McCartney – The Hunt For The Lost Bass

BBC / Freemantle / Dartmouth Films / maandag 6 juli, om 22.40 uur, op NPO2

Toen The Beatles in het voorjaar van 1970 uit elkaar gingen, raakte het instrument waarmee Paul McCartney groot was geworden vermist. Hij kocht de Höfner-vioolbasgitaar nadat Stu Sutcliffe, de oorspronkelijke bassist van de Britse band, in 1961 had besloten om voor de liefde in Hamburg te blijven en niet met de rest terug te keren naar Liverpool. Gitarist McCartney nam Sutcliffes taak toen over en kocht een bas die de hele Beatles-carrière meeging – en toen spoorloos verdween.

De zoektocht naar ‘de heilige graal van de rock & roll’ drijft de documentaire McCartney – The Hunt For The Lost Bass (87 min.) van Arthur Cary. Het is nog wel even de vraag om welke basgitaar het precies gaat: in 1963 kreeg McCartney namelijk een vervangende bas, van dezelfde Duitse fabrikant. Het oorspronkelijke instrument is waarschijnlijk voor het laatst vereeuwigd op een foto van de befaamde Let It Be-sessies in 1969. Jan en alleman heeft hem sindsdien echter nog gezien, vermoedelijk in de contreien van Bigfoot, het Monster van Loch Ness of Elvis.

Met de goedkeuring van Paul zelf, die ook zijn jongere broer Mike heeft gecharterd voor deze smakelijke film, gaat een medewerker van Höfner, Nick Wass, op zoek naar de befaamde basgitaar. Zijn echtgenote Cathy Harrison bedenkt een pakkende slogan: #TraceTheBass. De twee krijgen in 2023 versterking van een ander echtpaar, de ‘basdetectives’ Scott en Naomi Jones. Zodra hun zoektocht uitlekt naar de media, ontstaat er zelfs een soort nieuwe Beatlemania: de Joneses ontvangen binnen 48 uur zeshonderd e-mails met tips en aanknopingspunten.

Op het pad dat hen naar die befaamde bas moet leiden stuiten ze op een bonte stoet aan personages, zoals de Duitse graphic designer Klaus Voormann (die in Hamburg nog bijna zelf bassist van The Beatles was geworden), Pauls vakbroeder Elvis Costello, Wings-geluidstechnicus Ian Horne, de verdachte roadie Dik Mik, anti-Beatlesband Hawkwind en twee ambulancebroeders die helemaal idolaat zijn van de ‘fab four’. Via hen en die bas vindt Cary intussen een nieuw geitenpaadje naar de weg die McCartney en z’n bandje hebben afgelegd en die in docu’s al zo vaak is nagelopen.

Suzan & Freek: We Vieren Het Leven

Videoland

‘Jij zegt heel vaak: ik vind het heel leuk om Suzan van Suzan & Freek te zijn’, vertelt Freek aan het begin van de documentaire Suzan & Freek: Tussen Jou En Mij (2023), terwijl hij met zijn arm om Suzan op het strand van Santa Barbara zit. ‘En ik vind het leuk om Freek van Suzan & Freek te zijn.’ Sindsdien is er heel wat gebeurd – understatement! – maar lijken ze dat gevoel vast te hebben gehouden.

Suzan & Freek: We Vieren Het Leven (64 min.) is tenminste doortrokken van een soort onverwoestbaar optimisme. Ondanks dat verpletterende nieuws in mei 2025: Freek heeft uitgezaaide longkanker, zonder kans op genezing. Die boodschap sloeg natuurlijk in als een bom. Het was zelfs de vraag of het zingende duo ooit nog samen het podium zou betreden. Maar zie daar: precies een jaar later staan Suzan Stortelder en Freek Rikkerink met hun band in het Gelredome te Arnhem. Tienmaal, welteverstaan.

Al snel volgde er ook beter nieuws: ze mochten hun eerste kindje Sef verwelkomen en kregen een prominente rol als coach in het televisieprogramma The Voice Of Holland. De twee hielden er intussen allebei hun eigen coping strategie op na. Suzan stortte zich op het inrichten van de kinderkamer. En Freek begon alles wat los en vast zit te lezen over mensen die een vergelijkbaar ‘rampscenario’ hadden gekregen. Zo lijken ze, doelbewust levend in het hier en nu, de boel weer behoorlijk op de rit te hebben gekregen.

‘Waarom maken we deze documentaire volgens jou?’ vraagt de interviewer van dienst in deze docu aan Suzan, terwijl ze met Sef in de kinderwagen aan de waterkant zit. ‘Ik vind het zelf heel leuk om dingen vast te leggen’, antwoordt zij. ‘Ik wilde dit zelf voor mezelf ook hebben en ik vind het prima dat andere mensen het ook zien.’ Dan lijkt ze ‘t vooral te hebben over die concertreeks, want nuchter als ze (blijkbaar) zijn, gaan Suzan & Freek, nadat ze dat overbekende verhaal hebben gedaan, het liefst over tot de orde van de dag.

Daarmee wordt dat vieren van het leven toch vooral een gesmeerd lopend kijkje achter de schermen bij een groots opgezette live-productie, waarvoor alles tot in de puntjes wordt geregeld en de twee bijvoorbeeld over het publiek gaan zweven. Er staat zelfs een dixi onder het podium, grapt hun vriend Snelle, die natuurlijk ook van de partij is in het Geldedome. Net als een geëmotioneerde Claude en ‘hun’ Voice Of Holland-winnaar Ruben Hillen. Samen vieren ze ongegeneerd het leven. Van Suzan & Freek, in het bijzonder.

Earth, Wind & Fire (To Be Celestial Vs. That’s The Weight Of The World)

HBO

Met de begeestering en overtuigingskracht van een echte liefhebber is Ahmir ‘Questlove’ Thompson al enkele jaren druk doende om zijn eigen muzikale helden te eren in documentaires. De drummer van de Amerikaanse hiphopgroep The Roots, die tegenwoordig vooral actief is als filmmaker, heeft zich al gebogen over respectievelijk het Harlem Cultural Festival in 1969 in de Oscar-winnaar Summer Of Soul (…Or When The Revolution Could Not Be Televised), de muzikale invloed van het befaamde televisieprogramma Saturday Night Live in Ladies & Gentlemen… 50 Years Of SNL Music en de brille van Sly & The Family Stone in Sly Lives! (Aka The Burden Of Black Genius).

Nu bekommert Questlove zich om de Afro-Amerikaanse soul-, funk- en discogroep die tussen 1971 en 1984 veertig miljoen platen verkocht, dertig hits had en zes Grammy Awards won: Earth, Wind & Fire. En hij geeft ook die film een onnavolgbare ondertitel mee: (To Be Celestial Vs. That’s The Weight Of The World) (119 min.). Centrale figuur is de enigmatische bandleider Maurice White (1941-2016), een man met een enorme geldingsdrang en groter dan grote ideeën, geïnspireerd door spiritualiteit, meditatie en astrologie. Een man ook, die zelden het achterste van zijn tong laat zien – en ook in deze film, waarin hij via archiefbeelden en -interviews aanwezig is, ongrijpbaar blijft.

