Big Vape: The Rise And Fall Of Juul

Netflix

‘Één trekje. En ik heb nooit meer een sigaret gerookt’, stelt talent recruiter Allen Gladstone. ‘Nooit meer.’ Dat is ook de belofte waarmee zijn werkgever de e-sigaret Juul de wereld instuurt. De elektronische sigaret is een tastbaar voorbeeld van hoe je met technologie de wereld kunt verbeteren. Althans, dat is de bedoeling – en om er een hele smak geld mee te verdienen, natuurlijk.

‘Sigarettenmakers wisten van hun probleem’, vertelt historicus Robert Proctor van Stanford University in Big Vape: The Rise And Fall Of Juul (190 min.) een sterke vierdelige documentaireserie van R.J. Cutler (A Perfect CandidateBelushi en Billie Eilish: The World’s A Little Blurry). ‘Ze waren nooit blij met het feit dat hun producten mensen doodden. Dus hoe konden ze een nieuwe sigaret maken die de verslaving in stand houdt, maar de kanker wegneemt? Dat wordt een soort verborgen doel van Big Tobacco in supergeheime projecten.’

Twee alumni van Stanford, Adam Bowen en James Monsees, menen dat ze de oplossing hebben gevonden. Met hun startup ontwikkelen ze de Juul, die vervolgens met de enorm gelikte Vaporized-campagne, waarbij allerlei influencers worden ingezet om de e-sigaret weg te zetten als een cool lifestyleproduct, ook nadrukkelijk wordt geïntroduceerd bij aspirant-rokers. En daar botsen de oorspronkelijke uitgangspunten al op elkaar: want hoe past het aanboren van een nieuwe markt eigenlijk bij het verbeteren van de volksgezondheid?

De Juul, opgeleverd met allerlei lekkere smaakjes, blijkt een, zoals Robert Proctor ’t noemt, ‘perfecte motor voor verslaving’. Zoals de pijnstiller OxyContin, ook al zo’n gezondheidsproduct waarmee grof geld kon worden verdiend, een zeer verslavend karakter bleek te hebben en het Big Pharma-bedrijf van de infame Sackler-familie vervolgens helemaal binnenliep. De gevolgen waren ook vergelijkbaar: junks die als kettingrokers begonnen te vapen, omdat ze anders direct ernstige ontwenningsverschijnselen kregen. Een nieuwe generatie rokers was geboren.

R.J. Cutler laat in deze krachtige miniserie, gebaseerd op het boek Big Vape van Jamie Ducharme, een brede waaier aan bronnen aan het woord: (geanonimiseerde) medewerkers van Juul, marketeers, Silicon Valley-insiders, vertegenwoordigers van de tabaksindustrie, deskundigen, gebruikers en hun directe familieleden. Vrijwel elke spreker heeft zelf gerookt of in z’n directe omgeving gezien wat roken kan aanrichten – en trapt toch doelbewust of juist zonder nadenken in de Juul-val. Totdat vapen onder met name jongeren als een ernstig maatschappelijk probleem wordt beschouwd.

Intussen gaan Bowen en Monsees tot ontsteltenis van zowel de buitenwereld als hun eigen medewerkers in zee met Altria, het bedrijf achter tabaksproducent Philip Morris. Hebben ze hun ziel verkocht aan Big Tobacco? Of gooit de tabaksindustrie zo in feite de handdoek in de ring? En is die vape-epidemie wel het hele verhaal of zit er ook nog een positieve kant aan de opmars van de Juul? Het krachtige Big Vape, waarin Cutler subtiel animaties heeft verwerkt, licht de kwestie genuanceerd door, met oog voor de verschillende standpunten en belangen.

And The King Said, What A Fantastic Machine

September Film

Dit overrompelende filmessay van Axel Danielson en Maximilien van Aertryck ontleent zijn naam aan een treffende anekdote over de Britse koning Edward VII: And The King Said, What A Fantastic Machine (88 min.). Edward liet in 1901 zijn kroning vereeuwigen door de vermaarde cineast George Méliés (1861-1938). Deze registratie, in werkelijkheid opgenomen in een studio met Franse acteurs en figuranten, ging nog dezelfde dag in première in Engeland. De vorst was dolenthousiast over de gebruikte camera: ‘Die is zelfs in staat om delen van de ceremonie vast te leggen die nooit hebben plaatsgevonden.’

