Alive Inside: A Story Of Music And Memory

Bond / 360

Kom eens een dagje bij me filmen, zei sociaal werker Dan Cohen ooit tegen filmmaker Michael Rossato-Bennett. Die ene dag werd drie jaar. Samen maakten ze een sprankelende reis door de menselijke geest, via ouderen met dementie en hun relatie met muziek. In 2014 verscheen de weerslag daarvan: Alive Inside: A Story Of Music And Memory (78 min.).

Het procedé oogt al snel vertrouwd: we zien een oudere Amerikaan in het verzorgingshuis Cobble Hill, die in het gat is gevallen dat ooit zijn geheugen was. Hij of zij is nauwelijks meer aanspreekbaar. Daarna toont Rossato-Bennett met foto’s en verhalen van dierbaren de persoon die nog ergens in die verstopte geest en dat broze lijf verscholen moet zitten. En als een duveltje uit een doosje tovert Cohen die vervolgens toch weer tevoorschijn. Met een heel eenvoudig instrument, dat alleen niet wordt vergoed door de zorgverzekering: een iPod met koptelefoon.

‘Er bestaat geen pil die dat kan’, stelt Dan Cohen. ‘Een medicijn kan hooguit de vonk dempen of het licht dimmen, maar kan die nooit naar buiten halen.’ En dat geldt bepaald niet alleen voor ouderen met dementie, toont Rossato-Bennett. Muziek kan ook anderen uit hun isolement halen: psychiatrische patiënten, slachtoffers van oorlogsgeweld in Congo of mensen die vanwege een lichamelijke aandoening aan een ziekenhuisbed zijn gekluisterd. Muziek is ‘the quickening art’, volgens de befaamde neuroloog Oliver Sacks (Awakenings), de kortste route naar het binnenste van de mens.

Het is een kunstvorm die de gehele mens kan raken en die ‘de film die alleen in iemands hoofd wordt afgespeeld’, ook wel geheugen genoemd, weer kan aanzetten. Via Louis Armstrong, The Andrews Sisters of Beach Boys komen beelden, geuren én danspasjes weer terug – ook al is het maar voor even. ‘Ik onderzoek de Ziekte van Alzheimer al 38 jaar’, vertelt dokter Peter Davis. ‘Maar ik heb niets beters te bieden aan mijn patiënten dan muziektherapie.’ Het aanschaffen van iPods – we schrijven begin jaren ’10 – heeft echter meer voeten in de aarde dan wie dan ook zou willen.

Gelukkig zijn er beelden van ouderen zoals Henry, een Afro-Amerikaanse man die helemaal opleeft door gospelmuziek en zo viral gaat, om de zaak vlot te trekken. Behalve een pleidooi voor muziek als ontsluiter van de menselijke ziel wordt Alive Inside, aangestuurd met Rossato-Bennetts enigszins zijige voice-over, daardoor ook een soort aanklacht tegen gezondheidszorg, die mensen reduceert tot patiënten en definieert aan de hand van hun deficiënties. Deze docu toont overtuigend dat zij eerst en vooral nog altijd mens zijn – met een onbedwingbare liefde voor muziek.

The Welcome Table

HBO Max

Aan een welkomsttafel op een dijk bij New Orleans, genaamd Bywater Levee, ontvangt documentairemaker Josh Fox (Gasland) de hoofdpersonen van zijn nieuwe film The Welcome Table (131 min.). Ze komen van heinde en verre, op de vlucht geslagen voor de gevolgen van klimaatverandering. ‘Hoe zijn we hier beland?’ vraagt hij zich halverwege af, in zijn deel van een duo voice-over met de Amerikaanse jazzzanger John Boutté, waarmee deze alarmistische documentaire wordt aangestuurd. ‘Kunnen we hier nog weg? En hoeveel erger gaat het nog worden?’