Maurice White leert zijn groep eerst ongenadig funken, maakt daarna fluks de oversteek naar een top 40-publiek en omarmt tenslotte zeer commerciële disco. De dampende optredens van Earth, Wind & Fire gaan vergezeld van spectaculaire kostuums, uitzinnige decors en uitgekiende podiumchoreografie. Totdat White gaandeweg zijn ‘mojo’ kwijtraakt en de groep zonder aankondiging vooraf plotseling ontbindt. De man die in het openbaar geloof, hoop en liefde predikt, heerst achter de schermen als een verlichte despoot en zet zo behoorlijk wat kwaad bloed bij sommige andere groepsleden. Die hebben sowieso al langer het gevoel dat ze door hem worden behandeld als willekeurige sessiemuzikanten. Totdat ze tóch niet zonder elkaar blijken te kunnen – en willen.

Thompson tekent deze geschiedenis vaardig op met de bandleden Philip BaileyRalph Johnson en Maurices broer Verdine White, andere verwanten van de voorman en Earth, Wind & Fire-medewerkers, zoekt zijn heil tevens bij tijdgenoten zoals Booker T. Jones, Lionel Richie en Stevie Wonder (die tot Questloves grote verbazing bekent dat zijn evergreen I Wish is geïnspireerd op EWF’s eerste hit Shining Star) en geeft de navolgers Flea, Anderson .Paak en H.E.R. alle gelegenheid om de loftrompet te steken over White en consorten. En die maken in de 21e eeuw nog een serieuze revival door als Barack en Michelle Obama, nog altijd fan, in 2009 hun entree maken in Het Witte Huis.

Mede dankzij de eerste zwarte Amerikaanse president en zijn echtgenote hebben hits als FantasyBoogie Wonderland en September een zoveelste nieuw leven gekregen. Deze ferme film, die is volgestort met fraai archiefmateriaal en opgeleukt met animaties, legt alle stukjes van de kleurrijke Earth, Wind & Fire-puzzel nog eens netjes op hun plek. Zodat het totaalplaatje, dat verder niet héél wereldschokkend is, volledig zichtbaar wordt.

The Rise Of The Red Hot Chili Peppers: Our Brother, Hillel

Netflix

De band moet nog definitief doorbreken als het oorspronkelijke driemanschap van The Red Hot Chili Peppers al uiteenvalt in 1988.

De drie hebben elkaar eind jaren zeventig leren kennen op Fairfax High, een middelbare school in Los Angeles. Anthony Kiedis en Mike Balzary zien er het bandje Anthym optreden. Enige tijd later krijgen ze een lift van de gitarist, Hillel Slovak. De drie worden onafscheidelijk. En als de bassist van Anthym er de brui aan geeft, vraagt Hillel Mike. Die heeft nog nooit een basgitaar aangeraakt, maar hapt toch toe. ‘Hij geloofde in mij’, vertelt Mike, een jongen uit een getroebleerd gezin die zich tegenwoordig ‘Flea’ noemt. ‘Hij zag me.’ Bij de gedachte aan dat moment moet de bassist ruim veertig jaar later nog altijd zijn emoties wegslikken. ‘Dat heeft mijn leven definitief veranderd.’

Wanneer Hillel en Flea, die z’n heil een tijdje elders zoekt als Anthym niet echt van de grond komt, weer eens samen willen optreden, sluit ook die andere boezemvriend, Anthony, zich bij hen aan. Zij worden in de rug gedekt door Anthym-drummer Jack Irons. De allereerste incarnatie van The Red Hot Chilli Peppers maakt in december 1982 z’n live-debuut voor een dolenthousiast publiek. Het zal alleen nog jaren kosten voordat de band definitief vlam vat. Tegen die tijd hebben ook drugs al hun verpletterende entree gemaakt. Of zoals Hillel ’t, volgens zijn vriendin Addie Brik, zegt: het is vrijdag, waar is de tofu? Voor Anthony en hem is het alleen al snel elke dag vrijdag.

De Peppers gaan er bijna aan onderdoor en moeten afscheid nemen van Slovak, het eindstation van deze film. Hij wordt opgevolgd door John Frusciante, die later in zijn eigen drugshel zal belanden – in 1994 vereeuwigd in een geruchtmakende aflevering van het Nederlandse muziekprogramma Lola da Musica. Zover komt The Rise Of The Red Hot Chili Peppers: Our Brother, Hillel (95 min.) niet. Documentairemaker Ben Feldman concentreert zich volledig op de onstuimige beginjaren van de Amerikaanse groep en had dus even goed Becoming Peppers kunnen heten. Net als vergelijkbare portretten van muzikale helden zoals David Bowie, Led Zeppelin en Madonna.

De roem en het succes die later altijd vanzelfsprekend lijken te zijn geweest, liggen dan nog in de toekomst verscholen. De meeste Anthony Kiedissen en Fleas van deze wereld – jong, wild en klaar om de wereld te veroveren – lopen onderweg averij op of bereiken, zoals hun maat Hillel Slovak, nooit de jaren waarin het sterrendom wel degelijk komt. Zijn voormalige boezemvrienden betonen de gitarist, tevens tot leven gewekt met z’n tekeningen en persoonlijke geschriften, in deze film alle eer. Hij stond mede aan de basis van – of, zoals dat nu eenmaal gaat bij gevallen helden: hij was de onbetwiste inspiratiebron voor – wat zij uiteindelijk wél zijn geworden.

Paul McCartney: Man On The Run

Piece of Magic / vanaf vrijdag 27 februari op Prime Video

Terwijl John en Yoko in 1969 voor het oog van de wereld in een Amsterdams hotelbed zijn gekropen om te pleiten voor vrede op aarde, heeft Paul zich samen met Linda teruggetrokken aan ‘the end of nowhere’. Hij verschanst zich op z’n boerderij op het Schotse platteland. Somber, te veel drinkend. The Beatles zijn uit elkaar! Alleen de wereld weet het nog niet – niet officieel in elk geval.

Want Lennon heeft nooit bekend gemaakt dat hij uit de band is gestapt. McCartney besluit uiteindelijk om niet langer te talmen en gooit de knuppel in het hoenderhok: The Beatles zijn geschiedenis! En dus wordt hij ook verantwoordelijk gehouden voor het einde van de populairste band ter wereld. Het feit dat hij in die tijd een rechtszaak aanspant om zich los te maken van de andere bandleden werkt niet in zijn voordeel.

In Paul McCartney: Man On The Run (115 min.) kijkt de Britse legende, volledig buiten beeld, terug op de jaren waarin hij vervolgens los probeert te komen van zijn verleden en een nieuwe versie van zichzelf hoopt te vinden. Zónder John, maar mét Linda. Zijn echtgenote, de Amerikaanse fotografe Linda Eastman, wordt al snel het gezicht van alles wat er volgens de buitenwacht niet deugt aan de ex-Beatle en zijn nieuwe groep, Wings.

McCartneys vrouw, hun dochters Mary en Stella, zijn broer Michael, John Lennons zoon Sean, de nog levende Wings-leden en bevriende muzikanten zoals Mick Jagger, Nick Lowe en Chrissie Hynde staan hem terzijde in deze documentaire van Morgan Neville (Keith Richards: Under The InfluenceShangri-La en 20 Feet From Stardom), die volledig uit archiefmateriaal bestaat, zowel muziekbeelden als privéfilmpjes en -foto’s.