Inmiddels zijn we ruim 120 jaar verder en is diezelfde ‘machine’ met geen mogelijkheid meer weg te denken uit ons leven. Eerst leverde die zijn geheel eigen weerspiegeling van de werkelijkheid in de bioscoop, daarna ook thuis op televisie en sinds het begin van de 21e eeuw en de opkomst van het internet en sociale media letterlijk overal. Er valt nauwelijks meer te ontkomen aan wat de camera, en de beelden die deze produceert, teweeg brengt. De lens als pak ‘m beet lakei, waarheidszoeker, meesterverkoper, gluurder, grote gelijkmaker en bedrieger – en wij als zijn slaaf, vastgeketend aan een televisie, beeldscherm of smartphone.

Danielson en Van Aertryck gaan eerst terug naar de uitvinding van de fotografie en film, belichten daarna hoe die in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog een geducht wapen voor propagandisten werd – filmmaakster Leni Riefenstahl kijkt op latere leeftijd nog altijd verlekkerd naar de majestueuze beelden die ze ooit van Hitlers Derde Rijk liet maken – en laten vervolgens zien hoe audiovisuele media tevens een essentiële rol speelden bij het erkennen van de navolgende genocide. Cameramensen kregen de opdracht om de gruwelen van de vernietigingskampen zo expliciet mogelijk vast te leggen. Zodat ontkennen onmogelijk zou zijn.

Met onthullende, grappige en schokkende fragmenten uit alle hoeken en gaten van de beeldgeschiedenis zwieren de Zweedse filmmakers vervolgens via thema’s als perspectief, framing en image naar het heden, waarin elke aardbewoner dagelijks een beeldenbombardement moet zien te overleven. En dan helpt het als je visueel geletterd bent. Want die camera beïnvloedt alles, betogen Danielson en Van Aertryck. Óók – of júist – hoe we naar onszelf kijken. Dit wordt treffend aangetoond met een fragment van enkele Papoea-mannen die voor het eerst een foto van zichzelf onder ogen krijgen. Eerst begrijpen ze niet wat ze zien, daarna blijven ze maar naar zichzelf turen.

And The King Said, What A Fantastic Machine is echter zeker niet alleen een Adam Curtis-achtige geschiedenisles, maar werkt tevens als ongenadige spiegel van deze tijd. Een influencer haalt bijvoorbeeld halsbrekende capriolen uit om gefotografeerd te worden op een wolkenkrabber. De grote emoties die loskomen door de trailer van een nieuwe Star Wars-film. Een chimpansee die ontspannen langs foto’s van zichzelf scrollt op een smartphone. De live-stream van een gamer die viral gaat als hij in slaap sukkelt. En, natuurlijk de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021, die waarschijnlijk ondenkbaar was geweest zonder mobieltjes, selfies en social media-accounts.

Het is de naargeestige climax van een verpletterende film, die je hele generaties, van jong tot oud, als een verplicht college mediawijsheid in de maag zou willen splitsen. Zodat eenieder zich staande kan houden in een wereld, die wordt gedomineerd door camera’s.

The Randall Scandal: Love, Loathing & Vanderpump

Disney+

Het is zogezegd een ‘match made in heaven’. Althans, de Hollywood-versie daarvan. De ranzige Hollywood-versie daarvan, welteverstaan. Het ‘droomkoppel’ Randall Emmett en Lala Kent.

Hij, de producer van B-films, routineuze actieproducties met gewezen Hollywood-helden als Bruce WillisSylvester Stallone en Steven Seagal. Een man die net zo sleazy oogt als zijn producties en even cheap blijkt als zijn ‘sterren’. Hij begon zijn carrière ooit als de persoonlijke assistent van acteur Mark Wahlberg. Op basis van diens ervaringen als aankomende ster in Hollywood werd ooit de serie Entourage gemaakt. En Randall zou model hebben gestaan voor het personage Turtle, diens manusje van alles die lekker meeprofiteert van de verworvenheden van de nieuwe celebrity.

En Zij, de nieuwste – pardon my Dutch – bimbo van de realityserie Vanderpump Rules, een spin-off van The Real Housewives Of Beverly Hills. Van jongs af aan wilde Lala – volgens haar, toch wel behoorlijk strak getrokken moeder Lisa Burningham – in het middelpunt van de aandacht staan. Daarbij weet ze Randall al snel aan haar zijde. Op de onvermijdelijke rode lopers, maar ook op de set van Vanderpump, waarin hij maar al te graag een belangrijke bijrol claimt. Want ook deze man achter de camera wil uiteindelijk best vóór de camera en daar de bink uithangen.

