Crazy

IDFA

De troostende en helende werking van muziek. Zelden zal ie zo tastbaar zijn gemaakt als in de documentaire Crazy (99 min.), waarmee Heddy Honigmann zowel de publieksprijs van het IDFA als een Gouden Kalf won. Zodra de camera zich vastzet op het gezicht van een Nederlandse militair die zijn oorlogservaringen herbeleeft tijdens het beluisteren (nee: ondergaan) van zijn lijflied uit die tijd, verdwijnt elke mogelijke weerstand en krijgen zelfs overbekende hits van Elvis, U2 en – God betere ’t – Paul de Leeuw een geheel nieuwe lading.

Via die muziek dringt Honigmann in deze film uit 1999 door tot de kern van de soldaten tegenover haar. Veteranen van vergeten VN-missies in Cambodja, Libanon, Rwanda en Joegoslavië. Ze delen tevens hun verhalen, herinneringen en persoonlijke brieven en foto’s met haar, maar houden hun kaarten soms ook tegen hun borst. Want: een man mag niet huilen, zoals een getormenteerde Brabantse soldaat het uitdrukt. Zeker een militair niet. Zodra het intro van hun favoriete nummer klinkt – in zijn geval Knockin’ On Heaven’s Door van Guns N’ Roses – is er echter geen houden meer aan. Die muziek maakt weerloos.

Soms moet de filmmaakster verdomd hard werken om tot haar hoofdpersonen door te dringen. Rwanda-veteraan Niels Verheul wuift tijdens het gesprek bijvoorbeeld consequent elke vorm van emotie weg. ‘Ik zie mezelf niet in een hoekje gaan zitten huilen hoor’, vertelt hij nadat Honigmann diverse malen heeft doorgevraagd. Voor de zekerheid vraagt ze het nóg een keer: ‘Heb je dat nooit gedaan?’ ‘Nee’, bezweert hij. Zijn vrouw vult aan: ‘Daar niet, denk ik.’ Even later zit het stel samen op de bank zachtjes mee te zingen met De Figuranten van Stef Bos.

Ik ben in een gehaktmolen gegaan, zegt Peter Jan Dullaert over zijn uitzending naar Bosnië. ‘Daaruit is weer een ander mens gekneed. En ben ik wie ik nu ben.’ Hij specificeert: ‘bier drinken, roken en elke seconde leven. Niet elke dag, maar van seconde op seconde leven.’ Hij oogt als een gespannen veer, die op knappen staat. PTSS, denk je dan als leek, maar daar was toentertijd nog niet zoveel aandacht voor bij de Nederlandse krijgsmacht. In de afgelopen twintig jaar is er op dat gebied veel veranderd. En wellicht heeft de klassieke Nederlandse documentaire Crazy daarin nog een bescheiden rol gespeeld.

Mugabe And The White African

Dogwoof

Ooit is ook hij onthaald als één van de leiders van het nieuwe Afrika. Robert Mugabe, sinds 1980 president van Zimbabwe, de voormalige Britse kolonie Rhodesië. Hij begon als een gematigde leider, maar ontwikkelde zich snel tot een typische autocraat. Ten tijde van de documentaire Mugabe And The White African (88 min.) van Lucy Bailey en Andrew Thompson uit 2009 is de man al afgegleden tot leuzen als ‘Zimbabwe voor de Zimbabwanen’. Daarmee bedoelt hij natuurlijk niet alle Zimbabwanen. Alleen de zwarte.

Één klein probleem: het land heeft ook nogal wat witte inwoners. Wat Mugabe bepleit, is dus niets minder dan een soort omgekeerde Apartheid. Alleen zijn het nu geen arme zwarten die worden geslachtofferd, maar blanke landeigenaren zoals Mike Campbell. Hij woont sinds 1974 op zijn boerderij Mount Carmel, maar dreigt die door Mugabes landhervorming – noem die gerust onteigening – kwijt te raken. Dat is het startpunt van deze uiterst beklemmende documentaire.

‘Ik kan nergens anders heen en ik ben niks anders. Geen Engelsman, Amerikaan of Australiër’, stelt Campbell. ‘Ik ben nu eenmaal blank, dus ben ik een blanke Afrikaan.’ Zijn – zwarte – advocate Elize Angula vult aan: ‘Ze willen de boeren weg hebben. Ze zeggen dat ze geen Zimbabwanen zijn. Dat is racistisch.’ En dus wenden de onverstoorbare Campbell, zijn moedige schoonzoon Ben Freeth (die regelmatig ook zelf de camera ter hand neemt) en hun juridische team zich tot de rechter voor een zaak tegen de regering.

Intussen meldt de nieuwe eigenaar zich alvast bij de boerderij van de Campbells. Het is een neef van één van Mugabes ministers. ‘Dit land wordt nooit meer een kolonie’, bijt hij de eigenaars toe tijdens een felle woordenwisseling. Of Campbell en de zijnen direct het land willen verlaten. De man oogt niet bepaald als een agrariër in spe. Even later laat een advocaat van de Campbells een lijst met nieuwe eigenaren van witte boerderijen zien: stuk voor stuk hebben ze een band met Mugabe, z’n regime of zijn politieke partij.

Mugabe And The White African, bekroond met een British Independent Film Award, lijkt een moderne variant op David & Goliath; de trotse Mike Campbell en zijn schoonzoon tegenover een veelkoppige vijand die zijn toevlucht zoekt tot traineren, intimideren en uiteindelijk ook bot geweld. Dat resulteert in een duistere, enerverende documentaire, verteld vanuit het perspectief van de twee witte boeren. Waarbij de vraag of die zwarte afgunst – even los van de rol van Mugabe en zijn trawanten daarin – wellicht ook gerechtvaardigd is, onbeantwoord blijft.

Hoe het na deze heroïsche strijd verder ging met Campbell en Freeth is hier te lezen.

John McCain: For Whom The Bells Toll


Zijn dagen waren al geteld toen deze documentaire werd gefilmd. De Republikeinse senator John McCain blijft niettemin strijdbaar tot zijn allerlaatste ademtocht. Zo kreeg partijgenoot Trump onlangs nog te horen dat hij wel mocht wegblijven bij McCains uitvaart. Niet veel later werd hij met gelijke munt terug betaald. Nadat McCain protesteerde tegen de benoeming van Gina Haspel als directeur van de CIA, omdat ze ooit verantwoordelijk zou zijn geweest voor martelingen, merkte een medewerkster van de president op: ‘He’s dying anyway’.

