Martin Margiela In His Own Words

Hij is en blijft een mysterie. Een man die geen interviews geeft en zich niet laat filmen of fotograferen. Het werk van Martin Margiela moet voor zichzelf spreken. Soms heeft hij spijt van die beslissing, zegt de Belgische modeontwerper in de documentaire Martin Margiela In His Own Words (90 min.), waarvoor hij dus tóch heeft ingestemd met een interview. ‘Het is moeilijk om naam te maken voor jezelf als men die niet kan verbinden met een gezicht.’

Herkenbaar in beeld wil Margiela nog steeds niet. Dat laat hij in deze stijlvolle film van regisseur Reiner Holzemer over aan mensen uit zijn directe (werk)omgeving of kenners zoals trendwatcher Li Edelkoort, collega Jean Paul Gaultier en filmmaakster/model Sandrine Dumas, die zijn eigen visie op z’n leven, carrière en collecties aanvullen en becommentariëren. ‘Mij bevalt het idee niet, om beroemd te zijn’ zegt hij nog. ‘Anonimiteit is waardevoller voor mij. Zijn zoals alle anderen, houdt me in balans.’

Een kwestie van zelfbehoud, zo lijkt het. Geen opzichtige poging tot mythevorming. Al wordt Margiela her en der wel degelijk ‘de Banksy van de modewereld’ genoemd. En dus zijn in dit gedegen (zelf)portret, waarvoor Holzemer nauwgezet de verschillende shows van de ontwerper doorloopt en de toonaangevende Belgische band dEUS de soundtrack verzorgde, alleen zijn handen in beeld. De werktuigen van een eigenzinnige en inventieve geest, die de internationale modewereld stormenderhand heeft veroverd.

En die in 2008 plotseling ander werk kregen, toen hij bij het twintigjarige jubileum van de Maison Martin Margiela in Parijs op 29 september 2008 plotsklaps besloot om per direct de modewereld te verlaten. Sinds die tijd mogen die handen schilderen en beeldhouwen en leidt de man die hun arbeid ongetwijfeld met een kritisch oog beziet écht een anoniem leven. ‘Ik vind het heerlijk om alleen te zijn, met niemand om me heen. Gewoon alleen zijn en doen wat ik leuk vind.’

Bedlam

PBS

‘Budi-budi-boop!’, ratelt Johanna. ‘Ik hou van iedereen’, voegt ze eraan toe. ‘Budi-budi-boop! Mijn waarheid zal me vrijmaken.’ Een arts van de psychiatrische Eerste Hulp in Los Angeles probeert haar ondertussen vragen te stellen, maar de 23-jarige vrouw raast in een manisch tempo door. ‘Budi-budi-boop! Ik zag hoe Michael Jackson stierf. Budi-budi-boop. Ik ben niet wie ik ben, begrijp je wel?’

Medicatie wil Johanna echter niet. Als blijkt dat er echt niet met haar valt te praten, krijgt ze uiteindelijk, onder enige dwang, tóch een spuit toegediend. Die brengt haar even onder zeil. De jonge Amerikaanse vrouw is gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis en zit midden in een psychotische episode.

Een jaar later oogt dezelfde Johanna een stuk rustiger. Na een periode van in en uit het ziekenhuis is ze nu weer thuis. En flink aangekomen, dat ook. Waarschijnlijk als gevolg van de medicijnen die ze voorgeschreven heeft gekregen. Met die pillen is Joanna nu al enkele maanden gestopt, vertelt ze echter monter aan haar bezorgde vader.

Als de Amerikaanse filmmaker Kenneth Paul Rosenberg, zelf ooit opgeleid tot psychiater, haar weer een jaar later opnieuw thuis opzoekt, zijn de gevolgen daarvan direct zichtbaar: Johanna heeft zichzelf helemaal volgetekend met viltstift, haar woning is een bende en ze dendert weer in een nét iets te hoog tempo door de dag.

Het is een even pijnlijk als vertrouwd beeld, dat enkele malen terugkeert in de documentaire Bedlam (84 min.): van gewone mensen met een psychiatrische aandoening die even lijken op te krabbelen en dan toch weer een terugval hebben. Hun bipolaire stoornis of schizofrenie laat zich nooit definitief de kop indrukken.

