van ‘the babe you love to hate’ en maakt van haar hart bepaald geen moordkuil. ‘Neem die oorbellen mee van die slet’, sneert ze in de hitsingle Zonder Jou naar haar (foute?) ex-vriend Tim van Teunenbroek, alias vlogger Gameking, met wie ze een in het openbaar geconsumeerde en beëindigde relatie had. ‘Ik hoef die shit niet meer te vinden in mijn bed.’
Bij een zo publiek geleefd bestaan is het natuurlijk de vraag wat een documentaire nog kan toevoegen. Deze vierdelige serie van Elza Jo Tratlehner levert in elk geval extra achterkant bij het fenomeen Famke Louise: clipopnames, een schrijverskamp om liedjes te fabriceren en de bezichtiging van een nieuwe woning. En daarnaast – verplicht, want haar management heeft grootse plannen – zangles, dansles, mediatraining en een mental coach. Die laatste helpt haar met losgaan bij optredens, want dat wil nog niet helemaal lukken.
Stilistisch sluit deze ‘allereerste documentaireserie over de veelbesproken Famke Louise’ (aldus Videoland, dat blijkbaar nog meer series voorziet) perfect aan bij de vlogcultuur. Het camerawerk en de montage zijn erg hoekig. Bovendien zijn de afleveringen zeer rudimentair gestructureerd; ze schakelen tussen het gebruikelijke achter de schermen-werk en Famke Louises getroebleerde achtergrond, die met name in wisselwerking met haar moeder Marja reliëf krijgt.
Zij dwingt haar dochter met zachte hand om echt de luiken te openen en zo nu en dan de kwetsbare negentienjarige te laten zien die nog altijd schuilgaat achter de ongenaakbare Famke Louise, waarvan we alles allang dachten te hebben gezien.
Wie had de Amerikaanse president Richard Nixon eigenlijk uitgenodigd in het Witte Huis? Johnny Cash, de rebel van Folsom Prison Blues, die zich identificeerde met bajesklanten en Amerikaanse indianen? Of de godvrezende man met dezelfde naam, die in 1970 op het punt stond om opnieuw vader te worden en die zich afficheerde met de befaamde televisiedominee Billy Graham?
Tricky Dick dacht in elk geval een typische zoon van het zuiden te hebben binnengehaald, een authentieke country & western-zanger die hem wel even de electorale steun van de zogenaamde ‘silent majority’ kon bezorgen. De Republikeinse president had Cash zelfs gevraagd om de patriottische redneck-song Okie From Muskogee, een aanklacht tegen zo’n beetje alles wat met de toenmalige Tegencultuur had te maken, en het vileine Welfare Cadillac, over een man die zijn uitkering ophaalt in een patserbak, te zingen.
Nixon, die later nog met een pijnlijk protest (‘Stop the killing’) kreeg te maken tijdens een optreden van The Ray Conniff Singers in het Witte Huis, had eigenlijk beter moeten weten. Johnny Cash leek de gevraagde verzoeknummers inderdaad te gaan zingen, maar besloot uiteindelijk toch anders. Zijn optreden, voor een ongemakkelijke president en zijn eerste rij van getrouwen, vormt de apotheose van Tricky Dick And The Man In Black (58 min.), een boeiende documentaire van Barbara Kopple en Sara Dosa.
Dit tweede deel van Netflix’s nieuwe serie ReMastered, een reeks historische muziekdocumentaires, zoomt net als zijn voorganger over Bob Marley in op een voetnoot uit de popgeschiedenis, waarmee een groter maatschappelijk verhaal kan worden verteld. Ditmaal over muziek als politiek verleidings- dan wel drukmiddel. Aan het woord komen een broer, zus en zoon van Cash, terwijl Nixons communicatiemedewerker Pat Buchanan en medewerker Alexander Butterfield de kant van de omstreden president voor hun rekening nemen.
Tricky Dick And Johnny Cash zet twee mastodonten tegenover elkaar, die elk vanuit hun eigen invalshoek het Amerika van na de Tweede Wereldoorlog kleur hebben gegeven. Zwart, om precies te zijn. In zekere zin leken ze ook op elkaar. Nixon en Cash groeiden allebei op in diepe armoe en verloren op jonge leeftijd een broer, een ervaring die hen voor het leven zou tekenen en voor even, heel even, in Washington zou samenbrengen op een broeierige dag in april 1970.