Fox verwelkomt zijn gasten aan die tafel met muziek, toepasselijke liederen gespeeld door een keur aan muzikanten, en dompelt zich vervolgens onder in de verhalen van deze klimaatvluchtelingen. Hij begint in eigen land bij Ali en haar jonge gezin. Zij woonden in Paradise, California, en zijn in 2018 gevlucht voor een verwoestende natuurbrand. De beelden staan op haar netvlies gebrand: terwijl er een propaantank ontploft, klinkt op de radio een bekende hit van The Bee Gees: stayin’ alive, stayin’ alive ah, ha, ha, ha, stayin’ alive. Terwijl ze hun auto vervolgens door het vuur sturen, kan Ali maar aan één ding denken: ‘Zo wil ik niet doodgaan.’

Daarna begeeft Fox zich naar Brazilië, waar hoosbuien in 2023 een modderstroom op gang hebben gebracht die een hele favela met de grond gelijk maakte en de bewoners, als ze al overleefden, dakloos achterliet. In de Mexicaanse stad Juárez treft Fox een jonge Colombiaanse vrouw, die op de vlucht is voor overstromingen in haar land. Ze is twee jongere zussen kwijtgeraakt bij de grens. Die zijn weggevoerd door de Amerikaanse autoriteiten. En in Italië ontmoet hij de Nigeriaanse bootvluchteling Chris Obehi, die de barre tocht over de Middellandse Zee heeft overleefd en nu carrière maakt als zanger. Non Siamo Pesce, zingt hij. We zijn geen vissen.

Josh Fox reist de halve wereld over. Naar de Maagdeneilanden, om de schade van orkanen op te nemen. Naar het kurkdroge Kenia, waar een heel dorp inmiddels afhankelijk is van één enkele waterput. Naar Peru, om te zien hoe oliewinning het Amazonegebied ernstig verontreinigt. En naar Australië, waar Aboriginals het slachtoffer worden van ‘klimaatgentrificatie’. Heel herkenbaar: in New Orleans, bij die dijk, gebeurde in 2015, na de Orkaan Katrina, precies hetzelfde. Die conclusie trekt de filmmaker steeds weer in deze erg ruim uitgevallen film: de mensen die het minst kunnen doen aan de klimaatverandering, worden er het hardst door geraakt.

Niet in het minst doordat de machthebbers steeds weer nieuwe blokkades voor hen opwerpen. Letterlijk. Met als duidelijkste voorbeeld de spreekwoordelijke muur van de Amerikaanse president Trump en de manier waarop hij ICE loslaat op migranten. Josh Fox schroomt daarbij niet om de vergelijking te trekken met Hitler en Mussolini. Hij probeert sowieso dwarsverbanden te leggen, met grote thema’s zoals migratie, kolonialisme en mensenrechten. En aan het eind dropt Fox nog een klein bommetje: al zijn hoofdpersonen zijn weliswaar uitgenodigd aan zijn tafel op die dijk, maar lang niet iedereen heeft daadwerkelijk een visum voor de Verenigde Staten gekregen.

Simple Minds: Everything Is Possible

Simple Minds

Alle verplichte elementen voor een popdocu zitten erin. Dat begint in Simple Minds: Everything Is Possible (87 min.) al direct met het decor: een grauwe arbeiderswijk in Glasgow, de ideale voedingsbodem voor jongens die méér willen van het leven. En daarmee zijn we meteen aanbeland bij de hoofdpersonen voor zo’n film: Jim Kerr en zijn maatje Charlie Burchill. Volgens de overlevering startte hun ‘bromance’ al in de zandbak bij de Toryglen-flat. ‘Voor sommige mensen houdt de wereld aan het einde van de straat op’, stelt Kerr. ‘Voor Charlie en mij als tieners begon de wereld daar pas.’

En dan begint ook die band, al gauw Simple Minds genaamd. In de jaren dat punk opkomt. Als iedereen denkt dat ie kan spelen en ook vindt dat ie dat moet gaan doen. ‘De barbaren rammelden aan de poort’, aldus Kerr, die wordt gebombardeerd tot zanger. Zijn maatje Charlie heeft zich dan al gemanifesteerd als een verdienstelijke gitarist. Ze gaan samen liedjes schrijven. De twee treden voor het eerst met hun bandje op in januari 1978. Aan zelfvertrouwen over hun ‘artrock’ bepaald geen gebrek. ‘We zijn te goed om genegeerd te worden’, beweren ze tegen de plaatselijke krant.