In veel westerse landen belanden zulke ‘verwarde mensen’ tegenwoordig eerder op straat of in de cel dan op een plek waar ze echt worden behandeld, stelt Rosenberg. Hij plaatst dat in z’n historische kader: het sociale vangnet dat ooit was opgetuigd, is vanaf de jaren zeventig op een zodanige manier toegetakeld dat het tegenwoordig letterlijk levensgrote gaten bevat.

De filmmaker weet waar hij over praat: zijn eigen zus heeft tientallen jaren met ernstige psychiatrische problemen gekampt. En Rosenbergs gezin met haar. Dat familieverhaal verweeft hij in Bedlam best soepel met pogingen om de psychiatrische zorg te verbeteren en de lotgevallen van enkele doktoren en patiënten die hij gedurende enkele jaren geregeld heeft opgezocht met de camera.

Zoals Johanna, de verpersoonlijking van die bijzonder weerbarstige problematiek. ‘Wat het zo lastig maakt is dat je je een tijd behoorlijk normaal voelt’, zegt ze tegen het eind van de film, weer helemaal bij zinnen. ‘En dan ineens heb je een terugval.’

5B

Ryot

Het was duidelijk dat honderd procent van de ziektegevallen zou sterven, aldus één van de toenmalige artsen. Toch wilden lang niet alle doktoren en verpleegkundigen deze patiënten behandelen. ‘Ik raak hem met geen vinger aan’, zou een arts tegen een uitgemergelde jongeman hebben gezegd. Natuurlijk, sommige medewerkers van het San Francisco General Hospital waren gewoon bang, maar anderen vonden ook dat die mannen het er zelf naar hadden gemaakt. ‘Homokanker’ kreeg je immers niet zomaar.

En dus moest er begin jaren tachtig een speciale afdeling komen voor AIDS-patiënten. Met artsen en verplegers van 5B (95 min.), waar het gebruikelijke ‘cure’ al snel werd losgelaten ten faveure van ‘care’, blikken Dan Krauss en Paul Haggis terug op de AIDS-uitbraak in de Amerikaanse gaystad bij uitstek, San Francisco. Van professionele distantie kon in elk geen geval sprake zijn, zoveel was hen al snel duidelijk. Deze mannen gingen een wisse dood tegemoet. Hoe kon je hun lijden verlichten en hen op een menswaardige manier naar hun einde begeleiden?

De beelden daarvan zijn bijna veertig jaar later nog altijd hartverscheurend. Toch waren de meningen in de buitenwereld niet mals: homoseksualiteit was bepaald nog niet algemeen geaccepteerd, van het (vermeende) bijbehorende promiscue gedrag werd zelfs schande gesproken. Werd daar op die speciale afdeling soms de homoseksuele levensstijl gepropageerd? En in hoeverre liepen ‘gewone’ Amerikanen gevaar? Die laatste vraag werd nog eens extra pregnant toen één van de verpleegkundigen zich prikte aan een injectienaald en vervolgens HIV-positief bleek.

Krauss en Haggis zoomen in op enkele persoonlijke verhalen van 5B en plaatsen de gebeurtenissen op de speciale ziekenhuisafdeling binnen het politieke klimaat van die veelbewogen jaren. De bekroonde (en homoseksuele) verslaggever Hank Plante herinnert zich bijvoorbeeld nog goed hoe de toenmalige Amerikaanse president Ronald Reagan in 1987 voor de allereerste keer het woord ‘AIDS’ in de mond nam. ‘De epidemie was toen al zes jaar gaande’, zegt hij verbeten. ‘Op het moment dat hij dat woord voor het eerst uitsprak waren er al 21.000 Amerikanen gestorven.’

Die onverschilligheid contrasteert enorm met de onbaatzuchtigheid van de 5B-medewerkers, die in hachelijke tijden de menselijke waardigheid van ‘hun’ patiënten waarborgden en tevens het grote hart vormen van deze aangrijpende film, die in 2019 op het Filmfestival van Cannes de Grand Prix Award won.

De Kift: Water Wieg Me – Een Muzikale Ode Aan De Droefenis

NTR

Schrijven begint met luisteren. Het opzuigen van verhalen, er vervolgens even op kauwen en ze dan weer op geheel eigen wijze uitspugen. In teksten, in muziek. Ferry Heijne, zanger van de ‘poëtische fanfarepunkband’ De Kift, vaart letterlijk uit om persoonlijke getuigenissen van buitengewone gewone Nederlanders op te tekenen.

