Killing Escobar

‘Je wordt alleen gevraagd om Pablo Escobar om te leggen als je over de juiste ervaring beschikt’, zegt Peter McAleese, terwijl hij als een echte Hollywood-schurk recht in de camera kijkt. De Schotse huurling had op dat moment zijn strepen al verdiend in vuile oorlogen te Jemen, Angola en Zuid-Afrika. Hij schrok dus helemaal niet van de opdracht om ‘s werelds bekendste drugscrimineel, verantwoordelijk voor zo’n tachtig procent van de cocaïneproductie, naar de eeuwige jachtvelden te helpen. Tuurlijk! Hoeveel schuift het?

Samen met zijn contactpersoon David Tomkins, ook al zo’n principiële strijder als het gaat om goed verdienen, vertrekt McAleese in 1989 naar Colombia om kennis te maken met het Cali-kartel, dat in een bloedige burgeroorlog is verwikkeld met Escobar en z’n criminele vrinden uit Medellin. De opdracht is even simpel als gevaarlijk: Killing Escobar (93 min.). ‘Ik was best zenuwachtig de eerste keer dat ik iemand doodde’, haalt McAleese herinneringen op aan zijn ervaringen als beginnend ‘soldaat’. Over Pablo Escobar zegt hij: ‘Ik heb het nooit beschouwd als moord. Ik zag hem gewoon als een doelwit.’

McAleese en Tomkins besluiten om een eliteteam samen te stellen, dat we voor het gemak The Magnificent Twelve zullen dubben – al zou The Gang That Couldn’t Shoot Straight uiteindelijk ook een adequate benaming blijken. Regisseur David Whitney maakt van hun militair opgezette operatie een spannende actiefilm, compleet met erg vet aangezette scènes op locatie met acteurs. Hij heeft ook beeldmateriaal van de schuinsmarcheerders zelf, die zich natuurlijk eerst te goed doen aan de plaatselijke drank en vrouwen. Daarmee beginnen ze lokaal alleen wat in het oog te lopen. Dus, in de woorden van Peter McAleese: ‘time to leave town’. Met een heel wapenarsenaal, welteverstaan. Op naar Pablo’s vesting.

Voor de geblokte Schot is de actie om Escobar te liquideren een logisch vervolg op een veelbewogen leven, eerder opgetekend in de autobiografie No Mean Soldier, dat van hem een beroepskiller heeft gemaakt. Samen met Tomkins, enkele teamleden, vertegenwoordigers van de Amerikaanse Drugs Enforcement Agency en een paar kopstukken van de Cali- en Medellin-kartels kan McAleese dus meer dan genoeg sterke verhalen uit de losse pols schudden voor een onderhoudende vertelling. En aan het eind, als het water hem aan de lippen komt te staan, vraagt hij als een goede katholieke jongen uit Glasgow vergeving voor zijn zonden.

Want als puntje bij paaltje komt is die McAleese, althans volgens de tamelijk zoetsappige conclusie van deze gelikte actiedocu, toch best een geschikte peer.

Killing Patient Zero

Hij is de geschiedenis ingegaan als de man die AIDS hoogstpersoonlijk naar de Verenigde Staten had gebracht. Ofwel: Patient Zero. Gaétan Dugas, een flamboyante purser van de vliegmaatschappij Air Canada met een ongezonde seksuele behoefte. Hij had meer ‘fuckbuddies’ dan goed was voor wie dan ook. Goed, Gaétan zou zelf in 1984 bezwijken aan dat fatale virus, maar van tevoren wist hij het nog lekker rond te neuken. Totdat iedere … (vul scheldwoord in) doodsbang was voor die ‘homokanker’.

Tot zover de kwaadaardige karikatuur die van Dugas is gemaakt: de culminatie van alle vooroordelen die conservatieve Amerikanen over homo’s hadden, de stok om een complete gemeenschap mee te slaan. In deze documentaire maakt Laurie Lynd, nadat hij met prominente LGBT’ers zoals Fran Lebowitz, Richard Berkowitz en B. Ruby Rich eerst de AIDS-crisis nog eens tot in detail heeft doorgelopen, korte metten met die halfbakken theorie. Killing Patient Zero (98 min.), juist.

Dugas was niet zozeer slachtoffer van zijn eigen hedonistische gedrag – en daarmee ook een soort dader, die moedwillig het virus zou hebben verspreid – maar een klassieke zondebok. En de benaming Patient Zero zelfs het gevolg van een stom misverstand: de O van ‘Out of California’ was aangezien voor een 0. En die nul bombardeerde hem, de man die in tegenstelling tot veel andere gays geen last van ‘geïnternaliseerde homohaat’ had, vervolgens tot de bron van al het HIV-kwaad.

Bill Darrow, onderzoeker van de AIDS Task Force van het Amerikaanse Centers for Disease Control And Prevention, kan er nog altijd niet over uit. Zijn ‘cluster study’ kwam volledig verminkt terecht in het boek And The Band Played On van Randy Shilts, die daarmee het hardvochtige beleid van de regering Reagan ten aanzien van de AIDS-epidemie genadeloos aan de kaak wilde stellen. En passant werd een willekeurige homoseksuele man, ook nog postuum, gebrandmerkt als een gevaar voor de volksgezondheid.

Deze krachtige film maakt van de archetypische losbandige homo uit de jaren zeventig Gaétan Dugas weer een mens van vlees en bloed en voegt zo – in navolging van documentaires als Larry Kramer: In Love And AngerHow To Survive A Plague en 5B – opnieuw een gezicht toe aan de schier eindeloze galerij van AIDS-slachtoffers. Zij representeren een tijd waarin homo’s genadeloos werden afgerekend op het feit dat ze de pasverworven vrijheid om te zijn wie ze altijd al waren in de praktijk hadden gebracht.