Na het beluisteren van Joy Division’s signatuuralbum Unknown Pleasures willen ze hun eigen, tamelijk gladde new wave-debuutalbum desondanks bijna in de vuilnisbak gooien. Veel te gepolijst! Een half jaar later al volgt elpee twee. Die hoeft van de band niet ‘commercieel’ te zijn of hits te bevatten. Dat lukt zonder al te veel problemen – tot grote frustratie van hun platenlabel. Zo moeten de Simple Minds – verplicht in dit soort docu’s – eerst de nodige zijpaden bewandelen om dan toch de weg naar de top te vinden. Dat ze die vinden staat overigens vast. Anders zou deze film er nooit zijn gekomen.

Hun lange weg naar de voetbalstadions, waar Kerr, Burchill en de hunnen (die ook hier slechts een bijrol krijgen toebedeeld) moeiteloos mensenmassa’s naar hun hand zetten, wordt in deze docu van Joss Crowley begeleid door oud-manager Bruce Findlay, lieden uit de bandomgeving en de sterproducers die eraan te pas kwamen (John Leckie, Jimmy Iovine en Trevor Horn). En natuurlijk zijn ook vakbroeders zoals Bobby Gillespie (Primal Scream), Bob Geldof (The Boomtown Rats) en Dave Gahan (Depeche Mode) bereid om de status van hun muzikale vrinden – en zichzelf – nog eens te bevestigen.

Na de gloriejaren, waarin de zanger nog een celebrity-huwelijk met Pretenders-boegbeeld Chrissie Hynde ziet floreren en stranden, volgt de onvermijdelijke teruggang – ook verplicht in dit soort bandjesportretten. Kerr en Burchill moeten zich ermee verzoenen dat ze zijn ingehaald door een nieuwe generatie acts, die te goed is om genegeerd te worden. Als rechtgeaarde stadionband zijn ze weer veroordeeld zijn tot gewone zalen. Dan komt onvermijdelijk ook de vraag op tafel: hebben de Simple Minds nog toekomst? Ja dus. Ze spelen nog altijd, in een steeds vernieuwende bezetting. 

‘We zeggen niet: we zijn terug, maar: dit hebben we met ons leven gedaan’, heeft Jim Kerr dan nog een oneliner paraat. ‘En als er zoveel op het spel staat, moet je wel elke avond alles geven.’ Zijn boezemvriend Charlie vult aan: ‘We waren tot het inzicht gekomen dat we net als oude blueszangers tot onze laatste snik door zouden gaan. Dat was ons statement.’ En dus maken ze zich op, het laatste elementaire element van dit type (leuke) popdocu, voor de grootste tournee in jaaaren.

Stranded

Zeitgeist Films

Over sommige onderwerpen raken we nooit uitgesproken – of gefilmd. De Vliegramp in de Andes bijvoorbeeld, nu ruim een halve eeuw geleden. Een vliegtuig met aan boord een Uruguayaans rugbyteam en aanhang, op weg naar een toernooi in Chili, crasht in oktober 1972 op een bergtop. Het toestel wordt uiteengereten, diverse bemanningsleden en passagiers zijn op slag dood en de overlevenden moeten zich te midden van de bergen, sneeuw en ijzige kou zien te redden. Een deel van hen overleeft uiteindelijk maar liefst 72 dagen, onder meer door hun gestorven medepassagiers (deels) op te eten.

Dit ongelooflijke, afschuwwekkende en toch hoopvolle verhaal heeft inmiddels twee ijzersterke speelfilms opgeleverd: Alive (1993) en, ruim dertig jaar later, de Spaanse Oscar-kandidaat La Sociedad De La Nieve (2024). En behalve talloze tv-docu’s heeft de Andesvliegramp ook al geresulteerd in een gezaghebbende documentaire: Stranded (112 min.) uit 2007. Regisseur Gonzalo Arijon groeide op met enkele inzittenden van vlucht 571 van 13 oktober 1972 en wist alle overlevenden van de ramp en enkele familieleden zover te krijgen dat ze wilden meewerken aan zijn film. Samen keerden ze, soms vergezeld door hun inmiddels volwassen kinderen, terug naar de plek des onheils.