Met zijn boot belandt hij in De Kift: Water Wieg Me – Een Muzikale Ode Aan De Droefenis (53 min.) bijvoorbeeld bij Bas. De man rouwt om het verlies van zijn twintigjarige dochter Belle, die enkele jaren geleden tijdens een wandeling in het park werd getroffen door een blikseminslag. Heijne verwerkt diens ervaringen in een verklanking van het gedicht Melopee van Paul van Ostaijen. Over de vergankelijkheid van het bestaan.

‘Langs het hoogriet / Langs de laagwei / Schuift de kano naar zee / Schuift met de schuivende maan de kano naar zee’

In deze fraaie, gestileerde film van Sanne Rovers ontmoet Ferry Heijne verder een Iraakse schrijver die dreigde te verpieteren in een asielzoekerscentrum, een vrouw met liefdesverdriet én een woonboot en een oudere man die voelt dat zijn lichaam stilaan begint te haperen. En onvermijdelijk komt Heijne onderweg ook zichzelf tegen – en zijn vader, die bijkans bij toeval ook jarenlang deel uitmaakte van De Kift.

En als de hoofdpersonen uiteindelijk te horen krijgen wat Ferry en zijn muzikale kompanen, die her en der, als vanzelfsprekend, in het oer-Hollandse decor opduiken om hun muziek ten gehore te brengen, van hun getuigenissen hebben gemaakt, vloeien beeld en muziek helemaal samen tot een lekker melancholische lofzang op het leven.

American: The Bill Hicks Story

Hij is de comedian’s comedian. De man die door collega’s als misschien wel de allerbeste uit het vak wordt gezien. Bill Hicks, in 1994 op slechts 32-jarige leeftijd overleden. Met zijn ontregelende humor was hij de standaard stand-up comedy routine allang ontstegen. Hicks deed aan niets minder dan ‘truthin’: ongemakkelijke waarheden, vervat in bikkelharde grappen.

25 Jaar na zijn dood duiken er nog altijd regelmatig Hicks-quotes op in het publieke domein. Over oorlogsvoering, abortus, marketing én geestverruimende middelen. Want dat was bepaald geen onbekend terrein voor de man die zich regelmatig verloor in paddo’s en zo nu en dan ook met een kwaaie dronk op het podium stond. Hij was de gemakkelijke grap allang voorbij. Hicks wilde écht iets zeggen over de wereld waarin hij leefde.

Zo vroeg hij zich bijvoorbeeld af waarom verhalen in de media over drugs altijd negatief waren. ‘Always that same LSD story, you’ve all seen it. ‘Young man on acid, thought he could fly, jumped out of a building. What a tragedy.’ What a dick! Fuck him, he’s an idiot. If he thought he could fly, why didn’t he take off on the ground first? ‘

Dat kon ook anders, meende Hicks: ‘Today a young man on acid realized that all matter is merely energy condensed to a slow vibration, that we are all one consciousness experiencing itself subjectively, there is no such thing as death, life is only a dream, and we are the imagination of ourselves….’ Waarna hij een korte, perfect getimede stilte liet vallen. ‘Here’s Tom with the Weather.’

American: The Bill Hicks Story (101 min.), een tamelijk conventionele film van Matt Harlock en Paul Thomas uit 2009 over een allesbehalve conventionele comedian, zet de geboren dwarsligger weer eens in de spotlights met een uitputtende collectie archiefmateriaal, die soepel wordt verbonden met (off screen) quotes van directe familie, vrienden en collega’s. Zij verhalen over een man die op dubbele snelheid dacht, sprak en leefde en die als geen ander de spijker op z’n kop kon slaan.

‘The best kind of comedy to me is when you make people laugh at things they’ve never laughed at, and also take a light into the darkened corners of people’s minds, exposing them to the light.’ (brainyquote)

Anil Ramdas: Nooit Meer Thuis

NTR

Hij was ‘de beroemdste allochtoon van Nederland’, aldus schrijver Stephan Sanders, die volgens eigen zeggen een bijzonder moeizame vriendschap met Anil Ramdas onderhield en samen met hem het televisieprogramma Het Blauwe Licht presenteerde. Het was ‘een stem die ik mis in het politieke debat van vandaag’, zegt Ramdas’ vriend en collega Pieter Hilhorst. ‘Overnight was hij een ster’, herinnert zijn collega bij De Groene Xandra Schutte zich. ‘Het was ook of hij er uiterlijk door veranderde. Alsof hij groter werd.’ De ‘Tamil-tijger’ van een oude redactiefoto, waarop een iel mannetje met een snorretje is te zien, werd volgens Schutte ineens een mooie jongen.

