Samen

Nederland, Amsterdam, 22 november 2019. Carmen Cobos en haar man Kees Rijninks. Foto: Jorgen Caris

Misschien beleven ze ook deze fase in hun bestaan te veel samen. ‘Anderen zeggen dat ik meer mijn eigen leven moet leiden’, zegt Carmen Cobos over haar echtgenoot Kees Rijninks, die sinds enige tijd de ziekte van Parkinson heeft. ‘Maar ik wil me geen weduwe voelen voor ik dat ben.’ Het koppel maakt een film over hoe ze Samen (77 min.) met zijn aandoening omgaan – en hoe dat in de toekomst moet.

In deze persoonlijke film ontmoeten ze ook andere stellen die de verduivelde ziekte in hun leven hebben gekregen. Gezamenlijk representeren zij de verschillende stadia van Parkinson: van een jong koppel dat samen bloembollen teelt tot een ouder echtpaar, waarvan de vrouw eigenlijk niet meer thuis kan wonen. En dan is er nog de alleenstaande man, die enkele jaren geleden plotseling zijn vrouw verloor en alleen is achtergebleven met Parkinson.

Cobos en Rijninks tekenen hun verhalen met veel begrip en nog meer blikken van herkenning op en verweven die met hun eigen stappen op het pad dat de ziekte voor hen uitlegt. Wat de toekomst brengt is voor allen glashelder: de aandoening is ongeneeslijk. Maar hoe en wanneer je dat eindstadium bereikt, ligt in de toekomst verscholen. ‘Die Parkinson kruipt stiekem naar binnen en je weet niet waar en wat er gebeurt’, stelt Ans, die de diagnose alweer zeven jaar geleden kreeg.

Te midden van deze onzekerheid, alle praktische problemen die de aandoening met zich meebrengt en de angst dat hun denk- of communicatievermogen raakt aangetast, proberen deze gewone mensen te bewaren wie ze zijn en waar ze van houden. Samen met hun partner, die natuurlijk ook met zijn eigen angsten en onzekerheden moet zien te dealen. Want Parkinson hebben ze inmiddels echt met zijn twee, zo laat deze fijngevoelige film zien.

Samen brengt al die verhalen liefdevol samen. Van mensen die, ieder voor zich en toch samen, het beste proberen te maken van het lot dat het leven hen heeft toebedeeld.

What’s My Name: Muhammad Ali

Als geen andere sporter belichaamt Muhammad Ali de historie van zwart Amerika in de tweede helft van de twintigste eeuw. Nadat hij onder de naam Cassius Clay in 1960 een gouden medaille won op de Olympische Spelen, was de bokser voor veel landgenoten bijvoorbeeld nog altijd niet meer dan een nikker. Een bijzondere gevatte nikker, dat wel. Toen de serveerster van een restaurant in zijn geboortestad Louisville, Kentucky hem meldde dat ze geen negers serveerde, zou hij hebben geantwoord dat hij daar ook helemaal geen zin in had. ‘Geef me gewoon een kop koffie en een hamburger.’

Dat was tenminste de anekdote die hij daar zelf over vertelde – en die door anderen weer werd ontkend. Aan sterke verhalen, grootspraak en humor sowieso nooit een gebrek bij de man die het vooraf pochen, uitdagen en ridiculiseren van de tegenstander tot een wezenlijk onderdeel van de bokssport maakte. En toen werd de praatjesmaker Cassius in 1964, na een heroïsch gevecht met Sonny Liston, ook nog wereldkampioen in het zwaargewicht. Het was alsof ‘The Greatest’ toen pas echt ontbolsterde. Hij werd een overtuigde Black Muslim en ontdeed zich van zijn ‘slavennaam’.

Als Muhammad Ali werd hij ook een politieke zwaargewicht. Een controversiële figuur, die buiten de ring met de ene na de andere tegenstander werd geconfronteerd en de nodige klappen moest verstouwen. Toen hij bijvoorbeeld weigerde om een ‘tour of duty’ in Vietnam te doen, raakte hij zijn wereldtitel kwijt en werd zijn bokslicentie ingenomen. In de bloei van zijn leven mocht Ali drie jaar niet vechten. Wat het einde van zijn bokscarrière leek te worden, zou uiteindelijk niet meer dan een pijnlijk intermezzo blijken. Muhammad Ali was hard op weg om een legende worden, die na zijn carrière alleen maar aan status zou winnen.