En dan, als de schmutzige filmproducent eindelijk eens een serieuze film heeft gemaakt (The Irishman van Martin Scorsese), leggen de onderzoeksjournalisten Meg James en Amy Kaufman van The L.A. Times, ongetwijfeld hongerend naar een Pulitzer Prize, op The Randall Scandal: Love, Loathing & Vanderpump (84 min.) bloot. En de goede verstaander weet wat dit betekent: seks, drugs en rock & roll. En gerommel met geld, natuurlijk – en als gevolg daarvan: een spoor van (ver)woeste medewerkers, die vanzelfsprekend ook al gedurig met ’s mans veel te korte lontje en diens grensoverschrijdende gedrag te maken hebben gekregen.

Deze juicy docu trekt deze zaak, niet zonder Schadenfreude, helemaal leeg met de gebruikelijke spijtoptanten, ooggetuigen, haaibaaien, slachtoffers en deskundigen. Alleen de hoofdpersoon zelf laat verstek gaan. Terwijl hij wel wat heeft uit te leggen. Zou Randall bijvoorbeeld echt niet in de gaten hebben gehad dat er iets mis was met Bruce Willis, waarvan sindsdien bekend is geworden dat hij aan dementie lijdt, toen die op de filmset zijn shit maar niet ‘together’ kreeg? Of was ook hij niet meer dan een voertuig om de geldkar binnen te rijden voor Randall Emmett, die samen met zijn ‘trophy wife’ jarenlang floreerde aan de rafelranden van de entertainmentindustrie.

Inmiddels lijkt hij, getuige deze frontale aanval op al wat hij is, zich zelfs daar vrijwel onmogelijk te hebben gemaakt – al lijkt ‘s mans bron voor inferieure speelfilms nog altijd niet opgedroogd.

Dear Mama: The Saga Of Afeni And Tupac Shakur

FX

Zijn naam is voor eeuwig verbonden met het alter ego van die andere vermaarde hiphopper, Christopher Wallace. Tupac Shakur versus The Notorious B.I.G. De Amerikaanse westkust tegenover de oostkust. Een gangsterrapoorlog, die hen allebei het leven kostte. Eerst ‘2Pac’, op 23 september 1996. Ruim een half jaar later ‘Biggie’.

Het is een tragische geschiedenis, die zijn weg ook al heeft gevonden naar diverse documentaires. Na Biggie And Tupac (2002) maakte de Britse filmmaker Nick Broomfield een kleine twintig jaar later bijvoorbeeld ook Last Man Standing: Suge Knight And The Murders Of Biggie & Tupac. En Suge Knight, de platenbaas van Death Row Records die wordt gezien als de aanstichter van de ontspoorde oorlog, kreeg in 2018 ook zijn eigen podium in American Dream / American Knightmare.

Nadat regisseur Emmett Malloy in 2021 al Christopher Wallace achter de zwaarIijvige gangsterrapper vandaan probeerde te halen in Biggie: I Got A Story To Tell, neemt filmmaker Allen Hughes nu bijna vijf uur de tijd om de enige echte Tupac Amaru Shakur te vinden in de patser, die het boegbeeld van ‘thug life’ was geworden. En het duurt in de vijfdelige serie Dear Mama: The Saga Of Afeni And Tupac Shakur (298 min.) ruim twee uur voordat de naam Biggie voor het eerst valt – en nog een stuk langer voordat de strijd oplaait.

Hughes en Shakur gaan ver terug. Ze werkten samen voor enkele videoclips, maar kregen ruzie over Tupacs bijdrage aan de speelfilm Menace II Society. De rol stond hem niet aan. Het conflict liep hoog op. Geruchten dat hij in elkaar is geslagen door de rapper/acteur verwijst Allen Hughes, die noodgedwongen ook even vóór de camera verschijnt, echter direct naar het rijk der fabelen. Shakur had wel een stuk of tien hardhandige ‘vrienden’ die dat voor hun rekening namen.

Tupac was ‘de intelligentste idioot die ik ooit heb ontmoet’, stelt zijn manager Watani. Zijn latere gedrag is ook nauwelijks te rijmen met de beelden van de zeventienjarige Shakur. Hoe kon deze gevoelige en welbespraakte scholier uitgroeien tot een rapper die steeds verder ontspoorde? Allen Hughes legt in deze miniserie de link met het woelige bestaan van zijn moeder Afeni Shakur. Zij was een prominent lid van The Black Panther Party, zat een hele tijd vast en ontwikkelde een ernstige verslaving.