Zo staat Anil Ramdas ook in ons geheugen gegrift (áls hij daarin al een plek heeft verworven; roem komt én gaat nu eenmaal te paard). Als een gesoigneerde, welbespraakte en nadenkende schrijver, presentator en intellectueel van Surinaams-Hindoestaanse afkomst. Hij werd in de tweede helft van de twintigste eeuw een gewaardeerde opiniemaker, mocht opdraven als Zomergast en bemachtigde later een correspondentschap in India. Ogenschijnlijk een geslaagd man. Een migrant ook, die zijn eigen plek had verworven in zijn nieuwe vaderland. Gaandeweg begon hij zich echter steeds meer een vreemde te voelen in Nederland.

Dat is tevens de centrale thematiek van Anil Ramdas: Nooit Meer Thuis (58 min.), een touchant portret van de man, die halverwege de jaren zeventig naar Nederland verkaste en aan het begin van de 21e eeuw door de politieke ontwikkelingen rond Pim Fortuyn, Theo van Gogh en Geert Wilders steeds meer in het nauw werd gedreven. Een mismatch met zijn omgeving, zoals hij het zelf formuleert. Of was hij gewoon jaloers op die nieuwe ‘troetelallochtoon’ Ayaan Hirsi Ali?, zoals Stephan Sanders hem fijntjes voorhoudt in een radio-interview. Dat gevoel van totale vervreemding dat Anil Ramdas, die tevens een drankprobleem ontwikkelde, moet hebben ervaren, wordt door filmmaker Paul Cohen vervat in steeds terugkerende sequenties van hectische stadsbeelden. Zijn natuurlijke biotoop is een wezensvreemde wereld geworden.

Cohen portretteert de eerzuchtige Ramdas verder via diens talrijke media-optredens, zijn schrijfwerk en interviews met de mensen die hem echt kennen, zoals Ramdas’ zus Kawita, zijn biografe Karin Amatmoekrim en ‘s mans jeugdvriend Emile Echteld, de Creoolse jongen die hem vroeger in Paramaribo beschermde tegen bullebakken en die later in de Bijlmerbajes terecht zou komen. Cohen confronteert hen tevens met audiofragmenten van de man die in 2012, op zijn eigen verjaardag nota bene, op 54-jarige leeftijd zijn leven beëindigde. Óf, als je zoals Emile gelooft in reïncarnatie: begon aan een volgend bestaan.

Ganz: How I Lost My Beetle

‘Kun je je herinneren, kleine kever, hoeveel kilometer we samen hebben gereisd?’, vraagt Josef Ganz aan de creatie die hem zo ruw is afgenomen. ‘Toen jij de weg opging, werd mijn naam gewist.’ Intussen zien we archiefbeelden van marcherende Nazi’s, die hun Führer eer bewijzen. Zij zullen zijn idee voor een Volkswagen, een auto voor Jan Modaal, omarmen en er een wereldwijd succes van maken. Ganz, de geniale ontwerper van de voorloper van die auto, de zogenaamde Meikever, staat tegen die tijd allang buitenspel. Hij wordt ruim vóór het begin van de Tweede Wereldoorlog rücksichtslos kalt gestellt.

In Ganz: How I Lost My Beetle (85 min.) geeft Suzanne Raes een stem aan de vergeten auto-ontwerper. Op basis van Het Ware Verhaal Van De Kever: Hoe Hitler Zich Het Ontwerp Van Een Joods Genie Toe-eigende, een boek van de Nederlandse journalist Paul Schilperoord, schreef ze een zeer persoonlijke voice-over, waarin Josef Ganz zijn eigen levensverhaal doet. De Duitse acteur Joachim Król heeft die tekst ingesproken en fungeert daarmee als verteller voor deze historische documentaire, waarin de man, zijn droom én de ontwikkeling van een auto voor het gewone volk worden geportretteerd. Een zeer geslaagde keuze.

