De Sneijder-tapes

Jeffrey (l) en Wesley (r) Sneijder / NOS

Ooit zaten er drie Sneijdertjes in de jeugdopleiding van Ajax. Wie van de drie Utrechtse broers zou slagen, lag toen nog in de toekomst verscholen. De oudste, Jeffrey, redde het uiteindelijk niet, mede door blessures. De benjamin Rodney zou wél het betaald voetbal halen, maar niet de top. Dat bleek alleen weggelegd voor Wesley Sneijder, die het zelfs schopte tot recordinternational van Oranje. Hij – en niet Jeffrey of Rodney – is ook de hoofdpersoon van een door Kees Jansma geschreven biografie, genaamd Sneijder.

In 2012 trok Kees Jongkind naar Milaan, waar de spelmaker toentertijd de sterren van de hemel speelde voor Inter. Hij had een aardige verrassing voor Sneijder: beelden uit de tijd dat hij als negenjarige jongen in de Ajax-jeugd speelde en materiaal van tien jaar later, toen hij nadrukkelijk aan de deur klopte bij het eerste elftal. Ofwel: De Sneijder-tapes (47 min.), samengesteld uit nooit eerder vertoond ruw materiaal voor een film die Rimko Haanstra en Klaas Vos maakten over de jeugdopleiding van de Amsterdamse voetbalclub (die enkele jaren eerder zeer kritisch was geportretteerd in Roel van Dalens documentaire Ajax: Daar Hoorden Zij Engelen Zingen).

‘Er is een enkele speler uit de jeugd die misschien doorbreekt naar het eerste van Ajax’, zegt vader Barry Sneijder, die zich volledig wegcijferde voor de voetbalopleiding van zijn zoons, tijdens een interview uit 1993. ‘En die enige kun je natuurlijk zijn. Maar je kunt het ook niet zijn. En dat is wat ik ze dan ook wel vertel.’ Dat wordt door Jongkind geïllustreerd met een tamelijk pijnlijke scène uit het televisieprogramma Holland Sport, waarin Jeffrey Sneijder opdraaft als ‘de grote broer van’. Hij kwam uiteindelijk bij Elinkwijk terecht, in plaats van bij Real Madrid. Ooit, in een interview met Haanstra en Vos, zaten ze nog gebroederlijk naast elkaar, als guitige jochies die een droom deelden.

Daarin zit ook de meerwaarde van deze aandoenlijke tv-docu, die de ontwikkeling van de aankomende wereldster Wesley Sneijder en zijn respons daarop in beeld brengt, maar vooral ook laat zien voor hoe weinig talenten daadwerkelijk een topsportcarrière is weggelegd. Van zijn vroegere jeugdteam heeft bijvoorbeeld alleen Johnny Heitinga, volgens Sneijder destijds de absolute nummer één van het elftal, ook de wereldtop gehaald. De rest heeft al die jaren voor niets – of gewoon voor de lol – thuis tegen een bal in een netje staan trappen, zoals de hoofdpersoon als negenjarige voor de camera demonstreert aan zijn latere zelf. Die kijkt goedkeurend toe: zo is hij geworden wie hij nu is.

De Sneijder-tapes is hier te bekijken.

Schijnbewegingen: Over Voetbal En Dans

Rudi van Dantzig & Johan Cruijff / NOS Collectie Rudi van Dantzig

Hij oogt als een vis in het water: Johan Cruijff in een balletzaal. Geconcentreerd kijkt de beste Nederlandse voetballer aller tijden toe hoe choreograaf Rudi van Dantzig aan het werk is met Clint Farha, de topdanser van het Nationaal Ballet. Hij herkent de hand van de meester. Van Dantzig geeft het ritme aan en laat zijn protegé zweten. Er wordt urenlang gerepeteerd.

‘En iemand wie keihard traint’, stelt Cruijff op geheel eigen wijze in Schijnbewegingen: Over Voetbal En Dans (59 min.) uit 1988. ‘Dat is bloed, zweet en tranen.’ De toenmalige trainer/coach van Ajax, in die tijd vrijwel altijd met een sigaret in de hand, heeft tegenover Van Dantzig plaatsgenomen voor een tweegesprek onder leiding van Frits Barend, waarin de overeenkomsten tussen voetbal en ballet worden onderzocht. Van Dantzig stelt op zijn beurt dat hij zich regelmatig heeft laten inspireren door het Ajax van Cruijff en Michels.

