Leven In Limbo

Human

Ze leven tussen hoop en vrees, wal en schip, en kastje en muur. Omdat ze niet kunnen bewijzen wie ze zijn, vastzitten in een heilloze situatie of niet terug willen of kunnen naar waar ze ooit thuis waren. Naar schatting telt Nederland zo’n 50.000 ongedocumenteerden. Daarvan wonen er dan weer ongeveer 5.000 in Rotterdam. Zonder verblijfsvergunning, recht op werk of onderwijs en perspectief op een ‘normaal’ leven in het land waar ze soms al tientallen jaren verblijven.

De vierdelige docuserie Leven In Limbo (160 min.), waarvoor acteur Gijs Scholten van Aschat de stevig aangezette voice-over verzorgt, portretteert een aantal van deze illegalen tijdens hun dagelijks leven. Ze worden ondersteund door het Rotterdams Ongedocumenteerden Steunpunt (ROS), dat is gehuisvest in de voormalige rooms-katholieke kerk ‘De Doortocht’ in Katendrecht. Die begeleiding is vooral een kwestie van pappen en nathouden, stelt één van de oprichters Connie van den Broek. Ze beantwoorden vragen, steken de helpende hand toe en verzorgen gratis Nederlandse les. Want bij de officiële lessen zijn hun cliënten niet welkom. Die worden immers geacht om het land te verlaten.

‘Ik wil eigenlijk niet wonen in een stad waar mensen doodgaan op straat’, stelt Van den Broek. Tegelijkertijd denkt hij ook praktisch: zelfs op de zwarte arbeidsmarkt is het voor deze uitgeprocedeerden handig als ze Nederlands kunnen. Ishmail een man uit Sierra Leone, is dat stadium allang voorbij. Hij heeft zelfs een eigen dichtbundel uit: Landschap Van Mijn Ziel. De 19-jarige Emilia beheerst de taal eveneens prima. De kans dat ze hier mag blijven is echter klein. Ze is in Nederland opgegroeid, maar heeft zich na een periode in Brazilië te laat, ná haar achttiende verjaardag, weer bij haar Braziliaanse moeder in Rotterdam gevoegd. Als volwassen vrouw heeft ze nu nauwelijks kans op een verblijfsvergunning.

Soms roepen die levensverhalen ook vragen op, zoals bijvoorbeeld het treurige relaas van Amro. Hij werd volgens eigen zeggen geboren in Frankrijk, heeft een Marokkaanse vader en woont al veertig jaar in Nederland, tegenwoordig in een klein hok nabij het water waarvoor hij elke dag over een hek moet klimmen. Frankrijk kent hem niet, Marokko accepteert hem niet en Nederland wil hem niet. Het is een hopeloos stemmende situatie, zoveel is duidelijk. Maar is dat ook het complete (achtergrond)verhaal? Daar ligt echter niet de focus van Leven in Limbo. Regisseur Martijn Heijne richt zich op de kleine menselijke verhalen. Hij laat zien hoe het is om te (over)leven in de illegaliteit en geeft personen die we doorgaan alleen kennen van statistieken – of zelfs dat vaak niet eens – een gezicht.

Soms tegen beter weten in houden ze in deze empathische miniserie hoop op een (legale) toekomst in Nederland. Ook omdat, volgens de gedreven Connie van den Broek, hoop nu eenmaal het laatste is wat sterft in een mens. Mede door Nederlanders met het hart op de goede plek zoals hij, overigens. Die ook nog beschikken over een inventieve geest, zo blijkt in het laatste deel. ‘Ik realiseer me ook wel dat ik een lot uit de loterij heb gehad’, zegt Van den Broek. ‘Zoals heel veel mensen in Nederland een lot uit de loterij hebben, als je dat op mondiale schaal gaat bekijken.’ Hij laat een korte stilte vallen. ‘En dat ik met dat lot uit de loterij tegen iemand anders ga zeggen: ja, jij hebt dat lot niet. En zoek het maar uit…’

Tante Iki

Max

Sigrid Koetse vat de situatie alvast samen in een geïmproviseerde monoloog, aan het begin van de film die neef Wytse over haar, ‘de grande dame van het Nederlandse toneel’, heeft gemaakt: 

‘Je kan ook denken: dat mens, wat moeten we ermee? Och ja, ze heeft toneel gespeeld, ja. Het moet natuurlijk wel iets zijn dat mensen misschien denken: goh, die heb ik nog Badeloch zien spelen! Ja, opeens weet ik het weer! Goh, is die al zo oud? Is ze dood? Oh nee, ze leeft nog. Nou, ze ziet er best nog aardig uit. Dat valt nog mee. Ik vind het wel leuk hoor om zoiets eens te zien.’ Koetse laat professioneel een ogenblik stilte vallen en zegt dan glimlachend: ‘Zo gaat het.’

