La Educación De Luca

IDFA

Als zijn peuterzoontje Luca, kind van een Nederlandse vader en Cubaanse moeder, opgegroeid in Parijs, later iets wil begrijpen van zijn eigen oorsprong, dan moet hij dit verhaal kennen volgens Salvador Gieling. Hij gaat Luca dus het tragische relaas van zijn Cubaanse oom Ezequiel vertellen. Die had een eigen stuk land, verkocht een koe en werd gearresteerd.

En dat is al bijna meer dan de documentairemaker had mogen vertellen. ‘Je kunt deze zaak best bespreken, zolang je maar aan de oppervlakte blijft’, waarschuwt zijn schoonmoeder via de telefoon alvast Salvadors vrouw Belga. Dus: niet vertellen waar hij wordt vastgehouden, niet gaan graven naar de reden voor zijn straf en ook niet de hoogte daarvan naar buiten brengen. En al helemaal geen pleidooi houden voor ‘s mans onschuld, natuurlijk!

Toch vertrekken Salvador en Belga met hun kind naar haar geboorteland Cuba, voor wat La Educación De Luca (Engelse titel: Lessons For Luca, 88 min.) moet worden. Een taak waaraan zijn oma, ooms, tantes en nicht van moederskant uiteindelijk tóch een bijdrage willen leveren. Ze dompelen de kleine jongen onder in de zaak Ezequiel, het verhaal van zijn boerenfamilie uit het dorp Sibanicú en de recente geschiedenis van het Cubaanse platteland.

Via hun persoonlijke boodschappen voor Luca, en gesprekken daarover met diens ouders, ontwikkelt zich een fraaie en warmbloedige vertelling over gewone Cubanen, die leven in een land dat nog altijd in de geest van Fidel Castro wordt geregeerd. ‘El Commandante’, bijna een halve eeuw Cuba’s onbetwiste leider, betitelde koeienvlees ooit als het ‘rode goud’ en lanceerde een ambitieus programma, waarmee het Caribische eiland Nederland naar de kroon zou gaan steken als melkproducent.

Hoe vrij konden en kunnen burgers zijn in zo’n strak geleid natie? Volgens Luca’s moeder Belga, die het land is ontvlucht, hebben alle Cubanen moeten leren om gehoorzaam te zijn. Als het aankomt op vrijheid, ben je nergens zo vrij als hier, stelt haar oom Quirito nochtans, de oudste broer van de onfortuinlijke Ezequiel. ‘Hier in Cuba is de vrijheid geweldig.’ Hij specificeert: ‘Je kunt hier lopen waar je wilt, maar alleen als je het juiste pad neemt.’

Zulke ‘vrijheid’ en wat die in de praktijk inhoudt voor een gewone Cubaanse plattelandsfamilie wordt in deze oogstrelende film, voorzien van een sfeervolle soundtrack door cellist Ernst Reijseger, op een weldadige manier over het voetlicht gebracht. Het is een les die de kleine Luca, als hij eenmaal groot genoeg is om ‘m te kunnen bevatten, ongetwijfeld in zijn oren zal knopen. Ook al gaat het volgens Ezequiel om niet meer dan ‘een onbelangrijke episode voor het Cubaanse platteland’.

Epicentro

Cargo Film

Een speelbal van grotere machten. Eerst eeuwenlang van kolonisator Spanje. En toen, – na een mogelijk slinks geframede explosie op het Amerikaanse oorlogsschip USS Maine in 1898 en de navolgende Spaans-Amerikaanse oorlog – van de nieuwe wereldmacht, de Verenigde Staten. Enkele Cubaanse kinderen kunnen er een kleine eeuw later gedetailleerd over vertellen. De verhalen van kolonialisme en imperialisme zijn er, onder het communistische bewind van Fidel Castro, ingestampt.

Ze hebben er ook letterlijk beeld bij gekregen van de autoriteiten. De gebeurtenissen speelden zich af in de tijd dat ook cinema, ‘de machine van dromen’, werd geboren. Een medium, waarmee de waarheid gemakkelijk is te manipuleren. Want de zogenaamde Rough Riders van de Amerikaanse president Teddy Roosevelt, waren die niet gewoon gemodelleerd naar het rondreizende circus van de wild west-held Buffalo Bill? En zouden de beelden van de explosie op het schip ook met speelgoedscheepjes en de rook van een sigaar in een badkuip kunnen zijn gemaakt? Film leent zich nu eenmaal uitermate goed voor propaganda.

Al die elementen klutst de Oostenrijkse regisseur Hubert Sauper, die eerder met Darwin’s Nightmare en We Come As Friends schrijnende films maakte over de gevolgen van een geglobaliseerde wereld voor de bewoners van ontwikkelingslanden, samen in Epicentro (108 min.), dat tamelijk ongericht door heden en verleden van Cuba’s relatie met de buitenwereld doolt. De documentaire over de voortdurende druk van buitenaf, gesymboliseerd door de woeste golven die aan het begin en het eind van de film het Cubaanse strand bestormen, werd op het Sundance Festival nochtans met een speciale juryprijs beloond.

