Lance

ESPN

Kampioen. Winnaar. Leider. Macho. Controlfreak. Wielrenner. Tijdrijder. Dopingzondaar. Valsspeler. Poseur. Leugenaar. Bullebak. Agressor. Psychopaat. Ofwel: Lance (203 min.). En, o ja: kankeroverlever. Beroemdheid. Miljonair. Filantroop.

Wat valt er na talloze interviews, reportages en de documentaires The Armstrong Lie en Stop At Nothing: The Lance Armstrong Story nog te vertellen over de man die zevenmaal de Tour de France won en daarna met donderend geraas van zijn voetstuk donderde, toen de al jarenlang circulerende geruchten over excessief dopinggebruik gewoon helemaal waar bleken te zijn? In hoeverre biedt dit tweeluik Armstrong (opnieuw) een kans om zijn straatje schoon te vegen?

Filmmaakster Marina Zenovich kijkt met zijn moeder Linda, die hem al op zeventienjarige leeftijd op de wereld zette, en stiefvader Terry Armstrong in elk geval serieus naar zijn jeugd. ‘Zonder mij zou Lance nooit de kampioen zijn geweest die hij nu is’, zegt die laatste schuldbewust. ‘Want ik jaagde hem op als een dier.’ Achteraf bezien had stiefpapa hem behalve de zweep ook wat vaker liefde moeten geven, constateert hij. En Lance’s biologische vader was sowieso nooit in beeld. Met de nodige wijsheid van nu is het eenvoudig om te constateren: ideale basis om een Lance Armstrong te worden.

Het navolgende verhaal van de opkomst en ondergang van de bijbehorende wielerkampioen wordt met behulp van het gebruikelijke peloton van ploeggenoten (George Hincapie, Tyler Hamilton en Bobby Julich), begeleiders (zijn ploegleider Johan Bruyneel, managers, advocaten en soigneur), medewerkers van Armstrongs stichting Livestrong, allerhande deskundigen (oud-renners, medewerkers van het anti-dopingagentschap, UCI-officials en journalisten, onder wie Armstrongs nemesis David Walsh) én de renner die Armstrongs dopinggebruik aan de grote klok zou hangen (Floyd Landis) nog eens van binnenuit opgetekend. 

Met Lance zelf opnieuw als de ideale held/schurk (die zich steeds moeiteloos langs Zenovich’s vragen wurmt, lacht of verontschuldigt), een fijne collectie archiefmateriaal en nét iets te geacteerde fly on the wall-scènes in huiselijke kring. Waarbij doping natuurlijk een steeds terugkerend thema is: als middel waarmee hij zijn ongebreidelde ambitie kon waarmaken, een way of life’ bijna. Als mogelijke oorzaak voor de teelbalkanker die hij zou krijgen. En als permanente schaduw over zijn imposante prijzenkast. 

Het blijft een grootse en fascinerende vertelling over een authentieke ‘man you love to hate’. Rest wel de vraag wat het over hem zegt dat hij opnieuw meewerkt aan een documentaire over zijn getroebleerde leven en carrière – een ander zou wellicht voor de rest van zijn leven onder een steen zijn gekropen – en welk belang hij daarbij heeft. Het lijkt er in elk geval sterk op dat hij nog steeds niets anders kan of wil zijn dan ‘Lance Armstrong’, ook al is dat dan een gebutste en íets nederige versie van de vroegere mannetjesputter.

Zonder die ene bijzonder hardnekkige eigenschap om alles naar zijn hand te zetten, in combinatie met de strenge dopingregels en bijbehorende maatschappelijke verontwaardiging, zou hij nu nog altijd vereerd worden als een icoon van zijn sport. Net als die andere ongelofelijke streber, de basketballer Michael Jordan, die dit jaar mocht excelleren in de geweldige docuserie The Last Dance. Lance’s reputatie is en blijft echter bezoedeld. Het kon véél erger, vindt Armstrong zelf in deze toch wel weer intrigerende karakterstudie. ‘Ik had ook Floyd Landis kunnen zijn’, zegt hij, ouderwets fel en vilein. ‘Elke ochtend wakker worden als een enorme zak stront.’

