Pelé

Netflix

Dit had gemakkelijk een rechttoe rechtaan sportbiografie kunnen worden. Waarbij de held zich in de openingsscène van de film opmaakt voor het hoogtepunt van zijn carrière: de finale van het wereldkampioenschap voetbal van 1970 in Mexico, waar hij Brazilië via een overwinning op Italië naar de derde wereldtitel moet leiden.

En daarna volgt de onvermijdelijke flashback: naar hoe het ooit armoedig in begon in het stadje Tres Coracoes, ‘s mans eerste wereldkampioenschap als zeventienjarige in 1958, zijn blessure bij de tweede Braziliaanse wereldtitel vier jaar later en de afgang van het nationale team in 1966. Zodat alle fundamenten zijn gelegd voor de glorieuze apotheose van de film tijdens dat WK van 1970. Waarna de protagonist met de wereldcup in z’n handen richting de aftiteling loopt. EINDE.

Het gekke is: Pelé (109 min.) heeft in grote lijnen inderdaad die overbekende opbouw en toch is het helemaal niet die film geworden. Omdat er ook kritisch wordt gekeken naar Edson Arantes do Nascimento, bijgenaamd Pelé. En omdat zijn carrière niet als een volledig op zichzelf staand fenomeen wordt gepresenteerd, maar is ingebed in de recente geschiedenis van zijn land, een broze democratie die in 1964 een militaire coup kreeg te verwerken. 

Voor Pelé veranderde er ogenschijnlijk niets toen Brazilië een dictatuur werd: hij bleef driftig scoren en hield zich verder, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een tijdgenoot zoals Muhammad Ali, geheel afzijdig van elke vorm van politiek. Hij stond zogezegd boven de partijen. Pelé verschafte het Zuid-Amerikaanse land gewoon trots en zelfrespect. En daar kon een dictatoriaal regime natuurlijk weer van mee profiteren, in het bijzonder tijdens datzelfde wereldkampioenschap voetbal in Mexico.

‘Pelé was een stralende ster die schitterde in de zwarte hemel van het Braziliaanse leven’, stelt de Braziliaanse muzikant Gilberto Gil. ‘Hij was het symbool voor het potentieel van Brazilië om een eerlijker en gelukkiger land te worden.’ Pelé’s oud-ploeggenoot Paulo Cézar Lima is kritischer: ‘Hij gedroeg zich als een Oom Tom. De onderdanige zwarte man die alles maar aanvaardt, geen weerwoord geeft, geen vragen stelt of oordeelt. Dat neem ik hem vandaag nog steeds kwalijk.’

Zo krijgt deze meeslepende sportfilm van David Thryhorn en Ben Nicholas een lekker scherp randje, dat tegenwicht geeft aan de met veel schwung, drama en een volvette soundtrack doorgeakkerde loopbaan van Pelé en de hartverwarmende beelden van zijn ontmoeting met oude voetbalmaatjes. Op zulke momenten wordt de man die in eigen land voor een godheid wordt versleten ineens gewoon één van de jongens en voert hij ook meteen weer het hoogste woord.

In dit portret toont Pelé zo nu en dan tevens zijn kwetsbare kant. Hij telt inmiddels tachtig jaren, is moeilijk ter been en hoeft zich blijkbaar voor niemand meer groot te houden. Worden de besten soms nerveus? willen de filmmakers bijvoorbeeld op een gegeven moment van hem weten. ‘Niet soms’, antwoordt hij gedecideerd. ‘Altijd.’ Pelé denkt terug aan de laatste momenten, vóór de WK-finale van 1970. ‘Ik hield het gewoon niet meer’, zegt hij en schiet helemaal vol.

Zo nu en dan komt deze film, waarin behalve allerlei medespelers en kenners ook zijn zus en oom aan het woord komen, zo achter de facade van de gewone Braziliaan die het boegbeeld van zijn land en de grootste voetballer aller tijden werd. Als je naar zijn prijzenkast kijkt, staan alle anderen in zijn schaduw. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat de documentaire Diego Maradona, over de Napolitaanse jaren van de Argentijnse superster, nog nét iets beter is dan dit eerbetoon. Ook omdat de hoofdpersoon zelf minder kleurrijk is.

Dat is echter op geen enkele manier bedoeld als diskwalificatie voor deze film over de man, de voetballer en het fenomeen Pelé, tot nader order één van de beste sportfilms van 2021.

PS Een kleine twintig jaar geleden werd de documentaire Gods Of Brazil: Pelé And Garrincha uitgebracht. Over de twee grootste Braziliaanse voetballers van hun tijd. Inmiddels kan er geen twijfel meer over bestaan welke van de twee zal blijven voortleven in ons collectief geheugen en wie in de vergetelheid zal verdwijnen. In de film Pelé valt de naam Garrincha letterlijk niet één keer.

Força Koeman

Videoland

Het is een beetje de goden verzoeken: om als voormalig sterspeler van FC Barcelona de baan van coach te accepteren op het moment dat die club definitief door zijn hoeven lijkt te zakken. En om tijdens dat proces ook nog eens een cameraploeg toe te laten, dat ook. De kans dat de ultieme jongensdroom uitloopt op een gigantisch fiasco is immers levensgroot. Misschien tekent het echter de absolute winnaar in Ronald Koeman dat hij de uitdaging toch aangaat en dat afbreukrisico dan maar op de koop toeneemt.

Niet dat Koeman heel veel heeft te vrezen van regisseur Chiel Verbakel. Die geeft hem in de driedelige serie Força Koeman (82 min.), naar een idee van Stefan Valk, alle ruimte om zijn eigen verhaal te doen. Waarbij de hartproblemen, die hij in mei 2020 ondervond, hem zouden hebben aangespoord om nu eindelijk voor zijn droomclub te kiezen. Aan het woord komen verder Koemans vrouw Bartina, broer Erwin en kinderen Ronald junior, Tim en Debbie. Zij geven een leuk inkijkje in hoe de familie Koeman de terugkeer naar de Catalaanse hoofdstad beleeft, waar al zoveel zoete herinneringen liggen. Dat gevoel wordt nog eens versterkt met idyllische shots van de stad, vergezeld van traditionele muziek.

De voetbalinput komt van zaakwaarnemer Rob Jansen, Koemans assistenten Alfred Schreuder en Henrik Larsson en spelers als Frenkie de Jong, die met zijn vriendin Mikki kind aan huis is bij de Koemannetjes, en Memphis Depay, die naar verluidt allang bij diens Barca had willen spelen. Zij houden zich veelal op de vlakte of debiteren voornamelijk clichés. Zoals de docuserie over het hier en nu – Koemans komst naar Barcelona en zijn lastige eerste periode als coach – sowieso niet zoveel nieuws heeft te melden. De problemen rond sterspeler Messi komen bijvoorbeeld nauwelijks aan de orde. En het gedwongen vertrek van diens boezemvriend Luis Suárez blijft al helemaal onbenoemd.

Toch heeft Força Koeman ook zijn momenten: als Koemans vriend, de sportpresentator Lluís Canut, bijvoorbeeld zijn mond voorbij lijkt te praten. Hij beweert te hebben gefungeerd als postillon d’amour tussen Barcelona en de trainer, waarbij het initiatief van de Nederlander schijnt te zijn gekomen. Dat strookt niet helemaal met het beeld dat is geschetst van Koemans overgang van het Nederlandse elftal naar de Spaanse topclub (en dat hier nog eens wordt bevestigd door Rob Jansen). De Barcelona-trein is dus niet zomaar gestopt voor Ronald Koeman, zodat hij er, nadat hij al twee keer ‘nee’ had gezegd, op kon springen. De trainer zou zelf hebben gevraagd of die trein, na Barcelona’s ‘Humillación Histórica’ (een 8-2 verlies tegen Bayern München), bij zijn stationnetje halt wilde houden. 