Die schetsen een intiem beeld van de man die lang een ‘has been’ lijkt, een muzikale held die op z’n dertigste al veel meer verleden dan toekomst heeft. McCartney wil graag ‘one of the guys’ in zomaar een bandje zijn, maar blijft altijd de man achter YesterdayHey Jude en Let It Be. Eenmaal een Beatle betekent nu eenmaal altijd een Beatle. En hij zal zich dus ook moeten verhouden tot zijn voormalige bloedbroeder John Lennon.

Neville maakt dit delicate proces, waarbij zijn protagonist ook definitief een familieman wordt, van binnenuit zichtbaar. Dat gaat, vanzelfsprekend, met vallen en opstaan – en vallen en opstaan. ‘In mijn geval is er nooit iemand die zegt: wat een stom idee, je zou dat niet moeten doen’, constateert McCartney zelf, hoorbaar grinnikend. ‘Ik kan dus ook altijd een ander de schuld geven.’

The Making Of De Jeugd Van Tegenwoordig

Cinema Delicatessen

Een vriend filmt hoe de leden van de Nederlandstalige hiphopgroep De Jeugd Van Tegenwoordig meekijken als de actrice Charlie Chan Dagelet haar collega Katja Schuurman speelt in een re-enactment van de kerstvideoclip Ho Ho Ho van De Jeugd Van Tegenwoordig uit 2005, waarin zij een wulpse bijrol vertolkte.

Welkom bij de ‘documentaire’ The Making Of De Jeugd Van Tegenwoordig (77 min.), waarin vriend van de band Bastiaan Bosma de Amsterdamse groep volgt in de aanloop naar het twintigjarig jubileum, terwijl Jan Hulst, die deze film regisseerde met Tomas Kaan, enkele sleutelscènes uit de historie van het illustere gezelschap wil verfilmen. En daarvoor moeten dus eerst de juiste acteurs worden gecast. Op de audities komen onder anderen Goldband-lid Boaz Kok, rapper Lange Frans, de acteurs Joes Brauers en Frank Lammers, soulzanger Alain Clark en radiodeejay Giel Beelen af. Die door De Jeugd-leden eigenlijk stukcharl voor stuk ongeschikt worden geacht.

Vorm is inhoud bij De Jeugd Van Tegenwoordig. Ook in deze film. Een soort Droste-effect in het kwadraat, om precies te zijn. Waaruit uiteindelijk, met muziekbeelden en oude interviews, toch min of meer een regulier bandverhaal valt te destilleren: van het opnemen van de eerste hit Watskeburt?! via de opkomst van de ongrijpbare groep en de verplichte crisis naar de status van gearriveerde act. En dit verhaal wordt opgestart vanuit een backstageportret van de groep en korte interviewtjes met de individuele leden Pepijn Lanen (Faberyayo), Freddy Tratlehner (Vjèze Fjur) en Olivier Mitshel Locadia (Willie Wartaal), terwijl vierde bandlid Bas Bron veelal op de achtergrond blijft.

Of al die bij elkaar geklutste elementen ook een interessante vertelling opleveren? Daarover valt te twisten. Jeugd-fans zullen er ongetwijfeld de eigengereidheid, quatsch en zelfmystificatie van hun helden in herkennen.

Boom – A Film About The Sonics

Scratched Vinyl Films

Voor iedereen die z’n rock het liefst rechtstreeks uit de garage heeft – rawk!, zogezegd – gelden The Sonics als één van de absolute oerbronnen. Begin jaren zestig maakten deze ‘five bad ass motherfuckers’ hun thuisbasis Tacoma en de rest van het uiterste Noordwesten van de Verenigde Staten onveilig. Tot een grote doorbraak kwam het echter nooit. Toen niet, tenminste.

De Amerikaanse filmmaker Jordan Albertsen, geboren in 1982, heeft halverwege de jaren negentig als tiener net de laatste plaat van de grungeband Nirvana gehoord als zijn vader hem attendeert op een cultgroep, die dan al ruim 25 jaar alleen nog in de herinnering voortleeft. Hij is direct verkocht. Als er in 2008 zowaar een Sonics-reünie wordt aangekondigd, is Albertsen er dus als de kippen bij. Het zal hem nog tien jaar kosten om de documentaire Boom – A Film About The Sonics (77 min.) af te ronden.

De sonische scherpslijpers ogen daarin als bedaagde oude mannen. Zanger/toetsenist Gerry Roslie, die recht vanuit z’n onderbuik leek te schreeuwen in hun eerste ‘hit’ The Witch, zou ook kunnen doorgaan voor een nét iets te bedeesde wiskundeleraar. En Rob Lind, die z’n saxofoon onvervaard liet scheuren op het al even vermaarde B-kantje Psycho, ziet eruit als de doorgewinterde kantoortijger die hij in een later leven daadwerkelijk is geworden. Ooit waren – of beter: klonken – ze te ruig voor hun tijd.

Na ruim een half uur zitten de gloriejaren van The Sonics er alweer op. ‘Het was een geweldige band’, constateert pepdrummer Bob Bennett. ‘Ook al hadden we dat zelf destijds helemaal niet door.’ Er komt echter een tweede bloeiperiode. Via een kleine omweg naar Seattle, waar begin jaren negentig de rockstroming grunge opkomt, wordt de voorvader van punk alsnog ontdekt. Nazaten zoals Mike McCready (Pearl Jam), Mark Arm (Mudhoney), Kim Thayil (Soundgarden) en producer Jack Endino vreten The Sonics!

In de tweede akte van deze aardige bandjesdocu tellen zij samen met Nancy Wilson (Heart), Kurt Bloch (The Fastbacks), Bruce Brand (Thee Headcoats), Coady Willis (The Murder City Devils) en Chris Ballew (The Presidents Of The United States Of America) de zegeningen van The Sonics, die meer dan dertig jaar nadat ze het bijltje erbij neergooiden zowaar populairder worden dan ooit. Het noopt de leden van het bandje, dat eigenlijk nooit de regio was uitgekomen, om voor het eerst de wereld rond te toeren.

In de laatste akte van zijn film toont Albertsen vervolgens hoe zij zich die late roem lekker laten aanleunen en op gevorderde leeftijd voor het eerst kennis maken met stagedivers en moshpits. Want zoals Jack Endino ‘t formuleert in de emotionele epiloog van deze film: ‘You’re never too old to rock & roll.’

Take That

Netflix

De jongens waarvan vrijwel elk meisjeshart in de jaren negentig sneller ging kloppen, zijn inmiddels mannen van middelbare leeftijd geworden. Tijd om te reflecteren, oude glorie te laten herleven en – cynisch bekeken – nog eens te cashen.

Na documentaireproducties over The Backstreet Boys, *NSYNC en Boyzone en portretten van de blikvangers van deze groepen, zoals de tragische broers Nick en Aaron Carter en het Britse enfant terrible Robbie Williams, komt nu Williams’ boyband aan de beurt: Take That (153 min.), de Engelse tegenhanger van de Amerikaanse trendsetter New Kids On The Block (die nog altijd wacht op een serieuze documentaire).