Ook het bezoek van Elvis Presley aan de omstreden Richard Nixon, de enige Amerikaanse president die ooit is afgetreden, spreekt overigens tot de verbeelding. Er is zelfs al een speelfilm aan gewijd.
In de pophistorie zitten nog talloze documentaires verstopt, zo blijkt steeds weer. Als een soort Ander Tijden Muziek gaat de achtdelige Netflix-serie ReMastered van Jeff en Michael Zimbalist nu maandelijks een nieuw vergeten verhaal opdiepen. Deel 1 Who Shot The Sheriff? (57 min.), waarmee de reeks onlangs werd gestart, richt zich op de moordaanslag die reggaezanger Bob Marley bijna het leven kostte in 1976.
Marley was toen al uitgegroeid tot een Jamaicaanse volksheld, die zich steeds nadrukkelijker begon uit te spreken over sociale kwesties. Intussen dreigde hij vermalen te worden tussen twee politieke partijen die elkaar in de aanloop naar de verkiezingen naar het leven stonden. Aan de vooravond van het Smile Jamaica Concert, waarna de stembussen zo’n beetje direct werden geopend, mondde dat uit in bot geweld, gericht tegen de zanger en zijn directe omgeving.
De schietpartij zou Marleys leven en carrière volledig op zijn kop zetten en meer dan ooit tevoren een politieke figuur van hem maken. In de nasleep van de aanslag vertrok hij voor bijna anderhalf jaar naar Londen en werkte daar aan zijn klassieke album Exodus, waarop de sporen van de aanslag moeiteloos zijn terug te vinden. Maar wie er nu precies achter die kogelregel zat en wat daarvan de bedoeling was?
Ruim veertig jaar na dato probeert regisseur Kief Davidson via getuigenissen van mensen uit Marleys directe entourage, ingewijden in Jamaica’s turbulente politiek van destijds en een enkele anonieme getuige het antwoord op die vragen te vinden. Bob Marley’s weldadige muziek is intussen niet meer dan een voertuig om bij dat verhaal te komen.
Voor het volledige levensverhaal van de reggaezanger, die in 1981 op 36-jarige leeftijd overleed, kun je overigens terecht bij de meeslepende biopic Marley van Kevin Macdonald.
Komende maand is ReMastered gewijd aan het spraakmakende bezoek vanJohnny Cash aan president Richard Nixon, een documentaire die is gemaakt door de vermaarde regisseur Barbara Kopple. Daarna volgen nog uitzendingen over onder anderen de mysterieuze dood van soulzanger Sam Cooke, bluesgitarist Robert Johnson die zijn ziel aan de duivel zou hebben verkocht en de moord op Jam Master Jay van de invloedrijke hiphopgroep Run DMC.
Het moet niet gemakkelijk zijn geweest voor Kevin Macdonald; werken aan een documentaire over zangeres Whitney Houston en dan merken dat een concurrent je voor is. Ruim een jaar geleden verscheen Whitney: Can I Be Me, een aangrijpende film van Nick Broomfield over een vrouw die helemaal vast kwam te zitten in haar rol van popster en roemloos ten onder ging aan drugs.
Wat kan Macdonald, die eerder een prachtige biopic maakte van de Jamaicaanse reggaeheld Bob Marley, daar nog aan toevoegen? En dan heeft hij ook nog eens de schijn tegen; waar Broomfield geheel onafhankelijk kon opereren, presenteert zijn Schotse collega nu een geautoriseerde biografie. Zodat je je direct afvraagt wat de erven Houston eruit hebben laten halen en welke plooien zorgvuldig zijn gladgestreken.
Geen zorgen daarover. Whitney (120 min.) is bepaald geen afgevlakte biografie, maar pelt nog een aantal lagen extra af van het fenomeen Whitney Houston en komt zo nóg dichter bij het kwetsbare meisje Nippy dat daarachter verscholen bleef. De film komt zelfs met een pijnlijke onthulling, die de tragische neergang van de zangeres zou kunnen verklaren. Houstons moeder Cissy en tante Dionne Warwick hebben daar overigens meteen afstand van genomen. ‘Geruchten, verdachtmakingen en roddels’, stelden zij in een gezamenlijke verklaring.