Saupers camera meandert door Havana, laat zich meevoeren door stadsbewoners en vergaapt zich net als toeristen, de nieuwe ‘indringers’, aan de coleur locale van het Caribische eiland, dat ooit door Christopher Columbus werd beschouwd als de poort naar een nieuwe wereld en tegenwoordig vooral dealt met de erfenis van ruim een halve eeuw Amerikaanse boycot. Twee tienermeisjes – onder wie de mediagenieke Leonelis, die actrice wil worden en net zo beroemd als Beyoncé – krijgen daarbij zijn speciale aandacht en fungeren als hart voor dit losse portret van een land in transitie, dat altijd met één oog naar de bemoeizuchtige bovenbuur kijkt.

Surplus: Terrorized Into Being Consumers

Om de wereld te redden moeten we terug naar het stenen tijdperk. Dat is min of meer de boodschap van antiglobaliseringsgoeroe John Zerzan, de onofficiële architect van het bijzonder ferme verzet tegen globalisering aan het begin van de 21e eeuw én de spil van deze activistische film uit 2003, waarin de wetten van marketing en reclame worden ingezet om een ándere boodschap over te brengen. Terug naar een wereld, zo luidt die, waarin wij als mensen niet meer worden gereduceerd tot zielloze slaven van het kapitalisme, als producent of als consument.

Dit thema wordt door regisseur Erik Gandini in Surplus: Terrorized Into Being Consumers (51 min.) weergaloos gevisualiseerd met videoclip-achtige beeldsequenties. Zo bouwt hij bijvoorbeeld rond een uitspraak van de Amerikaanse president George W. Bush na de aanslagen van 11 september 2001 een meeslepende clip. ‘We cannot let the terrorist achieve the objective of frightening the nation to the point where we don’t conduct business’, zegt Bush daarin. ‘Where people don’t shop.’

Op die manier schetst deze onweerstaanbaar ritmische film een ontluisterend beeld van het (ongebreidelde) kapitalisme, dat verder wordt ingekleurd met scènes rond een producent van levensechte sekspoppen, de maniakale presentaties van Microsoft-CEO Steve Ballmer en een negentienjarige Zweedse webdesigner, die dagelijks miljoenen door zijn handen laat gaan, van gekkigheid niet weet hoe hij zijn geld weer moet kwijtraken en zich vooral heel erg leeg voelt.

Als – overigens niet al te subtiel – contrast introduceert Gandini daarnaast de communistische heilstaat Cuba van Fidel Castro, volgens de leider zelf ‘het meest democratische land ter wereld’. Een natie zonder consumentisme en reclame bovendien, waar de met ijzeren hand geleide overheid probeert te voorzien in ieders basisbehoeften, maar consumeren om het consumeren echt uit den boze is.

Rice and beans, dat is het wel zo’n beetje, door de filmmaker vervat in alweer een swingende videoclip. Daarin vertelt een Cubaanse tiener over hoe ze haar ogen uitkeek in een Europese supermarkt en uiteindelijk bij de plaatselijke vestiging van McDonald’s het summum van westerse beschaving ontdekte: de Big Mac. Ze keerde moddervet terug in eigen land. ‘En heel mijn lijf bleef snakken naar meer.’ En naar muziek, films en ander entertainment.

Het is een wereld die wij inmiddels van binnen en buiten kennen. Waarin McDonald’s het succesvolste restaurant kon worden en Donald Trump president van de Verenigde Staten. Een wereld ook die we, zeker hier in het ‘vrije’ westen, als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. En die nu natuurlijk toch volledig ter discussie is komen te staan. Die context maakt van het briljant gemonteerde Surplus, dat de boodschap er met veel repetitie in(d)ramt, nog altijd een onontkoombare documentaire.

Elián


Was het een wonder toen Elián Gonzalez tijdens Thanksgiving 1999 als drenkeling uit het water tussen Cuba en de VS werd gevist? Een vijfjarig jongetje uit Cardenas, aan de Noordzijde van het eiland Cuba, dat uiteindelijk Miami bereikte nadat zijn moeder op zee was verdronken.

In de documentaire Elián (108 min.) van Tim Golden en Ross McDonnell, worden zijn redding en de navolgende mediastorm gereconstrueerd. De filmmakers portretteren de tumultueuze ontwikkelingen rond het mediagenieke joch als de culminatie van het conflict tussen de Verenigde Staten en Fidel Castro’s Cuba.

In die zin is de film vergelijkbaar met OJ: Made in America, het vijfluik over OJ Simpson dat eerder dit jaar de Oscar voor beste documentaire in de wacht sleepte. Het ‘kleine’ verhaal van een kleuter, waaraan zowel vanuit Cuba (zijn vader) als Florida (andere familieleden) gigantisch wordt getrokken, is afgezet tegen het grote conflict: Fidels (vermeende) dictatuur versus de ‘vrijheid’ van Amerika.

De belangen van het kind raken al snel volledig ondergesneeuwd als pro- en anti-Castro activisten in de media alle ruimte krijgen om op hoge toon Eliáns terugkeer naar zijn geboorte-eiland of juist zijn gecontinueerde verblijf in het land van de onbegrensde mogelijkheden te bepleiten.

Het steekspel rond het jongetje zou zelfs, zo betoogt deze enerverende film, een doorslaggevende rol hebben gespeeld in de Amerikaanse verkiezingen van 2000, waarbij een paar honderd (Cubaanse) stemmen in Florida de Republikein George W. Bush president maakten. Over wonderen gesproken.