Herstel: niet Williams’ boyband, maar de boyband van Gary Barlow. De absolute spil van het vijftal, door dik en dun gesteund door de bedenker van de groep, Nigel Martin-Smith. Die interne dynamiek lijkt vragen om problemen. Die komen er dus ook. Als Take Thats populariteit bizarre proporties aanneemt, lopen ook de stress en druk op. En dan zijn er altijd weer leden die denken dat hun deel toch echt meer is dan de som der delen.

Bij Take That is het in eerste instantie Robbie Williams die niet meer in de pas wil lopen. En dan duurt het niet lang voordat ook Gary Barlow solo door wil, wat sowieso al z’n oorspronkelijke plan was. Take That geeft in 1996 voor een studio vol hysterische tienermeisjes z’n aller-aller-allerlaatste optreden in, jawel, Ivo Niehes TV Show. Aflevering 2 van deze miniserie van David Soutar is dan alleen pas een minuut of een tien onderweg.

De jarenlange vete tussen Gary en Robbie moet dan nog op gang komen, terwijl de andere groepsleden oplopen tegen de grenzen van het leven van een ex-popster. Stuk voor stuk kijken ze in deze miniserie openhartig terug op de opkomst, ondergang en – tuurlijk! – wederopstanding van hun band. Soutar houdt hen daarbij volledig buiten beeld, zodat die mannen van middelbare leeftijd er blijven uitzien als appetijtelijke boys.

En ondanks alle stress, kinnesinne en onderlinge competitie stevenen ze zo af op de onvermijdelijke conclusie van deze trip nostalgia, verwoord door één van de huidige Take Thatters: ‘Het was het allemaal waard. Echt waar!’

Paul Weller – Wild Wood

LW_WellerBook_32

Hij is begin dertig en lijkt al volledig uitgerangeerd. De Britse zanger, gitarist en songschrijver Paul Weller is de spil geweest van twee invloedrijke bands, The Jam en The Style Council, maar zit begin jaren negentig zonder platencontract en vraagt zich af of hij zichzelf nog een keer opnieuw kan uitvinden.

Dat is de dramatische setup voor de documentaire Paul Weller – Wild Wood (69 min.) over het (tweede) soloalbum dat hij vervolgens – niet alleen, overigens – begint te maken. Vanaf dat moment gaat alles alleen crescendo. Volgens Paul zelf, zijn muzikanten, hun producer en de platenbaas. En ook fotograaf Lawrence Watson, die het hele opnameproces in The Manor Studio in het landelijk gelegen Oxfordshire vastlegt en meteen voor de iconische hoesfoto zorgt, heeft louter positieve herinneringen.

Eigenlijk kunnen alle betrokkenen ruim dertig jaar dato nog altijd geen enkel vuiltje aan de lucht ontdekken: Wellers songs waren puntgaaf, de sfeer op het Britse platteland was zeer ontspannen (en toch professioneel), de opnames gingen dus geweldig, de reacties op de plaat waren eveneens uitstekend en de optredens daarna zonder meer heerlijk. Het album Wild Wood geldt tegenwoordig niet voor niets als een klassieker, waarbij ‘het plezier van het musiceren’ voorop stond en zich uitstekend had uitbetaald.

Met alle spontaniteit was ‘t bij zijn volgende album Stanley Road (1995) wel gedaan, stelt Weller zelf in deze popdocu van Joe Connor, waarvan er wel veertien in een dozijn gaan. ‘Het geld was goed, maar verder kreeg ik er vooral buikpijn van’, zegt de zanger, ogenschijnlijk uit de grond van zijn hart. ‘Ik vond ‘t daarvoor echt veel leuker, toen ‘t allemaal nog niet zo groot was, iedereen dacht dat je een ster was en al die andere onzin. In zo’n omgeving voel ik me veel prettiger. Dat is mijn ding.’

The Specials – A Message To You

c: Shane O’Neill / NTR

Nee, Jerry Dammers, de muzikale leider van de Britse skaband, oprichter van het illustere platenlabel 2 Tone Records en schrijver van het klassieke protestlied van The Special AKA, Free Nelson Mandela, participeert niet in The Specials – A Message To You (70 min.). En frontman Terry Hall, die later nog furore zou maken met Fun Boy Three, The Colourfield en Gorillaz, is in 2022 op 63-jarige leeftijd gestorven – al is hij, net als de andere leden van The Specials die inmiddels zijn overleden, nog wel te zien in beelden van de reünietournee die de multiculturele groep uit Coventry in 2019 ondernam.

Van de oorspronkelijke zevenkoppige band, die rond 1980 klassiekers zoals GangstersToo Much, Too Young en Ghost Town afleverde, zijn in deze muziekdocu van Joe Connor alleen gitarist Lynval Golding en bassist Horace Panter van de partij. Zij worden bijgestaan door de producer van hun debuutalbum Elvis Costello, hun 2 Tone-familieleden Pauline Black (The Selecter) en Rhoda Dakar (The Bodysnatchers), A&R-manager Johnny Chandler en Damon Albarn (Blur/Gorillaz). Zij besteden verder nauwelijks aandacht aan Jerry Dammers, de onbetwiste spil van de originele band.

Connor had ook duidelijk geen regulier carrièreoverzicht voor ogen bij deze popdocu. Hij start zijn vertelling op vanuit het heden – de Specials-reünie van 2019, aangejaagd door het comebackalbum Encore – en maakt van daaruit uitstapjes naar het verleden, waar hij dan met zevenmijlslaarzen doorheen stiefelt. De hoogtijdagen van de band, in een land dat werd verscheurd door openlijk racisme, worden vooral ingezet om parallellen met de huidige wereld te trekken en wijlen Terry Hall en de laatste incarnatie van de band, met nog drie originele leden in de gelederen, nog eens in het zonnetje te zetten.

Het zit allemaal vervat in dat ene tafereel op het gemeentehuis van Los Angeles uit 2019, waar de impact van de Britse groep, die Amerikaanse bands zoals Rancid, The Mighty Mighty Bosstones en No Doubt inspireerde, officieel wordt erkend. ‘Thank you, Los Angeles’, zegt Horace Panter tijdens z’n speech, als het stadsbestuur 29 mei heeft uitgeroepen tot ‘The Specials Day’. ‘You have great taste in music.’

En, o ja, in de documentaire 2 Tone: The Sound Of Coventry (2021) komt Jerry Dammers wél uitgebreid aan het woord.

Cure For Pain: The Mark Sandman Story

Gatling Pictures

‘Wat, in godsnaam, is dát?’ De Amerikaanse zanger en gitarist Ben Harper kan zich in de documentaire Cure For Pain: The Mark Sandman Story (86 min.) uit 2011 nog zo voor de geest halen wat hij dacht toen hij Morphine voor het eerst hoorde. Ruim 25 jaar na de dood van frontman Mark Sandman is de sound van het trio uit Boston, Massachussets, nog altijd uit duizenden herkenbaar. En dat heeft alles van doen met de totaal uitgeklede bezetting van de band: een tweesnarige basgitaar, drums en die alomtegenwoordige baritonsaxofoon. En dan Sandmans lijzige stem eroverheen. Een onvervalste ‘king of cool’, aldus collega-zanger Dicky Barrett van The Mighty Mighty Bosstones.