De stap om mensenvlees te gaan eten – waarbij de kwalificatie ‘kannibalisme’ toch echt misplaatst lijkt – krijgt daarbij vanzelfsprekend de nodige aandacht. ‘Als je de stap eenmaal hebt gezet en zogezegd aan de overkant bent beland, zie je dat er niets vreemds gebeurt’, vertelt Roberto Canessa, die als arts in opleiding een bijzondere verantwoordelijkheid voelde. ‘Natuurlijk, het was bizar, maar dit was een probleem dat we tenminste zelf konden oplossen.’ Contact met de buitenwereld was een andere zaak. Terwijl hun familie steeds hoop bleef koesteren, hadden de plaatselijke autoriteiten hen eigenlijk al opgegeven. Gewoon wachten op een reddingsactie zou hen dus fataal zijn geworden.

De zestien overlevenden waren volledig op zichzelf en elkaar aangewezen. Daar – in menselijkheid, solidariteit, moed en verbondenheid – zit de kern van hun ontzagwekkende verhaal en deze al even imposante film, die met de getuigenissen van de direct betrokkenen, gereconstrueerde scènes een bezoek aan die ijzige en verlaten gletsjer in de Andes hun ervaring op de grens van leven en dood in het midden van helemaal nergens heel behoorlijk weet te benaderen. Stranded komt tot een climax tijdens een emotioneel weerzien bij de Vallei van de Tranen, waar een gedenkplaats is ingericht voor de 29 slachtoffers van de vliegramp, die er met hun lijf voor zorgden dat de anderen konden leven.

‘Onze ouders leven verder in jullie’, zegt een zoon geëmotioneerd tegen de Andes-veteranen, terwijl ze met zijn allen gearmd in een kring gaan staan.

Missing: Dead Or Alive

Netflix

In het meest optimistische scenario eindigt hun zoektocht met een teken van leven. Rechercheur Vicki Rains en haar collega’s van de Missing Persons Unit van de politie van Richland County vrezen echter dat Lorraine Garcia niet meer in leven is. En haar volwassen zoon Tony zou daarvoor dan wel eens verantwoordelijk kunnen zijn. De Irak-veteraan heeft op zijn minst wat uit te leggen: waarom heeft hij niet gemeld dat ze al twee maanden wordt vermist, ruikt haar hele huis naar bleekmiddel en blijkt die woning ook nog eens zomaar verkocht?

Het is aan Vicki en haar collega-agenten om vast te stellen: Missing: Dead Or Alive (192 min.)? In deze vierdelige serie volgt Alexander Irvine-Cox (Beneath The Surface), ogenschijnlijk in real time, het onderzoek van de speciale eenheid uit South Carolina. Na de casus van de verdwenen moeder, die uiteindelijk heel anders uitpakt dan verwacht, volgt bijvoorbeeld de vermissing van de tienjarige Amirah Watson, die na haar allereerste weekendbezoek niet is teruggebracht naar haar wettige voogd, vader Mansoor. Want moeder Tynesha Brooks is ervan overtuigd dat hij zijn dochter mishandelt. En dan is er nog een vermiste oudere man. Zijn truck wordt langs de kant van de snelweg aangetroffen. Hij was op weg om een winnend kraslot, goed voor 10.000 dollar, te gaan verzilveren.

Voor een buitenstaander blijft het verbazingwekkend dat elementaire onderdelen van het politieonderzoek, zoals een huiszoeking, het benaderen (en vermanend toespreken) van getuigen en de verhoren van mogelijke verdachten, zomaar kan worden gefilmd en dat de direct betrokkenen daarmee blijkbaar – tenminste, daar gaan we vanuit – akkoord zijn gegaan. Dit pakt soms enerverend en dramatisch uit (waarbij het wel de vraag is of de waarheid zo nu en dan misschien een handje is geholpen) en op andere momenten juist erg cheesy en Amerikaans (want de betrokken politiemensen zijn zich er duidelijk van bewust dat ze worden gefilmd, weten wat er van hen wordt verwacht en hebben zich daarbij ongetwijfeld ook nog flink laten regisseren).