De Ganz van Raes richt zich rechtstreeks tot de Volkswagen Beetle. Terwijl hijzelf met de staart tussen de benen naar de andere kant van de wereld vertrok, werd zijn geesteskind na de Tweede Wereldoorlog één van de populairste auto’s van de wereld. ‘Wie had gedacht dat jij het symbool van de Duitse wederopstanding na de oorlog zou worden?’ Suzanne Raes versnijdt het meeslepende relaas van de verteller met de pogingen van Ganz-kenner Schilperoord en Josefs achterneef Lorenz om een exemplaar van z’n oorspronkelijke auto te bemachtigen en aan de praat te krijgen.

Verder introduceert ze de kunstenaar Rémy Markowitsch, die de expositie Nudnik: Forgetting Josef Ganz heeft gewijd aan de vergeten Joodse ingenieur, en Maja, de nicht van Ganz. Bij haar geboorte ontving zij een brief van hem, die ze sinds jaar en dag bij zich draagt. Was die verre oom Joe, die zijn laatste levensjaren als balling in Australië zou slijten, een gigantische fantast of toch de ‘absente vader’ en ‘anonieme verwekker’ van de Kever? ‘Als alles was gelopen zoals het had moeten lopen’, constateert Maja gelaten, ‘dan hadden we nu in een slot in Oostenrijk gezeten.’

Die tragiek, van een geniale ontwerper – en zijn nazaten die wellicht net zo schathemelrijk hadden kunnen worden als de familie Porsche – is in Ganz: How I Lost My Beetle met compassie en gevoel voor drama, hoewel misschien een beetje lang, opgetekend. Een man die ruim een halve eeuw dood is krijgt zo een tweede leven en de erkenning die hem al zo lang toekomt.

Weapon Of Choice

Zelfs geen ‘geen commentaar’ wil de Oostenrijkse wapenfabrikant geven aan de documentairemakers Fritz Ofner en Eva Hausberger. Want bij de firma Glock zijn ze officieel natuurlijk helemaal niet blij met het feit dat hun ‘semi-automatische 9mm-pistool met een magazijn van achttien kogels’ de standaard is geworden in wapenland. Geen handvuurwapen accurater en betrouwbaarder dan die oerdegelijke Glock.

Het Weapon Of Choice (89 min.) ziet er met zijn strakke zwarte ontwerp bovendien gelikt uit en ligt lekker in de hand én de mond. Want de Glock is tevens het favoriete vuurwapen van elke rechtgeaarde hiphopper. Het woord combineert ook zo lekker met rijmwoorden als lock, drop, pop en cock. Een beetje gangsterrapper zweert dus bij zijn Glock. En pocht erover: ‘Never leave home without it. Good thing we brought the Glock. Cuz’ I put away the shotgun. Borrow me a Glock’ (Cypress Hill).

Hoewel het Oostenrijkse familiebedrijf zich in de Verenigde Staten het liefst profileert als leverancier van leger- en politiewapens, is volgens Paul Jannuzzo, de voormalige bedrijfsadvocaat van Glock, eigenlijk elke schietpartij gratis reclame. Hij refereert daarbij aan een gruwelijk bloedbad in het Texaanse Killeen, het eerste grote incident waarmee Glock in verband wordt gebracht. ‘Als mensen verder kijken dan de gruwelijke omstandigheden, zien ze dat het wapen werkte.’

‘Het was niet het soort marketing dat je wilt’, zegt Jannuzzo er nog voor de vorm bij. ‘Maar helaas werkte het wel.’ Dat wordt elders in deze aardige film treffend geïllustreerd. Een man uit Chicago, dat hij vanwege het overvloedige geweld consequent Chiraq noemt, vergelijkt het handvuurwapen met niets minder dan een diamant. Een schietinstructrice vertelt zonder gêne dat ze haar holster met Glock thuis op de bank gewoon omhoudt. En een wapenverkoper bekent dat hij zich ronduit onveilig voelt als hij zijn wapen voor de verandering eens níet draagt.