In Dear Mama, tevens de titel van een song van Tupac over de vrouw die hem in haar eentje opvoedde, alterneert Hughes voortdurend tussen deze twee verhaallijnen. Afeni‘s leven in en rond de militante Panther-beweging, die in de jaren zestig en zeventig in een loopgravenoorlog was verwikkeld met de Amerikaanse overheid, claimt vrijwel net zoveel ruimte als de lotgevallen van haar zoon. Het is alsof ze allebei vast zijn gelopen in een permanente vechtmodus, die hen weinig goeds brengt.

Met familieleden, vrienden en medestrijders van moeder en zoon, alsmede geestverwanten van Tupac zoals Dr. Dre, Snoop Dogg en Mike Tyson, kleurt Allen Hughes die twee getormenteerde, onlosmakelijk met elkaar verbonden levens, vereeuwigd in een overvloedige hoeveelheid fraai beeldmateriaal, verder in tot een dubbelportret van epische proporties. Alleen het gezwollen eind, waarin de betreurde Tupac tot een halve heilige wordt uitgeroepen, is wat veel van het goede.

Als de rapper/acteur – die zijn biologische vader nauwelijks heeft gekend, al draaft de man wél op in deze miniserie – op slechts 25-jarige leeftijd zijn laatste adem heeft uitgeblazen, leeft zijn moeder nog twintig jaar verder. Afeni zal Tupacs woordvoerder, zaakwaarnemer en martelaar worden. Strijdbaar, zoals altijd – net als haar zoon. Maar met een zwaar hart.

Turn Every Page – The Adventures Of Robert Caro And Robert Gottlieb

Sony

De race tegen de klok duurt nu al zo’n halve eeuw. Biograaf Robert Caro en zijn vaste redacteur Robert Gottlieb, allebei inmiddels hoogbejaard, stellen alles in het werk om die alomvattende biografie van de Amerikaanse president Lyndon Baines Johnson (1908-1973) voor hun dood af te ronden. Deel 1 verscheen in 1982, deel 4 dertig jaar later. Het afsluitende vijfde deel laat nu al jaaaren op zich wachten. De epische boekenreeks The Years Of Lyndon Johnson, over één van de gecompliceerdste machtspolitici die de Verenigde Staten ooit hadden, zal straks waarschijnlijk meer dan drieduizend (!) pagina’s beslaan.

Het kost Gottliebs dochter Lizzie heel wat overredingskracht om de twee Bobs te strikken voor Turn Every Page – The Adventures Of Robert Caro And Robert Gottlieb (114 min.). De schrijver heeft bovendien één voorwaarde: hij wil niet in dezelfde ruimte worden geïnterviewd als haar vader. De mannen hebben elkaar leren kennen ten tijde van Caro’s eerste boek, de klassieker The Power Broker: Robert Moses And The Fall Of New York (1974), en onderhouden sindsdien een stormachtige relatie. Want ook ruziën kunnen ze als de allerbesten. Over woordkeuze, de kunst van het weglaten of het gebruik van puntkomma’s. De liefde voor taal, verhalen en de waarheid spat er vanaf.

Terwijl ze de gezamenlijke missie van de twee mastodonten probeert te bevatten, zoomt Lizzie Gottlieb tevens in op hun afzonderlijke levens. Gottlieb redigeerde bijvoorbeeld klassieke boeken van Toni Morrison, John le Carré, Nora Ephron, Michael Crichton en Joseph Heller (wiens Catch-22, volgens Gottlieb, eerst Catch-18 was getiteld) en was daarna hoofdredacteur van The New Yorker. Caro leerde het vak bij de New Yorkse krant Newsday (waar hoofdredacteur Alan Hathway hem een dwingend advies gaf: ‘Turn every page. Never assume anything. Turn every goddamn page!’) en wordt inmiddels beschouwd als de grootste levende schrijver over Amerikaanse politiek. 