Ook opvallend: Pedri, ‘het grootste talent van Spanje’, lijkt te zijn aangetrokken zonder dat Koeman hem überhaupt kende. Het zijn zulke, al dan niet bedoelde, nieuwtjes die van deze miniserie met een plastic promorandje toch wel weer een aardige kijkervaring maken. Waarbij de relatie van de Koemannen en –vrouwen met Barcelona – en hun herinneringen aan de vroegere buurman Johan Cruijff – het allerleukst is. Dan worden ze net een gewone familie, met kinderen en kleinkinderen die opa en oma bij hun 35 jarige huwelijk vergasten op een surpriseparty. Dan ook toont Ronald Koeman even de man, of soms zelfs het jongetje, achter de geharde coach, die aan de job van zijn leven is begonnen. Waarvan hij niet weet of ie die ook mag afmaken.

Na een verloren wedstrijd tegen aartsrivaal Real Madrid toont Koeman onderweg naar huis dat hij, zoals van een echte topper wordt verwacht, nog altijd een slechte verliezer is: ‘het enige wat we meehebben zijn de stoplichten’. En dan, als zijn kop na een slechte reeks wedstrijden al op het hakblok lijkt te liggen, begint Messi weer te floreren en zou het tij toch nog kunnen keren voor zijn Barca….

The End Of The Storm

Apple TV

‘Ik ben geen control freak’, zegt Jürgen Klopp. ‘Ik denk alleen dat bepaalde dingen op een bepaalde manier moeten.’ Bij zijn eerste wedstrijd als manager van Liverpool zag de flamboyante Duitser bijvoorbeeld direct dat de trainingspakken van zijn team niet goed zaten. Zijn spelers zagen eruit als captain Picard uit de tv-serie Star Trek. Dat moest anders. Zo begint in 2015 zijn ‘regeerperiode’ bij de Engelse voetbalclub, die vijf jaar later voor het eerst in dertig jaar de landstitel zal grijpen.

The End Of The Storm (98 min.) documenteert het seizoen 2019-2020 waarin de ommekeer, ondanks de Coronacrisis, ein-de-lijk wordt bewerkstelligd. De documentaire van James Erskine slalomt slim tussen hoogtepunten uit het voetbalseizoen en het persoonlijke verhaal van Jürgen Klopp, kleine portretjes van beeldbepalende spelers als Virgil van Dijk, Jordan Henderson en keeper Alisson Becker en impressies van het leven als Liverpool-fan in Egypte, India, Japan, Brazilië en China (Wuhan, om precies te zijn).

Dit is natuurlijk een succesverhaal, de hervertelling van een grootse triomf. In samenwerking met de club gemaakt, bovendien. Verwacht dus geen kritische noten of alsnog opgediepte conflicten of strubbelingen. In deze docu worden Jürgen en zijn sterrenteam nog eens ouderwets op het schild gehesen. Daarmee is deze lekker bombastisch gemonteerde film zo’n beetje de antithese van Sunderland ‘Til I Die, de inmiddels twee seizoenen tellende serie over een voetbalclub die afglijdt naar de kelders van het Britse betaald voetbal.

The End Of The Storm markeert het einde van zo’n lijdensweg (een begrip dat bij een club als Liverpool overigens direct tussen aanhalingstekens moet worden gezet). Vrijwel moeiteloos stomen de Klopp-boys op naar een al snel onvermijdelijk lijkende titel. Uiteindelijk hoeven ze slechts één serieuze tegenstander te overwinnen: het Coronavirus, dat heel even de complete Premier League, en daarmee ook Liverpools aspiraties om de onbetwiste nummer één te worden, de nek om dreigt te draaien.

Uiteindelijk krijgt zelfs die vijand Klopp van Jürgen en de zijnen. Met Zoom-sessies houden ze de teamspirit op peil. Zodat ze, indachtig het clublied You’ll Never Walk Alone, tegenwind kunnen trotseren, altijd de kop omhoog houden en ook niet meer bang zijn voor het donker. ‘At the end of a storm’ wacht dan die ‘golden sky’: het negentiende kampioenschap, het eerste sinds 1990.

In datzelfde jaar debuteerde bij de modale Zweite Bundesliga-club FSV Mainz overigens een 23-jarige speler die als voetballer nooit de top zou halen: ene Jürgen Klopp.

Finding Jack Charlton

‘Dat ben ik’, zegt de oudere man tegen zijn kleindochter als hij zichzelf op het televisiescherm ziet. ‘Dat ben ik. En ik herinner me er niets van.’ Samen met zijn gezin kijkt Jack Charlton naar oude beelden van hoe hij, en zijn onafscheidelijke pet, het één of andere kasteel aanprijst. Hij was decennialang een Bekende Brit: eerst als voetballer van Leeds United en het Engelse nationale elftal, later als coach, met name van Engelands grote rivaal Ierland.

En nu weet hij daar weinig meer van. Charlton is ten prooi gevallen aan dementie, een aandoening die voetballers van zijn generatie gemiddeld drie tot vijf keer zo vaak treft. Als gevolg van de kopduels die hij als boomlange verdediger, bijgenaamd ‘de Giraffe’, jarenlang uitvocht op ‘s werelds velden, zo is de veronderstelling. Samen met zijn meer getalenteerde jongere broer Bobby, met wie hij een moeizame relatie onderhield, werd Jack Charlton in 1966 wereldkampoen met het Engelse nationale voetbalelftal. Dat zijn teamgenoot Geoff Hurst een hattrick scoorde in de finale is hem echter allang ontglipt.

De delicieuze sportdocu Finding Jack Charlton (97 min.) is opgebouwd rond zijn periode als coach van het Ierse elftal, dat hij zelfvertrouwen gaf en eindelijk succes bracht. De opmars van het nationale voetbalteam aan het begin van de jaren negentig fungeerde als vliegwiel voor een nieuw zelfbewustzijn, stellen prominente Ieren als schrijver Roddy Doyle, U2-drummer Larry Mullen en de voormalige Taoiseach Bertie Ahern. Dat had namelijk een flinke deuk opgelopen tijdens ‘The Troubles’ in Noord-Ierland. Charlton, een Engelsman nota bene, bracht het elan terug. Hij werd zo een heuse volksheld, die als eerbetoon zou worden uitgeroepen tot ereburger. Net als Nelson Mandela. ‘De Kennedy-familie, moeder Teresa’, somt zijn oudste zoon John op, waarna hij naar zijn vader kijkt. ‘En dan heb je hem.’

‘s Mans werkwijze wordt in deze documentaire van Gabriel Clarke en Pete Thomas verbeeld via een pilaar waarop alle briefjes die Charlton als coach volkalkte zijn bevestigd. ‘You reap what you sow’, staat er bijvoorbeeld op. ‘Never assume they know and understand.’ En: ‘Be a dictator, but be a nice one.’ Bij dat laatste parasiteerde hij zonder enige twijfel op zijn heerlijke gevoel voor humor. Daarmee nam hij alles en iedereen voor zich in, zo kunnen voormalige pupillen als Paul McGrath, Niall Quinn en Pat Bonner bevestigen. Voor ‘the boss’, hoe eigenzinnig en koppig die ook kon zijn, gingen ze door het vuur.

En op basis van dit puntgave portret van Jack Charlton, een authentiek ‘character’ dat tot zijn dood op 10 juli jongstleden trouw bleef aan zichzelf, is dat niet meer dan logisch. De man mocht zichzelf dan langzaam maar zeker vergeten, dit betekent niet dat hij ook wordt vergeten.

All Or Nothing: Manchester City

Amazon Prime

Happy people have no stories, declameerde de Noord-Ierse band Therapy? ooit. Als het nergens wringt, is er eigenlijk ook niets te vertellen. Documentaires(eries) over winnende sporters of teams zijn doorgaans dan ook vooral interessant voor hun eigen achterban. De achtdelige serie All Or Nothing: Manchester City (387 min.) lijdt daar een beetje onder: de sterrenploeg van de Spaanse supercoach Pep Guardiola is in het seizoen 2017-2018 eigenlijk gewoon te goed.

Natuurlijk, er wordt wel eens gelijk gespeeld – en een heel enkele keer zelfs verloren. En er zijn vanzelfsprekend blessures, best veel zelfs. De Britse club, sinds enkele jaren het speeltje van een puissant rijke familie uit Abu Dhabi, heeft alleen een bijzonder brede selectie. En als zelfs die het niet meer kan bolwerken, wordt gewoon de poeplap getrokken en voor enkele tientallen miljoenen bijvoorbeeld nóg een centrale verdediger aangetrokken. Voor het geval dat Vincent Kompany, Nicolás Otamendi en/of John Stones niet inzetbaar zijn.