Verder had Macdonald de beschikking over prachtig archiefmateriaal van de zangeres en kreeg hij toegang tot Houstons directe omgeving. Behalve haar zingende moeder Cissy, die overigens een zeer beperkte rol speelt in deze film, verschijnen ook haar broers Michael en Garland, enkele persoonlijke huisvrienden en ex-echtgenoot Bobby Brown voor de camera. Tezamen leggen ze de puzzel Whitney – door criticasters overigens stelselmatig Whitey genoemd, omdat ze haar zwarte roots zou hebben verkwanseld.
Macdonald zet bovendien andere accenten dan Broomfield: Whitneys al dan niet lesbische verhouding tot haar personal assistant Robyn Crawford krijgt bijvoorbeeld minder gewicht en wordt ook in een andere context geplaatst. Al met al is dus ook deze Whitney-biopic zéér de moeite waard. Als losstaand portret, maar ook als vervolg op die andere visie op de geplaagde zangeres. In sommige levens zitten nu eenmaal meerdere films.
‘Oh, mán!’ Hij schiet helemaal vol als hij instapt. Een Rolls Royce uit 1963. De auto van Elvis Presley. The King (108 min.). ‘Oh, shit’, herpakt singer-songwriter John Hiatt zich. ‘Sorry.’ ‘Kwam het door iets wat ik zei?’ wil regisseur en bestuurder Eugene Jarecki weten. ‘Nee. Als je in deze auto gaat zitten, voel je gewoon hoe gevangen hij zat. Helemaal gevangen.’
Elvis was volgens John Hiatt een ‘poor mama’s boy from Mississippi’, die vast kwam te zitten bij een ‘kermistype’. Manager Colonel Parker heeft hem schaamteloos heeft geëxploiteerd en intussen zijn ziel afgenomen. Hoogstpersoonlijk zorgde Parker, de Nederlander Dries van Kuijk, ervoor dat Presley transformeerde van onbedorven – of zéér verdorven; tis maar hoe je het bekijkt – rock & roller tot volledig bedorven entertainer.
Elvis was de verpersoonlijking van de American Dream, zo betoogt deze caleidoscopische road trip door het hedendaagse Amerika met de ‘hot wheels’ van The King. En dus ook van de teloorgang van diezelfde droom. Waar Presley zijn ziel op Faustiaanse wijze aan de Duivel verkocht, veranderde het land van hoop en dromen gaandeweg in een soort megalomane versie van Las Vegas, de plek waar Elvis roemloos aan zijn einde kwam.
Ooit een baken van vrijheid, maar inmiddels allang verworden tot een symbool voor het ultieme kapitalisme. Al valt er op die droom, volgens de rapper Immortal Technique niet meer dan ‘de nachtmerrie van een dronkenlap’, ook wel één en ander af te dingen. Want dat was natuurlijk vooral een blank ideaalbeeld. Dat werd gepersonifieerd door Elvis, de zanger die zwarte muziek toegankelijk maakte voor wit Amerika.
‘Elvis was a hero to most, but he never meant shit to me’, rapte Chuck D. al in de Public Enemy-hit Fight The Power. ‘Straight up racist that sucker was.’ Hij mag ook zijn licht laten schijnen over The King, in de ogen van de rapper het symbool van hoe Wit Amerika Zwart Amerika ringeloorde, in deze lappendeken van een documentaire, waarin een hele stoet landgenoten het lot van Elvis met dat van zijn land verknoopt.
Van acteurs als Alec Baldwin, Ethan Hawke en Ashton Kutscher tot spin doctor James Carville, The Wire-bedenker David Simon en oud-anchorman Dan Rather. Intussen wordt er ook nog gloedvol gemusiceerd in die Rolls Royce, die vanuit de stilaan Vernederde Staten van Amerika linea recta ons collectieve hart binnenrijdt met deze eigenzinnige en ambitieuze film.