S21: The Khmer Rouge Killing Machine

‘Als we uit vrije wil mensen hadden gedood – en ik heb persoonlijk inderdaad mensen gedood – dan zou dat natuurlijk slecht zijn geweest’, legt een voormalige bewaarder in de S21-gevangenis uit aan enkele van zijn familieleden. ‘Maar we volgden alleen bevelen op. Ze dwongen ons.’ Het kwaad zat volgens hem in de leiders van het Rode Khmer-bewind, dat in de jaren zeventig ongenadig huishield in Cambodja. Zij gaven tenslotte de bevelen. ‘Diep van binnen was ik bang voor de slechtheid. Ik was ook bang om zelf te sterven. Ik ben nog altijd bang.’

Regisseur Rithy Panh laat de ‘bekentenis’ van de S21-medewerker direct volgen door de getuigenis van een man, die de horrorplek als één van de weinigen overleefde. ‘Ik werd gearresteerd in Battambang’, vertelt Vann Nath, terwijl hij een schilderij van identieke, geblinddoekte gedetineerden maakt. ‘Ze verhoorden me en martelden me met stroomstoten.’ De man wist niet wat hij verkeerd had gedaan. Na een week gevangenschap werd hij echter samen met een dertigtal anderen geboeid, in een truck gegooid en naar een andere plek vervoerd: Tuol Sleng, een voormalige school in Phnom Penh, die was omgedoopt tot Bureau S21.

Als de schilder en mensenrechtenactivist, een oude man inmiddels, in de prijswinnende documentaire S21: The Khmer Rouge Killing Machine (101 min.) uit 2003 opnieuw op de plek des onheils arriveert, komt hij daar oog in oog te staan met voormalige bewaarders. Zij waren destijds, in de tweede helft van de jaren zeventig, hooguit begin twintig. Jongens nog. Het wordt een bijzonder unheimische ontmoeting, want ook zij voelen zich slachtoffer van de gevreesde Rode Khmer van broeder nummer één, Pol Pot. ‘Als de mensen die hier gewerkt hebben slachtoffer zijn’, wil Nath weten, ‘hoe zit het dan met gevangenen zoals ik?’ De ongemakkelijke stilte wordt snel doorbroken. ‘Dat zijn secundaire slachtoffers’, antwoordt één van de cipiers. ‘Want als je hier niet gehoorzaamde, ging je er zeker aan.’

Het gesprek vormt de aanloop naar een minutieuze ontleding van de wandaden bij Bureau S21. In de administratie ontdekt Vann Nath de veelal Kafkaëske beschuldigingen waartegen de ‘ondervraagden’ zich moesten verdedigen en de grotendeels verzonnen bekentenissen die ze uiteindelijk deden. Hij stuit tevens op de bijzonder bureaucratische geweldsinstructies voor de S12-medewerkers en de gedetailleerde verslagen die zij maakten van hun martelpraktijken. Gezamenlijk vormen ze de bloedeloze weerslag van een ongekend bloedige periode, die met diepgravende interviews en naargeestige re-enactments, een stijlvorm die later in de thematisch verwante gruwelfilm The Act Of Killing naar bijna onverdraaglijke hoogte werd gebracht, nog eens nauwgezet wordt gereconstrueerd.

The devil is in the detail. Letterlijk, in dit geval. Stapvoets werkt S21: The Khmer Rouge Killing Machine zich door de hel die S21 werd voor alle betrokkenen. Zo maakt Rithy Panh (die de Rode Khmer-tijd in 2013 nog met kleipoppetjes zou reconstrueren in The Missing Picture) de verschrikkingen inzichtelijk en invoelbaar van een onmenselijke regime, dat tot oneindige ‘Killing Fields’ zou leiden.

The Oslo Killing

Sundance

Wie vermoordde in 1974 de moeder van Maria Nielsen Iranzo? In haar appartement te Oslo werd de zwangere Deense vrouw op schokkende wijze van het leven beroofd. Terwijl haar vierjarige dochtertje toekeek. Het is een ervaring die Maria vanzelfsprekend nooit achter zich heeft kunnen laten. 45 Jaar na dato start ze haar eigen cold case-onderzoek.

De typische true crime-serie The Oslo Killing (250 min.) belicht alle hoeken en gaten van de geruchtmakende zaak, zet daarbij natuurlijk de nodige dwaalsporen uit en plaatst nét voor het einde van elke aflevering ook steeds een lekkere cliffhanger. Vakwerk, zou je kunnen zeggen. Waarbij Maria, ondersteund door haar oom en neef, bovendien een geloofwaardige protagonist is, voor wie de moordzaak een kwestie van levensbelang is.

Het helpt ook dat deze zesdelige serie van Ingrid Wevang en Pia Lykke niet alleen oude feiten en onderzoekspistes lijkt op te warmen, maar echt probeert om met de hedendaagse technieken nieuw bewijsmateriaal te vinden en daarmee verbanden te leggen. Het blijft alleen wel verdomd lastig om licht te brengen in een zaak die al bijna een halve eeuw onopgelost is. Ook al was er de hele tijd wel degelijk een voor de hand liggende verdachte, die nog eens goed onder handen moest worden genomen.

Behalve op nieuw onderzoek en nieuwe getuigenissen richt deze stevige serie zich tevens op de gevolgen van de moord voor het leven van Maria, die opgroeide bij haar Spaanse vader Enrique (de echtgenoot, sowieso altijd een potentiële verdachte in moordmysteries). In haar pogingen om eindelijk klaarheid te brengen in de zaak van haar moeder stuit ze op onbekende feiten, al dan niet gewillige getuigen én de Noorse bureaucratie, die een bevredigende uitkomst ernstig bemoeilijkt.