Samen hebben ze zich volledig ingegraven in het woelige bestaan van de meestermanipulator LBJ, die na de moord op John F. Kennedy president van de Verenigde Staten (1963-1969) werd. Een machtspoliticus zonder gelijke, die zo’n beetje tegelijkertijd een karrenvracht aan baanbrekende sociale wetgeving door het Amerikaanse parlement loodste en de Vietnamoorlog definitief liet escaleren. Voor wat oorspronkelijk een driedelige biografie van zou worden, is Caro in de tweede helft van de jaren zeventig zelfs drie jaar in het afgelegen en bijzonder armoedige Hill County in Texas gaan wonen. Op Johnsons geboortegrond kreeg hij eindelijk grip op het ‘larger than life’-personage.

Voor dit dubbelportret heeft Lizzie Gottlieb Caro en haar vader op haar beurt vijf jaar lang gefilmd, gesproken met hun echtgenotes Ina en Maria en haar licht opgestoken bij prominenten zoals Ethan Hawke, Bill Clinton, David Remnick, Conan O’ Brien en Daniel Mendelsohn. Het resultaat is een verrukkelijke ode aan schrijven (op een ouderwetse typemachine, met carbonpapier eronder), journalistiek én de waarheid.

Hearts And Minds

Military Report

Als er één land met zelfvertrouwen uit de Tweede Wereldoorlog is gekomen, dan moet het de Verenigde Staten zijn. Het idee van Amerika als politieagent van de wereld heeft zich dan stevig in het collectieve zelfbeeld vastgezet. Een militaire kracht ten positieve. Onoverwinnelijk. En voortgedreven door hoogdravende idealen.

Deze Oscar-winnende anti-oorlogsfilm uit 1974, waarin Amerika’s tragische exercitie in Vietnam wordt belicht, maakt voor eens en altijd korte metten met dat idee. Het superioriteitsgevoel van de VS – op een treffende manier belichaamd door fier zingende soldaten uit de musical This Is The Army, die beweren dat ze ‘dressed up for victory’ zijn en beslist ‘won’t stop winning’ – wordt door regisseur Peter Davis op alle mogelijke manieren uitgekleed. Tot er niet veel meer rest dan militair jargon als ‘kill ratio’, ‘free fire zones’ en ‘search & destroy’. Of, zoals Amerikaanse Vietnam-veteranen hun modus operandi tegenover elkaar kortweg samenvatten: ‘kill some gooks’.

Davis start bij het begin. ‘Ons idee over vooruitgang beperkt zich niet tot ons eigen land’, zegt de Amerikaanse president Harry Truman (1945-1953), met gevoel voor understatement. ‘Dat delen we met mensen in de hele wereld.’ Zijn woorden worden direct gevolgd door bombardementen en beschietingen in Vietnam. Die beelden zijn een logisch gevolg van de acties van Trumans opvolgers. Van Eisenhouwers domino-theorie, dat de hele wereld direct communistisch wordt als ze Vietnam laten vallen, via Kennedy’s eenzijdige blik op het licht aan het eind van de tunnel tot Johnsons larmoyante betoog dat ze de Hearts And Minds (112 min.) van de plaatselijke bevolking moeten winnen.

Tegenover verdedigers van die doctrine, zoals ideoloog Walt Rostow, generaal William Westmoreland en de voormalige krijgsgevangene George Coker, plaatst Davis enkele landgenoten met gewetensbezwaren, een dienstweigeraar én defensieanalist Daniel Ellsberg, die geheime documenten over de oorlog lekte, de Pentagon Papers. Ellsberg windt er geen doekjes om: ‘We willen er niet aan dat dit onze oorlog is, want dat zou inhouden dat we moeten erkennen dat de slachtoffers die aan beide zijden zijn gevallen een gevolg zijn van ons eigen beleid en dat we misschien aan de verkeerde kant vechten. Wij vechten niet alleen aan de verkeerde kant, wij zíjn de verkeerde kant.’

Voor die stelling is zonder al te veel moeite bewijs te vinden. Davis laat vaak eerst de arrogante onwetendheid van Amerikaanse beslissers zien en daarna de dood en destructie die zij aan het andere eind van de wereld zaaien. Gewone Vietnamezen tonen vervolgens wat er werkelijk in hun harten en hoofden omgaat en hoe ze kapot gaan van verdriet om wat er bij hen, in hun familie of onder hun volk is aangericht. ‘De Oriëntaal hecht nu eenmaal niet zoveel waarde aan het leven’, bestaat William Westmoreland, die vier jaar lang bevelhebber van de Amerikaanse troepen in Vietnam was, ‘t desondanks te zeggen. ‘Het leven is overvloedig en goedkoop in de Oriënt.’