All Or Nothing, een spin-off van de gelijknamige reeks over American football-teams die inmiddels ook een tweede seizoen over het Tottenham Hotspur van coach José Mourinho heeft gekregen, oogt daardoor soms nét iets te veel als een promofilm voor The Blue & White Army, die ooit toch echt doorging voor de arbeidersclub van Manchester, en moet het ook niet van zijn diepgang hebben. De serie, waarvoor acteur Ben Kingsley als verteller fungeert, heeft echter één uitgesproken troef: Josep ‘Pep’ Guardiola, people’s manager, vakidioot en – natuurlijk – peptalker. Zo’n man waarvoor je door het vuur gaat. Met heel veel passie en nog meer theater weet hij steeds weer de juiste snaar te raken bij gearriveerde wereldsterren, die (bijna) alles al hebben gewonnen.

Hij is ‘t die van elke wedstrijd, die ongetwijfeld toch weer winnend wordt afgesloten, een bijzondere uitdaging maakt, waarvoor nu toch echt alles uit de kast moet worden gehaald. Dat werkt als een tierelier. En dus valt er de ene na de andere prachtgoal, voorzien van de welbekende superlatieven van de sportcommentatoren en het massale gejuich van de City-fans. De Premier League-titel is vooral een kwestie van tijd. Alleen de strijd om de verschillende bekers, waaronder die felbegeerde Champions League-cup, zorgt daadwerkelijk voor spanning en sensatie.

Tussendoor gaat de selectie op initiatief van aanvoerder Kompany paintballen, komen de spelers trouw hun maatschappelijke verplichtingen na en is er een (verplicht) bezoekje aan de Verenigde Arabische Emiraten, waar de sjeik even mag meedelen in het succes dat hij zelf heeft gefinancierd. Vrijwel alle spelers worden daarnaast nog vluchtig uitgelicht, inclusief kleine privéverhaaltjes zoals een te vroeg geboren kind of schoonvader die voor de grote rivaal United is. De optelsom is een aardige inkijk in de wereld van het moderne topvoetbal, waarmee ook de PR-afdeling van de club, die zich ongetwijfeld ook flink heeft bemoeid met de inhoud, vast hartstikke tevreden was.

En dan is het weer door naar de volgende wedstrijd, waarvoor Pep zijn ‘Cityzens’ weer tot op het bot probeert te motiveren. ‘Het enige verschil, guys, tussen Real Madrid, FC Barcelona en ons is dat zij ongelofelijke gelovers zijn’, zegt hij na één van de weinige nederlagen van zijn ploeg. Hij laat een dramatische stilte vallen. ‘Bij het beklimmen van de hoogste berg gaat het niet om dit’. Zijn vinger wijst inmiddels naar het scherm waarop hij doorgaans zijn tactische ideeën deelt. ‘Het gaat om hier’, zegt Guardiola terwijl hij tegen zijn voorhoofd tikt. De wijsvinger daalt vervolgens af naar het hart. ‘En om hier.’

Das Spiel

IDFA

Alleen als hij volstrekt onzichtbaar is, kan hij eigenlijk uitgroeien tot de beste man van het veld. Het is de tragiek van de scheidsrechter. Man in het zwart. Geliefde pispaal van alles en iedereen. Hondenlul zelfs. En de hoofdpersoon van de hele fijne korte documentaire Das Spiel (17 min.). Fedayi San, om precies te zijn. Een Zwitserse arbiter die het Super League-duel tussen Young Boys en Lugano leidt.

Souverein, zo lijkt het. Op basis van deze korte film, die verwantschap vertoont met de fascinerende scheidsrechtersfilm Kill The Referee (2009), krijg je daar echter slechts beperkt zicht op. Want regisseur Roman Hodel heeft nauwelijk oog voor de wedstrijd zelf. Behalve de scheidsrechter en zijn assistenten observeert hij de fans op de tribune, de commentatoren en de crew die de televisie-uitzending in goede banen leidt. En Sans trotse vader die een mooie plek in het stadion heeft gekregen.

Alles, behalve de bal eigenlijk. In de hele docu is ‘het lederen monster’ nauwelijks te zien. Of het moet zijn in die ene heerlijke scène van een steward, die met zijn rug naar het veld staat en geconcentreerd de tribune in de gaten houdt. De man met het gele hesje kijkt nauwelijks op of om als de doelman achter hem een doelpunt incasseert. Voetbal is echt de belangrijkste bijzaak in zijn wereld.

Eerst en vooral is Das Spiel (Engelse titel: The Game) echter een psychologisch portret van een topscheidsrechter in het heetst van de strijd. Rennend, fluitend en gebarend. Voortdurend communicerend met spelers. Corrigerend ook. Fedayi San is bovendien altijd in contact met zijn assistenten, via een audioverbinding die ook in de documentaire is te horen. En haalt zich – hoe kan het ook anders? – regelmatig de woede op de hals van de ‘Schlachtenbummler’ uit Bern of Lugano.

In de rust kijkt hij samen met zijn assistenten op z’n smartphone een twijfelachtig moment uit de eerste helft terug. Penalty of niet? Ze weten het niet zeker. En dan roept de wedstrijd weer in dit prachtige portret van het spel zonder bal.

Les Arbitres

Howard Webb

De vader van de Engelse arbiter Howard Webb maakt zich zorgen. Zijn zoon heeft zojuist een doelpunt goedgekeurd tijdens de voetbalwedstrijd Oostenrijk – Polen. Maar was die bal nou buitenspel? Vanaf de tribune heeft pa het niet goed kunnen zien, maar een fout zou Howards kansen op een topwedstrijd tijdens het Europees Kampioenschap van 2008 in Oostenrijk en Zwitserland aanzienlijk kunnen verkleinen.

Webbs assistent-scheidsrechter Mike Mullarkey realiseert zich in de rust dat ze inderdaad fout zaten en – vooral – dat hij het was die had moeten vlaggen. Het is één van de sleutelscènes van Les Arbitres (75 min.), waarin het hectische bestaan van topscheidsrechters van binnenuit wordt getoond. Vlak voor het einde van de wedstrijd geeft Webb nog een omstreden strafschop aan het thuisland. Thuis in Engeland hebben ze allang gezien dat zoonlief nu de juiste beslissing heeft genomen, zegt een andere tribuneklant tegen zijn vader. Het was zonder enige twijfel een penalty. ‘Super. Dat is goed nieuws.’

In de catacomben krijgt zijn zoon niettemin van onder uit de zak van Leo Beenhakker, de coach van Polen. ‘Niemand trok er aan een shirt’, sneert de Nederlander tegen de mannen in zwart in deze observerende documentaire van Yves Hinant, Eric Cardot en Delphine Lehericey uit 2009. ‘Absoluut niet. En dan ineens wel. Het is een ‘fucking disgrace’.’ Met die woedende woorden kan de ‘Engelse scheidsrechter’ – uit de mond van Beenhakker klinkt het als een ernstige belediging – ‘t even doen. Mullarkey probeert Webb na afloop gerust te stellen: ‘Op televisie zien ze wel dat het een penalty was.’

Bij de wedstrijdevaluatie komt alleen toch weer dat buitenspeldoelpunt aan de orde. ‘Dat is vreselijk voor het toernooi’, aldus de voormalige Nederlandse toparbiter Jaap Uilenberg die tegenwoordig namens de Europese voetbalbond scheidsrechters begeleidt. ‘Ik kan de televisiebeelden niet negeren die de hele wereld over gaan. Over het geheel was het oké.’ Maar daar koop je dus weinig voor, als leidsman met de ambitie om de finale te fluiten. En zijn assistent, die zijn vlag naar de grond hield, voelt zich duidelijk schuldig.

Behalve Webb en zijn team worden in deze intieme kijk in de scheidsrechterswereld (Engelse titel: Kill The Referee) nog drie andere arbiters gevolgd tijdens het EK: de Spanjaard Manuel Mejuto, de Zweed Peter Fröjdfeldt en de Italiaan Roberto Rosetti. Met name de communicatie tijdens de wedstrijd van de scheids met zowel de spelers als zijn assistenten, waarmee je als kijker stiekem mag meeluisteren, geeft een ongekend beeld van hoe zo’n topper zich van zijn taak moet kwijten in de heksenketel die het moderne voetbal kan zijn.