En dan kan Tante Iki (27 min.), een hele fijne korte documentaire van Wytse Koetse, echt van start. Waarbij zijn tante, inmiddels dik in de tachtig, de regie maar moeilijk uit handen lijkt te kunnen geven (al doet haar neef, en niet zonder succes, zeker verwoede pogingen om haar te regisseren). Ze maakt van alles een toneelstukje: het vuil buiten zetten, boodschappen doen en een boek kopen. Dat heeft ze van jongs af aan gedaan. Het was niet meer dan logisch dat zij als meisje naar de toneelschool wilde en vervolgens carrière maakte in het theater.

Sigrid Koetse leeft van haar herinneringen. Ze kan ook geanimeerd vertellen over haar verleden, dat door Wytse is vervat in enkele puntige sequenties. Zijn tante heeft nu alleen een probleem met de buren: die horen alles. Omdat ze stiekem zitten te luistervinken, natuurlijk. En heeft ze nu muizen in huis? Of zelfs ratten? Sinds het overlijden van haar echtgenoot Jan Retèl, nu alweer ruim dertig jaar geleden, is Koetse veel alleen. Ze hoort ook stemmen. Daarover heeft ze zichzelf een kaartje geschreven. ‘Ze zitten in je hoofd!!!’ staat erop. ‘Ze zijn niet echt.’

Haar neef vraagt zich af of ze niet gewoon eenzaam is. Zou het? Bij nader inzien kan Tante Iki zich er eigenlijk wel iets bij voorstellen. Van andere suggesties van Wytse – nog eens het podium opgaan in de Amsterdamse Stadsschouwburg bijvoorbeeld – is ze dan weer helemaal niet gediend. Er ontstaat zelfs frictie tussen neef en tante, tussen de maker en zijn hoofdpersonage. Die geeft dit theatrale portret, waarin treffende scènes en gesprekjes worden begeleid door een lekker vet aangezette soundtrack, een aangenaam kartelrandje. Dat wordt door de Koetsen bovendien heerlijk uitgespeeld. ‘Ik ben vergeten’, zegt zij nog, precies goed getimed, tegen hem. ‘Echt, lieve schat, ik ben al vergeten.’

Atardi – Het Leven Van De Curaçaose Muzieklegende Rudy Plaate

Selwyn de Wind / VPRO

Rudy Plaate zingt en juicht enthousiast mee en houdt het ternauwernood droog als zijn eigen werk in 2016 door het Metropole Orkest en vocalisten zoals Izaline Calister en Maruja Bogaard wordt uitgevoerd in het Concertgebouw in Amsterdam. De 79-jarige componist uit Curaçao, bijgenaamd De Zingende Groenteboer, scoorde lokaal zestig jaar lang de ene na de andere hit, maar kampt op zijn oude dag met dementie.

Het had een prachtige openingsscène kunnen zijn voor de documentaire Atardi – Het Leven Van De Curaçaose Muzieklegende Rudy Plaate (120 min.). Filmer en deejay Selwyn de Wind neemt alleen eerst bijna twee minuten de tijd om uit te leggen wie hij zelf is en wat Plaate voor hem betekent. Daarna is de documentairemaker overigens bijna twee uur vrijwel geheel afwezig en krijgen Rudy (vooral via archiefbeelden) en zijn familieleden, vrienden en collega’s alle ruimte.

Zij alterneren tussen Plaates uitbundige muzikale carrière en zijn beslommeringen als familiemens/ladiesman, ondernemer en opinieleider. Zijn creativiteit, eigenzinnigheid en ego waren nauwelijks in te tomen. De Wind heeft intussen alle mogelijke archieven geplunderd en illustreert daarmee Rudy Plaates sleutelrol in de plaatselijke gemeenschap en cultuur. De film slalomt zo soepeltjes door een rijk, veelzijdig en altijd muzikaal leven, maar is wel een beetje overcompleet.

In het vierde kwart neemt Atardi ineens een dramatische wending als de hoofdpersoon, overmand door pijn, een rigoureus besluit neemt, dat hij live op de radio met de rest van het eiland wil delen. En daarna stevent de man die meer dan een halve eeuw letterlijk de toon zette op Curaçao onvermijdelijk af op de laatste fase van zijn swingende bestaan. ‘Hij kan zelf niet altijd bij ons blijven’, zegt een familielid dat voor hem mantelzorgt. ‘Maar zelfs nadat hij ons heeft verlaten, leeft hij voort in zijn liedjes.’