Intussen blijft de Amerikaanse generaal ziende blind en horende doof voor de rol die hij en de zijnen daarin hebben gespeeld – en die glashelder is voor iedereen die dit krachtige schotschrift tegen Amerika’s brute oorlogsdrift heeft gezien.

Big Mäck: Gangster Und Gold

Netflix

Deze bespreking is puur hypothetisch. Net als het verhaal dat Donald Stellwag vertelt. Het gaat niet over hemzelf. Het is – dat had hij toch al meteen gezegd? – ‘puur hypothetisch’. Dus de man die in de Duitse variant op Opsporing Verzocht, Aktenzeichen Ungelöst, op foto’s van een bankoverval op een Sparkasse-filiaal in Nürnberg in december 1991 is te zien kan met geen mogelijkheid Stellwag zijn. Ook al is hij ongeveer net zo oud, lang en dik én wordt hij herkend door een lokale politieman.

‘Ik was niet bang omdat ik wist dat ik niets had gedaan’, stelt Stellwag, bijgenaamd ‘Big Mäck’, zo’n dertig jaar later. Hij houdt, vanwege zijn gammele gezondheid en overgewicht liggend in bed, vol dat hij volstrekt onschuldig is. Al kan een buitenstaander zich niet aan de indruk onttrekken dat hij ook wel geniet van de aandacht die hem nu opnieuw ten deel valt. Puur hypothetisch, dan. Donald Stellwag heeft tevens een uitgesproken motief: nadat hij jaren in een Duitse gevangenis heeft doorgebracht, voelt Big Mäck nog altijd de behoefte om zijn naam te zuiveren.

Want hij blijkt wel degelijk slachtoffer te zijn geweest van een gerechtelijke dwaling. Toch? Als Stellwag zijn straf heeft uitgezeten, wordt er bij een andere bankoverval in elk geval een vingerafdruk aangetroffen van een man met min of meer dezelfde uiterlijke kenmerken. En niet veel later bekent die zowaar. Jarenlang is Donald Stellwag vervolgens – tegen betaling, stelt hij zelf – een graag geziene gast in talkshows, het slachtoffer van een overijverige openbare aanklager. Erg lang zal dat echter niet duren, want hij zal bij nóg een spraakmakend misdrijf betrokken raken.

Puur hypothetisch, natuurlijk. En ideaal voor een vermakelijke schelmenbeeldroman zoals Big Mäck: Gangster Und Gold (90 min.), waarin Fabienne Hurst en Andreas Spinrath tamelijk luchtig het leven van de linkmiegel doornemen met hemzelf en de mensen die betrokken raakten bij zijn zaak(jes). Gezien Donald Stellwags dubieuze staat van dienst is het in elk geval niet vreemd dat de politie bij die bankoverval dacht aan hem, een man die al z’n hele leven kan praten als brugman en zo in staat is om zelfs de pienterste waarheidsvorsers een rad voor ogen te draaien.

Puur hypothetisch, welteverstaan.

Last Stop Coney Island: The Life And Photography Of Harold Feinstein

http://www.feinsteinfilm.com

Hij stamt nog uit een tijd waarin niet iedereen een fototoestel had. En dus kon een professional zoals Harold Feinstein (1931-2015) in het New York van na de Tweede Wereldoorlog redelijk ongestoord zijn werk doen. Niet gehinderd door al die amateurs of selfkickers met een smartphone – of de weerzin die deze kunnen oproepen. Feinstein heeft weinig woorden nodig om te omschrijven hoe hij destijds als straatfotograaf te werk ging: als je mond openvalt, druk op het knopje.

Zo ving Harold Feinstein onverschrokken de vitaliteit van het oude New York – Coney Island, de plek waar hij zelf in een lastig gezin opgroeide, in het bijzonder. Inspiratie had hij in overvloed, ook binnen zichzelf. Feinstein beschikte over een niet te bedwingen nieuwsgierigheid, vertelt hij in Last Stop Coney Island: The Life & Photography Of Harold Feinstein (tv-versie: 60 min.). Zo zou hij zich later bijvoorbeeld ook nog laven aan de oorlog in Korea (waarnaar hij als dienstplichtig soldaat was uitgezonden) en New Yorks bruisende jazzscene (die hij vereeuwigde met zijn albumcovers voor het fameuze Blue Note Records).