‘Low rock’, dubde de enigmatische zanger/bassist Mark Sandman (1952-1999) hun muziek ooit. ‘Ik bedoel: neukrock.’ Donkere, sexy songs, met flinke scheuten jazz, poëzie en film noir erin. Deze documentaire van Robert Bralver en David Ferino vertelt het verhaal achter die muziek. Ze ontsluiten Morphine, de groep waarvan Sandman in de jaren negentig, samen met zijn ‘surrogaatbroers’, drummer Billy Conway (drums) en Dana Colley (saxofoon), een absolute cultband maakte. Totdat een hartaanval tijdens een festivaloptreden in het Italiaanse Palestrina, op 3 juli 1999, hem op 46-jarige leeftijd fataal werd en die groep definitief naar de popgeschiedenisboeken verwees.

Ondanks de aanwezigheid van vakbroeders zoals Josh Homme (Queens Of The Stone Age), Les Claypool (Primus), Mike Watt (The Minutemen) en Chris Ballew (The Presidents Of The United States Of America) is Cure For Pain echter geen film over platencontracten, studio-opnames en topconcerten. Morphines carrière fungeert vooral als decor voor Mark Sandmans levensverhaal. Beter: Sandmans familieverhaal. Nadat zijn gezin was getroffen door een enorm drama, besloot hij, de artistiek aangelegde oudste zoon, om uit te vliegen en iets bijzonders van z’n leven te maken. En het tragische daarvan is dat zijn ouders pas na z’n dood ontdekten dat dit ook behoorlijk was gelukt.

Enkele jaren later heeft Sandmans moeder Guitelle nog geprobeerd om die familiegeschiedenis op papier te krijgen. Citaten uit haar boek Four Minus Three: A Mother’s Story (2006) dienen tevens als onderlegger voor dit postume portret van haar zoon Mark, die zich nooit helemaal in de kaarten liet kijken, soms een enorme klootzak kon zijn en intussen floreerde in zijn eigen kleine hoekje van de alternatieve muziekwereld.

Madness, Prince Of Ska, King Of Pop

Arte

In 1992 belt de Londense politie naar de geologische dienst. Ze hebben berichten gekregen over een aardbeving. ‘Ze evacueerden hele flats, uit angst voor instorting’, vertelt Madness-zanger Graham ‘Suggs’ McPherson. ‘Maar het bleken springende Madnessfans te zijn.’ Zijn skagroep treedt tijdens het zogeheten ‘Madstock’ voor het eerst in acht jaar weer op, in het nabijgelegen Finsbury Park. De volgende dag trilt de aarde dus opnieuw in de Britse hoofdstad. Want dan geeft de band, die onverminderd populair blijkt, nóg een uitverkocht concert.

In de tv-docu Madness, Prince Of Ska, King Of Pop (52 min.) gaat Christophe Conte terug naar het begin: een stel opgeschoten jongeren uit Camden Town begint in de tweede helft van de jaren zeventig samen muziek te maken en groeit vervolgens uit tot de huisband van de pub The Dublin Castle. Al snel stuit Madness op een broederband uit de industriestad Coventry, The Specials. Met hun eigen platenlabel 2 Tone Records scoren die met ‘Britse ska’, een kruisbestuiving van de muziek van Jamaicaanse immigranten en witte Engelse jongeren, de ene na de andere hit.

Bij het bonte 2 Tone-gezelschap voelt Madness zich helemaal op z’n plek. Tegelijkertijd krijgt deze inclusieve familie te maken met de gure wind die er op dat moment waait door Groot-Brittannië, waar het National Front in opkomst is en skinheads voor een grimmige sfeer op straat zorgen. Bij Madness, de enige volledig witte band in de 2 Tone-familie, denkt de extreemrechtse partij zieltjes te kunnen winnen. Dat was ‘echt afschuwelijk’, herinnert bassist Mark ‘Bedders’ Bedford. ‘Meestal richtten we een spot op gasten die de Hitlergroet brachten of vochten’, vult Suggs aan.

Gaandeweg zal Madness zich in z’n muziek steeds meer uitspreken voor sociale onderwerpen, een wat meer poppy toon aanslaan en onderdak vinden bij een ander platenlabel, Stiff Records. Dat legt de groep bepaald geen windeieren. Met humoristische video’s scoort de rebellenclub hit op hit. Die opmars wordt in dit vlotte bandportret met medestanders zoals gitarist Lynval Golding (The Specials), zangeres Rhoda Dakar (The Bodysnatchers) en producer Clive Langer uit de doeken gedaan – al is de tweede helft wel erg van de lange halen, snel thuis.

In wezen geldt voor Madness wat voor veel bands opgaat: na de eerste tien jaar is het beste er wel vanaf en moet de groep vooral vormbehoud tonen.

Lowland Kids

Cineart

De bewoners van het Isle de Jean Charles valt een twijfelachtige eer ten deel: zij worden beschouwd als de allereerste Amerikaanse klimaatvluchtelingen. De inheemse bevolking van de ‘Bayou’, in het zuiden van de staat Louisiana, wordt dagelijks geconfronteerd met de alsmaar stijgende zeespiegel. Hun huizen, die eerder al op palen zijn gezet, dreigen nu definitief opgeslokt te worden door het water.

De Lowland Kids (94 min.) Howard (16) en Juliette Brunet (14) wonen in bij hun oom Chris, die vanwege cerebrale parese in een rolstoel zit. De ouders van de broer en zus zijn ten onder gegaan aan een verslaving, waaraan hun kinderen het liefst niet al te veel woorden vuilmaken. Met hun oom vormen Howard en Juliette een hechte drie-eenheid. In een omgeving die lijkt te zijn gemaakt voor een avontuurlijke jeugd. Tijdens een vaartocht kan er bijvoorbeeld zomaar een alligator z’n kop opsteken uit het water.

Sinds de orkaan Ida er in 2021 een spoor van vernieling trok, is het Isle, dat van oudsher toebehoort aan de Jean Charles Band Of Biloxi-Chitimacha-Choctaw stam, echter ten dode opgeschreven. Het is niet meer dan ‘een skelet’ van wat het ooit was, stelt Howard. Het afscheid van de plek waar hun hele verleden ligt – en de doden die ze hebben begraven – komt steeds dichterbij. ‘Als we moeten verhuizen’, zegt oom Chris stellig aan het begin van deze oogstrelende film van Sandra Winther, ‘ga ik niet mee.’

De Deense filmmaakster heeft deze verloren wereld alsvast voor het nageslacht vereeuwigd. Afgaande op deze documentaire schijnt op het Isle de Jean Charles daadwerkelijk de hele dag een ondergaande zon. De schoonheid daarvan dreigt de alarmistische boodschap van deze film alleen soms wel een beetje te overschaduwen. Zoals ook de dikke soundtrack, met een hoofdrol voor overbekende Moby-songs, nogal nadrukkelijk wordt ingezet om de uitgewoonde plek eens goed te veredelen.

