De Beloften

Harrie Lavreysen / c: David Eerdmans

Alles was gericht op 2020. Tien jonge Nederlandse sporters met een Olympische droom. In het kader van het project De Beloften zouden ze vier jaar op de voet worden gevolgd door Victor Vroegindeweij en Xenia Maria Evers. En toen werden de Spelen van Tokio vanwege het Coronavirus een jaar uitgesteld – en moesten ook zij hun persoonlijke doelen, of op z’n minst de planning daarvan, grondig bijstellen.

Het filmen ging intussen gewoon door. Voor de vijfdelige docuserie De Beloften (200 min.) zijn drie van de tien jonge sporters gesneuveld. Het is net topsport. Zeven talenten hebben de laatste selectie wél overleefd. Niet dat het bij hen altijd crescendo gaat. De weg naar de top bevat nu eenmaal onverwachte hobbels, scherpe bochten en plotselinge wegversperringen.

Roos Zwetsloot, een typisch hockeymeisje dat op een skateboard is beland, scheurt bijvoorbeeld haar voorste kruisband. Turnster Sanna Veerman, die gewend is om altijd te winnen, wordt ineens geconfronteerd met teleurstellingen. En de Haagse judoka Simeon Catharina moet een directe concurrent van enkele jaren ouder vloeren. Op Catharina’s lijf staat al een datum getatoeëerd: 8 augustus 2015. Op die dag werd hij jeugdwereldkampioen. Als het aan hem ligt, komt zijn hele lichaam vol te staan.

Verder moeten zwemmer Nyls Korstanje en atleet Zoë Sedney hun status als respectievelijk De Nieuwe Pieter van den Hoogenband en De Nieuwe Dafne Schippers zien waar te maken, wil kogelstoter/discuswerper Alida van Daalen haar moeder en grote voorbeeld Jacqueline Goormachtigh naar de kroon steken en probeert baanwielrenner Harrie Lavreysen op weg naar één of meerdere gouden medailles de concurrentie van zich af en zijn schouder in de kom te houden.

Vroegindeweij en Evers serveren de lotgevallen van hun hoofdpersonen met een aanstekelijke mixture van bijdetijdse muziekjes uit, zetten hen zo nu en dan op een stoel om te reflecteren op hun leven en ontwikkeling als sporter en laten rapper Sef alle verhaallijnen lekker vlot aan elkaar praten. Het resultaat is een kekke serie over aspirant-Olympiërs, waarvan een enkeling zich al heeft geplaatst voor de Spelen, die op 24 juli dan toch echt gaan beginnen, en anderen nog altijd strijden om een ticket. 

Voor hen allemaal geldt dat winnen uiteindelijk toch echt belangrijker is dan alleen deelnemen.

Gunda

Periscoop

Gunda (93 min.) ligt uitgeteld op haar zij. Ze is net te zien door een opening van de schuur. Minutenlang gebeurt er ogenschijnlijk niets. En dan kruipt er ineens een biggetje over het moedervarken heen. Nog één. En nog één. Twaalf in getal. De zoektocht naar de tepel kan beginnen. Het gevecht om melk. En daarna het leven.

De openingsscène voor deze nieuwe film van Victor Kossakovsky zet direct de toon: dit wordt een (vrijwel) mensloze film. Aandachtig observeert de vermaarde Russische regisseur hoe de zeug Gunda op een Noorse boerderij haar kroost grootbrengt. Ze worden gezoogd, gestimuleerd en zo nodig ook gecorrigeerd. Zodat ze zich straks kunnen redden te midden van de koeien, een eenbenige kip en die kolossale trekker.

Kossakovsky vangt die ontwikkeling met intieme shots in sprekend zwartwit, waardoor de dieren echt tot leven komen en zich kunnen ontwikkelen tot volwaardige filmpersonages, waaraan met gemak allerlei menselijke gedachten en gevoelens kunnen worden toegedicht. Tegelijkertijd is Gunda een compromisloze film die dwingt om aandachtig te kijken. Bankhangers, met één hand in de zak borrelnoten en een half oog op hun mobiele telefoon, haken onherroepelijk af. En snel ook, waarschijnlijk.

Deze documentaire vraagt aandacht en ausdauer en betaalt zich alleen dan uit. In onbetaalbare scènes, om te beginnen: de kip die stuit op een hek, koeienogen met de onvermijdelijke vliegen erin of Gunda happend naar regen. En, uiteindelijk, als een buitengewoon fraai eerbetoon aan de zegeningen van moeder natuur.