Carrousel

IDFA

Als blikken konden doden. Of gebaren. Of stopwoordjes. Tayfun, Delgano en Nabil stralen in alles uit: blijf van me af. Hun begeleiders in het Rotterdamse centrum Nieuwe Kans, die hen proberen aan te spreken op hun gedrag, noemen ze consequent ‘broer’ of ‘vriend’. Dat klinkt misschien amicaal, maar lijkt vooral bedoeld om hen op afstand te houden.

De jongens proberen hun problematische achtergrond kwijt te spelen en een nieuwe start te maken, maar dat gaat bepaald niet vanzelf – en zeker niet zonder conflicten. In Carrousel (68 min.) knettert het soms flink tussen de cliënten onderling en met hun begeleiders. Filmmaakster Marina Meijer vangt die confrontaties van héél dichtbij en toont ze zonder enige opsmuk.

In lange, enerverende close-up shots, alsof de jongeren gevangen zitten in zowel het frame als hun leven, laat Meijer zien hoe zij stelselmatig spanning opbouwen, die dan plotseling tot een ontlading kan komen. Het is een voortdurend gevecht, waarbij met name kunstdocent Toine Bakermans soms door hun pantser weet te breken. De man heeft zelf 21 jaar in de gevangenis gezeten en laat zich niet zomaar uit de tent lokken.

Dat betekent niet dat elke jongen ook is te redden – of zich wil, of kan, laten redden. Meijer maakt de werkelijkheid niet mooier dan-ie is. Gaandeweg laten de jongens wel steeds meer los over hoe ze zijn geworden tot wie ze nu zijn. En dat geeft te denken over hun toekomstperspectief. Zijn de Tayfuns, Delganos en Nabils van deze wereld daadwerkelijk in staat om zichzelf, net als hun docent Toine, opnieuw uit te vinden?

Deze geladen film is niet meer dan een tussenopname en kan dus geen eenduidig antwoord geven. Duidelijk is wel dat de getroebleerde jongeren nog een lange weg voor de boeg hebben, die onvermijdelijk met vallen en opstaan gepaard zal gaan. En dodelijke blikken, boze gebaren en geïrriteerde stopwoordjes.

O Amor É Único

 

’De dokter zegt dat ik niet de rest van mijn leven alleen moet blijven’, zegt Dona Alva stellig. ’Ben je niet te oud voor een nieuwe liefde, mam?’ wil haar zoon weten. Maar zijn hoogbejaarde moeder wil van geen wijken weten. ‘Jij weet niets van mijn leven! Niemand weet mijn leeftijd. Alleen God.’ Volgens de ‘machovrouw’ Alva, woonachtig op een Braziliaanse heuvel, is ze pas 76. Toen ze op haar veertiende moest trouwen, heeft haar vader noodgedwongen een verkeerde leeftijd doorgegeven.

Dat is uiteindelijk geen héél gelukkig huwelijk geworden, zo wordt al snel duidelijk in O Amor É Único (50 min.), een aandoenlijke documentaire van Marina Meijer. Dona Alva’s echtgenoot Laerte is enkele maanden eerder overleden. Tijd dus voor een tweede leven, in het dorpje onderaan de heuvel en liefst ook met een nieuwe liefde. Die als het even kan net zo overrompelend is als de enige keer dat ze echt verliefd is geweest. Als elfjarig meisje viel Alva ooit als een blok voor een jongen die naar het leger vertrok. Hij kwam nooit meer terug.

Al snel weet Dona Alva het zeker: dat is hem, de nijvere klusjesman Marquinhos. Hij is alleen zeker veertig jaar jonger. Hoe gaat de oudere vrouw, die zienderogen het meisje in zichzelf herontdekt, zo’n jonge vent verleiden? Of verzoent ze zich met het gegeven dat haar beste jaren waarschijnlijk achter haar liggen? O Amor É Único (vrij vertaald: elke liefde is uniek) volgt de rijpe femme fatale bij haar terugkeer op het liefdespad. Elke scène is doordrenkt van melancholie over wat het leven was, is en had kunnen zijn, waardoor de film aanvoelt als één van de bitterzoete ballades, die Alva’s muzikale dorpsgenoot Zé bij elke feestelijke gelegenheid ten gehore brengt.