Voor hedendaagse begrippen zou het dubbelinterview met de twee grootheden soms wel een zetje of wat meer tempo kunnen gebruiken. Het wordt in deze tv-docu, geregisseerd door Piet Erkelens en Pim Marks, echter omlijst door fraaie sequenties van een indrukwekkende solo van Farha (op Bachs Air On G String) en hoogstandjes van topspits Marco van Basten (opgeleukt met lekker campy jaren tachtig-muziek).

Schijnbewegingen wordt bovendien tot een fraaie climax gebracht met een meeslepende parallelmontage van een voorstelling van de excellerende Farha en het Nationaal Ballet en een Europa Cup 2-wedstrijd waarin het Ajax van Van Basten, Menzo en Rijkaard het in de eigen Meer opneemt tegen het Zweedse Malmö FF. Sport en kunst verworden in die apotheose voor heel even tot elkaars evenbeeld.

Naderhand geeft Van Dantzig zijn protegé in de coulissen een welgemeend schouderklopje en wordt in de Ajax-kleedkamer luidkeels ‘Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruuuiiijjjff’ gezongen.

Becoming Zlatan

Waarom werd juist Zlatan Ibrahimovic een absolute wereldster en weet hij, inmiddels dik in de dertig, nog altijd van geen ophouden? Die vraag ligt impliciet onder de documentaire Becoming Zlatan (95 min.) uit 2016. In deze fijne sportfilm belichten Fredrik en Magnus Gertten hoe het Zweedse voetbaltalent Zlatan Ibrahimovic het fenomeen ‘Zlatan’ werd – hoewel hij dat volgens Mido, de Egyptische aanvaller die zijn directe concurrent was bij Ajax, eigenlijk van jong af aan al was geweest.

‘Ik koop nooit een speler zonder hem in de ogen te kijken’, stelt de toenmalige technisch directeur van Ajax, Leo Beenhakker. ‘Het was bijzonder: hij was 19, maar keek me recht in de ogen. Binnen een half uur waren we klaar. Vraag me niet waarom. Vraag me niet waarom je verliefd wordt op het ene meisje en niet op het andere.’ Zlatan had, volgens de altijd smakelijk formulerende Beenhakker, dat ene. Je ne sais quoi. Een onmiskenbaar vuur in de ogen.

Luciano Moggi, de directeur van Ibrahimimovic’ volgende club Juventus formuleert het anders. ‘Als hij geen voetballer was, was hij waarschijnlijk fietsendief geworden’, zegt hij lachend. Dat is wat minder bezijden de waarheid dan het in eerste instantie misschien lijkt. De boomlange sterspits groeide op in een getroebleerd migrantengezin in Zweden. Zijn ouders waren afkomstig uit het voormalige Joegoslavië en konden hem geen veilige thuisbasis bieden. Ibra, die zichzelf een zigeuner noemt, werd een onvervalst straatratje. Óók op het veld.

Een joch dat nog wel eens een elleboog wilde uitdelen en zo nu en dan in de clinch lag met alles en iedereen, zo wordt duidelijk in deze grotendeels uit archiefmateriaal opgebouwde film, die zijn roerige tijd bij Ajax (2001-2004) als uitgangspunt neemt. In die periode stoomde hij zichzelf klaar voor een loopbaan bij de grootste clubs van Europa. Insiders als David Endt, Ronald Koeman en Marco van Basten en zijn medespelers Mido, Jan van Halst, Jari Litmanen en Andy van der Meijde hebben levendige herinneringen aan het enfant terrible waarmee ze toen te maken hadden.

Parallel aan Zlatans Amsterdamse periode schetsen de gebroeders Gertten zijn ontwikkeling als tiener in Malmö. Ook toen waren er diverse momenten waarop zijn loopbaan een verkeerde afslag had kunnen nemen. Het succes dat nu, met de wijsheid van achteraf, zo vanzelfsprekend lijkt, kwam in werkelijkheid tot stand door een mengeling van talent, geluk en doorzettingsvermogen. Waarbij Zlatan over het vermogen bleek te beschikken om juist als alle signalen op rood leken te staan het allerbeste uit zichzelf te halen.