Het kan elk moment daadwerkelijk zover zijn: het einde van de ‘maverick’ John McCain, na een veelbewogen leven dat hem over de hoogste toppen en door de diepste dalen voerde. In John McCain: For Whom The Bells Toll (103 min.), een titel die verwijst naar zijn favoriete boek van Ernest Hemingway, leidt de hoofdpersoon zelf de kijker, zonder al te veel schroom of voorbehoud, door de ruim tachtig tropenjaren van zijn leven. Hij laat daarbij ook zijn flaters niet onbenoemd, zoals bijvoorbeeld zijn betrokkenheid bij het financiële schandaal rond de zogenaamde Keating Five, het feit dat hij het gebruik van de vlag van de Geconfedereerden vergoelijkte tijdens de presidentscampagne van 2000 en zijn selectie van Sarah Palin als vice-presidentskandidaat tijdens zijn campagne in 2008.

Na al die jaren overheersen echter ‘s mans verrichtingen: zijn positie als onafhankelijke stem binnen de Republikeinse partij. McCain was afgelopen week bijvoorbeeld zo’n beetje de eerste partijgenoot die keihard afstand nam van Trumps statements na de top met Poetin. Een ronduit heroïsche periode als krijgsgevangene in Vietnam heeft ervoor gezorgd dat zijn patriottisme nooit ter discussie kan worden gesteld. Als zoon van een opperbevelhebber van het Amerikaanse leger en kleinzoon van een andere admiraal weigerde hij een voorkeursbehandeling en vervroegde vrijlating. Hij zou uiteindelijk ruim 5,5 jaar gevangen worden gehouden, waarvan ruim twee jaar in eenzame opsluiting. Donald Trump, die zelf vanwege hielspoor nooit in militaire dienst is geweest, merkte na weer een meningsverschil met de eigenzinnige McCain eens op dat hij de voorkeur gaf aan mannen die zich niet gevangen laten nemen.

McCains periode in het Hanoi Hilton, die hem levenslange fysieke klachten bezorgde, heeft desondanks een prominente plek gekregen in zijn politieke biografie – en dus ook in deze oerdegelijke, uiteindelijk positief geframede film van Peter W. Kunhardt die lijkt te zijn bedoeld als een soort testament. In het traditioneel opgezette portret komen zowel politieke vrienden van beide partijen (zoals Bill en Hillary Clinton, George W. Bush, Barack Obama, Henry Kissinger en Joe Biden) als zijn kinderen en beide echtgenotes aan het woord, waarbij ook zijn pijnlijke echtscheiding gewoon aan de orde komt. Het past bij de ‘straight talking’ politicus McCain, een onafhankelijke geest die meestal zonder meel in de mond sprak. Deze politieke biografie doet hem zeker recht.

The Atomic Soldiers

atomic

 

Je kon je eigen botten zien. Alsof er voor je ogen een röntgenfoto van je werd genomen. Zo fel was het licht toen De Bom explodeerde in de Nevada-woestijn, nabij Las Vegas. Aan het woord zijn The Atomic Soldiers (23 min.), Amerikaanse soldaten die in de jaren vijftig werden blootgesteld aan experimenten met de atoombom en na decennia gedwongen zwijgen nu de stilte doorbreken.

De Nederlander Morgan Knibbe, die enkele jaren geleden een Gouden Kalf won voor zijn koortsdroomfilm over illegale vluchtelingen in Europa (Those Who Feel The Fire Burning), maakte een korte documentaire over het moment dat hun leven voorgoed veranderde. Geen van allen zouden ze ooit nog dezelfde zijn. En ja, ze zagen inderdaad een champignonachtige wolk.

Knibbes film bestaat volledig uit interviews met de voormalige militairen. Ze zitten recht voor de camera, kijken er vol in en doen hun verhaal. Eerst van verbazing en ontzag, later van shock, ziekte en woede. Ooit waren ze met 400.000. Gezamenlijk doorstonden ze meer dan 1000 atoomproeven. Nu is er nog slechts een enkeling die zijn ervaringen kan delen. Gezamenlijk schetsen ze in The Atomic Soldiers een indringend verhaal.

De Baby


Ze had zichzelf wijsgemaakt dat ze een dochter was van koningin Juliana en voor haar eigen veiligheid naar de Verenigde Staten was gebracht. Anderen kenden Anneke Kohnke tijdens de Tweede Wereldoorlog simpelweg als ‘de baby’, een Joods meisje dat na de deportatie van haar ouders opgroeide in een Nederlands pleeggezin.

Fred Blacquière, haar pleegbroertje in die woelige jaren, heeft zijn moeder enkele jaren geleden op haar sterfbed beloofd dat hij op zoek zal gaan naar Anneke, die ze aan het eind van de oorlog uit het oog zijn verloren. Dat is het startpunt van deze prachtige documentaire van Deborah van Dam, de ultieme film over Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Baby (85 min.) is bepaald geen sjabloonachtige WOII-documentaire, waarin enkele onverschrokken verzetshelden op het schild worden gehesen of juist een tragische Joodse familiegeschiedenis uiteen wordt gezet, zoals de Publieke Omroep elk jaar rond Dodenherdenking en Bevrijdingsdag nog wel eens wil uitzenden. Dit verhaal gaat veel dieper en is nóg confronterender.

De inmiddels in New York woonachtige Anneke, die haar jeugd in de jaren na de oorlog zo ver mogelijk heeft weggedrukt, wordt vanuit Nederland bijna gedwongen om de confrontatie aan te gaan met haar tragische verleden, waarin niets zwart of wit blijkt, om uiteindelijk uit te komen bij het ongemakkelijke heden, dat ook nog vele tinten grijs laat zien.