En gaandeweg komt ook de tragische positie van scheidsrechters tijdens zo’n kampioenschap in het oog. Als hun nationale elftal doorstoot naar een volgende ronde, wordt de kans dat zij zijn uitgefloten tijdens het toernooi steeds groter. Één van hen kan slechts uitkomen in de finale. De anderen moeten vervolgens, met een mengeling van bewondering en jaloezie, toekijken hoe hun collega één van de hoogtepunten uit zijn carrière beleeft.

Het is een even vanzelfsprekende als treffende apotheose voor deze prachtige sportfilm.

In 2020 verscheen er een nieuwe en thematisch verwante scheidsrechtersfilm: Das Spiel.

All Or Nothing: Tottenham Hotspur

Amazon Prime

‘Wat voor Harry en Lucas geldt, geldt ook voor jou’, schreeuwt doelverdediger Hugo Lloris tegen zijn medespeler Heung-Min Son. ‘Met één minuut te gaan móet je meelopen.’ Het komt in de Spurs-kleedkamer zelfs bijna tot een handgemeen tussen de twee ploeggenoten. Trainer Mourinho ziet er wel wat positiefs in: ‘Dit was een jaar geleden niet voorgekomen. Dit gebeurt omdat jullie meer van elkaar eisen.’

De koning is dood, lang leve de koning! Na vijfeneenhalf jaar moet Mauricio Pochettino, de coach die de Londense club enkele maanden eerder nog naar de Champions League-finale heeft geleid, het veld ruimen bij Tottenham Hotspur. Zijn opvolger staat al klaar: José Mourinho, één van de succesvolste trainers van de afgelopen twintig jaar en tevens één van de meest gehate mensen van het internationale voetbal.

Even later, in de eerste aflevering van de negendelige serie All Or Nothing: Tottenham Hotspur (440 min.), na een eerdere reeks over Manchester City, begint ‘The Special One’ zelf dozen uit te pakken en nauwkeurig zijn nieuwe kantoor in te ruimen. Foto’s van zijn carrière om op te hangen, ordners in de vakkenkast. Paperassen op het bureau, netjes recht. Lineaaltje erbij. En dan alleen de flip-over nog installeren. Via de televisie komt intussen het nieuws van zijn benoeming binnen. ‘Kijk wat er gebeurde bij zijn laatste clubs’, zegt een sportcommentator. ‘Hij is over zijn top heen.’ Mourinho loopt direct naar het toestel en zet dat demonstratief uit. ‘Fuck you!’

En daarmee is de toon gezet. De nieuwe koning schrijft zijn eigen wetten uit, zet z’n onderdanen op hun (juiste) plek en begint meteen de media te bespelen. Het sleutelwoord is: winnen. ‘Ik haat het om te verliezen’, heet ‘t dan. Terwijl Mourinho zijn veel te lieve team een over mijn lijk-mentaliteit probeert bij te brengen, hebben sommige spelers zo hun eigen beslommeringen: de flegmatieke international Dele Alli worstelt met zijn vorm, vaste linksachter Danny Rose valt ineens geregeld buiten de basis en spelverdeler Christian Eriksen lijkt in ongenade te zijn gevallen omdat hij een transfer wil maken. En dan raakt ook spits en boegbeeld Harry Kane nog ernstig geblesseerd.

All Or Nothing laat ongetwijfeld heel veel níet zien van wat er in het binnenste van de trainersploeg, het elftal en de directie omgaat, maar wat er overblijft is méér dan voldoende: (crisis)overleg tussen directie en coach, kleedkamerbeelden van voor, tijdens en na de wedstrijd en Mourinho’s persoonlijke gesprekken met (on)tevreden spelers bijvoorbeeld. Zulk fly on the wall-materiaal wordt doorsneden met lekker bombastische wedstrijdregistraties, waarbij volvette shots, ronkende muziek en overspannen commentatoren een glorieus huwelijk aangaan. Zo wordt zelfs van het meest onbeduidende competitieduel een soort strijd op leven en dood gemaakt, waarbij er nooit enige twijfel is over wie de ‘good guys’ (moeten) zijn.

Zelfs de totstandkoming van transfers blijft niet geheel onbelicht. Saillant is in dat verband de komst van de Nederlandse aanvaller Steven Bergwijn, een overgang die bij zijn vorige club PSV begin dit jaar heel wat kwaad bloed zette. De speler zou hebben geweigerd om nog te spelen in Eindhoven. Bij Tottenham Hotspur wordt Bergwijn evenwel binnengehaald als redder in nood. Geen woord over hoe de transfer tot stand is gekomen (en of er eigenlijk wel zoveel aan de hand was bij zijn vorige werkgever, of dat alle partijen gewoon het welbekende onderhandelingsspel speelden).

Deze puike sportserie, waarvoor acteur en Spurs-fan Tom Hardy als verteller fungeert, laat alleen onbeantwoord wat er precies zo speciaal is aan de nieuwe koning van de Spurs. José Mourinho lijkt vooral een archetypische teambuilder, die onvermoeibaar blijft hameren op agressie, discipline en de absolute wil om prijzen te pakken. ‘We moeten winnen’, zegt de manager bijvoorbeeld tijdens de wedstrijdbespreking voor Bergwijns eerste match, tegen titelkandidaat Manchester City. ‘We moeten aanvallen. We moeten risico’s nemen, maar hebben ook stabiliteit nodig. En we moeten georganiseerd spelen als we de bal hebben…. Oké, we zijn er klaar voor.’

Of zulke peptalks, doorgaans vergeven van de fucks en fuckings, werkelijk voldoende zijn om het tij te keren bij Mourinho’s zwalkende elftal? En kan hij zijn team tijdens de verplichte Corona-pauze echt met Zoom-sessies klaarstomen voor toch nog een succesvolle bekroning van het seizoen?

The Two Escobars

Één onfortuinlijk ogenblik, dat in deze documentaire talloze malen wordt herhaald, ook in slow-motion, zou Andrés Escobar fataal worden. Tijdens het WK-voetbal van 1994 in de Verenigde Staten veranderde de Colombiaanse verdediger per ongeluk een bal van richting. Die verdween prompt in eigen doel en leidde zo de vroegtijdige uitschakeling in van het nationale elftal, waarvan hij de aanvoerder was. Alsof de gebeurtenissen werden gestuurd door een ‘mano negra’, een zwarte hand. Die bovendien nog lang niet klaar bleek te zijn.

Colombia was in die tijd verwikkeld in een burgeroorlog, waarin die andere Escobar, drugsbaron Pablo, de absolute hoofdrol claimde. In een betere wereld hadden de paden van The Two Escobars (104 min.) elkaar nooit gekruist, maar in het verscheurde Zuid-Amerikaanse land, waar de kartels ook op het voetbalveld de strijd aanbonden met elkaar, móesten ze elkaar wel ontmoeten. Andrés speelde voor het door Pablo gefinancierde Atlético Nacional Medellin, de eerste Colombiaanse ploeg die de Copa Libertadores, het clubkampioenschap van Zuid-Amerika, won in 1989. Bij de grote concurrent América waste intussen het concurrerende Cali-kartel zijn drugsmiljoenen wit.

In deze enerverende film uit 2010 brengen Jeff en Michael Zimbalist die twee verhalen samen: de totale verwording van Colombia, verpersoonlijkt door Pablo Escobar, de nietsontziende maffiabaas die zich in het openbaar graag voordeed als weldoener en zelfs, om zijn eigen belangen te beschermen, de politiek inging. En, parallel daaraan, de opmars van datzelfde Colombia als voetbalgrootmacht en serieuze kanshebber voor het wereldkampioenschap. Waarbij smaakmakers als doelman René ‘El Loco’ Higuita (bekend van zijn spectaculaire scorpion kicks), dirigent Carlos Valderrama (‘De Witte Gullit’) en de dartele aanvaller Faustino Asprilla meteen een perfect uithangbord vormden voor de narcostaat, die wel wat aan z’n imago mocht doen.