Van vrouwen kreeg de vrijbuiter ook maar geen genoeg, getuige deze documentaire van regisseur Andy Dunn. Niet alleen voor zijn camera overigens. Zoals drank en drugs, en daarachter een goed verborgen ongelukkige jeugd, ook nooit ver weg waren. Hoewel hij gaandeweg enigszins uit de picture verdween, bleef Harold Feinstein bovendien zijn hele leven consequent creëren en experimenteren en de liefde voor fotografie uitdragen. Totdat hij op de valreep werd herontdekt als een essentiële chroniqueur van het Amerika van de tweede helft van de twintigste eeuw en alsnog de erkenning kreeg die een hele tijd was uitgebleven.

En dit interessante portret is daarvan weer een logisch uitvloeisel.

Easy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood

BBC

Vraag een willekeurige kenner van de Amerikaanse cinema om z’n favoriete periode te noemen en dikke kans dat ie met de seventies op de proppen komt, de jaren waarin regisseurs de macht grepen in Hollywood. Peter Biskind schreef daarover in 1998 een machtig interessant boekEasy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood (113 min.). Vijf jaar later volgde de bijbehorende documentaire van Kenneth Bowser.

Met de generatie die destijds de ommekeer bewerkstelligde in de filmwereld schetst Bowser hoe grote studio’s zoals Warner Brothers, Paramount en 20th Century Fox halverwege de jaren zestig de concurrentiestrijd met televisie leken te hebben verloren en op omvallen stonden. Uit pure noodzaak ontstond er vervolgens ruimte voor eigenzinnige filmmakers die, gevoed door Europese cinema en opgegroeid binnen het B-film circuit, de vastgelopen industrie daarna een gigantische opdonder verkochten.

Kaskrakers zoals Bonnie And Clyde, Easy Rider, Midnight Cowboy, The Wild Bunch, The Last Picture Show, The Godfather, American Graffiti, Mean Streets, The Exorcist, Chinatown, Taxi Driver en Raging Bull weerspiegelden perfect de tijdgeest en toonden aan dat eigenzinnige films, waarbij de regisseur ‘final cut’ had bedongen, wel degelijk een groot publiek konden bereiken. Met het succes kwamen echter ook de enorme ego’s, neuroses en verslavingen.

Verteller William H. Macy loopt dit interessante stuk filmgeschiedenis netjes door met anti-establishment filmmakers zoals Peter Bogdanovich, Dennis Hopper, Arthur Penn, Paul Schrader en John Milius (waarbij opvalt dat Francis Ford Coppola, Martin Scorsese, William Friedkin en Robert Altman ontbreken; zij zijn wél van de partij in een documentaire uit hetzelfde jaar over precies hetzelfde thema, A Decade Under The Influence). Verder laat hij de acteurs Cybill Shepherd, Peter Fonda, Ellen Burstyn, Richard Dreyfuss en Karen Black aan het woord over hun ervaringen en lardeert hun herinneringen met een stortvloed aan filmfragmenten.

Zo ontstaat een levendig beeld van de jaren waarin de filmgekken voor heel even het gesticht konden overnemen. Totdat Steven Spielberg en George Lucas – zo wil althans de Hollywood-versie van de gebeurtenissen – met respectievelijk Jaws en Star Wars korte metten maakten met de hoogtijdagen van de Amerikaanse auteurscinema en de tijd inluidden van de blockbuster, een nieuwe variant op de aloude B-film die met een gigantisch budget mocht worden gemaakt én gepromoot.

Vardy vs Rooney: The Wagatha Trial

Discovery+

Op 9 oktober 2019 gooit Coleen Rooney de knuppel in het hoenderhok: het is Rebeka Vardy’s account waarmee stelselmatig persoonlijke informatie van haar eigen afgeschermde Instagram-pagina wordt gelekt naar de Britse roddelbladen. Coleens publiek geuite beschuldiging mondt uit in een rechtszaak, waarbij de twee voetbalvrouwen, de echtgenotes van de (voormalige) Engelse internationals Wayne Rooney en Jamie Vardy, recht tegenover elkaar komen te staan. In het ‘court of public opinion’ zijn ze dan allang veroordeeld: de één vanwege laster, de ander vanwege uiterst laakbaar gedrag.