Het is een schrijnend, bijzonder slim opgebouwd verhaal waarin de kijker, met Anneke, van de ene in de andere verbazing valt. Zo herkent ze zichzelf bijvoorbeeld als baby op een foto met hét symbool van de Jodenvervolging in Nederland, Anne Frank. Ze dacht altijd dat ze dat beeld zelf had verzonnen. Glimlachend: ‘Dus misschien was ik ook wel echt een kind van de koningin.’

De Baby is hier te bekijken.

Tedje & Meijer: De Belofte Van Liefde

tedjeMeijerTedje2_3173c49603

Als overjarige pubers zitten ze samen op de bank, de hoofdpersonen van Tedje & Meijer: De Belofte Van Liefde (53 min.). Dik in de negentig zijn meneer en mevrouw Van der Sluis inmiddels. En ze zitten het liefst naast elkaar, de handen verstrengeld. Ze willen elkaar nooit meer loslaten. ‘Een band waarin eigenlijk geen plaats is voor anderen’, zegt hun dochter Mirjam Coole. ‘Ook niet voor kinderen.’

Het fragiele Joodse echtpaar staat voor een verhuizing. In de allerlaatste fase van hun bewogen leven samen, dat ooit begon op de Gemeentelijke Inhaalcursus Voor Ondergedoken Leerlingen (GICOL) in mei 1945. Ze hadden allebei helemaal niemand meer, maar vonden elkaar. ‘Het is vanzelf gegaan, het oud worden’, zegt de slechtziende Meijer liefdevol tegen zijn echtgenote, die steeds vergeetachtiger wordt. ‘We zijn gewoon niet dood gegaan.’

Zonder elkaar zijn ze niets, weet dochter Mirjam. Als zij eens een dagje ziek was, wist ook hij niet waar ie het zoeken moest. Daar konden zelfs de kinderen nooit tussenkomen. En altijd was er die oorlog: moeder, bijgenaamd IJzeren Rinus, sprak er nooit over, vader juist vrijwel permanent. Hun dochter: ‘Mijn credo is altijd geweest: Auschwitz zat bij ons aan tafel en at iedere avond een hapje mee.’

Vader zelf houdt vol dat ze hebben geprobeerd om zich geen ‘Auschwitz-mentaliteit’ aan te meten. Toch vindt ook zoon Ruben dat de ‘shoah’ soms het dagelijks leven in de weg heeft gezeten. Dat verschil tussen de ouders en kinderen Van der Sluis – die met typische tweede generatie-problematiek kampen – geeft een kartelrandje aan deze verzorgde documentaire van Heleen Minderaa over een stel dat tegen elke verwachting in oud is geworden. Samen nota bene.

The Land Of The Enlightened


Wat is er over van het land dat we in de afgelopen decennia zijn gaan associëren met Osama Bin Laden, de Taliban en oorlog, altijd weer oorlog? Afghanistan moet zo langzamerhand toch helemaal kapot geschoten zijn? De Gentse fotograaf Pieter-Jan de Pue laat in zijn eerste documentaire The Land Of The Enlightened (90 min.), waaraan hij ruim zeven jaar werkte, zien dat er achter de steeds weer oplaaiende gevechten nog altijd een land van weldadige schoonheid schuilgaat.

Hij toon Afghanistan aan de hand van een groepje kinderen dat, onder de leiding van de veertienjarige Gholam Nasir, door het land trekt. Gholam wil, door het vergaren en verhandelen van lapis lazuli-edelstenen en ruwe opium, een soort bruidsschat verzamelen voor zijn geliefde en uiteindelijk koning van het land worden. Dit mythische verhaal, dat zich afspeelt in het schemergebied tussen feit en fictie, is gesitueerd in een land dat nog altijd is verscheurd door de oorlog.

Het decor voor die wat surrealistische vertelling is adembenemend: weelderige bergen, fleurige poppyvelden en prachtige, met sterren bezaaide luchten. Bij sommige scènes, geschoten op 16mm-film, waan je je enkele eeuwen terug in de tijd. Alsof de troepen van Dzjengis Khan elk moment het beeld in kunnen rijden. Op de achtergrond is er echter altijd die 21e eeuwse oorlog, in de vorm van controleposten, Amerikaanse militairen en zo nu en dan een kleine uitbarsting van geweld.

A Stranger Came To Town


Elk verhaal bestaat uit dezelfde drie elementen, zegt de verteller van A Stranger Came To Town (54 min.). ‘Er is een held met een missie. Vijandige krachten. En een vreemdeling die naar de stad komt.’ Intussen zien we desolate beelden van een ogenschijnlijk vrijwel verlaten stad, in onwerkelijke blauw- en roodtinten. ‘Dit is je houvast’, zegt de verteller nog. ‘Maar staar je er niet blind op.’

De openingsscène van deze fascinerende documentaire van Thomas Vroege voert de kijker met vaste hand naar het hart van Aleppo, de Syrische stad die voor het oog van de wereld, en de camera’s van die wereld, is kapot geschoten tijdens de oorlog die dictator Bashar al-Assad nu al een jaar of zeven uitvecht met zijn eigen bevolking. Vroege, die zijn filmplan ontwikkelde tijdens de IDFA-Mediafonds workshop, introduceert vier inwoners van Aleppo, die de stad bijna allemaal zijn ontvlucht. Ooit woonden ze op een steenworp afstand van elkaar.

Hun indringende getuigenissen, vaak recht in de camera uitgesproken, worden gepaard aan clipachtige sequenties, met de klaagzang van zangeres Jawa Manla en Karim Aouadi als fraaie soundtrack, en burgerbeelden vanuit de stad die tussen méér dan twee vuren zit. Dat levert hachelijke taferelen op. Zo legt een man bijvoorbeeld de paniek op straat vast als een demonstratie met geweervuur wordt beantwoord. Eerst roept hij nog dat ze zich moeten bekommeren om de voor hun ogen gevallen martelaren, later beperkt hij zich tot een steeds wanhopiger ‘Allahu Akbar’.

Halverwege meldt de aangekondigde vreemdeling van dit tragische verhaal zich. In een lange rij witte bussen stoomt de Tawhid-brigade op door het weidse landschap. ‘Aleppo moest bevrijd worden’,  constateert één van de hoofdpersonen, de aandoenlijke adolescent Nahel, enthousiast. Hij organiseerde de eerste ondergrondse protesten tegen Assad. De nieuwe troepen, lid van het Vrije Syrische Leger, worden als helden onthaald. Niet veel later wappert de vlag van hun revolutie in de stad.