Deze documentaire toont daarvan het ultieme voorbeeld: na de tumultueus verlopen vriendschappelijke interland Nederland – Zweden, waarin Ibrahimovic teamgenoot Rafael van der Vaart blesseerde, scoorde hij de mooiste goal uit zijn Ajax-periode.

Nummer 14 Johan Cruijff

Als Nummer 14 Johan Cruijff (85 min.) één verdienste heeft, dan is het dat de film uit 1973 de beste Nederlandse voetballer aller tijden in volle glorie laat zien. Johan Cruijff dartelt, kapt, draait, passt, protesteert, pingelt, hakt, versnelt, bikkelt, dirigeert, zet voor, provoceert, kopt, wijst, gaat neer én scoort. Natuurlijk. Altijd in beweging, vaak in slow-motion. En steevast begeleid door muziek: zwierige jazz of de lyrische themamuziek van Tonny Eijk (die eigenlijk alles uitdrukt wat er valt te zeggen over Cruijff).

‘Ik heb van mezelf nog nooit van zijn leven een hele goeie wedstrijd zien spelen’, zegt hij tijdens een interview thuis in Vinkeveen, in de taal die zijn handelsmerk zal worden. ‘Dus helemaal één goeie wedstrijd.’ De jonge Cruijff wijdt uit: ‘Je hebt ook heel vaak dat je voor jezelf een goeie wedstrijd gespeeld heb, maar dat niemand ziet dat je een goeie wedstrijd gespeeld hebt. Plus dat veel mensen zeggen: je heb wel goed gespeeld. Terwijl je in wezen niet goed gespeeld hebt.’

Ook prachtig: hoe Cruijff in deze film van sportjournalist Maarten de Vos (en zijn eigen schoonvader/zaakwaarnemer Cor Coster) thuis de Europa Cup 1-finale van Ajax tegen Inter Milan uit 1972 terugkijkt op televisie en (speciaal voor de documentaire) commentaar geeft bij de close-up beelden die van hem en zijn directe tegenstander, de ouderwetse mandekker Gabriele Oriali, zijn gemaakt. Hij spoelt de videoband zelfs even terug om te demonstreren hoezeer hij steeds, met onreglementaire middelen, in zijn spel wordt gehinderd.

De Cruijff van Ajax was dus al vóór zijn vertrek naar FC Barcelona in 1973 (een periode die poëtisch wordt behandeld in de documentaire Johan Cruijff: En Un Momento Dado en de Spaanse film Cruyff: The Last Match) behoorlijk wereldwijs. Een betweter, zoals critici hem nog vaak zullen noemen. In deze klassieke sportfilm schemert daar zo nu en dan nog eens het jongetje Johan doorheen.

Als hij over zijn, jong overleden, vader vertelt, bijvoorbeeld. Of voorgaat in een trip nostalgia door Betondorp, de wijk waar hij opgroeide en nu zijn moeder, pleegvader en jeugdvrienden tegenkomt. En die ene buurman, die nog altijd in zijn tuin zit te wroeten. Hij pakte vroeger regelmatig Johans bal af. Iets waar de Oriali’s van deze wereld hem om zouden gaan benijden.

Natuurlijk, naar hedendaagse maatstaven is Nummer 14 Johan Cruijff een tamelijk trage documentaire, die ogenschijnlijk willekeurig schakelt tussen interviews met de hoofdpersoon, achter de schermen-scènes en overvloedige wedstrijdbeelden. Tegelijkertijd is de film een wezenlijk onderdeel geworden van De Mythe Cruijff, het definitieve beelddocument over zijn Ajax-periode. Een nostalgisch stemmende weerslag bovendien van een tijd, waarin topsporters ineens een popsterrenstatus konden krijgen.

Retour Madrid

In een tijd dat voetbal nog volledig in zwart-wit werd gespeeld, de belangrijkste bijzaak van de wereld eigenlijk een veredelde amateursport was en profspelers er dus regelmatig een herenmode- of sigarenzaak op na moesten houden, trad Ajax, net als komende week, ook al eens aan tegen Real Madrid. In 1967, in de eerste ronde van de Europa Cup 1, om precies te zijn. Na een 1-1 gelijkspel in Amsterdam maakte de ploeg van trainer Rinus Michels en spelers als Nuninga, Groot, Keizer, Swart en dat ene ontluikende supertalent uit Betondorp zich op voor een Retour Madrid (20 min.). In de Spaanse hoofdstad moest Ajax spelen tegen ‘De Koninklijke’, de succesvolste Europese voetbalclub van na de Tweede Wereldoorlog.