Die twee ontwikkelingen zorgden voor een totale verwevenheid van sport en georganiseerde misdaad, vervat in de nefaste term ‘narcovoetbal’, en leidde ook daadwerkelijk tot onderonsjes tussen gangsters en topspelers. Op feestjes van Pablo Escobar kon de onkreukbare verdediger Andrés Escobar zomaar naast Jhon Jairo Vásquez Velásquez, bijgenaamd Popeye, komen te zitten. Een man die als rechterhand van de baas van het Medellin-kartel jarenlang de allervuilste klusjes opknapte. ‘Ik heb hoogstpersoonlijk zo’n 250 mensen naar de andere wereld geholpen’, beweert hij met een stalen gezicht in The Two Escobars. ‘Maar alleen een psychopaat houdt de precieze score bij.’

De gebroeders Zimbalist tekenen de desolate staat van Colombia in de jaren negentig met een uitbundige collectie archiefmateriaal op, larderen de gebeurtenissen met essentiële bronnen uit de directe omgeving van de beide Escobars (hun zussen, geliefden, directe collega’s, concurrenten en politici) en brengen het geheel met dampende muziek helemaal aan de kook. Zowel het bloedbad in de straten van Colombia als de sequenties van het ontketende voetbalelftal, dat gaandeweg steeds directer wordt geconfronteerd met het grootschalige geweld in eigen land, krijgen daardoor een enorme urgentie.

The Two Escobars is zonder twijfel één van de beste voetbaldocumentaires aller tijden. Een film die de sport portretteert als een afspiegeling van de wereld waarbinnen die wordt gespeeld. En een naargeestige verbeelding van die befaamde uitspraak van Rinus Michels: in het Colombia van de twee Escobars is voetbal inderdaad (drugs)oorlog.

Schijnbewegingen: Over Voetbal En Dans

Rudi van Dantzig & Johan Cruijff / NOS Collectie Rudi van Dantzig

Hij oogt als een vis in het water: Johan Cruijff in een balletzaal. Geconcentreerd kijkt de beste Nederlandse voetballer aller tijden toe hoe choreograaf Rudi van Dantzig aan het werk is met Clint Farha, de topdanser van het Nationaal Ballet. Hij herkent de hand van de meester. Van Dantzig geeft het ritme aan en laat zijn protegé zweten. Er wordt urenlang gerepeteerd.

‘En iemand wie keihard traint’, stelt Cruijff op geheel eigen wijze in Schijnbewegingen: Over Voetbal En Dans (59 min.) uit 1988. ‘Dat is bloed, zweet en tranen.’ De toenmalige trainer/coach van Ajax, in die tijd vrijwel altijd met een sigaret in de hand, heeft tegenover Van Dantzig plaatsgenomen voor een tweegesprek onder leiding van Frits Barend, waarin de overeenkomsten tussen voetbal en ballet worden onderzocht. Van Dantzig stelt op zijn beurt dat hij zich regelmatig heeft laten inspireren door het Ajax van Cruijff en Michels.

Voor hedendaagse begrippen zou het dubbelinterview met de twee grootheden soms wel een zetje of wat meer tempo kunnen gebruiken. Het wordt in deze tv-docu, geregisseerd door Piet Erkelens en Pim Marks, echter omlijst door fraaie sequenties van een indrukwekkende solo van Farha (op Bachs Air On G String) en hoogstandjes van topspits Marco van Basten (opgeleukt met lekker campy jaren tachtig-muziek).

Schijnbewegingen wordt bovendien tot een fraaie climax gebracht met een meeslepende parallelmontage van een voorstelling van de excellerende Farha en het Nationaal Ballet en een Europa Cup 2-wedstrijd waarin het Ajax van Van Basten, Menzo en Rijkaard het in de eigen Meer opneemt tegen het Zweedse Malmö FF. Sport en kunst verworden in die apotheose voor heel even tot elkaars evenbeeld.

Naderhand geeft Van Dantzig zijn protegé in de coulissen een welgemeend schouderklopje en wordt in de Ajax-kleedkamer luidkeels ‘Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruuuiiijjjff’ gezongen.

Sunderland ‘Til I Die – Season 2

Netflix

Voor documentairemakers die een sporter of sportteam portretteren is winst of succes geen absolute noodzaak. Dat is een understatement. Vaak levert een enorme deceptie een veel spannendere film op dan een eclatante overwinning. Hoe zou Goud bijvoorbeeld zijn geworden als de Nederlandse hockeydames zonder eremetaal (en met pek en veren) naar huis zouden zijn gekomen? Of wat als de carrière van Dirk Kuijt niet was geëindigd op de Rotterdamse Coolsingel, maar met een kampioensschaal op het Leidseplein?

Zo bezien vielen Leo Pearlman en Benjamin Turner bij de documentaireserie Sunderland ‘Til I Die (2018) echt met hun neus in de boter. De lotgevallen van de gewezen Premier League-club, die van de ene in de andere crisis belandde, kregen bijna iets kluchtigs (een effect dat nog eens werd versterkt door de beroerde Nederlandse ondertiteling, die van de ene d- in de andere t-fout belandde). En dan is er nu ineens een vervolg op de serie over de Britse voetbalclub. Wat kan dat nog toevoegen?

Een nieuwe eigenaar, directeur en manager bijvoorbeeld, de hoofdpersonen van dit tweede seizoen van Sunderland ‘Til I Die (255 min.). En nieuw elan voor het seizoen 2018-2019, met jonge talenten en veelbelovende aankopen. Tenminste, als die daadwerkelijk blijven dan wel komen. Zodra de transferdeadline nadert, loopt de spanning daarover flink op. Dat resulteert in een enerverende blik achter de schermen. En dan is er nog een klein financieel probleem: er gaat bij de arbeidersclub jaarlijks zo’n 35 miljoen pond meer uit dan er binnenkomt.

De nieuwe leiding draait z’n medewerkers de duimschroeven aan. De lat moet omhoog en de uitgaven omlaag, goedschiks dan wel kwaadschiks. Dat is een aardig uitgangspunt voor zes nieuwe afleveringen over de club uit het Noordoosten van Engeland, die daarin tevens coolere opkomstmuziek introduceert, een bezoekersrecord voor League One wil vestigen en natuurlijk móet promoveren. Terug naar de plek waar Sunderland eigenlijk thuishoort: de Premier League.

Die herstart waarbij de stress weer flink oploopt, beleeft de kijker via de clubleiding, coach, spelers, medewerkers en enkele gewone supporters. Gezamenlijk maken ze het belang van de belangrijkste bijzaak van de wereld inzichtelijk voor een gemeenschap, die wel weer toe is aan een succesje. Met een onweerstaanbare hoeveelheid voetbalclichés, psychologie van de koude grond en goede wil. Als Sunderland bijvoorbeeld de kans krijgt om The Checkatrade Trophy te winnen, krijgt die cup, nóóit van gehoord, ineens een enorm belang. Om over promotie naar het Championship, de éénnahoogste Britse divisie, nog maar te zwijgen…

Dit tweede seizoen biedt kortom meer, veel meer, van hetzelfde. In het geval van Sunderland ‘Til I Die is dat geen diskwalificatie.

Becoming Zlatan

Waarom werd juist Zlatan Ibrahimovic een absolute wereldster en weet hij, inmiddels dik in de dertig, nog altijd van geen ophouden? Die vraag ligt impliciet onder de documentaire Becoming Zlatan (95 min.) uit 2016. In deze fijne sportfilm belichten Fredrik en Magnus Gertten hoe het Zweedse voetbaltalent Zlatan Ibrahimovic het fenomeen ‘Zlatan’ werd – hoewel hij dat volgens Mido, de Egyptische aanvaller die zijn directe concurrent was bij Ajax, eigenlijk van jong af aan al was geweest.

‘Ik koop nooit een speler zonder hem in de ogen te kijken’, stelt de toenmalige technisch directeur van Ajax, Leo Beenhakker. ‘Het was bijzonder: hij was 19, maar keek me recht in de ogen. Binnen een half uur waren we klaar. Vraag me niet waarom. Vraag me niet waarom je verliefd wordt op het ene meisje en niet op het andere.’ Zlatan had, volgens de altijd smakelijk formulerende Beenhakker, dat ene. Je ne sais quoi. Een onmiskenbaar vuur in de ogen.