Het duurt niet lang voordat ‘Allahu Akbar’ opnieuw door de straten van Aleppo schalt, ditmaal als strijdkreet van ‘de helden van het Vrije Syrische Leger’. De leus wordt uiteindelijk zelfs als een soort voetbalhymne gezongen, de ongemakkelijke opmaat naar het derde bedrijf van deze prachtfilm, waarin diezelfde revolutie zijn ware gezicht laat zien.

Het verhaal dat zich in de tussentijd heeft ontvouwd is misschien niet nieuw, maar slaat nog altijd het wit uit je ogen. Het moet worden verteld, zoveel is duidelijk. Steeds weer. Totdat we de vreemdelingen leren herkennen voor wie ze zijn. En als het verhaal zo virtuoos wordt verteld als in A Stranger Came To Town, voelt het weer nieuw en onontkoombaar.

No Stone Unturned


Binnen enkele seconden was het voorbij. Ray Houghton had zojuist gescoord voor Ierland en leek zijn land in de openingswedstrijd van het WK langs de Italianen te schieten. Iedereen in The Heights Bar in de kleine plattelandsgemeenschap Loughinisland was opgetogen; hoe ver zou de Ierse nationale ploeg kunnen reiken tijdens dit wereldkampioenschap voetbal? En toen, op die fatale achttiende juni in 1994, barstte het geweervuur los. Enkele ogenblikken later waren er zes plaatselijke mannen dood. Stuk voor stuk katholiek.

Sir Patrick Mayhew, de Britse staatssecretaris voor Noord-Ierland, sprak de daders na de uitvaart stevig toe: ‘je wordt gepakt en zult heel veel jaren in de cel doorbrengen.’ Na zulke ferme taal zou je een gigantische klopjacht op de twee voortvluchtige schutters verwachten. Die werd de nabestaanden ook beloofd: de politie zou letterlijk elke steen omdraaien om de daders te vinden. Bijna 25 jaar na dato maakt No Stone Unturned (110 min.) van Alex Gibney, één van Amerika’s succesvolste documentairemakers, die belofte eindelijk echt waar.

Tijdens zijn diepgravende onderzoek naar de nog altijd onopgeloste moorden belandt Gibney midden in ‘the Troubles’, de pijnlijke strijd om Noord-Ierland in de tweede helft van de twintigste eeuw. Moest dat worden opgenomen in Ierland, zoals katholieke republikeinen wilden? Of onderdeel blijven van het Verenigd Koninkrijk, wat de protestantse loyalisten voorstonden? Paramilitaire groepen zoals de IRA (Irish Republican Army) en de UVF (Ulster Volunteer Force) bestreden elkaar te vuur en te zwaard. En gewone burgers, zelfs als ze ogenschijnlijk ver van de frontlinie in Belfast woonden, werden er het slachtoffer van.

De zoektocht naar de daders van het lukrake geweld tijdens The Loughinisland Massacre, en het drijfzand waarin die vastliep, staat centraal in deze spannende documentaire. Gibney komt talloze pijnlijke en weggemoffelde feiten op het spoor, die hij met gevoel voor suspense en drama uitserveert. Die belofte aan de nabestaanden is nooit ook maar een Penny waard geweest, zo wordt glashelder. Het is moeilijk om er niet boos van te worden. No Stone Unturned blaast met verve het stof van een aloude politieke wijsheid: the cover-up is worse than the crime. Bijna dan.

Dat deze kwestie, bijna 25 jaar na dato, nog altijd veel emoties losmaakt, bleek vorig jaar enkele dagen voor aanvang van het Tribeca Film Festival, waar de documentaire in première zou gaan. Vanwege ‘outstanding legal isssues’ werd de film teruggetrokken. Die complicaties zijn inmiddels – blijkbaar – uit de weg geruimd.

Dance Or Die


‘Iedereen vecht zijn eigen oorlog’, zegt Ahmad Joudeh bij de start van Dance Or Die (54 min.), een indringende film van Roozbeh Kaboly, die al diverse reportages voor Nieuwsuur maakte over de ontheemde danser. ‘Toen ik besloot om danser te worden, begon mijn oorlog.’ Even later loopt hij door Yarmouk, het volledig kapot geschoten Palestijnse vluchtelingenkamp in de Syrische stad Damascus waar hij opgroeide. Dan weerklinkt geweervuur. ‘Ze schieten op ons’, reageert hij laconiek. ‘Maar ze kunnen me niet raken.’

Ze hebben hem ooit in zijn benen proberen te schieten, stelt Ahmad zonder omhaal van woorden. Omdat hij de plaatselijke kinderen wilde leren dansen. Als reactie heeft hij een levensmotto in zijn nek laten tatoeëren: ‘dans of sterf’. Waarna hij de daad bij het woord voegt en, te midden van de onvoorstelbare ravage die de Syrische burgeroorlog heeft aangericht, een stijlvolle kleine dansvoorstelling geeft. Pure schoonheid, te midden van totale vernietiging. Hij zal in deze film op nog meer opmerkelijke plekken dansen, zoals bijvoorbeeld in een verweesde parkeergarage.

Ahmad Joudeh woont inmiddels anderhalf jaar in Nederland, danst bij het Nationale Ballet en begint zo langzamerhand een graag geziene gast in voorstellingen en televisieprogramma’s over de hele wereld te worden. Het leven lacht hem ogenschijnlijk toe; binnen de balletwereld heeft hij zijn plek en geestverwanten gevonden. Intussen blijft hij natuurlijk gewoon ‘een danser’, zo’n beetje het ergste wat zijn traditionele vader kon bedenken. Een schande voor de familie. Homoseksueel waarschijnlijk. Het huwelijk van zijn ouders ging eraan kapot.