Nederland stelde destijds op Europees niveau bar weinig voor. Het totaalvoetbal, waarmee het Ajax van de dan inmiddels tot ‘De Generaal’ gebombardeerde Michels en zijn meesterlijke rechterhand Johan Cruijff begin jaren zeventig de wereld zou gaan domineren, stond nog in de kinderschoenen. In deze korte documentaire van Bert Haanstra uit 1968 oogt Michels als een ouderwetse schoolmeester, die bij zijn wedstrijdbespreking natuurlijk gebruik maakt van een traditioneel schoolbord. Het gaat maar om één ding, houdt hij zijn ploeg voor: geen seconde verslappen. En de latere ‘nummer veertien’ draagt intussen nog gewoon numero negen en wordt bovendien consequent ‘Cruijffie’ genoemd.

De commentator van dienst is niemand minder dan Philip Bloemendal. Met zijn deftige dictie en woordspielerei eist de onvergetelijke Polygoon-stem de absolute hoofdrol op. ‘Enfin’, concludeert hij met de gebruikelijke zwier en metalige stem, ‘Ajax is alle bevangenheid kwijt’ in ’de hel van Bernabeu’. Bloemendal, die zijn voice-overs waarschijnlijk echt pas achteraf heeft opgenomen, laat zich niettemin flink meeslepen door de hectiek van de wedstrijd in Madrid, die de hoofdmoot van deze compacte film vormt. ’Schieten, Cruijffie!’, roept hij tijdens de bloedstollende verlenging. ‘Oh, moeder! Oh, wat een kans!’ Hij is ook degene die de gaten moet dichten als de ene cameraman die toentertijd verantwoordelijk was voor de wedstrijdregistratie eens een belangrijk spelmoment heeft gemist.

Hoe groot het sportieve belang van de Nederlands-Spaanse tweekamp toentertijd ook was, Retour Madrid oogt nu bijna als een schoolreisje voor volwassenen, waarbij de Ajacieden zowaar eens met het vliegveld naar het buitenland mogen (en Johan zelfs in de cockpit), de kans krijgen om op het imposante Madrileense veld te trainen (maar niet bij de doelen!) en zich kunnen vergapen aan de goedgevulde bekerkast van de Spaanse club (waarin alleen de zilvervloot ontbreekt). En natuurlijk, zoals toentertijd ook gebruikelijk was in de Polygoon-journaals, wordt er altijd tijd ingeruimd voor hoogwaardigheidsbekleders, in dit geval een bezoek van een lid van de koninklijke familie. Terwijl haar Madrileense echtgenoot natuurlijk de thuisclub steunt, belooft prinses Irene plechtig dat ze voor Ajax zal supporteren.

Dit bijzonder vermakelijke tussendoortje van de grootmeester Haanstra, die in 1958 al een Oscar had gewonnen met zijn film Glas, blaast zo met verve het stof van het Nederland van de jaren vijftig, die hier te lande tot dik in de jaren zestig hebben geduurd. Daarbij komt een nostalgische voetbalwereld tevoorschijn, waarin de zilvervloot nog kan worden gewonnen, rond het veld voortdurend opgewekte marsmuziek klinkt en het publiek ‘boe!’ roept na overtredingen. En juichen gebeurt lekker ouderwets: bij een doelpunt steken ze simpelweg hun armen recht in de lucht en beginnen een heel klein beetje, niet te overdreven, op en neer te springen.

De korte documentaire Retour Madrid is hier in zijn geheel te bekijken.

The Waldheim Waltz

Tegenwoordig zou het vast niet lang duren voordat Kurt Waldheim in het openbaar aan het kruis zou worden genageld. Een politicus die zo’n twijfelachtig oorlogsverleden verbergt is altijd slechts een muisklik verwijderd van totale ontluistering. Die zal zich waarschijnlijk geen kandidaat stellen voor het presidentschap van Oostenrijk. Hij is wel wijzer; ‘ze’ zullen het verleden nooit laten rusten.