Belovy

‘De tsaar komt mijn werk inspecteren’, sneert de Russische boerenvrouw Anna Feodorovna Belova over haar broer Mikhaïl, die even een kijkje komt nemen op hun gezamenlijke akker. ‘Peter de Grote!’

De knoestige ‘Peter’, ook wel liefkozend Misha genoemd, liet eerder, in de openingsscène van de zwart-witte documentaire Belovy (58 min.) van Victor Kossakovsky, al uitgebreid zijn gezicht aflikken door hun hond. ‘Als er snot in mijn neus zit, likt zij die schoon’, vertelde hij toen lachend, terwijl het dier uitgebreid zijn gang ging.

Mikhaïl is een typische ongeli… eh gelikte beer. Zo’n man die nooit een blad voor de mond neemt en er geen idee van heeft dat je toon en volume kunt matigen. Hij lijkt ook vrijwel ongelimiteerd te kunnen praten. Oreren. Raaskallen, soms. Zeker als de drank hem in zijn greep heeft. Over het leven, de staat of hun eigen familie. Misha vindt zelf dat hij over de gave van het woord beschikt.

Zijn zus is meer van het melodrama. Twee echtgenoten heeft ze al moeten afgeven, vertelt ze op gedragen toon. En dat is eigenlijk niet meer dan logisch: op last van haar ouders liet ze ooit haar grote liefde lopen. En boontje komt nu eenmaal om zijn loontje. Goedgeluimd probeert ze het verdriet uit haar leven te zingen en dansen. Dat lukt alleen niet helemaal – al ziet het er wel geweldig uit.

In de gesprekken tussen broer en zus waart op de achtergrond voortdurend de geest van het oude Rusland rond en zijn de kwellingen van de Sovjet-Unie regelmatig onderwerp van gesprek. Anna en Mikhaïl mogen dan vechten als kat en hond, maar (blijkbaar) kunnen ze ook niet (meer) zonder elkaar(s verwensingen). En als er familie op bezoek komt, raken de gemoederen nog eens extra verhit.

Kossakovskys verstilde portret van broer en zus Belov, waarin de camera nauwelijks beweegt en dikke muziek de sowieso al grootse emoties nog eens aanzet, neemt de kijker echt mee naar een andere wereld: het Russische platteland, waar de tijd stil lijkt te staan. Het is nauwelijks te geloven dat Belovy slechts 25 jaar oud is en stamt uit 1993, het jaar waarin de documentaire op het International Documentary Festival Amsterdam zowel de Award for Best Feature-Length Documentary als de Publieksprijs won.

Svyato

IDFA

Je kunt best ethische vragen stellen bij deze persoonlijke documentaire van IDFA-held Victor Kossakovsky: in hoeverre rechtvaardigt een film een toch wel behoorlijke ingreep in de ontwikkeling van je eigen kind?

Aan Kossakovskys korte documentaire Svyato (33 min.) uit 2005 ging een heuse levenskeuze vooraf: de Russische filmmaker besloot zijn zoon vanaf diens geboorte uit de buurt te houden van spiegels. Toen Svyatoslav op tweejarige leeftijd eindelijk werd geconfronteerd met spiegels in huis en dus voor het eerst zichzelf zag, legde zijn vader dat met drie camera’s vast. Hoe zou zijn inmiddels puberende zoon daar nu op terugkijken?

De film opent met een citaat uit een oude legende: alles veranderde toen de mens voor het eerst zijn reflectie zag. En dat zie je letterlijk voor je ogen gebeuren. Het vrolijk rond dribbelende peutertje waant zich onbespied en onderneemt een adembenemende ontdekkingstocht via de spiegel. Op zoek naar niets minder dan – hij heeft daar zelf natuurlijk nog geen idee van – zichzelf. En in en via de spiegel slaan wij hem gade.

Hoe leuk is het om met een veger op die spiegel te slaan? Wat zie en hoor je dan? Ben jij het echt die dat kan en mag doen? Al snel raakt Svyatoslav verveeld en keert hij terug naar zijn vaste speeltjes. Het tweejarige jongetje lijkt die hele spiegel alweer vergeten. Totdat hij hem toch weer opzoekt en geheel nieuwe mogelijkheden ontdekt in de wereld achter dat ding aan de muur, waarvan hij zelf stilaan deel is gaan uitmaken. Gaandeweg ontwikkelt hij zoiets als zelfbewustzijn.