Oprichter Gaston Glock zelf vaart er ondertussen wel bij en koopt met donaties aan doodshoofdaapjes, gehandicapte kinderen en Syrische vluchtelingen zijn eventuele schuldgevoel af. De hoogbejaarde entrepeneur heeft consequent elke interviewaanvraag voor deze documentaire afgewezen en weigert om in het openbaar verantwoording af te leggen voor het perverse businessmodel van zijn firma, die pas sinds begin jaren tachtig vuurwapens produceert. En misschien is dat ook wel het verstandigste: zeker in een vlek die je sloten met geld oplevert, ga je niet uit vrije wil wrijven.

What We Started


Vooroordeel: de playlist is vooraf al helemaal klaar. Tijdens het optreden zelf hebben de meeste deejays eigenlijk niet al te veel te doen. Ze kijken héél ingewikkeld, drukken zo nu en dan met gefronste wenkbrauwen een koptelefoon tegen hun hoofd en zwaaien vooral superenthousiast die handen door de lucht, om de dansende meute nóg verder op te peppen.

Zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Vóór die uitzinnige show moet er immers muziek worden gemaakt – of op zijn minst gecombineerd. En het vak van deejay vereist zowel muzieksmaak en -kennis als technische vaardigheden, zoveel wordt ook duidelijk uit de documentaire What We Started (94 min.).

Deze gelikte film van Bert Marcus en Cyrus Saidi portretteert twee tegenpolen van de hedendaagse electronic dance music (EDM): de Nederlandse tiener Martin Garrix en de Britse oudgediende Carl Cox, resident dj van Space Ibiza. De één belichaamt het wereldwijde succes van dance bij jongeren, de ander is het toonbeeld van een leven lang EDM in alle soorten en maten.

Met deze uitersten, die toch ook weer veel gemeen blijken te hebben, als startpunt schetst What We Started de moderne dancescene en de historie daarvan. Grofweg: van disco via de klassieke house uit Chicago en Detroit en Britse acid house naar moderne techno, waarbij er natuurlijk ook aandacht is voor illegale raves, de Love Parade in Berlijn en drugsgebruik.

Aan aansprekende bronnen geen gebrek: met Paul Oakenfold, Pete Tong, Louie Vega, Afrojack, Moby, Tiësto, Ed Sheeran, David Guetta en Usher bewandelt de documentaire zorgvuldig de middenweg tussen underground en mainstream. Erg diep gaat het allemaal niet, maar informatief en vermakelijk is What We Started zeker.

The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years


Wat hebben Whoopi Goldberg, Elvis Costello en Eddie Izzard met elkaar gemeen? En regisseur Richard Curtis, schrijver Jon Savage en acteur Sigourney Weaver? Welnu, ze zijn fan van The Beatles en mogen daarover vertellen in The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years (105 min.). Grootste troef van de documentaire zijn echter nieuwe interviews met Paul en Ringo. Achternaam overbodig.

Beatles-fan Ron Howard, een regisseur die je toch vooral associeert met Hollywood-blockbusters, concentreert zich op de eerste jaren van de groep (1963-1966), toen Beatlemania de wereld stormenderhand in zijn greep kreeg. De periode ook dat er nog een liveband was, genaamd The Beatles. Dat is een andere troef van deze eikenhouten muziekfilm: (obscure) concertbeelden van de band in optima forma, inclusief bloempotkapsels en uitzinnige tieners.

Daarnaast bevat Eight Days A Week backstagebeelden, b-roll materiaal van de wegwerpfilms van de groep en jolige interviews. Netjes ingekaderd en van anekdotes voorzien door de nog levende Beatles Paul en Ringo, enkele direct betrokkenen en dus ook de verplichte celebrities. Met een enkel aardig nieuwtje, zoals bijvoorbeeld het feit dat de band in Amerika nooit in gesegregeerde zalen wilde optreden. Het eindresultaat is precies wat je verwacht: een popdocu die de zegeningen telt van de beroemdste popgroep aller tijden.

Op Netflix is nog altijd How The Beatles Changed The World te bekijken, een film die ik hier beschreef. Deze documentaire bestrijkt de complete carrière van de Britse supergroep, maar moet het zonder Paul en Ringo doen.

Geschenk Uit De Bodem

KRO-NCRV

De enorme grijparm van een sloopmachine stevent af op de camera, die binnen een Groningse Jarino-woning is opgesteld. Enkele seconden later verpulvert de grijper het raam van de kamer. Het bijbehorende kozijn wordt er vervolgens met donderend geraas eveneens uitgetrokken.