In de twintigste eeuw waren er echter nog geen sociale media en kon Waldheim gewoon secretaris-generaal van de Verenigde Naties worden. Van 1972 tot 1982 bekleedde hij die prestigieuze post. Terwijl er al sinds de Tweede Wereldoorlog twijfel was over zijn naziverleden en de vraag werd opgeworpen of hij een actieve rol had gespeeld bij partizanenjacht in Joegoslavië en betrokken was geweest bij Jodenvervolging. Die geruchten bleven echter onder de pet.

Pas in 1986, in de nasleep van Claude Lanzmanns vernietigende Holocaust-documentaire Shoah, werd Waldheims verleden alsnog grondig onderzocht en kwamen er documenten boven tafel, die leken aan te tonen dat Waldheim bepaald niet de onwillige, dienstplichtige militair was geweest die steevast de hoofdrol had gespeeld in zijn eigen verhalen over de Tweede Wereldoorlog. Déze Kurt Waldheim had gediend onder de beruchte Oostenrijkse generaal Alexander Löhr, die in 1947 was geëxecuteerd vanwege oorlogsmisdaden.

Ruim dertig jaar later analyseert Ruth Beckermann het politieke schandaal, waarbij ze destijds zelf als demonstrant en documentairemaker nauw betrokken was. Met louter archiefmateriaal tekent ze de commotie op rond de man die zichzelf typeerde als een ‘fatsoenlijke soldaat’. Terwijl Waldheim in de hele wereld wordt uitgemaakt voor oorlogsmisdadiger, blijft de Österreichische Volkspartei en een groot deel van de bevolking hem in de rug dekken.

Interessante materie voor een boeiende film. The Waldheim Waltz (91 min.) vraagt desondanks doorzettingsvermogen. Beckermanns contemplatieve voice-overs en de tijd die ze neemt voor het opzetten van de affaire stellen het geduld van de – met social media (her)opgevoede – kijker aan het begin van de film danig op de proef. Gaandeweg wordt ook die echter meegenomen in de vertelling, waarin Waldheim wordt opgevoerd als de verpersoonlijking van Oostenrijks moeizame verhouding tot de oorlog. Was het land méér dan het eerste slachtoffer van Hitlers dadendrang?

Exemplarisch is in dat verband Waldheims zoon Gerhard, die ervoor kiest om zijn vader en diens (opgeschoonde) herinneringen aan de oorlog onvoorwaardelijk te geloven. Het komt hem tijdens een hoorzitting in het Amerikaanse parlement op een publieke schrobbering te staan door het Joodse congreslid Tom Lantos, die zijn hele familie verloor tijdens de Tweede Wereldoorlog en de waarheid in zijn aanwezigheid niet laat verloochenen. Het is de gehele affaire in het klein, op het scherpst van de snede uitgevochten.

In 1989 werd Kurt Waldheim door het zogenaamde staafincident overigens nog ongewild onderwerp van gesprek onder Nederlandse voetballiefhebbers. Tijdens de wedstrijd van Ajax tegen Austria Wien zorgde cabaretier Freek de Jonge als gaststadionspeaker voor consternatie met de mededeling dat er telefoon was voor de heer Waldheim. Of hij misschien de heer Wiesenthal wilde terugbellen.

Niet veel later werd de Oostenrijkse keeper Franz Wohlfahrt geraakt door een ijzeren staf, die was gegooid vanaf de tribune. De Amsterdamse club zou een jaar worden uitgesloten van Europese wedstrijden.

De Prijs Van De Hemel

 

Morgen komt waarschijnlijk een jongensdroom uit. In Camp Nou, het imposante voetbalstadion van FC Barcelona, staat PSV-middenvelder Pablo Rosario dan in zijn eerste Champions League-wedstrijd tegenover de superster Lionel Messi. Zes jaar geleden belichtte regisseur Jack Janssen het leven van de dertienjarige Rosario in de documentaire De Prijs Van De Hemel (61 min.).