Al die tornado’s en overstromingen zijn overigens niet vanzelf ontstaan. Louisiana is ook een typische olie- en gasstaat. De fossiele industrie heeft er enthousiast geboord en blijft dit voorlopig ook doen. En dus trekken de oorspronkelijke bewoners weg – al is het de vraag of ze gelukkig worden in de even verderop aangelegde huurhuizen. Ligt daar de toekomst voor de nieuwe generatie? Kunnen deze ‘ontheemden’ – die omschrijving past hen toch beter dan ‘vluchtelingen’ – zich daar werkelijk thuis gaan voelen?

De Lowland Kids lijken echter genoodzaakt om de jaren des verstands te betreden.

Vendredi Noir

France TV

‘Zou je bereid zijn om de video te bekijken die ik op de avond van de aanval heb opgenomen?’ vraagt Daniel Psenny aan enkele overlevenden van de moordpartij in de Bataclan op 13 november 2015. Toen drie terroristen in de Parijse rockclub het vuur openden op fans van de Amerikaanse band Eagles Of Death Metal, pakte de Franse journalist, destijds werkzaam bij de krant Le Monde, zijn mobiele telefoon en registreerde vanuit zijn raam de paniek op straat.

Zeven mensen die hij toen filmde hebben nu tegenover hem plaatsgenomen. Ze zuchten eens, slikken hun emotie weg en halen nog een keer diep adem. Voordat ze inderdaad Psenny’s tablet aanpakken en de gruwelijke gebeurtenissen, die ze vast al zo vaak voor hun geestesoog hebben gezien, nog eens de revue laten passeren. 131 doden vielen er te betreuren na de aanslagen op deze klassieke vrijdag de 13e. En nog eens ruim 350 mensen raakten gewond.

Psenny’s huiveringwekkende beeldmateriaal woelt alle emoties van die fatale avond weer los. Vendredi Noir (53 min.), de indringende film die Daniel Psenny nu heeft gemaakt met Franck Zahler, gaat daarna terug naar het concert. Om 21.47 uur klinkt er ineens geweervuur in de Bataclan. De Eagles Of Death Metal verlaten daarna halsoverkop het podium. Hun publiek kijkt de dood echter in de ogen – al duurt het even voordat iedereen zich dat realiseert.

Stapsgewijs lopen de Bataclanners opnieuw de tragische gebeurtenissen langs op die inktzwarte vrijdag, waarop Psenny hen nog te hulp schoot en zelf ook ernstig gewond raakte. Ze zijn stuk voor stuk door het oog van de naald gekropen, realiseren ze zich, ontkomen aan de Kalasjnikovs van drie nietsontziende terroristen. Die hebben een drama veroorzaakt dat tien jaar na dato nog altijd voortleeft in de harten van de mensen die ze destijds niet raakten.

Vendredi Noir roept deze tragische avond waarop hun leven veranderde – en dat van anderen in een horrorverhaal eindigde – nog eens op alsof ’t dag van gisteren was.

Hype!

Republic Pictures

Nee, deze film over de stormachtige opkomst en ondergang van grunge in de jaren negentig begint niet met Nirvana, Pearl Jam, Soundgarden of Alice In Chains, maar met, jawel, Crackerbash, een band waarvan ‘t de vraag is of ie de top 100 haalt als de bekendste rockbands van Seattle moeten worden opgedreund.

Vanaf de eerste seconde maakt regisseur Doug Pray zo duidelijk dat zijn documentaire Hype! (83 min.) geen lofzang wordt op de grote namen die toevallig commercieel succes peurden uit grunge, het muzikale genre dat zich comfortabel op het kruispunt van indierock, heavy metal en punk posteerde. Hij wil Seattles muzikale scene, uitgewerkt in een stamboom, als geheel portretteren – en de beurtelings opwindende, bezopen en tragische mediastorm waarin die terechtkwam.

Het duurt dus toch al gauw acht minuten voordat de eerste muzikale celeb zich in die film meldt: Soundgarden-gitarist Kim Thayil. Met alle respect: dat is géén Kurt Cobain, Eddie Vedder, Chris Cornell of Layne Staley. Van hen participeert overigens alleen Pearl Jam-zanger Vedder in Hype!. En hij meldt zich pas halverwege. Als lokale helden zoals The Monomen, The Walkabouts, The Fastbacks, Screaming Trees, The Melvins, Gas Huffer en The Posies al aan bod zijn gekomen.

Alice In Chains wordt dan weer vrijwel volledig overgeslagen in deze film. Om Nirvana kon Pray natuurlijk niet heen – al was zanger Kurt Cobain (1967-1994) reeds overleden toen Hype! werd uitgebracht. Zijn voormalige bandjes Krist Novoselic en Dave Grohl ontbreken eveneens. Vanzelfsprekend weerklinkt na ruim een half uur wel Smells Like Teen Spirit, hun signatuursong die uitgroeide tot het lijflied van de Generatie X – en waarvan hier de allereerste live-uitvoering is te zien en horen.

Aan opwindende concertimpressies sowieso geen gebrek. Cultbands zoals Dead Moon, Mudhoney en The Supersuckers laten zien waarom ook zij een (nog) groter publiek hadden verdiend. Uiteindelijk bleek het ‘Made in Seattle’-vignet – zoals wel vaker bij mediahypes, die net zo snel gaan als komen – alleen geen garantie voor succes en was bovendien De Grote Uitverkoop al op gang gekomen. Seattle bleek Seattle niet meer – en was het überhaupt ooit méér geweest dan een marketingstunt?

Lokale muzikanten, producers, managers, PR-medewerkers en platenbazen (van het vermaarde Sub Pop Records bijvoorbeeld) weten hoe dat ging. Zoals dit eerder bijvoorbeeld bij LiverpoolSan Francisco en Londen was gebeurd en enkele jaren later bij, jawel, Eindhoven, New York en Detroit nog zou gaan gebeuren: de hipsters, het journaille en de business houden even halt, om vervolgens vrolijk door te trekken, enkele nieuwe helden en een heleboel geknakte dromen achterlatend. 

Deze film over Seattle’s dagen als rockhoofdstad van de wereld zit te dicht op de bal – want: al in 1996 gemaakt – om dat volledig in perspectief te kunnen plaatsen, maar laat wel treffend zien wat het betekent als een stad in de periferie van de muziekwereld, het eindstation van menige Amerikaanse tournee, ineens in het middelpunt van de belangstelling komt te staan – en mensen die elkaar nauwelijks kennen bij elkaar gaan horen, dezelfde muziek beginnen te maken en kledingvoorschriften krijgen.

Op het gevaar af, bovendien, dat ze voor de rest van hun leven worden versleten voor sombermansen met lang haar, geruite blouses en een zwaar gemoed. Opgeslokt door de hype. Waarbij nog een allerlaatste waarschuwing op z’n plek lijkt: your town is next.

We Are Fugazi From Washington, D.C.