En anders moeten ze, daar zijn enkele sprekers het ook wel over eens, maar snel een straat of rotonde naar hem vernoemen…

Rob de Nijs – Voor Het Laatst

Videoland

Het mag natuurlijk niet zielig worden. Dan werpt hij zelf de handdoek in de ring. Tot die tijd geniet Rob de Nijs van zijn laatste jaren als artiest, een vak dat hij al ruim een halve eeuw beoefent. Ook al wordt dat door de ziekte van Parkinson steeds moeilijker. Hij is er kwetsbaarder door geworden. Dat zachte en broze siert hem echter wel. En zijn carrière heeft mede daardoor nog een opvallende remonte doorgemaakt.

In het tweeluik Rob de Nijs – Voor Het Laatst (70 min.) portretteert documentairemaker Eric Goens de Nederlandse zanger in de aanloop naar zijn afscheidsconcert op 21 november 2021 in het Sportpaleis in Antwerpen. Van tevoren kampt De Nijs volgens eigen zeggen met ‘de doodsangst of het allemaal wel goed gaat’. Niet gek: hij heeft anderhalf jaar niet gezongen en verbleef zelfs zes weken in een revalidatiecentrum om zich optimaal te kunnen prepareren voor dit optreden.

Behalve met de zanger zelf spreekt Goens ook met zijn 26 jaar jongere vrouw Jet, pianist/manager Frank Jansen en tekstschrijver en ex-echtgenote Belinda Meuldijk. Zij hink-stap-springen even vluchtig door zijn leven en carrière, maar richten zich vooral op het ziekteproces en de weg naar dat uitroepteken achter zijn imposante loopbaan, de vanzelfsprekende climax van dit aardige kijkje achter de schermen. ‘Iedereen in de zaal mag tranen hebben, maar ik niet’, zegt de professional daarover nuchter.

Het is alleen de vraag of het zo werkt bij zo’n beladen concert. In de coulissen houdt zijn neuroloog Bas Bloem in de gaten of alles goed gaat. En ook Jet en zoontje Julius wijken niet van zijn zijde als Rob de Nijs voor het allerlaatst – écht!, alhoewel… – het podium betreedt voor hits als Ritme Van De Regen, Banger Hart en Malle Babbe.

Dande Di Aruba

Vincent Ras en leerling / Memphis Film

Elke zin is een variant op die ene: ‘Oh Dande, we zijn bij je deur aangekomen’. En als de voorzanger die vol enthousiasme inzet, op dat ene vaste deuntje, antwoordt zijn gehoor steevast met: ‘Ay Nobe.’ Gelukkig nieuwjaar! Het is een typisch Arubaanse traditie. Rond de jaarwisseling trekken Dande-zangers met hun tambú, een traditionele trommel, en enkele muzikale metgezellen van huis naar huis om het oude jaar af te sluiten en een nieuw jaar in te luiden.

Regisseur Cindy Kerseborn leidt deze documentaire over de Dande-traditie zelf in. In 2018 heeft ze de laatste opnamen gemaakt voor Dande Di Aruba (55 min.). Ze kon de film zelf echter niet meer voltooien. Kerseborn overleed in 2019 en moest het project daarom doorgeven aan een collega. Samen met editor Jelle Redeker heeft Sherman de Jesus de docu nu voor haar afgerond. Zij hebben geprobeerd om er ‘een echte Cindy Kerseborn-film’ van te maken.

Centrale figuur is de negentigjarige zanger Vicente Ras. Hij heeft de Dande-liederen geleerd van zijn vader en speelt ook op diens tambú. Ras is er kien op om de traditie te behouden, in zijn oorspronkelijk vorm bovendien. Van muzikale vernieuwing, zoals die bij jongere Dande-vertolkers in deze film is te beluisteren, moet hij eigenlijk weinig hebben. En net als veel oudgedienden vindt hij dat de Dande toch echt een mannenzaak is. ‘Ik laat mijn vrouw geen Dande zingen bij mensen thuis’, zegt hij ferm. ‘Ben je gek?’

Dat thema – kan een cultuur zich vernieuwen zonder zijn ziel kwijt te raken? – loopt als een rode draad door dit warmbloedige muzikale portret van Aruba, een ode aan de onverwoestbare Dande. Die wordt nog altijd letterlijk bij de eilanders thuis bezorgd en zorgt daar dan voor een swingende start van het nieuwe jaar. Het gemeenschapsgevoel op het Antilliaanse eiland wordt er ook door versterkt. De lokale linguïst Ramon Todd Dandaré wil de Dande zelfs op de werelderfgoedlijst laten zetten.

Missie NS

KRO-NCRV

‘De reiziger staat op 1, 2 en 3.’ De NS wil voor ‘een 9+ ervaring’ zorgen bij de klant. Zodat de conducteur, ook wel ‘gastheer’ of ‘host’ genaamd, te maken krijgt met louter ‘blije reizigers’. Want de NS gaat voor ‘totale reisbeleving’. Dat is ‘the narrative’. Met een slogan met de onmiskenbare wilde frisheid van limoenen: ‘Proef de vrijheid’.