Luciano Moggi, de directeur van Ibrahimimovic’ volgende club Juventus formuleert het anders. ‘Als hij geen voetballer was, was hij waarschijnlijk fietsendief geworden’, zegt hij lachend. Dat is wat minder bezijden de waarheid dan het in eerste instantie misschien lijkt. De boomlange sterspits groeide op in een getroebleerd migrantengezin in Zweden. Zijn ouders waren afkomstig uit het voormalige Joegoslavië en konden hem geen veilige thuisbasis bieden. Ibra, die zichzelf een zigeuner noemt, werd een onvervalst straatratje. Óók op het veld.

Een joch dat nog wel eens een elleboog wilde uitdelen en zo nu en dan in de clinch lag met alles en iedereen, zo wordt duidelijk in deze grotendeels uit archiefmateriaal opgebouwde film, die zijn roerige tijd bij Ajax (2001-2004) als uitgangspunt neemt. In die periode stoomde hij zichzelf klaar voor een loopbaan bij de grootste clubs van Europa. Insiders als David Endt, Ronald Koeman en Marco van Basten en zijn medespelers Mido, Jan van Halst, Jari Litmanen en Andy van der Meijde hebben levendige herinneringen aan het enfant terrible waarmee ze toen te maken hadden.

Parallel aan Zlatans Amsterdamse periode schetsen de gebroeders Gertten zijn ontwikkeling als tiener in Malmö. Ook toen waren er diverse momenten waarop zijn loopbaan een verkeerde afslag had kunnen nemen. Het succes dat nu, met de wijsheid van achteraf, zo vanzelfsprekend lijkt, kwam in werkelijkheid tot stand door een mengeling van talent, geluk en doorzettingsvermogen. Waarbij Zlatan over het vermogen bleek te beschikken om juist als alle signalen op rood leken te staan het allerbeste uit zichzelf te halen.

Deze documentaire toont daarvan het ultieme voorbeeld: na de tumultueus verlopen vriendschappelijke interland Nederland – Zweden, waarin Ibrahimovic teamgenoot Rafael van der Vaart blesseerde, scoorde hij de mooiste goal uit zijn Ajax-periode.

Khartoum Offside

‘Voetbal is voor mannen en niet gepast voor vrouwen’, verordonneert de Islamitische Jurisprudentie Organisatie. ‘We waarschuwen nadrukkelijk tegen activiteiten die de verschillen tussen mannen en vrouwen opheffen. Als vrouwen toch deze sport gaan beoefenen, gaan ze in tegen hun natuur. Dat kan gewelddadige instincten oproepen.’

Dus nee, de Zuid-Soedanese autoriteiten zitten bepaald niet te wachten op de oprichting van een nationaal vrouwenvoetbalteam, dat het land ook nog eens in het buitenland wil gaan vertegenwoordigen. Het is de realiteit van alledag voor de hoofdpersonen van Khartoum Offside (76 min.), die als representanten van het ‘zwakke geslacht’ voortdurend beperkingen krijgen opgelegd. Toch hebben ze al eens stiekem met en tegen jongens gevoetbald.

Voor filmmaakster Marwa Zein lijkt het voetbal vooral een voorwendsel om vrouwen in een streng islamitisch land, dat is ontstaan na een bloedige burgeroorlog, te portretteren. Haar hoofdpersonen zijn mondiger en wereldser dan je op basis van al die restricties zou verwachten, zoals blijkt in een fraaie scène waarin de vrouwen samen naar een wedstrijd van FC Barcelona kijken en ze opmerkelijk goed op de hoogte blijken te zijn van de verhoudingen in het internationale voetbal.

Khartoum Offside bestaat voor een groot deel uit zulke fly on the wall-scènetjes, afgewisseld met een enkele poëtische muzikale sequentie. Gezamenlijk vormen die een aardige sfeerschets van het leven van jonge vrouwen in een land, dat nog altijd wordt gedomineerd door religieuze dogma’s en… mannen.

Keeper

Halal

Als Hans van Breukelen – talloze malen kampioen van Nederland, winnaar van de Europa Cup 1 en Europees kampioen met het Nederlands elftal – wordt gevraagd naar het definiërende moment van zijn carrière, dan is de kans behoorlijk groot dat hij ‘het graspolletje’ noemt. Een, relatief kleine, fout die in 1987 de nederlaag van PSV tegen rivaal Feyenoord inleidde. De Eindhovense voetbalclub werd dat jaar overigens gewoon kampioen en zou in het volgende seizoen letterlijk alles winnen wat er te winnen viel. Met Van Breukelen als rots in de branding.

Het incident met het polletje is illustratief voor de 73-voudige international Van Breukelen, de succesvolste doelverdediger uit de Nederlandse historie, en voor zijn stiel in het algemeen: de keeper als een tragische figuur. De bezeten eenling. Het buitenbeentje ook. Een man – of steeds vaker: vrouw – die nooit punten voor je wint, ze alleen kan verliezen. ‘Als het team wint, komt het door de trainer’, zegt Tarek Kharboutly, één van de hoofdpersonen van de documentaire Keeper (75 min.). ‘Als het team verliest, komt het door de keeper.’ Een fout is volgens de doelverdediger van de Zuid-Hollandse tweedeklasser Teylingen, die ooit voor het Syrische nationale elftal speelde, niets minder dan ‘een schande’.

Tegendoelpunten kunnen zelfs intens verdriet veroorzaken, zoals bij jeugdkeeper Lenny Bemboom uit Terschelling die tranen met tuiten huilt als er wéér een bal invliegt. Er moet een volwassene aan te pas komen om de jongen te troosten. Het is één van de mooiste scènes uit deze fijne publieksfilm van Johan Kramer, die verder de ambitieuze doelvrouw Selena Babb en de 74-jarige Jan Dooijewaard van DVV’33 uit Ermelo, ‘de oudste keeper van Nederland’, portretteert. Via hen gaat Kramer, in de rug gedekt door de sportjournalisten en (oud-)keepers Sjoerd Mossou en Leo Oldenburger, op zoek naar het wezen van de spreekwoordelijke sukkel op doel. Die er natuurlijk alleen staat omdat hij niet kon voetballen.

De filmmaker maakt in deze mythologisering van de beroepsgroep, die alle oerbeelden bestendigt die je bij keepers kunt hebben, geen gebruik van archiefmateriaal. Geen legendarische namen uit het verleden dus, zoals Gordon Banks, Dino Zoff of Rinat Dasajev. En ook de moderne ‘krokettenvangers’ Neuer, Courtois of – de grote held van Lenny – De Gea ontbreken. Keeper richt zich op gewone baltegenhouders. In een oer-Hollandse setting is te zien hoe ze hun verdediging dirigeren, spugen in handschoenen, rekken en strekken, de bal uit de sloot halen of klaar gaan staan om een penalty te stoppen (volgens Sjoerd Mossou de enige situatie waarin een keeper alleen maar kan winnen). Kamer vangt hun rituelen in fraaie, door weelderige muziek ondersteunde sequenties. Waarbij natuurlijk ook dat hele kleine beetje sterven na elke tegengoal niet ontbreekt. Als de bal ook nog eens door hen, en door niemand anders, uit het doel moet worden gehaald.

En niemand die dat zo hartverscheurend kon als, juist, Hans van Breukelen. De beelden zijn moeiteloos op te roepen: hoe hij nadat de bal uit het net is gevist, met een mengeling van ongeloof en weltschmerz in de ogen en mismoedig schuddend met het hoekige hoofd, de bal met een larmoyante voetbeweging richting middenstip trapt. Nóg mooier echter zijn de herinneringen aan hoe ‘De Breuk’ eerst, in de aanloop naar de belangrijkste strafschop van zijn leven, met zijn wijsvinger even het rechterooglid omlaag trekt (zo van: ‘ik heb jou door, jongen!’) en later als een ongenaakbare gladiator de knuffels van zijn teamgenoten in ontvangst neemt. Tussendoor heeft hij in de EK-finale van 1988 een penalty van de Rus Belanov gestopt. Die redding vormde de opmaat naar de enige prijs die Oranje ooit won.