Vanuit Amsterdam probeert Joudeh de relatie met zijn moeder thuis te onderhouden. En dan blijkt plotseling ook zijn vader in Europa te zijn aanbeland, waar hij zijn zoon, een internationale ster inmiddels, maar al te graag wil ontmoeten. Slaagt vader erin om zich te verzoenen met zijn zoon? Dat kleine verhaal, van een kind dat geaccepteerd wil worden door zijn ouder, vormt het hart van deze fraaie film, die een grote en schokkende wereldgebeurtenis en het leven daarna terugbrengt naar de menselijke maat.

The Vietnam War

PBS

In de epische documentaireserie The Vietnam War (990 min.) vertellen Ken Burns en Lynn Novick, het definitieve verhaal van Amerika’s meest traumatische oorlog.

Ken Burns is een levende legende binnen de Amerikaanse filmwereld. Als een soort filmende evenknie van Geert Mak heeft hij de recente historie van de Verenigde Staten toegankelijk gemaakt voor een breed publiek; van grote politieke thema’s als The Civil War, de drooglegging en de Amerikaanse bijdrage aan de Tweede Wereldoorlog tot de geschiedenis van honkbal, jazz en de Amerikaanse natuurparken.

The Vietnam War is de nieuwste loot aan de boom. In tien afgewogen afleveringen van in totaal zo’n 16,5 uur (!) diepen Burns en zijn vaste partner in crime, producer/regisseur Lynn Novick, werkelijk alle aspecten van ‘Nam uit. Ze laveren daarbij duivels knap tussen het grote, geopolitieke verhaal en de ‘kleine’ menselijke verhalen van gewone Amerikanen en Vietnamezen, zowel Vietcong-strijders als handlangers van de Verenigde Staten.

Acteur Peter Coyote fungeert intussen als alwetende verteller die de kijker met zijn pregnante stem majestueus door ruim vijftien jaar dood en verderf loodst. The Vietnam War is sneller gemonteerd en moderner vormgegeven dan Burnes’ oude werk, waarbij met name de spannende soundtrack van Atticus Ross en Trent Reznor (van de industrial metalband Nine Inch Nails) echt iets toevoegt aan toch wat uitgekauwde Vietnam-evergreens als Paint It, Black, Bad Moon Rising en The “Fish” Cheer / I-Feel-Like-I’m-Fixin’-To-Die-Rag.

Het hart van The Vietnam War wordt echter als vanouds gevormd door een indrukwekkende verzameling bijzonder archiefmateriaal, gestut door krachtige, verhelderende en ontroerende getuigenissen van direct betrokkenen. Zodat die oorlog waarvan je alles wel dacht te weten toch nog onvermoede kanten blijkt te hebben.

Je kunt overigens nóg verder inzoomen op de oorlog in Vietnam. De televisiedocumentaire My Lai belicht bijvoorbeeld de oorlogsmisdaden die een groepje Amerikaanse militairen in 1969 beging bij het gelijknamige Vietnamese dorp, terwijl Last Days In Vietnam van Rory Kennedy, dat voor een Oscar werd genomineerd, zich volledig concentreert op de smadelijke aftocht van de Amerikanen en het verpletterde land dat ze achterlieten.

Schimmenspel: Poetins Onzichtbare Oorlog

schim

 

Wat is het verband tussen extreem-rechtse bomaanslagen in Gotenburg, een cyberaanval van IS op de Franse televisiezender TV5Monde en het spionageschandaal rond een medewerker van een rechtse Zweedse partij? Op de achtergrond trekt steeds dezelfde man, ongetwijfeld met sardonisch genoegen, aan de touwtjes: Vladimir Poetin.

Dat beeld is te aantrekkelijk om niet ten volle uit te nutten. Het betoog in de journalistieke documentaire Schimmenspel: Poetins Onzichtbare Oorlog (49 min.) wordt dan ook op gezette tijden onderbroken door manhaftige beelden van de grote Russische leider, liefst met ontbloot bovenlijf en ondersteund door een mysterieus muziekje. Poetin als kwade genius bij de ontwrichting van de westerse wereld.

Of de Russische president daadwerkelijk zelf bij die acties betrokken was, valt te betwijfelen. Jacco Versluis en Luuk Mulder maken wel aannemelijk dat Rusland, het hackleger Pawn Storm in het bijzonder, een rol heeft gespeeld. Samen met kopstukken uit de inlichtingenwereld, die zelden het achterste van hun tong laten zien, proberen Versluis en Mulder Ruslands modus operandi in kaart te brengen en de beweegredenen achter deze strategie te ontdekken. Hun spoor leidt uiteindelijk naar… juist: Nederland.

In de handen van een Amerikaanse documentairecrack als Alex Gibney, die met Zero Days al eens een film over het beruchte Stuxnet-virus maakte, waren Ruslands cyberaanvallen ongetwijfeld uitgemond in een enerverende spionagethriller met Hollywood-allure. Met relatief veel pratende hoofden, ‘algemene beelden’ en een voiceover van Hans Goedkoop (Andere Tijden) kiezen Versluis en Mulder voor een meer onderzoekende en analytische benadering, waardoor Schimmenspel weliswaar over de hele linie interessant blijft, maar nooit écht spannend wordt.

The Act Of Killing


Als je iemand een bijzonder ongemakkelijke filmavond wilt bezorgen, schotel hem dan zonder al te veel voorinformatie The Act Of Killing(2012) voor. Ik heb tweemaal een avond – en de bijbehorende nacht en dagen daarna – laten vergallen door de bikkelharde film van Joshua Oppenheimer en begin nooit meer aan een derde kijkbeurt. Terwijl ik dit intik, spuug ik tussen twee vingers door op de grond. Beloofd. Uit puur zelfbehoud overigens.

Tegelijkertijd zou ik iedereen die de film nog niet heeft gezien aanraden om er direct een paar uurtjes voor vrij te maken. The Act Of Killing, de zogenaamde director’s cut zelfs (159 min.). Zorg dan wel voor tissues, een emmertje en enkele hulplijnen, want een walgelijkere kijk op de wrede inborst van dé mens – nee, laten we het comfortabel houden – van sómmige mensen zul je niet snel meer krijgen.
Oppenheimer heeft voormalige Indonesische massamoordenaars, die het land halverwege de jaren zestig enthousiast zuiverden van communisten en andere onwelgevallige landgenoten, gevraagd of ze de hoofdrol willen spelen in een overdadig aangeklede speelfilm over hun eigen heldendaden. De inmiddels bejaarde mannen happen enthousiast toe en kruipen nog eenmaal in de rol van hun leven.