’Dat ben ik’, zegt hij aan het eind van de film trots tegen zijn vader en geeft zijn eigen spiegelbeeld een kusje.

The Last Fight


Meteen na de massieve armschroef, waarmee ze het gevecht rigoureus beëindigt, volgt de knuffel. Van opponent, die moest worden vernietigd, is die ander ineens een soort vriendin geworden. Binnen luttele minuten, waarin (vrijwel) alles mag, hebben ze zoveel met elkaar meegemaakt – en elkaar aangedaan. En nu volgt de ontlading: het gevoel van broederschap (of liever: zusterschap).

Marloes Coenen neemt weinig tijd om het zoet van de overwinning te proeven. De volgende uitdager, ene Alexis Dufresne, klopt zich alweer op de borst. Die lusten de Nederlandse kooivechtster, haar betrokken vriend/trainer Roemer Trompert en Coenens sergeant-achtige coach Martijn de Koning rauw. Het is de paradox van vechtsporten: de potentiële hartsvriendin van straks is nu een bitch die he-le-maal kapot gemaakt moet worden.

De 34-jarige Nederlandse fighter kán niet verliezen, zo is de stellige overtuiging van haar begeleidingsteam. Dufresne is niet meer dan een hobbel op de weg naar The Last Fight (76 min.), waarbij Coenen de wereldtitel Mixed Martial Arts (MMA) in de wacht gaat slepen en haar lange carrière op glorieuze wijze zal beëindigen. Is het de hoogmoed, die voor de onvermijdelijke val komt? Voor vechters telt immers alleen het eerstvolgende gevecht.

Deze documentaire van Victor Vroegindeweij registreert van heel dichtbij hoe Coenen en de haren voor elk gevecht in een tunnel proberen te stappen; met oogkleppen op, volledig gefocust op het einddoel. Kan Coenen zich echter nog steeds volledig overgeven aan de bikkelharde trainingen en kan haar lijf dat ook aan? Is ze nog bevattelijk voor de gestaalde, maar ook wat routineuze peptalk van haar coach (‘er is maar één manier en dat is winnen’)? En geloof ze écht volledig in zichzelf als ze haar opponent tijdens het verplichte neus-tegen-neus ritueel voor de wedstrijd diep in de ogen kijkt?

Coenens persoonlijke strijd wordt door Vroegindeweij meeslepend in beeld gebracht. De toevoeging van de Amerikaanse acteur Bruce Dern als verteller, die waarschijnlijk een blik in de ziel van de vechter moet geven, voelt alleen een beetje gekunsteld en leidt ook wat af van de hoofdpersoon zelf, die zich van haar kwetsbaarste kant laat zien. Haar laatste gevecht is in zicht, maar kan ze eigenlijk wel zonder vechten? En (hoe) gaat ze dat gevecht zelf eigenlijk overleven?

Defending Brother No. 2

VPRO

Broeder nummer een, de beruchte Pol Pot, heeft zich nooit hoeven te verantwoorden voor zijn daden als leider van de Cambodjaanse Rode Khmer. De nummer twee van het schrikbewind, dat halverwege de jaren zeventig twee miljoen landgenoten slachtofferde voor een communistisch ideaal, moet wél voor een VN-tribunaal verschijnen.

De Nederlandse advocaten Michiel Pestman en Victor Koppe worden ingevlogen om de inmiddels hoogbejaarde Nuon Chea te verdedigen. Het moet de zaak van hun leven worden, een moderne variant op de Nazi-processen in Neurenberg. In een land dat nog altijd opzichtig worstelt met zijn verleden.

Niet veel later keert Pestman alweer gedesillusioneerd huiswaarts. Koppe wil van geen wijken weten. Hij besluit zelfs definitief naar Cambodja te vertrekken. Kalm maar vastberaden volgt regisseur Jorien van Nes in Defending Brother No. Two (90 min.) gedurende enkele jaren zijn pogingen om de (vermeende) oorlogsmisdadiger ter zijde te staan.

Tijdens het groots opgezette proces tegen Chea, waarin de hele verdorven historie van het Rode Khmer-tijdperk nog eens minutieus wordt doorlopen, hangt intussen voortdurend de vraag boven de markt of Cambodja eigenlijk wel klaar is voor een eerlijke blik in de spiegel.