Het zit in de aard van dit soort politiewerk dat niet elke verhaallijn, waarvan de ontknoping doorgaans overigens wordt uitgesteld tot de volgende aflevering, een bevredigende afloop heeft. Tussendoor portretteert Irvine-Cox de verschillende teamleden, die ingaan op waarom ze dit vak uitoefenen, welke zaken het meeste indruk op hen hebben gemaakt en hoe (en óf) ze het volhouden. Want de race tegen de klok in emotioneel belastende zaken drukt soms zwaar op hun gemoed in deze miniserie, die zo nu en dan een beetje ‘too good to be true’ lijkt te zijn.

Pearl Jam Twenty

Vinyl Films

Voordat Pearl Jam kon ontstaan ‘moest’ eerst Mother Love Bone ter ziele gaan. Om precies te zijn: zanger Andrew Wood. Hij bezweek aan een drugsverslaving. ‘Dat was de dood van de onschuld van de plaatselijke scene’, zegt Chris Cornell, de latere frontman van een andere rockband uit Seattle, Soundgarden, terwijl hij zijn tranen probeert weg te slikken. ‘Niet de dood van Kurt Cobain, die enkele jaren later de hand aan zichzelf sloeg.’ De beelden van Wood in een ziekenhuisbed, in leven gehouden met allerlei apparatuur, zouden niet alleen Cornell, die in 2017 een einde aan zijn leven maakte, altijd bijblijven.

Het overlijden van Andy Wood noopte de andere leden van Mother Love Bone om een nieuwe groep te beginnen: Pearl Jam. Samen met Soundgarden en Cobains Nirvana zou die zich ontwikkelen tot de vaandeldrager van grunge. Pearl Jam moest daarvoor eerst nog wel een nieuwe zanger rekruteren: een verlegen jongen uit San Diego met een machtige stem, Eddie Vedder. De rest is rockgeschiedenis. En die wordt in Pearl Jam Twenty (119 min.) door Cameron Crowe, een voormalige popjournalist die halverwege de jaren tachtig in Seattle kwam wonen en de bandleden ooit nog liet opdraven in zijn speelfilm Singles (1992), uitgeserveerd met een overload aan nieuwe en oude interviews, videoclips en opwindende concertbeelden.

Het klassieke optreden van de band op het Pinkpop-festival in 1992, waarbij Vedder van aanzienlijke hoogte in het uitzinnige publiek springt, krijgt daarbij bijvoorbeeld alle ruimte. Pearl Jams verleden is sowieso uitstekend gedocumenteerd. Dit bandportret uit 2011, gemaakt ter gelegenheid van het twintigjarige bestaan, bevat zelfs beelden van de tweede show van het Amerikaanse vijftal. En ook het catastrofale optreden op Roskilde in 2000, waarbij negen fans worden verdrukt en om het leven komen, mag natuurlijk niet ontbreken. Die dramatische gebeurtenis fungeert als breuklijn in de bandhistorie en deze boeiende weerslag daarvan.

Daarvóór kon Pearl Jam met enige goede wil nog worden beschouwd als een toonaangevende band, die mede richting gaf aan de laatste tien jaar van de twintigste eeuw en die in vrijwel elk land – men neme in Nederland bijvoorbeeld Kane – zijn eigen gladgestreken kloon kreeg. Daarná werd de groep, op eigen voorwaarden, definitief onderdeel van de gevestigde orde. Een onvervalste rockdinosaurus, zo’n band die tegenwoordig ook wel met de kwalificatie ‘dadrock’ wordt opgezadeld. Tegen die tijd hadden Eddie Vedder en de zijnen echter allang hun allergrootste problemen met beroemd zijn achter de rug – of hun eigen manier gevonden om daarmee om te gaan.

Ruim tien jaar zijn sindsdien alweer verstreken. Pearl Jam is inmiddels dik dertig, draait nog altijd mee in de popwereld en weet daarmee ook nog steeds een aanzienlijk publiek aan zich te binden. Dat galmt dat ze nog steeds Alive zijn. Of heerlijk zwelgt in Black.