Fugazi

Als nu één groep het punkprincipe Do It Yourself heeft uitgedragen, dan is ‘t Fugazi (1987-2002). De post-hardcoreband uit Washington D.C. deed z’n eigen management, bracht met Dischord Records zelf platen uit en hield bij optredens een open deurbeleid aan: iedereen die opnames wilde maken was welkom. Met deze fanvideo’s, inclusief de bijbehorende flyers en posters, is een heel aardig bandjesfilm te maken, die op z’n Do It Yourselfs ook daadwerkelijk is gemaakt door Joe Gross, Jeff Krulik en Joseph Pattisall: We Are Fugazi From Washington, D.C. (96 min.).

Tussen opwindende uitvoeringen van publieksfavorieten zoals Song #1, Bulldog Front en Waiting Room door geven zij het woord nu eens niet aan de bandleden, maar aan de filmers van dienst. En die hebben destijds, voor of na een show, ook wel eens een interviewtje gedaan. ‘Als ik bakker was, zou ik brood bakken voor mensen die honger hebben’, vertelt Fugazi- en straight edge-boegbeeld Ian MacKaye dan bijvoorbeeld aan Sean Capone, die destijds z’n eigen queerzine runde. ‘Als ik timmerman was, zou ik huizen bouwen voor daklozen. Als muzikant kan ik mensen ondersteunen die dat soort werk doen.’

Want Fugazi was een band met een uitgesproken links gedachtengoed. Voor een concert werden er soms tekstvellen verspreid onder het publiek, zodat iedereen goed meekreeg wat ze te melden hadden. Uit data die fan Carni Klirs heeft gevisualiseerd blijkt bijvoorbeeld ook hoeveel geld de band heeft opgehaald voor goede doelen. Eerst en vooral is dit echter een verzameling dampende live performances, waarbij de band speelt alsof z’n leven ervan afhangt, er nauwelijks een barrière lijkt te bestaan tussen podium en publiek en iedereen die lomp stagedivet direct tot de orde wordt geroepen.

Fugazi had zonder enige twijfel helemaal binnen kunnen lopen, maar weigerde consequent om compromissen te sluiten. En dus bleef ‘t bij zo’n honderd songs, duizend shows en onvergetelijke herinneren. Aan een tijd dat de wereld, de muziekbusiness en het clubcircuit wel zo overzichtelijk waren. Je deugde – of niet.

Goldband: Tot We Breken

Pathé

Alles staat stil – en daardoor begint het voor hen te lopen. Op de golven van het Coronavirus komt Goldband bovendrijven. Met De Langste Nacht schrijft het Haagse drietal het lijflied voor een generatie jongeren die de lockdown achter zich wil laten.

Daar lijkt het in eerste instantie overigens helemaal niet op. Als de halve wereld in het voorjaar van 2020 op slot gaat, staat Goldband net op het punt om helemaal los te gaan en moet de nederpopband noodgedwongen een pas op de plaats maken. Filmmaker Olivier S. Garcia is dan al enige tijd aan het filmen, voor wat uiteindelijk de documentaire Goldband: Tot We Breken (109 min.) is geworden, een productie die werd gemaakt in samenwerking met de band zelf en hun management Unisex.

Met beeldmateriaal uit de periode 2018-2024 brengt ‘Ollie’ de opmars van zijn vrienden Karel, Boaz en Milo, stuk voor stuk jongens uit een gebroken gezin, naar de vaderlandse top van binnenuit in kaart. Zijn film begint met een absoluut hoogtepunt in de bandhistorie, het extatische optreden tijdens het Lowlands-festival van 2022. Daarna gaat de docu terug naar het begin: als ze in de thuisstudio van producer en vierde groepslid (?) Wieger werken aan liedjes die instant-klassiekers zullen worden. 

Als de film halverwege weer bij diezelfde Lowlands-show aanbelandt – voor een emotioneel hoogtepunt als Milo, samen met zijn broer Pim in het publiek, een lied voor zijn overleden moeder zingt en daarna backstage uithuilt bij zijn vader Bruno – is dat zowel de voorbode van nóg meer succes als een heleboel ellende. En Garcia houdt toegang als de druk en drugs toenemen, er onderlinge frictie ontstaat en de eerste Goldband-baby zich aandient. Ofwel: ieder voor zich en, jawel, samen tegen elkaar.

En dat is niet toevallig ook de titel van het tweede Goldband-album dat, zoals ‘t nu eenmaal hoort bij tweede albums, een ontzettend zware bevalling wordt. Tot We Breken blijkt, ondanks de betrokkenheid van de groep en z’n belangenbehartigers, echter veel meer dan een veredeld promoproduct, waarin de nieuw verworven status van de helden (Karels relatie met zangeres Maan), hun openlijke misstappen (Milo’s spontane snuif) en persoonlijke beslommeringen (Boaz’s aanstaande vaderschap) optimaal wordt uitgenut.

Garcia’s enerverende film toont de kronkelige weg naar de top, met al z’n zijwegen, wegversperringen en dwaalsporen, als de gezamenlijke droom van een groep eeuwige jochies dreigt te verwateren of zelfs te verpulveren, ogenschijnlijk zonder terughoudendheid of opsmuk en ontwikkelt zich zo tot één van de betere Nederlandse bandjesdocu’s van de afgelopen jaren.

Devo

Netflix

‘We zijn niet cynisch’, houden de leden van de Amerikaanse new waveband Devo (93 min.) een televisie-interviewer voor. ‘We kijken gewoon het nieuws.’

Het verval is in de jaren zeventig overal zichtbaar. De bandnaam Devo is niet voor niets een afkorting van devolution, ofwel de-evolutie. Het idee dat de mens niet meer is dan een krankzinnige erfgenaam van kannibalistische apen, die zichzelf en de aarde ten gronde zal richten. Alle reden dus om die creatuur en zijn wereld genadeloos te kijk te zetten. Als een Paard van Troje proberen de ‘spudboys’ uit Akron, Ohio, de Amerikaanse entertainmentindustrie binnen te dringen, om die van binnenuit te gaan uithollen met een subversieve combinatie van muziek, theater en filosofie.

Hun artistieke ontdekkingsreis, door henzelf treffend omschreven als ‘een muzikaal laxeermiddel voor een verstopte samenleving’, levert Devo al snel bekende fans op, zoals John Lennon, Jack Nicholson en David Bowie. Die laatste brengt hen ook in contact met Brian Eno, die hun debuutalbum wel wil produceren. De samenwerking met het stronteigenwijze gezelschap zal echter uiterst stroef verlopen. De echte ellende moet dan nog beginnen: een rechtszaak van Warner Brothers, dat een mondelinge deal heeft met de band, die echter tekent bij concurrent Virgin Records.

Toch wel opvallend voor een band die zich zo nadrukkelijk afzet tegen de uitverkoop van de Amerikaanse cultuur, muziek in het bijzonder. In het universum van Devo – en deze zeer vermakelijke documentaire die Chris Smith daarover heeft gemaakt – hoeft dat evenwel helemaal geen contradictie te zijn. Devo spot met alle regels – en zichzelf. De enige echte hit van de groep, Whip It, is daarvan een treffend voorbeeld. Menigeen is in de veronderstelling dat het nummer over SM of masturbatie gaat. Als er een videoclip moet komen, besluit de band daar smakeloos op in te spelen.