Welkom bij de documentaire Geschenk Uit De Bodem. Welkom ook in Loppersum, waar aardgaswinning ervoor heeft gezorgd dat een ogenschijnlijk comfortabele woonwijk uit de jaren zeventig moet worden gesloopt, zodat er ‘aardbevingsbestendige’ woningen’ kunnen komen.

In dat opmerkelijke gegeven, met de bijbehorende terminologie, zit eigenlijk de gehele Nederlandse verhouding tot het Groningse aardgasveld verscholen. De brenger van welvaart en voorspoed heeft het dagelijks welbevinden in Grunnen inmiddels behoorlijk gedestabiliseerd.

Toch is Geschenk Uit De Bodem (87 min.) bepaald niet de woedende protestfilm, waarop bepaalde actievoerders wellicht hadden gehoopt. De documentaire van Paul Cohen en Martijn van Haalen heeft eerder een tragikomische toon. Omdat in Nederland elk nadeel nu eenmaal ook zijn voordeel heb.

Zo heeft die aardbevingsproblematiek bijvoorbeeld voor extra werk gezorgd, beweert een man tegenover enkele bouwvakkers, die in het kader van hun sloopwerkzaamheden naar een cursus ‘omgaan met gevoelens’ zijn gestuurd. En wat doe je als je ergens komt op visite?, wil een andere gespreksleider weten. ‘Groeten’, antwoordt één van de slopers direct. ‘Precies!’

Je kunt Geschenk Uit De Bodem niet alleen zien en horen, maar soms ook bijna ruiken. Spruitjeslucht, om precies te zijn. Zo sneuvelen goede bedoelingen op Hollandse regelzucht, laten ‘risico’s’ zich volgens een contactpersoon van kritische bewoners direct ombouwen in ‘kansen’ en worden keiharde protestacties gesmoord in pure gezelligheid.

Op het Nederlands Film Festival won de documentaire, die volgens de jury ‘een scherp oog voor de absurde kanten van het Nederlandse poldermodel’ laat zien, de prijs van de Kring van Nederlandse Filmjournalisten. Welke doorgewinterde polderaar zou het daarmee oneens kunnen zijn?

Dugma: The Button


‘Dit is het verbindingskoord’, vertelt de goedlachse Abu Quaswara, terwijl hij de binnenkant van zijn gepantserde voertuig laat zien. ‘Het is verbonden met de knop binnenin. Als ik erop druk, worden de verbindingen met al deze elementen geactiveerd.’ Tot in detail, en niet zonder trots, legt hij vervolgens uit wat er daarna staat te gebeuren. ‘Als God ’t wil, stuur ik ze allemaal naar de hel.’

Quaswara is lid van Jabhat al-Nusra, de Syrische tak van al-Qaida. Als Allah ’t wil, dan zijn dit zijn laatste dagen op aarde, waarna hij als martelaar het paradijs mag betreden. Even later laat de man uit Mekka breed lachend een filmpje zien van zijn eenjarige dochter, die is achtergebleven in de heilige stad in Saudi-Arabië en die hij nog nooit in levende lijve heeft ontmoet.

De openingsscène van Dugma – The Button (57 min.) zet je meteen op scherp: is deze sympathieke huisvader werkelijk in staat én bereid om een gruwelijke terroristische aanslag te plegen? Hoe verhoudt deze man van vlees en bloed zich tot het beeld dat wij hebben van zelfmoordterroristen als bloeddorstige barbaren die het liefst ieders kop zouden afhakken?

Regisseur Paul Salahadin Refsdal zet Quaswara naast/tegenover de Brits-Amerikaanse bekeerling Abu Basir al-Britan, een ogenschijnlijk veel militantere would be-martelaar. Allebei vertoeven ze in het voorgeborchte van de hel (of de hemel, zo u wilt), wachtend op, denkend aan en uiteindelijk ook twijfelend over de grote klap die hen uit hun lijden moet verlossen.

Dugma, de naam voor de veel gevreesde (zelf)moordknop waarmee een eventuele explosie in gang kan worden gezet, geeft zo op indringende wijze het gevreesde ‘moslimterrorisme’ een menselijk gezicht, zonder dat daarmee automatisch ook de daden van de martelaren worden vergoelijkt.