The Bee Gees: How Can You Mend A Broken Heart

Barry Gibb, 75 jaar inmiddels, is de laatste der Bee Gees. De andere twee broers, de tweeling Robin en Maurice, zijn al enige tijd overleden. Met de soundtrack voor de film Saturday Night Fever maakten ze in 1977 het best verkochte album aller tijden. Totdat Michael Jackson hen met Thriller van de troon stootte. Hun muziek leeft echter voort, zoals dat dan zo mooi heet.

Frank Marshall stoft de roerige geschiedenis van de drie gebroeders vakkundig af in The Bee Gees: How Can You Mend A Broken Heart (111 min.). Via interviews met Barry, oude vraaggesprekken met zijn broers, herinneringen van intimi en de verplichte loftuitingen van collega’s (zoals Eric Clapton, Noel Gallagher, Chris Martin en Justin Timberlake; hun bijdragen passen overigens zo in dit hilarische Twitterdraadje) tekent hij hun opkomst, ondergang én wederopstanding op.

Het verhaal moge bekend zijn: hoe de Gibb-broers in de sixties, als een soort Australische surrogaat-Beatles, eerst uiterst succesvol werden, vervolgens ernstig gebrouilleerd raakten en daarna, via het ontdekken van hun eigen falsetstem, de weg omhoog terugvonden in de hoogtijdagen van disco. Met kneiterhits als Stayin’ Alive, How Deep Is Your Love en Night Fever als gevolg – en een positie als pispaal voor alle discohaters.

Intussen raakte hun jongere broer Andy Gibb, die op eigen kracht een tieneridool was geworden, steeds verder in de problemen en begonnen de Bee Gees zich toe te leggen op het produceren van collega’s als Barbra Streisand, Diana Ross en Celine Dion. Totdat de tijd hen definitief inhaalde. Het is een tamelijk stereotiep popverhaal, dat nochtans met veel plezier wordt verteld en natuurlijk helemaal is volgestort met hits.

Young @ Heart

Searchlight Pictures

Dat je je vanaf de allereerste minuut kapot ergert aan de werkwijze van de Britse regisseur Stephen Walker.

Aan zijn popi, nét te uitleggerige voice-overs over het Amerikaanse ouderenkoor dat centraal staat in Young @ Heart (108 min.) uit 2007. In de ik-vorm nota bene, zodat we hemzelf toch echt niet over het hoofd zien.

Aan zijn kruiperige interviewtechniek als hij bij de oudjes thuis naar de bekende weg komt vragen over leven, dood en zingen.

Aan z’n quasi-verbazing over de dwarse repertoirekeuze van dirigent Bob Cilman voor het koor: Jimi Hendrix, The Clash en Sonic Youth.

Aan de manier waarop hij die in beelden uitdrukt: opengesperde ogen, ongelovige glimlachjes en – te langen leste – verrukte gezichtsuitdrukkingen bij zowel de koorleden zelf als hun enthousiaste publiek.

Aan die enkele, toch wel héél erg ingewikkelde nummers (James Browns I Feel Good en Yes We Can Can van Allen Toussaint) die de bejaarde koorleden nauwelijks ingestudeerd krijgen, een proces dat natuurlijk lekker lang wordt uitgemolken.

En dat je dan, ondanks Walkers opzichtige pogingen om de hele boel, bijna letterlijk, om zeep te helpen, tóch overstag gaat.

Voor die onweerstaanbare combinatie van de zegeningen en kwalen van ouderdom (waarin ziekte en de dood vanzelfsprekend niet ontbreken) en Young At Heart’s ferme, dolkomische of ontroerende interpretaties van popklassiekers als Road To Nowhere (Talking Heads), I Wanna Be Sedated (The Ramones), Stayin’ Alive (The Bee Gees) en het speciaal voor de gelegenheid met een zuurstofpomp uitgeruste Fix You (Coldplay).


Daartegen is zelfs een koekenbakker als Stephen Walker (*) niet opgewassen.

(*) die, vooruit, kundig de kracht van het koor vat, de muziek zoveel mogelijk het werk laat doen en ook het onvermijdelijke drama rond enkele individuele leden goed heeft opgetekend.