De verwachtingen zijn dan al hooggespannen rond de HAVO-scholier met de paardenstaart. Volgens zijn jeugdtrainer bij de Amsterdamse amateurclub DWS wordt Pablo Paulino Rosario zelfs beter dan Ruud Gullit, die samen met Frank Rijkaard bij dezelfde vereniging speelde. Hij staat in de belangstelling van Ajax, Feyenoord en zijn huidige werkgever PSV. Vertegenwoordigers van die clubs blijven hem met voorstellen bestoken. Aan Pablo de keuze…

Pa Rosario treedt op als zaakwaarnemer. Ook hij denkt dat zijn zoon de top gaat halen. ‘Hij komt absoluut in het Nederlands elftal te spelen.’ Tegelijkertijd ziet de van oorsprong Dominicaanse spraakwaterval ook beren op de weg. ’Er zijn hele mooie vrouwen die je het hoofd helemaal op hol kunnen brengen’, oreert hij tegen zijn zoon. Pablo moet ervoor zorgen dat hij op een dag ‘een kusje en ketting van de koningin’ krijgt als het Nederlands elftal met hem het WK heeft gewonnen. De jongen zit de preek onbewogen uit.

Tijdens de halve finale van het WK-voetbal in Zuid-Afrika laat Pablo een heel andere kant van zich zien. In een krachtige scène juicht hij (om zijn vriendjes te sarren?) heel nadrukkelijk voor Oranjes tegenstander Uruguay, bij een wedstrijd waarin ook zijn huidige trainer Mark van Bommel actief is. Ineens is ‘Pablito’ weer gewoon een lekker dwarse puber, die school, vriendjes en een alles overwoekerende ‘hobby’ moet zien te combineren en soms gewoon de kont tegen de krib gooit.

Intussen brengt deze observerende documentaire uit 2012 ook treffend de gekte in beeld die kan ontstaan rond jeugdig voetbaltalent, waarbij volwassen mannen hun eigen dromen projecteren op een kind en anderen daar weer een slaatje uit proberen te slaan. Terwijl steeds opnieuw blijkt hoe moeilijk het is om te voorspellen wie er later tegenover Messi komt te staan en wie gedoemd is om weg te kwijnen in de verste uithoeken van het betaalde voetbal.

Jolene

 

‘Alles wat je kan bedenken heb ie kapot geslagen’, zegt Jolene Niedick in de openingsscène van deze documentaire over haar leven. Ze staat bij haar auto die he-le-maal in elkaar is getrimd door haar ex-vriend. Hij heeft in de afgelopen drie maanden ook haar voordeur, wasmachine en eetkamertafel onder handen genomen. ‘Voor de rest gaat het wel prima’, constateert ze niettemin monter in plat-Amsterdams. Waarna een lekker accordeonmuziekje inzet en die film kan beginnen.

Ze oogt als een vrouwelijke hooligan: uitdagende kop, trainingspak en opzichtige tatoeages. En dat beeld klopt ook: samen met die agressieve ex maakt ze deel uit van de harde kern van Ajax, de F-side. Daarnaast is Jolene (55 min.) barvrouw in een stripclub en als dertiger ook al moeder van twee tieners. Toen ze zelf werd geboren, was haar eigen moeder net afgekickt. Papa heeft ze nooit gekend. Ze had ooit wel een stiefvader: de voormalige junk, ervaringsdeskundige en gevallen tv-coach Keith Bakker.

Maar ook hij heeft haar in de steek gelaten. Zegt ze. Natúúrlijk. Voor Jolene is het leven één groot gevecht. Met de grote boze buitenwereld, destructieve mannen én zichzelf. Want in de mateloze stuiterbal met die kom-maar-op! blik in de ogen en een uitdagende skelettattoo op haar rechterhand zit – natuurlijk – een kwetsbare vrouw verstopt. Die het bovendien in haar hoofd heeft gehaald om te starten met een studie Toegepaste Psychologie aan de Hogeschool Amsterdam.

Gedurende drie jaar volgt fotografe Elza Jo van Reenen Jolene voor wat haar allereerste documentaire zal worden. Van Reenens camerawerk blijft ruw, zit kort op de bal en is kordaat gemonteerd, maar dat past precies bij het rauwe karakter van haar bijzonder streetwise hoofdpersonage. Gaandeweg breekt ze bovendien door het schild van de vrouwelijke mannetjesputter en vindt ze het meisje dat de krijger Jolene al die jaren verborgen heeft gehouden. Tegen die tijd is ook de kijker allang ontwapend door deze messcherpe en uiteindelijk ook ontroerende film.