De zaak staat inmiddels te boek als Wagatha Christie, een social media-whodunnit die zelfs de befaamde Britse schrijfster Agatha Christie (niet) had kunnen verzinnen. In de tweedelige docuserie Vardy vs Rooney: The Wagatha Trial (96 min.) belicht Graham Smiles de toch wat onsmakelijke kwestie van beide kanten: de eerste aflevering wordt verteld vanuit het perspectief van Team Vardy, in de tweede komt Team Rooney aan bod. Hun beweringen worden ingekaderd door deskundigen, andere spelersvrouwen, (entertainment)journalisten en een paparazzo. Een opzet die onlangs ook is gebruikt bij een al even spraakmakende ‘trial by media’-kwestie: Johnny vs Amber.

Dit gedegen tweeluik richt zich op zowel het moddergevecht in de media als het juridische steekspel in de rechtszaal tussen de twee ‘WAGs’. Deze term, die door sommige vrouwen zelf is omarmd als een geuzennaam, wordt in de Britse boulevardpers gebruikt voor de ‘Wives And Girldfriends’ van bekende voetballers, die daarmee automatisch worden gereduceerd tot ‘arm candy’ van hun mannen. Als tweederangs celebrities – zonnebankbruin, veelal geblondeerd en chirurgisch geperfectioneerd – hengelen ze voortdurend naar de aandacht van de Britse tabloids, die daarvoor een speciale afdeling met haaibaaien, roddelvangers en probleemzoekers uit de grond hebben gestampt.

De zaak Rooney-Vardy, waarin Rebeka’s PR-dame Caroline Watt een cruciale rol blijkt te spelen en Coleen in de voetsporen treedt van de meesterdetectives Miss Marple of Hercule Poirot, levert in elk geval een bijzonder lelijk beeld op van de (wannabe) celebritycultuur en het giftige klimaat dat daaromheen wordt gecreëerd door de Britse schandaalpers.

Moonlight Sonata: Deafness In Three Movements

HBO

Toen Beethoven doof begon te worden, componeerde hij de Moonlight Sonate. Juist die stemmige compositie wil de elfjarige Jonas nu instuderen voor een uitvoering. Hij verloor als kleuter ook zijn gehoor, kon toen een tijd helemaal niets horen en heeft daarna met een cochleair implantaat geluid, muziek in het bijzonder, opnieuw een plek gegeven in zijn leven.

Regisseur Irene Taylor Brodsky vertelt in Moonlight Sonata: Deafness In Three Movements (90 min.) zowel het verhaal van haar zoon als dat van haar ouders. Die zijn eveneens doof en werden in 2007 al door hun dochter geportretteerd in de aangrijpende film Hear And Now. Zij hebben sinds enkele jaren eveneens een implantaat, maar daaraan zijn ze nooit helemaal gewend.

Waren ze zonder gehoor niet gewoon beter af? vragen ze zich inmiddels af. Als opa overprikkeld dreigt te raken, zet hij bijvoorbeeld gewoon zijn gehoorimplantaat uit. Dat is wel zo rustig. Zeker omdat zijn brein serieuze slijtage begint te vertonen. Ook hun kleinzoon wil zich soms afsluiten van de horende wereld, bijvoorbeeld tijdens het oefenen van Beethovens meesterstuk.

Taylor Brodsky begeleidt de ontwikkelingen in haar familie met een persoonlijke voice-over en trekt parallellen met de laatste levensfase van Ludwig van Beethoven, verbeeld met fraaie animaties, die steeds meer in zijn eigen hoofd ging leven. Het resultaat is een intieme film, die toewerkt naar een vanzelfsprekend slotakkoord: Jonas’ interpretatie van de wereldberoemde pianosonate nr. 14.

Jonestown


Bij een idee dat zo gruwelijk eindigt, kun je je nauwelijks voorstellen dat het ooit best mooi begon. De Amerikaanse dominee Jim Jones startte The Peoples Temple eind jaren vijftig als een christelijke gemeenschap, waarin zowel blank als zwart welkom was.

Ruim twintig later leidde hij zijn volgelingen met harde hand naar een onvermijdelijk geworden ondergang. Het idealistische idee was toen allang ondergesneeuwd geraakt. Gaandeweg werd Jones gewoon de archetypische sekteleider zoals we die uit talloze boeken en films kennen, met alle voor de hand liggende excessen.

De documentaire Jonestown: The Life And Death Of Peoples Temple (84 min.) schetst op aangrijpende wijze de helletocht die Jones aan zijn gevolg oplegt en die uiteindelijk culmineert in de dramatische daad waarmee hij zichzelf met bloedrode letters in de geschiedenisboeken heeft geschreven.