People We Come Across

EO

De plaatselijke volwassenen zijn inmiddels immuun voor de ziekte. Daarom verwelkomt Benin gedurende anderhalf jaar, van de zomer van 2017 tot begin 2019, 700 Finse toeristen voor een heel bijzondere vakantie. Zij komen naar het West-Afrikaanse land om te helpen bij de ontwikkeling van een speciaal diarreevaccin. 

De Finse arts Anu Kantele, de leider van het vaccinonderzoek Mama Jaakko, hoopt een vaccin te ontwikkelen dat miljoenen zieke kinderen in ontwikkelingslanden, waaronder 500.000 dodelijke slachtoffers, kan voorkomen. Het uitgangspunt van dit onderzoek is opmerkelijk: de Finse volwassenen stellen zich, onder medische begeleiding, beschikbaar als proefkonijn. Kantele realiseert zich dat ze daarmee een grote verantwoordelijkheid op zich neemt. ‘Maar als ik bang ben om fouten te maken, kan ik nooit iemand helpen’, zegt ze in People We Come Across (52 min.).

Terwijl de Europeanen zo hun bijdrage leveren om ‘een stille pandemie’ te voorkomen, ontdekken ze automatisch de schrijnende armoede in de gemeente Grand-Popo en besluiten ze om de plaatselijke bevolking te gaan helpen. Ze beginnen zwemles te geven, doen een fiets cadeau of leggen uit hoe je maandverband gebruikt. Initiatieven die niet per definitie succes hebben. Het komt zelfs tot een huwelijk. Tussen Heli, een laboratoriummedewerker die tijdens het onderzoek in Benin is gaan wonen, en de plaatselijke visser Gogo Agbodjakin, die eigenlijk ‘veel te jong en te knap voor me’ is.

Als het vaccinonderzoek naar zijn einde loopt zorgt dat in deze interessante documentaire van Mia Halme zowel bij de lokale bevolking als bij hun Finse gasten voor emoties. Hebben ze gezamenlijk een stap kunnen zetten in het bedwingen van een ernstige tropische ziekte? En hoe vervolgen ze hun leven nu los van elkaar, in werelden die in alle opzichten duizenden kilometers van elkaar zijn verwijderd?

Overseas

Iota Productions

Een Filipijnse vrouw poetst het toilet in de onwerkelijke openingsscène van de observerende documentaire Overseas (91 min.). De bril, de pot, de vloer. Ze poetst. Poetst. En poetst. Ze begint zacht te snikken. Harder. En nog harder. Totdat ze voluit huilt.

‘Huil nooit waar je werkgever bij is’, doceert een oudere vrouw even later. Ze bereidt een groepje Filipijnse vrouwen voor op een bestaan als OFW: Overzeese Filipijnse Werker. Ze staan op het punt om voor enkele jaren naar een land als Saudi-Arabië, Dubai of Singapore te vertrekken. Voor een betrekking als uiterst gedienstige huishoudster. Helden zijn ze, volgens president Duterte, maar zo worden ze natuurlijk niet behandeld.

Behalve praktische vaardigheden zoals het bed opmaken, een baby in bad doen en de tafel schikken oefenen de vrouwen, die soms al enige tijd in het buitenland verbleven en lang niet altijd met prettige ervaringen thuiskwamen, vooral hoe ze moeten overleven in een omgeving waar de baas of bazin alles, letterlijk alles, bepaalt. Hoe zorg je ervoor dat je desondanks wordt behandeld als mens? Want dat zijn ze – daar zijn de cursusleiders behoorlijk stellig in.

En hoe houd je je de baas des huizes van het lijf? Natuurlijk, een ferme trap in zijn kruis zal voor even wel afdoende zijn, maar wat zijn je andere opties? Het zijn absurde taferelen, door regisseur Sung-A Yoon met een zekere distantie vastgelegd, die worden afgewisseld met persoonlijke ontboezemingen van de vrouwen onderling. Waarbij het voor buitenstaanders niet altijd helder is welke situaties en emoties echt en welke nagebootst zijn

Het doel van de gedrilde vrouwen is duidelijk: ze doen het ‘voor de familie’ (regel 1 van hun onderricht). Die moeten ze daarvoor dan wel enige jaren in de steek laten. In het opleidingscentrum, en deze boeiende film, werken ze gestaag toe naar een vanzelfsprekende climax: het moment waarop ze zichzelf thuis achterlaten en voor een nauwelijks te bevatten periode hun slavenpak aantrekken.

Maid In Hell


Je kunt er bij ons op kantoor eentje komen uitzoeken in de catalogus. Als ze Arabisch spreekt, kost ze 200 dollar per maand. Anders maar 150. Ze komt twee jaar en drie maanden bij je werken. Elke dag natuurlijk. Vrije dagen krijgt ze niet. En haar paspoort moet je goed bewaren en verstoppen.

Dat krijg je zo ongeveer te horen als je een officieel agentschap benadert voor een zogenaamde Maid In Hell (59 min.). En aan mensenrechten doen we niet, zegt Maher Doumit, die samen met zijn moeder Hasna zo’n tweehonderd vrouwen per jaar afzet. Dat gedoe is in zijn ogen meer iets voor Europa. Niet voor het Midden-Oosten, waar bijna drie miljoen buitenlandse vrouwen werkzaam zijn als huishoudelijke hulp.

In de rest van de wereld moeten ze weinig hebben van het zogenaamde Kafalasysteem. Landen als Ethiopië, de Filipijnen en Nepal hebben al een verbod uitgevaardigd, maar met een beetje goede wil, en wat geld onder de tafel, is daar wel omheen te werken, zo laten de Doumits niet zonder trots weten. Hij gaat er ook echt niet mee stoppen, zegt Maher. Hij helpt op deze manier immers zichzelf en anderen. In die volgorde.

Moeder en zoon Doumit vertegenwoordigen in deze schokkende documentaire van Søren Klovborg, wat mij betreft de beste film uit de Why Slavery?-reeks, de min of meer legale tak van de branche. Elders, in de schaduw, is het nóg slechter voor de vrouwen. De gevolgen laten zich raden: onderdrukking, uitbuiting en mishandeling. Sommige vrouwen weten te ontsnappen en komen terecht in speciale opvanghuizen. Hun verhalen zijn nauwelijks te bevatten.

De Keniaanse senator Emma Mbura, die zelf ooit als maid in de Verenigde Arabische Emiraten werkte, neemt het voor hen op. Als zij serieuze maatregelen voorstelt, merkt ze echter al snel dat die de economische belangen van haar eigen land, dat intensief handelt binnen het Midden-Oosten, natuurlijk niet mogen schaden. Ziedaar de wereld waarbinnen de strijders tegen moderne slavernij moeten opereren. En de wereld waarbinnen die vrouwen moeten werken.

Totdat ze er dood bij neervallen…