Ook Maria, als baby geadopteerd vanuit Brazilië, leeft snel en op het scherpst van de snede. Met drugs, foute vriendjes en alle bijbehorende bonje. Intussen blijft ze naarstig op zoek naar de liefde. Fotograaf Martijn van de Griendtvolgde de onstuimige druktemaker met de Brabantse tongval jarenlang met zijn camera. Het meeslepende resultaat, Maria, I Need Your Lovin’, werd vorig jaar uitgezonden door de NPO en kan worden beschouwd als een soort zusterdocumentaire van Jolene.

Ajax: Daar Hoorden Zij Engelen Zingen


In het seizoen 1999-2000 maakte Ajax zich op om een geweldig eeuwfeest te vieren. Met een kampioenswaardige selectie, traditionele tenues met zwarte kousen én een heuse documentaire. Filmmaker Roel van Dalen kreeg toestemming om het seizoen dat natuurlijk moest worden bekroond met een kampioenschap van binnenuit vast te leggen. Het zou anders lopen. En dat kwam Ajax: Daar hoorden Zij Engelen Zingen (91 min.) natuurlijk alleen maar ten goede. Want zonder drama geen interessante film.

Het seizoen begint nog hoopvol. Hoofdtrainer Jan Wouters is bij de start van het seizoen vol vertrouwen, zeker als manager Danny Blind met de Griek Nikos Machlas op de valreep een absolute topspits binnen hengelt. Al snel komt de klad er echter in bij de zelfverklaarde Godenzonen en krijgt de piepjonge Cristian Chivu, die later furore zou maken als speler van AS Roma en Inter Milaan, een sleutelrol in het zwalkende elftal toebedeeld, een rol waarvoor hij helemaal niet klaar is.

Stap voor stap wordt het eerste elftal van Ajax afgeschminkt, totdat er alleen nog frustratie en wanhoop overblijft, verpersoonlijkt door de gewonde blik van de trainer. Terwijl de aanhang ‘Wouters, rot op’ scandeert, begint hij steeds meer op een bokser te lijken die nét een uppercut te veel heeft moeten incasseren. Als Wouters na alweer een desastreuze wedstrijd alleen, en begeleid door dramatische klassieke muziek van Ernst Reijseger, de spelonken van het stadion opzoekt, staat zijn lot eigenlijk al vast. Hij rookt een laatste sigaret.

Intussen kijkt Van Dalen ook mee in de jeugdopleiding van de Amsterdamse voetbalclub, waar piepjonge versies van latere topspelers als Gregory van der Wiel, Nordin Amrabat en Jeremain Lens zijn te herkennen. Dat levert memorabele scènes op, als de jongetjes rond wedstrijden en tijdens beoordelingsgesprekjes de Ajax-mores wordt bijgebracht. ‘Want wat zeg ik altijd?’ vraagt jeugdtrainer Robin Pronk bijvoorbeeld naar de bekende weg in de kleedkamer. ‘Bij Ajax zijn we…’ ‘Heel goed’, antwoordt één van de D1-spelertjes net iets te snel. ‘Nooit tevreden’, vult de rest van de elfjarige jongetjes braaf aan. Een groot deel van hen zal nooit het eerste elftal halen.

Dat geldt al helemaal voor de spelers die zich melden bij de voetbalschool in Ghana, waar een team van Ajax naar talenten speurt. ‘There is one important restriction’, declameert hoofdscout Jan Pruijn op autoritaire toon en in bloemkool-Engels. ‘We are not wasting time and sometimes money to look to players who are not in the right age.’ Even later voegen ze de daad bij het woord en worden spelers waarvan wordt vermoed dat ze jokken over hun leeftijd letterlijk aan de kant geduwd.

Velen zijn hen op dat gebied voorgegaan en ongetwijfeld zullen er nog veel meer volgen, zo hebben de afgelopen jaren wel aangetoond. Want Ajax mag dan de populairste club van het land zijn, die een diepgewortelde liefde bij zowel spelers en trainers als bestuurders en fans losmaakt. Het is ook een geliefde, waarvan je weet dat ie je vroeger of later, met veel bombarie waarschijnlijk, aan de kant zal zetten. In deze treurmars van een documentaire zit zulke tragiek, die de belangrijkste bijzaak van de wereld nu eenmaal kan losmaken, in zo’n beetje elke scène verscholen.