Elke stiel heeft zijn eigen jargon – al begint die van grote organisaties wel steeds meer op elkaar te lijken. De Nederlandse Spoorwegen laten bijvoorbeeld allang niet meer (alleen) treinen op tijd rijden. Ook op het spoor gaat het tegenwoordig om beleving, waarbij de voormalige reiziger (blijkbaar) iets van zichzelf moet zien te verwerkelijken. Terwijl hij wacht op een trein die niet komt, zich propt in iets wat het meest weg heeft van een veewagon of – in het leeuwendeel van de gevallen – gewoon netjes op tijd op de plaats van bestemming wordt afgeleverd.

Missie NS (82 min.) brengt het totale bedrijf in beeld; van de top in het hoofdkantoor en de omroepers op het operationeel controle centrum tot de mensen die met hun poten door de coupés en balkons banjeren: de conducteurs, machinisten en schoonmakers. Regisseur Catherine van Campen hanteert daarbij een procedé dat inmiddels vertrouwd voelt: ze kiest niet voor duidelijke hoofdpersonen, maar observeert in alle hoeken en gaten van het bedrijf, waarbij de kijker wel enkele vaste gezichten krijgt voorgeschoteld.

De film bestaat uiteindelijk uit een vloeiend gemonteerde collectie snapshots die gezamenlijk een narratief vormen, wellicht zelfs ‘the narrative’ die NS zelf wil uitdragen. In die zin doet de documentaire denken aan vergelijkbare films over de snelweg (Snelweg NL), bouwsector (Jongens Van De Bouw) en aandachtsindustrie (Nu Verandert Er Langzaam Iets). Ook Missie NS, dat wel wat drama ontbeert, registreert hoe gewone mensen onderdeel zijn van een dienst, onderneming of beroepsgroep en legt zo en passant iets van onze volksaard bloot.

Van Campen is er duidelijk niet op uit om iets of iemand te ontmaskeren. Ze houdt ons simpelweg een spiegel voor: dit is de wereld waarin wij leven, van gezichtsloze instituties die wel degelijk door gewone mensen worden bevolkt. Zo bezien zijn er ook nog wel wat spannende organisaties te bedenken, waar de Nederlandse subsidieverstrekkers eens een filmploeg naartoe kunnen sturen: de Belastingdienst, Shell of de NAM. Die kunnen vast ook nog wel aan hun ‘beleving’ werken.

Ons Moederland

VPRO

‘Laatst had ik van die nieuwe kindjes in de klas gekregen die uit Syrië komen’, vertelt een meisje van een jaar of tien thuis aan de familietafel, terwijl vader voor het hele gezin zelfgemaakte soep opschept. ‘Hoe heten de kindjes?’, wil moeder weten. ‘Anja en Saam, maar wij noemen ze altijd Aap en Schaap.’

‘Nou, da’s heel mooi’, reageert papa verheugd. ‘Als het rustig is, mogen ze weer terugkeren naar Syrië. Huppakee.’ Papa is Constant Kusters, sinds jaar en dag leider van de extreemrechtse splinterpartij de Nederlandse Volks-Unie. Hij is de hoofdpersoon van Ons Moederland (72 min.), een zinderende documentaire van Shamira Raphaëla. De film gaat echter beslist niet alleen over een dubieuze politicus en activist, die zegt te willen voorkomen dat blanken de indianen van Europa worden. Raphaëla zet de standpunten van Kusters af tegen de Nederlandse omgang met buitenlanders door de eeuwen heen.

De filmmaakster verbeeldt de vaderlandse cultuur bovendien met steeds terugkerende sequenties van een soort Madurodam-versie van Nederland. De onderliggende boodschap van al deze elementen is niet mis te verstaan: hij, de man die door de meesten van ons wordt beschouwd als een paria, is in werkelijkheid een logische afspiegeling van ons. Van wie wij zijn en wat we, blijkbaar, vinden. ‘Wij zijn op hetzelfde standpunt gebleven, maar de politiek ziet dat wij gelijk aan het krijgen zijn’, concludeert Kusters zelfvoldaan in het interview, waarmee Raphaëla de verschillende elementen in de film verbindt. ‘Dat is toch een win-win situatie.’

Méér dan een portret van de NVU-voorman, die waarschijnlijk/hopelijk altijd veroordeeld blijft tot de rafelranden van de vaderlandse politiek, is het lekker polemische Ons Moederland een onontkoombare film over het Nederland van nu, toen en, wie weet, straks. Die je instemmend begroet. Of waarmee je het hartgrondig oneens bent. Maar waarover je hoe dan ook een mening vormt.

Van zulke films kunnen er nooit genoeg gemaakt worden.

Deze documentaire is hier te bekijken.