In werkelijkheid is de hitsingle, tenminste volgens Devo, bedoeld als een aansporing voor de Democratische president Jimmy Carter, die het bij de verkiezingen van 1980 moet opnemen tegen de door Devo gewantrouwde Republikeinse kandidaat Ronald Reagan. Verkeerd begrepen zijn ondertussen ook de plastic JFK-kapsels die de bandleden in die periode beginnen te dragen, de opvolgers van de rode hoedjes, de zogeheten ‘Energy Domes’, waarmee ze bekend zijn geworden. Hun keurige zijscheidingen worden aangezien voor de haardos van Ronald Reagan, die de verkiezingen natuurlijk zal winnen.

Zo wordt Devo’s permanente rebellie tegen al wat Amerikaans mag worden genoemd, die grofweg Reagans gehele regeerperiode omvat, in dit patente bandportret vlot, prikkelend en lekker speels, met een smakelijke potpourri van archiefmateriaal uit alle uithoeken van de (kunst)wereld(geschiedenis), uitgespeeld. Totdat ook deze volstrekt eigenzinnige groep in zekere zin lopendebandwerk is geworden – en, oh ironie, geen centen meer in het laatje brengt.

Dig! XX

Oscilloscope Laboratories

Hij wordt ingeleid door Dave Grohl (Nirvana/Foo Fighters), deze jubileumeditie van ‘de ultieme rock & roll-documentaire’ Dig! (2004), waarvoor documentairemaakster Ondi Timoner en haar broer David zeven jaar lang de Amerikaanse rockbands The Brian Jonestown Massacre en The Dandy Warhols volgden op hun onnavolgbare queeste naar eeuwige roem.

Van de tien bandjes die de Timoners oorspronkelijk in de jaren negentig wilden portretteren, voor een nooit verschenen film genaamd The Cut, waren er twee overgebleven die ‘t echt wel eens zouden kunnen gaan maken. The Brian Jonestown Massacre, de psychedelische rockband rond frontman en enfant terrible Anton Newcombe, was voorbestemd om wereldberoemd te worden, maar bleef door onmogelijk gedrag in de underground steken. Intussen werd hun ogenschijnlijk minder getalenteerde zustergroep The Dandy Warhols wel degelijk ‘the next big thing’.

In de oorspronkelijke versie van de rockdocu fungeert alleen Dandy-voorman Courtney Taylor-Taylor als verteller. In Dig! XX (147 min.), verrijkt met 35 extra minuten speeltijd, krijgt hij gezelschap van Joel Gion, de tamboerijnspeler en zonnebrildrager van zijn concullega’s. Met een puntige voice-over voegt hij inkijkjes, context en humor toe aan de uitzinnige strapatsen van zijn band, die tijdens een concert in de Viper Room in Los Angeles, voor het oog van een geïnteresseerde platenmaatschappij, bijvoorbeeld onderling op de vuist gaat. This band will selfdestruct, zoveel is duidelijk. Steeds weer.

‘We are a lucky band’, concludeert Dandys-gitarist Peter Holmström over de twee rivaliserende groepen. ‘And they are a not-lucky band.’ Terwijl Anton Newcombe en zijn alsmaar wisselende begeleiders steeds verder afglijden op het pad van seks, drugs & rock n’ roll, leidt diezelfde weg de aanmerkelijk meer geciviliseerde Dandy Warhols via Europa, waar bijvoorbeeld een Pinkpop-interview met Dolf Jansen op hen wacht, naar volgepakte concertzalen en festivalweides. Tot grote frustratie van de getormenteerde Newcombe, die geen kans onbenut laat om zijn vrienden/vijanden te bespotten.

Dig! XX bevat tevens een korte update van de twintig jaar na het verschijnen van de originele film, inclusief een recente vechtpartij op het podium in Melbourne. Drie keer raden van welke band. De geheel gereviseerde documentaire roept tegelijkertijd nostalgische gevoelens op, naar een tijd waarin rockbandjes in busjes de wereld, stad voor stad, zaal voor zaal, concertganger voor concertganger, moesten veroveren – tenzij die wereld met één verdwaalde hit, de Vodafone-reclamesingle en Dandy-hit Bohemian Like You bijvoorbeeld, natuurlijk tóch op een andere manier kon worden opengebroken.

Amy Bradley Is Missing

Netflix

De cruise stopt voor niemand. Als Amy Bradley in de nacht van 24 maart 1998 blijkt te zijn verdwenen, kamt de crew van de MS Rhapsody Of The Seas het gehele cruiseschip uit. Tegelijkertijd gaan de ruim tweeduizend andere passagiers gewoon van boord om hun vakantie voort te zetten met een tripje naar Curaçao. Amy, een 23-jarige Amerikaanse vrouw die samen met haar ouders Ron en Iva en haar twee jaar jongere broer Brad een zevendaagse cruise maakt, wordt niet gevonden. Van haar ontbreekt ieder spoor.

Als ze van boord is gevallen, gesprongen of geduwd, stelt de plaatselijke politiechef, dan zou Amy’s lichaam, of op z’n minst een deel ervan, beslist zijn aangespoeld. Is zij dan misschien van boord gesmokkeld? En waarom dan? Om aan haar familie te ontsnappen, ontvoerd door nietsontziende mensensmokkelaars of vertrokken met haar flirt Yellow, de danslustige bassist van de cruiseschipband? Vragen, vragen, vragen… en nauwelijks antwoorden. En laat het dan maar over aan het duo Ari Mark en Phil Lott, dat eerder de true crime-series Murder In The Heartland, The Invisible Pilot en This Is The Zodiac Speaking afleverde, om daar een gesmeerd lopende misdaadproductie van te maken.

De driedelige serie Amy Bradley Is Missing (131 min.) bevat meer dan genoeg dwaalsporen, plotwendingen en cliffhangers voor twee uur onvervalst crimevermaak. Maar of al die sporen, aanwijzingen en getuigen – die Amy tot wel zeven jaar later menen te hebben gezien in een afgelegen duikersbaai bij Curaçao, in een nachtetablissement van bedenkelijk allooi op datzelfde eiland of op een openbaar toilet op Barbados – de waarheid ook maar iets dichterbij brengen? Het leidt in elk geval tot ongemakkelijke scènes, bijvoorbeeld als een jonge vrouw, negentien jaar na Amy’s verdwijning, tijdens een stiekem opgenomen telefoontje haar eigen vader voor het blok probeert te zetten.

Zulke strapatsen zijn zonder twijfel het gevolg van de permanente mediacampagne die Ron en Iva Bradley nu al bijna dertig jaar voeren om aandacht te vragen voor de verdwijning van hun dochter. En daarbij grijpen ze, volledig begrijpelijk, elke strohalm aan. Alles beter, zo lijkt ‘t, dan accepteren dat Amy waarschijnlijk nooit meer terugkomt en – misschien nog wel erger –dat vermoedelijk ook nooit duidelijk zal worden wat er met haar is gebeurd. Talloze onderzoekspistes later eindigt deze miniserie in elk geval met min of meer dezelfde constatering als waarmee ie ook is begonnen: Amy Bradley wordt vermist. En de cruise en het leven stoppen voor niemand.