Ajax is meer dan een voetbalclub. Ajax is ook een soort idee, van superieur Nederlands voetbal dat de wereld verovert. Misschien verklaart dat waarom er over mijn favoriete club, PSV, geen serieuze documentaires zijn gemaakt en ik zo nog twee andere interessante films kan opnoemen over de directe concurrent: De Superjoden Van Ajax (over de, soms lastige, relatie tussen Ajax en Joden) en Mijn Bovenburen (over meneer Schoevaart, die al tachtig jaar lid is van Ajax en naar verluidt Sjaak Swart nog heeft leren voetballen).

Intussen wacht ik natuurlijk, tegen beter weten in, op dat diepgravende psychologische portret van Willy en René van de Kerkhof, een artistieke documentaire over de lange, lange weg van Wilfred Bouma (werktitel: Fredje Op Links) of een vlieg op de muur-film over mijn favoriete voetballer van dit moment, Joshua Brenet. Hoe manifesteert deze gemaakte linksback, die zojuist kampioen is geworden, zich volgend jaar aan zijn vertrouwde rechterflank?

Solo, De Wet Van de Favela

 

Wat zijn de gevolgen als je als filmmaker voor God speelt? En ben je dan ook verantwoordelijk voor die gevolgen? Het zijn vragen die Jos de Putter zichzelf stelt in de film Solo, Out Of A Dream (55 min.) uit 2015. Hij zoekt daarin de Braziliaanse voetballer Leonardo op, die mede door zijn toedoen in Europa is beland.

 

Twintig jaar eerder filmde De Putter Leonardo, toen een eerzuchtig en heetgebakerd joch van elf uit een sloppenwijk van Rio de Janeiro, voor het eerst. Samen met zijn vriendje Anselmo droomde Leo, die opgroeide zónder vader en mét een ingewikkelde moeder, van een bestaan als profvoetballer – en daarmee van een ontsnapping uit het bikkelharde leven in de favela.

 

De documentaire Solo, De Wet Van De Favela (52 min.) uit 1994 effende het pad voor Leonardo naar Europa. Hij groeide als voetballer op bij Feyenoord en speelde tijdens zijn turbulente carrière ook nog voor Ajax, Red Bull Salzburg en Ferencvaros. Anselmo, zo was destijds al wel duidelijk, zou veroordeeld blijven tot ballen op een plaatselijk trapveldje en overleven in de Braziliaanse ‘urban jungle’.

 

De vraag wie van de twee uiteindelijk het beste terecht is gekomen lijkt op voorhand eenvoudig te beantwoorden. Het leven laat zich echter niet zo gemakkelijk in simpele conclusies vervatten, zo realiseert Jos de Putterzich met de wijsheid van nu. Is Leonardo, wiens voetbalcarrière na een kortstondig verblijf bij FC Eindhoven onlangs met een nachtkaars lijkt te zijn uitgegaan, werkelijk beter geworden van zijn avonturen in het verre Europa?
 

Cruyff: The Last Match

Aan Johan Cruijff, alweer ruim een jaar geleden overleden, zijn diverse documentaires gewijd. Nummer 14 Johan Cruijff natuurlijk, een zwierige ode aan de grootste Nederlandse voetballer aller tijden uit 1973, met die uit duizenden herkenbare themamuziek van Letty de Jong en good old Tonny Eyk.

Of Johan Cruijff: En Un Memento Dado, een al even poëtische poging van Ramón Gieling uit 2004. Over de liefde van gewone Catalanen voor de Nederlandse verlosser die in 1974 met FC Barcelona eigenhandig een einde maakte aan de heerschappij van aartsrivaal Real Madrid en Catalonië intussen weer wat zelfrespect gaf in de donkere jaren van het Franco-regime.

In de Spaanse documentaire The Last Match (70 min.) uit 2014 blikken voetbalkopstukken als Guardiola, Xavi en Cruijffs zoon Jordi (niet geheel toevallig een Catalaanse naam overigens) terug op zijn ruim veertigjarige relatie met Barcelona als speler, trainer en cultureel fenomeen.