In de tweedelige biografie What’s Name: Muhammad Ali (163 min.) wordt het in alle opzichten grootse leven van deze sportlegende rechttoe rechtaan en chronologisch verteld. Regisseur Antoine Fuqua heeft de gebruikelijke stoet vrienden, deskundigen en journalisten die in veel hagiografieën over celebrities opdraven gelukkig achterwege gelaten. Hij verlaat zich volledig op archiefmateriaal: nieuwsitems en reportages over de mediagenieke prijsvechter, registraties van een hele serie spraakmakende titelgevechten en – natuurlijk – televisie-optredens van en interviews met de man zelf.

Nieuwe inzichten levert dat niet op. Of het moet zijn dat deze documentaire, in tegenstelling tot andere films over het fenomeen Muhammad Ali, ook aandacht besteedt aan de tijd dat Ali’s magie langzaam verdwijnt en hij steeds meer begint te ogen als een vermoeide, logge beer die maar geen afscheid kan nemen van zijn favoriete trucjes. En dan moet de echte fysieke aftakeling, in de vorm van de Ziekte van Parkinson, nog komen. Een even tragisch als logisch gevolg van alle klappen die hij tijdens zijn carrière incasseerde. Daaraan wordt in dit degelijke portret, dat zich vooral richt op zijn bokscarrière, echter slechts beperkt aandacht besteed.

Na bijna drie uur overheerst het beeld van een grote sporter die ook een icoon van zijn tijd werd. Die man spat nog altijd van het scherm. Ook, of juist, als hij zichzelf acteert of persifleert. Fuqua heeft – en hoeft – daar weinig aan toe te voegen.

Last Breath

‘Christopher omschreef het als de ruimte ingaan, maar dan onder water’, zegt Morag, de vriendin van Chris Lemons. De Schotse dertiger is één van de drie duikers die in 2012 betrokken raakt bij een ernstig ongeluk op het schip Topaz. Chris heeft zijn schaapjes op dat moment behoorlijk op het droge: hij slaagde erin om van zijn grote passie, duiken, zijn beroep te maken, is een huis aan het bouwen en staat op het punt om in het huwelijksbootje te stappen. En dan wordt de levenslijn tussen het schip en de saturatieduiker, die zich op bijna honderd meter diepte in de Noordzee bevindt, op brute wijze doorgesneden…

Het is een unieke wereld, die in de zinderende documentaire Last Breath (85 min.) wordt opgeroepen. Van professionele duikers die onder water onderhoudswerk en reparaties uitvoeren. Het is een beroep met geheel eigen normen en waarden, codes én jargon. Als het duikondersteuningsvaartuig Topaz bijvoorbeeld in ’Dynamic Positioning’ (verankerd aan de zeebodem) is gebracht, kunnen de drie duikers hun ’bell’ (een soort aparte eenheid die vanaf de boot in de zee wordt afgezonken) verlaten om hun werk te gaan doen. Ze blijven intussen verbonden met hun basis via een ’umbilical’ (een soort navelstreng die zorgt voor warmte, licht en zuurstof en waarmee ze met hun collega’s kunnen communiceren).

Op die bewuste septemberdag in 2012, als de Topaz zich op enkele honderden kilometers van Aberdeen op zee bevindt, zorgt een computerfout ervoor dat de Dynamic Position crasht. Het schip raakt daardoor op drift. Als de umbilical van Chris vervolgens knapt, is hij aan de Goden overgeleverd. Én aan zijn twee directe collega’s in de bell: de ervaren Duncan Allcock, die hem wegwijs heeft gemaakt op de zeebodem, en de stoïcijnse Dave Yuasa, die ‘gewoon’ zijn werk doet. ‘Ik was niet erg overstuur over Chris’, herinnert die laatste zich. ‘Dit kan gebeuren. Hij was niet mijn beste vriend of één van m’n kinderen.’ En juist deze koele kikker wordt erop uitgestuurd om op zoek te gaan naar de collega die wel eens levenloos in het donkere water zou kunnen liggen.

Het is een absoluut horrorscenario voor alle betrokkenen, die het tragische ongeluk in deze bijzonder vernuftig geconstrueerde film van Alex Parkinson en Richard da Costa nog eens stapsgewijs doornemen. Daarbij kijken ze recht in de camera, de spanning en emotie van het moment herbelevend. Hun relaas wordt kracht bijgezet met een vloeiende combinatie van authentiek beeldmateriaal van het drama, onder anderen gemaakt met helmcamera’s van de crewleden, en speciaal voor de film gemaakte reconstructiebeelden. Zo ontstaat in deze lekker vet aangezette documentaire, één van de beste films die ik tot dusver zag in 2019, een bloedstollende race tegen de klok die niet had misstaan in een Hollywood-blockbuster. Kunnen ze Chris vinden? Is hij überhaupt nog in leven?