Waar de gemiddelde kijker – hopelijk – een stel voormalige criminelen met een nauwelijks ontwikkeld moreel besef ziet, die tegenwoordig zowaar een soort macabere fanbasis lijken te hebben, menen ze zelf dat die film hen eindelijk die welverdiende roem zal brengen. De camera biedt hen tevens de mogelijkheid om hun vakkennis over te dragen, want hoe kun je nu eigenlijk het beste prikkeldraad om iemands nek wikkelen en waar moet je die dan aantrekken? Wacht, ze demonstreren het wel even.

The Act Of Killing is zo’n film die je nooit meer vergeet – al zou je eigenlijk niets liever willen. Oppenheimer filmde tegelijkertijd overigens ook het aangrijpende The Look Of Silence (2014), een documentaire met een conventionelere opzet, waarin de kant van de slachtoffers van de Indonesische genocide wordt belicht. Ook die film klapt er genadeloos in. Beide documentaires werden genomineerd voor een Oscar en sleepten diverse prijzen in de wacht.

Joshua Oppenheimer is na het filmen van zijn indrukwekkende tweeluik uit Indonesië vertrokken en zal daar ook niet snel terugkeren. ‘Ik kan Indonesië waarschijnlijk zonder problemen in’, vertelde hij halverwege 2015 in een interview met The New York Times. ‘Ik weet alleen niet zeker of ik het land ook weer levend kan verlaten.’

Atomic Homefront

HBO

Het is heerlijk weer. En de kinderen van Dawn Chapman willen buiten spelen. Moeder is echter onvermurwbaar: blijf maar binnen. Vanuit haar bedompte keuken kijkt ze naar buiten, de verte in. Maar radioactiviteit kun je niet zien. Het is lastig, onmogelijk misschien, om haar kroost in deze omgeving te beschermen, zo realiseert ze zich. Nee, Dawn en haar kinderen wonen niet in Tjernobyl of Fukushima, maar ‘gewoon’ in St. Louis, in het hart van de Verenigde Staten. Een plek waar een doodgewone huismoeder (noodgedwongen) kan uitgroeien tot een zeer effectieve activist.

In 1942 besloot de Amerikaanse regering om er, in het diepste geheim, de atoombommen te gaan ontwikkelen, die later hun weg zouden vinden naar de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki. Aan afval dacht niemand. Dat dumpten ze gewoon aan de noordzijde van de stad. 75 Jaar later is de omgeving een Atomic Homefront (96 min.) geworden, een soort horrorvariant op ons eigen Groningen, het slagveld van de Nederlandse gaswinning. Met de bijbehorende persoonlijke tragedies, bureaucratische onverschilligheid en – als onvermijdelijk gevolg daarvan – empowerment van enkele betrokken burgers.

Tijdens een informatiebijeenkomst wil één van deze bewoners van de medewerkers van het Amerikaanse milieu-agentschap EPA weten of zij hier misschien zouden willen wonen. ‘Ik zou daar geen problemen mee hebben’, luidt het verplichte antwoord van de voorzitter van de bijeenkomst. Hoon valt haar ten deel. Een vrouw staat op en vraagt het woord. ‘Ik heb iets te zeggen. Ik ben geboren in Spanish Village. Ik heb mijn dochter zien sterven aan een hersentumor. Ik heb nog drie andere kinderen ziek thuis. En jij wilt hier leven?’ Ze kijkt de vrouw op het podium nog eens diep in de ogen. ‘Wil jij écht hier leven? Want ik kan het lichamelijk niet aan om nog een kind te begraven.’

Deze observerende documentaire van Rebecca Cammisa volgt gewone mensen zoals deze radeloze moeder en Dawn Chapman, die zich niet langer (willen) laten vermalen door de molens van het systeem. Ze vormen actiegroepen met nuchtere namen als Coldwater Creek – Just The Facts Please en Just Moms STL. En nemen plaats in sfeerloze zaaltjes met ongemakkelijke stoelen, beroerde koffie en systeemplafonds. Tegenover op zichzelf goedwillende functionarissen, die ook weinig kunnen uitrichten (en natuurlijk ook niet verantwoordelijk zijn voor de ellende die ooit, in de hitte van de Tweede Wereldoorlog, is veroorzaakt). De navolgende woede en onmacht laten zich raden.

Slikken of stikken? Concreet: strijden of verhuizen? Of beide? Het beurtelings wanhopig, hoopvol en woedend stemmende Atomic Homefront stelt elementaire vragen over leven op gevaarlijk terrein. Met een vertrouwd aanvoelende cast van strijdvaardige slachtoffers, Oostindisch-doven, klokkenluiders, meel in de mond-praters, vakbondstypes en goede bedoelers vertelt Cammisa zonder fratsen het universele verhaal van nietige mensen tegenover een apparaat met een al te grijs gelaat. Na alweer een teleurstellend bericht trekt Dawn Chapman boos een sombere conclusie: ‘Beleefde mensen worden vergiftigd.’ Even later heeft ze zichzelf hervonden en alweer een boodschap voor andere bezorgde moeders: ‘Superman gaat niet komen. Soms moet je je eigen superheld zijn.’

Aleppo’s Fall

Aleppos-fall-1170x680

 

Hoeveel films over de oorlog in Syrië kan een mens verdragen? Of, nog banaler, is er na pak ‘m beet Oscar-kanshebber Last Men In Aleppo, The White Helmets en City Of Ghosts (mentale) ruimte voor nóg een documentaire over de alles verwoestende strijd in Syrië?

Misschien heeft die metaalmoeheid te maken met het feit dat oorlog voor ons, westerlingen, slechts een schouwspel is geworden, dat zich altijd elders, in een donkere uithoek van de wereld of gewoon op het scherm voor ons, afspeelt. We kennen het niet meer van binnenuit. De Syrische filmmaker Nizam Najjar, al jaren woonachtig in Noorwegen, doet met Aleppo’s Fall (52 min.) opnieuw een dappere poging om de westerse kijker voor even participant te maken in het gevecht dat de halve wereld ontwricht.