Disclaimer: ik sta zelf elke zondag op doel en ben zo ongeveer het tegendeel van Hans van Breukelen: nooit iets gewonnen en na elke redding op zoek naar een schouderklopje.

Sideline

Thomas Dhanens

‘Zwarte Martha’, wordt er na de wedstrijd enthousiast gezongen in de kleedkamer van de Belgische vierdeklasser SV Nielse (shirtsponsor: Bierhandel De Troetsel Niel) terwijl er een kratje bier wordt opengetrokken. Het voetbalelftal zet nog eens in: ‘Dikke zwarte Martha. Zwarte Martha, ik ben verliefd op jou.’ ‘Ze heeft een dubbele kin’, schreeuwt één van de begeleiders. ‘Een scheve neus. Een glazen oog. En mooi blond haar.’ Waarna het hele elftal nog eenmaal het Zwarte Martha-refrein door de kleedkamer laat schallen. Gevolgd door: ‘En ze heeft een rotte foef.’

Nee, het is geen San Siro, Old Trafford of Camp Nou geworden voor Lateef Mudashira, een 24-jarige Nigeriaan die zeker weet dat hij, als God het hem gunt, ooit voor FC Barcelona zal spelen. Hij heeft zijn vriendin en pasgeboren dochtertje zeven jaar geleden thuis achtergelaten voor een voetbalcarrière in Europa. Nu hij die nieuw leven probeert in te blazen is Lateef letterlijk veroordeeld tot de blubber van het Belgische betaald voetbal. En in de wedstrijd tegen het altijd gevaarlijke FC Blaasveld moet hij zelfs op de reservebank plaatsnemen.

De aanvallende middenvelder is één van de Afrikaanse spelers die regelmatig samenkomt op het Antwerpse trapveldje Luchtbal, waar ze gezamenlijk in conditie proberen te blijven voor als er (toch nog) een Europese profclub interesse toont. Ook Moses Adams staat regelmatig langs de Sideline (79 min.). De voormalige Nigeriaanse international, die in de pijnlijke openingsscène van deze serene, gestileerde documentaire te horen heeft gekregen dat zijn rotte knieën geen betaald voetbal meer toelaten, is aan een nieuw leven begonnen als voetbalmakelaar.

Via Adams en enkele spelers die hij aan de man probeert te brengen, schetsen de filmmakers Joost Wynant, Louis Pons en Maarten Goffin op subtiele wijze een schrijnend beeld van de internationale handel in Afrikaanse voetballers, waarbij achter de succesverhalen van sterren als Drogba, Mané en Onana een wereld vol irreële verwachtingen, vage beloftes en enorme teleurstellingen schuilgaat. Voetbal blijkt opnieuw een doodgewone business te zijn, waarin de speler niet meer is dan handelswaar en dromen over de Oude Dame zomaar naar Zwarte Martha kunnen leiden.

Voetbal Is Oorlog


‘Wat een kutkeeper! Wat een kutkeeper! Wat een kutkeeper! Wat een kutkeeper! Godverdomme. Wat hebben wij toch een kutkeeper, zeg! Verschrikkelijk! Wat een kutkeeper hebben wij, zeg!’ De tirade van Achilles ‘29-trainer Eric Meijers over zijn eigen doelverdediger, afkomstig uit de documentaire Voetbal Is Oorlog (83 min.) van Hans Heijnen, ging in de afgelopen weken viral en vormt een prachtig visitekaartje voor deze film, die echt een groot publiek kan aanspreken.

Voetbalstadions lijken immers de nieuwe kerken, waar de belangrijkste bijzaak des levens wordt beleden als een alles omvattende religie. Ook in de onderste regionen van het Nederlands betaald voetbal lopen de emoties soms hoog op. Zodra ze gras ruiken, krijgen sommige mensen nu eenmaal een waas voor hun ogen. In de kleedkamer krijgt diezelfde keeper, Robbert te Loeke, bijvoorbeeld nog eens van onder uit de zak van technisch manager en assistent-trainer Frans Derks. ‘Kom op, godverdomme!’, schreeuwt hij met overslaande stem. ‘Hou die ballen tegen, man!’

De familie Derks zet de toon bij de voetbalclub van de Groesbeekse middenstand. Broer Harrie is voorzitter, zus Elrie bestuurslid. Grote ambities hebben ze: hun club moet betaald voetbal spelen. Terwijl de grote concurrent, het ooit zo ongenaakbare De Treffers, gewoon bij de amateurs is blijven steken. Door financiële perikelen laat de felbegeerde proflicentie van Achilles ’29 alleen steeds op zich wachten. Grijpt de club boven zijn macht?

De knulligheid en het amateurisme druipen er regelmatig vanaf in deze kostelijke documentaire, zeker als de club ook sportief in zwaar weer terechtkomt. Het team staat stijf onderaan in de Jupiler League. Degradatie naar de amateurs dreigt. De nieuwe Zweeds-Servische spits Emir Smajic moet daarom ‘honey’ zijn voor de goal, volgens trainer Meijers in zijn allerbeste Engels. ‘Horny’, corrigeert zijn assistent Frans Derks. Hitsig.

Als Meijers en de diverse Derksen het tij niet weten te keren, daalt Achilles ’29 straks weer af naar het niveau van de eeuwige rivaal. Die wedijver met De Treffers doet denken aan de clash tussen de Bokken en de Geiten, de twee harmonieën van het Limburgse dorpje Thorn waarover Hans Heijnen twintig jaar geleden één van zijn meest geslaagde films maakte. Ook Voetbal Is Oorlog draagt duidelijk zijn signatuur: veel losse gesprekjes met clubmensen en dorpelingen, dik aangezette (klassieke) muziek en een dwingende voice-over (van vaste gast Huub Stapel).

Met die elementen schetst de Nijmeegse filmmaker een hartveroverend portret van een hechte dorpsgemeenschap, rond een voetbalclub in barre tijden. ‘Het is ons niet gegund vandaag’, houdt coach Eric Meijers zijn terneergeslagen ploeg voor na alwéér een nederlaag. Alsof ze daar zelf geen enkele invloed op hebben gehad, maar er een hogere macht is die wikt en beschikt over ‘de helden van de Heikant’. En wie zegt, zou de gezworen Achilles-fan kunnen denken, dat dit opperwezen niet, stiekem, heel stiekem, voor De Treffers is?

De Prijs Van De Hemel


Morgen komt waarschijnlijk een jongensdroom uit. In Camp Nou, het imposante voetbalstadion van FC Barcelona, staat PSV-middenvelder Pablo Rosario dan in zijn eerste Champions League-wedstrijd tegenover de superster Lionel Messi. Zes jaar geleden belichtte regisseur Jack Janssen het leven van de dertienjarige Rosario in de documentaire De Prijs Van De Hemel (61 min.).

De verwachtingen zijn dan al hooggespannen rond de HAVO-scholier met de paardenstaart. Volgens zijn jeugdtrainer bij de Amsterdamse amateurclub DWS wordt Pablo Paulino Rosario zelfs beter dan Ruud Gullit, die samen met Frank Rijkaard bij dezelfde vereniging speelde. Hij staat in de belangstelling van Ajax, Feyenoord en zijn huidige werkgever PSV. Vertegenwoordigers van die clubs blijven hem met voorstellen bestoken. Aan Pablo de keuze…

Pa Rosario treedt op als zaakwaarnemer. Ook hij denkt dat zijn zoon de top gaat halen. ‘Hij komt absoluut in het Nederlands elftal te spelen.’ Tegelijkertijd ziet de van oorsprong Dominicaanse spraakwaterval ook beren op de weg. ’Er zijn hele mooie vrouwen die je het hoofd helemaal op hol kunnen brengen’, oreert hij tegen zijn zoon. Pablo moet ervoor zorgen dat hij op een dag ‘een kusje en ketting van de koningin’ krijgt als het Nederlands elftal met hem het WK heeft gewonnen. De jongen zit de preek onbewogen uit.

Tijdens de halve finale van het WK-voetbal in Zuid-Afrika laat Pablo een heel andere kant van zich zien. In een krachtige scène juicht hij (om zijn vriendjes te sarren?) heel nadrukkelijk voor Oranjes tegenstander Uruguay, bij een wedstrijd waarin ook zijn huidige trainer Mark van Bommel actief is. Ineens is ‘Pablito’ weer gewoon een lekker dwarse puber, die school, vriendjes en een alles overwoekerende ‘hobby’ moet zien te combineren en soms gewoon de kont tegen de krib gooit.