Na de Arabische Lente is Najjar naar zijn geboortestad vertrokken, om daar vast te leggen hoe de rebellen dictator Bashar al-Assad van zijn troon proberen te stoten. Hij belandt daarvoor bij een afdeling van het Vrije Syrische Leger, waar nog enkele andere cameramannen rondlopen. Want dat is moderne oorlogsvoering: de camera is overal. De betrokken partijen strijden niet alleen om hun land, maar ook om de beeldvorming. Wie slaagt erin om zijn eigen kameraden als helden te portretteren en tegelijkertijd de misdaden tegen de menselijkheid van de tegenpartij vast te leggen?

Het Vrije Syrische Leger is een bonte verzameling van verzetsstrijders, die met moeite de rijen gesloten weet te houden. Interne tegenstellingen zetten de verhoudingen op scherp en verzwakken tegelijkertijd de eigen positie. De genuanceerde commandant Omar, die vindt dat hij in zijn functie niet in het openbaar mag twijfelen aan de goede afloop van hun strijd, probeert de verschillende facties bij elkaar te houden. Intussen lacht Assad in zijn (ijzeren) vuistje.

‘Welk verhaal denk je dat ik probeer te vertellen?’, wil regisseur Najjar van Omar weten in deze film, die uiteindelijk toch weer ‘gewoon’ onder de huid kruipt. ‘Hoe gaat dit aflopen?’ De commandant lacht ongemakkelijk terwijl hij met zijn mobiele telefoons speelt: ‘Het wordt één van de twee: óf ik word gedood óf we behalen de overwinning.’

Sobibor Excavated: The 4 Stages of Deceit

sobibor

 

‘Mogelijk zullen ze ons vervloeken’, constateert Adolf Eichmann, de ‘logistiek manager van de Holocaust’, in een bewaard gebleven geluidsopname. Niet omdat de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog miljoenen doden op hun geweten hebben – wat je in een onbezonnen bui misschien zou verwachten – maar omdat ze er volgens hem niet in zijn geslaagd om ‘10,3 miljoen vijanden’ om te brengen. Het leed en de tegenspoed zal nu degenen treffen, stelt Eichmann met gevoel voor drama, die nog niet geboren zijn.

Welkom in de denkwereld van een doorgewinterde Nazi. Welkom ook bij de documentaire Sobibor Excavated, The 4 Stages Of Deceit (52 min.) van Mark Limburg, waarin aan de hand van de vier fasen van de Endlösung (Verabreichung, Rezeption, Vernichtung en Abdeckung) de gevolgen van Eichmanns vernietigingswerk worden doorlopen. Van de effectieve opzet van Sobibor en het aantrekkelijke uiterlijk van het vernietigingskamp, om de toekomstige slachtoffers zand in de ogen te strooien, tot de allerlaatste bewijsstukken van de totale vernietiging aldaar, die tijdens opgravingen worden blootgelegd.

De film concentreert zich echter vooral op de menselijke consequenties van Eichmanns vernietigingswerk, via twee overlevers die aan zijn dodelijke bureaucratie ontkwamen. De complete familie van Rudie Cortissos werd vermoord. De enige herinnering die hij aan zijn moeder heeft, is een afscheidsbrief die ze onderweg naar het Poolse kamp schreef. Ook ‘Deddie’ (David Zak), de neef van Lies Caransa kwam daar aan zijn einde. Zij heeft niettemin het gevoel dat hij altijd over haar schouder is blijven meekijken. Tijdens de opgravingen in Sobibor, ‘een abattoir voor mensen’ volgens één van de daar werkzame archeologen, wordt er een tastbaar bewijs van Deddies leven opgediept. Maar van wie is dat naamplaatje eigenlijk?

Hoewel Sobibor al ruim zeventig jaar dicht is, maakt deze grauwe film, die gisteren werd uitgezonden op de dag van de Nationale Holocaust Herdenking en die nog is te bekijken op npo.nl, eens te meer duidelijk dat die oorlog nooit echt afgelopen is en ook nu nog nieuwe wonden kan veroorzaken.

In Het Spoor Van IS

BNNVARA

Mosul, de eerste stop van Sinan Cans reis door Irak en Syrië, is bijna bevrijd van de terreur van Islamitische Staat als hij er arriveert. Ooit moeten er mensen hebben geleefd in de stad waar in 2014 het kalifaat werd uitgeroepen. Nu maakt een stelletje militairen, dat de volledig verwoeste Irakese stad heeft terug veroverd, er selfies met lijken. Gesneuvelde IS-strijders, zeggen ze. Maar het kunnen ook onschuldige slachtoffers zijn, constateert Can. Hij kan het even niet aanzien.

Als één Nederlandse journalist in de afgelopen jaren de gruwelijke nasleep van de Arabische lente in perspectief heeft geplaatst, dan is het de Turkse Nederlander Sinan Can, die zich in 2015 ook al waagde aan de documentaireserie Bloedbroeders over de Armeense genocide. In het tweeluik In Het Spoor Van IS (tweemaal 40 min.), geregisseerd door Jochem Pinxteren, reconstrueert hij de bloedige geschiedenis van de organisatie die zich in korte tijd ontwikkelde tot dé schrik van de westerse wereld.

Can gaat daarvoor terug naar de aanslagen van Osama Bin Ladens Al-Qaeda op 11 september 2001 en de navolgende Amerikaanse inval in Irak en bezoekt, beveiligd door leden van een sjiitische militie, de bijbehorende plekken, zoals de bunker waar de gevallen Irakese dictator Saddam Hoessein zich verschuilde, een brug waaraan twee Amerikaanse beveiligers werden opgehangen en Raqqa, de hoofdstad van Daesh (alias IS) in Syrië.

Op kousenvoeten loopt Sinan Can door het sektarische mijnenveld dat in deze landen is ontstaan en neemt ondertussen, samen met strijders en gewone burgers, de fysieke en menselijke schade op. Met heldere uitleg, indringende persoonlijke verhalen en een arm om iemands schouder schetst hij de achtergronden en nuances van de oorlog. Als geschiedenisles zou dit indringende tweeluik bepaald niet misstaan op middelbare scholen. In Het Spoor Van IS lijkt me tevens een probaat middel tegen al te gemakkelijke oordelen over vluchtelingen uit deze zwaar getroffen regio.