Intussen brengt deze observerende documentaire uit 2012 ook treffend de gekte in beeld die kan ontstaan rond jeugdig voetbaltalent, waarbij volwassen mannen hun eigen dromen projecteren op een kind en anderen daar weer een slaatje uit proberen te slaan. Terwijl steeds opnieuw blijkt hoe moeilijk het is om te voorspellen wie er later tegenover Messi komt te staan en wie gedoemd is om weg te kwijnen in de verste uithoeken van het betaalde voetbal.

Les Bleus 2018, Au Coeur De L’épopée Russe


Documentaire maken in real time, het kan. Slechts twee dagen na de WK-finale verscheen Les Bleus 2018, Au Coeur De L’épopée Russe (122 min.), een gelikte achter de schermen-film over het Franse voetbalelftal dat uiteindelijk de wereldtitel in de wacht zou slepen. De documentaire is in twee delen op YouTube te bekijken, waarbij je de kreupele ondertiteling voor lief moet nemen.

Erg diep graaft die film natuurlijk niet en de toon blijft altijd positief – naar de blunder van keeper Hugo Lloris in de WK-finale tegen Kroatië zul je bijvoorbeeld tevergeefs zoeken. De filmmakers Emmanuel le Ber en Théo Schuster hebben echter wel opmerkelijk veel toegang gekregen. Voor, tijdens en na de wedstrijd lijkt de camera overal welkom te zijn; van de wedstrijdbesprekingen van coach Didier Deschamps tot het opmaken van de balans in de rust en de euforie na alwéér een gewonnen wedstrijd. De spelers doen daarnaast regelmatig hun verhaal in een soort dagboekcamera en worden gefilmd als ze zich ontspannen of prepareren voor de volgende wedstrijd.

Intussen wordt glashelder wie de absolute leider is van de ploeg: Manchester United-middenvelder Paul Pogba. Voor de wedstrijden geeft hij steeds een ongenadige peptalk (‘we zijn gekomen om deze fuckin’ wereldcup te winnen’), tijdens de negentig minuten stroopt hij het hele veld af en na afloop geeft hij letterlijk het tempo aan bij het feestgedruis. Het voetbal van Les Bleus tijdens het wereldkampioenschap in Rusland mag dan wat al te zakelijk zijn gebleven, deze backstagedocu met straffe beelden en kekke muziekjes laat zien dat de kersverse wereldkampioen achter de schermen wel degelijk flink kon swingen.

Op Netflix is nog altijd Les Bleus: Une Autre Histoire De France 1996-2016 te zien, een documentaire waarin twintig turbulente jaren van het Franse elftal in beeld worden gebracht en zo meteen een beeld wordt geschetst van (de strubbelingen in) het hedendaagse, multiculturele Frankrijk.

The Workers Cup


Frankrijk is nog geen wereldkampioen of wij Nederlanders richten het vizier – noodgedwongen – alweer op het volgende wereldkampioenschap, in Qatar in 2022. Over vier jaar moet er een uitgebreide voetbalinfrastructuur zijn aangelegd in de Arabische golfstaat, die tegen de verwachtingen in enkele jaren geleden de organisatie van het WK heeft bemachtigd.

In dat kader verblijven er inmiddels ruim anderhalf miljoen, grotendeels Aziatische, Afrikaanse en Arabische arbeiders in Qatar. Gezamenlijk vormen ze op dit moment zestig procent van de totale bevolking van het land. Ze wonen in werkkampen en maken zo’n twaalf uur per dag, vaak zeven dagen per week. De arbeidsomstandigheden zijn belabberd. Al te veel gelegenheid om te klagen of een andere baan te zoeken is er echter niet, want hun werkgever heeft hun werkvergunning in beheer.

Gelukkig mogen ze zelf ook een potje voetballen. De bedrijven waarvoor ze werken hebben zich ingeschreven voor de strijd om The Workers Cup (58 min.), een toernooi dat door de WK-organisatie is georganiseerd om het voetbal in eigen land te promoten. Deze stevige documentaire van Adam Sobel volgt enkele spelers van het team van de Gulf Contracting Company (GCC). ‘Ons bedrijf heeft veel voor ons gedaan en daarom moeten we vandaag winnen’, houdt trainer Dean zijn mannen uit Kenia, Ghana, India en Nepal voor. Daarbij kunnen ze volgens hem uit eigen kracht putten: ‘eenheid in diversiteit.’

Buiten het veld bestaat het leven van de spelers uit niet veel meer dan werken, waarbij ze tussen de bedrijven door contact proberen te houden met hun vroegere leven en de geliefden die zijn achtergebleven in eigen land. Binnen de lijnen vinden ze een gelegenheid om zich te onderscheiden. De wedstrijden worden beleefd als echte WK-krakers. Waar hun werkgever vooral uit lijkt op prestige, staat er voor de voetballers zoiets elementairs als zelfrespect op het spel. Hoe blijf of word je meer dan een onbeduidend radertje in het systeem? Met een benutte penalty of katachtige reflex misschien?

Deutschland Ein Sommermärchen


Nog niet zo lang geleden was er niets leukers te bedenken: beelden van een terneergeslagen ‘Mannschaft’ die zojuist de deksel op de neus heeft gekregen. Toen de documentaire Deutschland Ein Sommermärchen (107 min.) werd uitgebracht in 2006, heeft menige Nederlandse voetballiefhebber vast nog likkebaardend gekeken naar de openingsscène: Duitse internationals in zak en as, na de nederlaag tegen Italië op het WK in eigen land.

De redeloze haat tegenover ‘die Duitsers’, waarbij verwijzingen naar de oorlog en 1974 nooit van de lucht waren, behoort gelukkig tot het verleden. Die ommekeer werd ingezet met datzelfde positief ingestelde Duitse elftal van 2006, zo roept deze documentaire van Sönke Wortmann nog maar eens in herinnering. Onder de hoede van coach Jürgen Klinsmann is de luizenploeg van weleer omgevormd tot een team waar ook de rechtgeaarde voetballiefhebber van kan houden. Met succes bovendien, getuige de derde plaats op het wereldkampioenschap.

Na de gewonnen openingswedstrijd tegen Costa Rica laat de ware Klinsmann zich direct kennen. ‘Geil!’, blijft hij maar roepen tegen zijn vermoeide spelers. ‘Die pakken ze ons niet meer af.’ Die positieve insteek tekent de coach Klinsmann, die in deze film als een op Amerikaanse leest geschoeide motivator opereert. De tactische besprekingen laat hij veelal over assistent Joachim Löw, die als zijn opvolger in 2014 de wereldcup overigens wel naar Duitsland zou brengen. Gezamenlijk durven ze ook harde keuzes durven te maken: Jens Lehman onder de lat bijvoorbeeld, in plaats van de onvermijdelijke Oliver Kahn. De eeuwige rivalen spreken er eerlijk over.

Deze traditioneel opgezette documentaire lijkt soms bijna te mooi om waar te zijn. Als in: is dit werkelijk de ongepolijste achterkant van het Duitse elftal? Of waren al die brave borsten, die we zien tijdens het bowlen, groepsgewijs handtekeningen zetten of luieren op hun hotelkamers, zich maar al te bewust van de camera? Wortmann heeft in elk geval ongeëvenaarde toegang gekregen tot de ploeg en beschikt met Lukas Podolski bovendien over zijn eigen spion, die met een cameraatje zelfs doordringt tot de badruimte.

Als je het Duitse voetbal nog altijd associeert met professionele etters als Lothar Matthäus en Rudi Völler, dan kantelt Deutschland Ein Sommermärchen (dat zonder ondertiteling in zijn geheel op YouTube is te bekijken) dit beeld volledig. Sterker: als de gehele selectie, inclusief trainersstaf, in de bus luidkeels begint mee te galmen met de schlager Marmor, Stein Und Eisen Bricht, lijken ze even een doodgewoon voetbalelftal dat zojuist zijn wekelijkse partijtje heeft gewonnen en nu onderweg is naar de kantine.