Five Broken Cameras

Cinema Delicatessen

Er lag een enorme berg beeldmateriaal. Zonder begin of einde. De Palestijnse cameraman Emad Burnat zag door de bomen allang het bos niet meer. Totdat hij toch een logische structuur vond: de vijf camera’s waarmee hij al die beelden had geschoten. Elk exemplaar vertelde zijn eigen verhaal. En met die vijf verhalen had Burnat zijn film.

En Five Broken Cameras (86 min.) is een ronduit verpletterende film geworden. Een diep menselijke aanklacht tegen Israëls nederzettingenpolitiek, verteld vanuit Palestijns perspectief. Burnat legt vast hoe zijn dorp Bil’in op de westelijke Jordaanoever, van oudsher Palestijns terrein, langzaam maar zeker wordt ingesloten door oprukkende Joodse kolonisten en het Israëlische leger dat hun komst faciliteert.

Het verhaal van Bil’in begint gaandeweg te lijken op een soort navrante variant op dat ene dorpje uit de Asterix en Obelix-strips, dat zich met de moed der wanhoop blijft verzetten tegen de grote overheerser. Een dorpje met zijn eigen heethoofden, diplomaten en martelaren. Binnen die explosieve atmosfeer probeert filmer én vader Emad Burnat, ondersteund door zijn Israëlische co-regisseur Guy Davidi, het hoofd enigszins koel, zijn camera enigszins steady en zijn gezin enigszins veilig te houden.

Behalve de voorspelbare kritiek – mag een Palestijn samenwerken met een Jood bij een film over zo’n precair onderwerp? – bezorgde hem dat ook de publieksprijs op het IDFA van 2012, de allereerste Palestijnse Emmy Award én een Oscar-nominatie. In de aanloop naar die uitreiking, waarbij Searching For Sugar Man er met de prijs vandoor ging, werd Burnat nog een tijd vastgehouden op het vliegveld van Los Angeles. Hij zou niet de juiste papieren bij zich hebben gehad. Zou hij zijn zesde camera toen thuis hebben gelaten?

My Own Private War

Taskovski

Drie generaties van haar familie zijn in Nederland beland. Haar zoontje Sergej is er geboren en weet niet beter. Haar ouders Vesna en Vojo, in eigen land chemicus en professor, zijn nu respectievelijk vrijwilliger bij vluchtelingenwerk en lid van de schaakclub. Zelf kan Lidija Zelovic zich maar niet losmaken van haar geboorteland. Ze wil de ultieme film maken over de oorlog die hen van huis en haard verdreef.

Zelovic kwam ruim twintig jaar eerder alleen over vanuit het voormalige Joegoslavië, twee jaar later werd ze in Nederland herenigd met haar ouders. In de egodocu My Own Private War (56 min.) uit 2015 haalt ze samen met hen bitterzoete herinneringen op aan haar onbezorgde jeugd in Sarajevo en onderzoekt wat de burgeroorlog bij de mensen uit haar omgeving heeft aangericht (en wat die mensen intussen zelf hebben aangericht).

In haar voormalige ouderlijke huis vindt Zelovic bijvoorbeeld oude liefdesbrieven van haar ouders, relikwieën van een verloren tijd en leven die droef en weemoedig stemmen. En op een onbewaakt ogenblik loopt ze haar neef Zeljko tegen het lijf, die tijdens de oorlog dienst heeft gedaan als Servische sluipschutter. Niemand zit eigenlijk op zijn verhaal te wachten, zo constateert zijn nicht. Voor de buitenwereld is hij ‘gewoon’ een agressor.

Via haar persoonlijke familiegeschiedenis schetst Zelovic zo de verschillende kanten en gevolgen van een oorlog, die natuurlijk louter verliezers kent. Toch is My Own Private War uiteindelijk geen deprimerende film. Te midden van de persoonlijke drama’s vindt de filmmaakster, die confrontaties niet uit de weg gaat, voldoende aanknopingspunten voor een enigszins hoopvolle slotconclusie: ook als je veel (van jezelf) kwijtraakt, is er reden genoeg om te leven.

Arna’s Children

Kanopy

Even registreren op de website van het documentairefestival IDFA, dat woensdag van start gaat in Amsterdam, en je kunt talloze documentaires, veelal gratis, bekijken. Zoals bijvoorbeeld Arna’s Children (57 min), een aangrijpende film uit 2003 over een Palestijnse kindertheatergroep, die tijdens de tweede Intifada, waarbij Israël en de Palestijnen weer eens lijnrecht tegenover elkaar stonden, op het podium met allerlei gevoelens leerde omgaan.

Juliano Mer Khamis vertelt het verhaal van zijn onverzettelijke moeder Arna, een Joodse vrouw die een Palestijnse man trouwde en in de jaren negentig een theater runde in het vluchtelingenkamp Jenin. Arna en haar zoon probeerden een groepje Palestijnse kinderen enthousiast te maken voor acteren, in de hoop hen daarmee te kunnen behoeden voor de burgeroorlog die rondom hen woedde.

Enkele jaren later, vijf jaar na de dood van zijn moeder en het opdoeken van haar theatertje, keert Juliano terug naar Jenin om de balans op te maken. Wat is er geworden van de enthousiaste theatermakers? Hebben ze zich weten te ontworstelen aan de voetangels en klemmen van hun dagelijks bestaan? Of zijn ze ‘gewoon’ onderdeel geworden van het alles verslindende conflict en uitgegroeid tot martelaar (of terrorist, afhankelijk vanaf welke kant je naar het conflict kijkt)?

Het antwoord in deze bekroonde documentaire stemt helaas weinig hoopvol. Daarbij speelt ook het lot van de filmmaker, Juliano Mer Khanis, een belangrijke rol. In 2011 werd hij bij het verlaten van het theater, waarmee hij samen met zijn moeder de wereld wilde verbeteren, neergeschoten door een gemaskerde schutter. Drie jaar eerder had hij zijn dood zelf al voorspeld. Voor deze moord is tot dusver overigens niemand veroordeeld.