Kaiser: The Greatest Footballer Never To Play Football

Renato Gaúcho meldt zich bij de portiers van de nachtclub. Wie ben jij? willen die weten. ‘Renate Gaúcho.’ De kleerkasten aan de deur moeten lachen: die is allang binnen. Pas als de bekende voetballer van de Braziliaanse topclubs Grêmio en Flamengo en speler van de ‘seleçäo’ eist dat hij die andere Renato wil zien, mag hij alsnog naar binnen. Daar ziet hij zijn lookalike Kaiser zitten, omringd door mooie vrouwen.

Carlos Henrique ‘Kaiser’ Raposo, zo wil het verhaal in de swingende documentaire Kaiser: The Greatest Footballer Never To Play Football (93 min.), blufte zich in de jaren tachtig en negentig de internationale voetballerij in, zonder dat hij ook maar een bal kon raken. Hij stond op de loonlijst bij een aanzienlijke hoeveelheid voetbalteams; van Braziliaanse topclubs als Flamengo, Botafogo en Fluminense tot het Mexicaanse Puebla en Gazélec Ajaccio op het Franse eiland Corsica.

Voordat hij daadwerkelijk door een trainer kon worden ingezet (of ook maar in de buurt kwam van een bal), fingeerde Kaiser een blessure en ging hij op zoek naar een nieuwe werkgever. Omdat in de voetballerij nu eenmaal geen enkele technisch manager durft toe te geven dat-ie ongezien een nieuwe speler heeft gecontracteerd en vervolgens toch nog een cent hoopt te verdienen bij het verder transfereren van zo’n miskoop, kwam hij er nog mee weg ook.

Dat is tenminste de eerste verklaring die deze gelikte documentaire van de Britse filmmaker Louis Myles geeft voor het succesvolle bedrog van de langharige loverboy, die liefst in een felgele speedo over het strand van Rio de Janeiro flaneerde. Later volgt een geloofwaardigere – en pijnlijkere – uitleg. Al blijft het voor de kijker gissen wat nu oprechte herinneringen van/aan Kaiser zijn en wat sterke verhalen, leugens om bestwil en keiharde bullshit.

Gekende Braziliaanse voetbalgrootheden als Carlos Alberto, Bebeto en Junior verlenen Kaisers relaas, dat Myles met acteurs heeft proberen te verbeelden, een zekere geloofwaardigheid. Hoewel de waarheid soms inderdaad vreemder is dan fictie, blijft het moeilijk om te geloven dat deze kekke, met smakelijke muziek geserveerde cocktail van voetbal en kolder werkelijk is gebaseerd op onweerlegbare feiten. Legende of niet, Kaiser heeft wel een bijzonder vermakelijk verhaal.

Retour Madrid

In een tijd dat voetbal nog volledig in zwart-wit werd gespeeld, de belangrijkste bijzaak van de wereld eigenlijk een veredelde amateursport was en profspelers er dus regelmatig een herenmode- of sigarenzaak op na moesten houden, trad Ajax, net als komende week, ook al eens aan tegen Real Madrid. In 1967, in de eerste ronde van de Europa Cup 1, om precies te zijn. Na een 1-1 gelijkspel in Amsterdam maakte de ploeg van trainer Rinus Michels en spelers als Nuninga, Groot, Keizer, Swart en dat ene ontluikende supertalent uit Betondorp zich op voor een Retour Madrid (20 min.). In de Spaanse hoofdstad moest Ajax spelen tegen ‘De Koninklijke’, de succesvolste Europese voetbalclub van na de Tweede Wereldoorlog.

Nederland stelde destijds op Europees niveau bar weinig voor. Het totaalvoetbal, waarmee het Ajax van de dan inmiddels tot ‘De Generaal’ gebombardeerde Michels en zijn meesterlijke rechterhand Johan Cruijff begin jaren zeventig de wereld zou gaan domineren, stond nog in de kinderschoenen. In deze korte documentaire van Bert Haanstra uit 1968 oogt Michels als een ouderwetse schoolmeester, die bij zijn wedstrijdbespreking natuurlijk gebruik maakt van een traditioneel schoolbord. Het gaat maar om één ding, houdt hij zijn ploeg voor: geen seconde verslappen. En de latere ‘nummer veertien’ draagt intussen nog gewoon numero negen en wordt bovendien consequent ‘Cruijffie’ genoemd.

De commentator van dienst is niemand minder dan Philip Bloemendal. Met zijn deftige dictie en woordspielerei eist de onvergetelijke Polygoon-stem de absolute hoofdrol op. ‘Enfin’, concludeert hij met de gebruikelijke zwier en metalige stem, ‘Ajax is alle bevangenheid kwijt’ in ’de hel van Bernabeu’. Bloemendal, die zijn voice-overs waarschijnlijk echt pas achteraf heeft opgenomen, laat zich niettemin flink meeslepen door de hectiek van de wedstrijd in Madrid, die de hoofdmoot van deze compacte film vormt. ’Schieten, Cruijffie!’, roept hij tijdens de bloedstollende verlenging. ‘Oh, moeder! Oh, wat een kans!’ Hij is ook degene die de gaten moet dichten als de ene cameraman die toentertijd verantwoordelijk was voor de wedstrijdregistratie eens een belangrijk spelmoment heeft gemist.

Hoe groot het sportieve belang van de Nederlands-Spaanse tweekamp toentertijd ook was, Retour Madrid oogt nu bijna als een schoolreisje voor volwassenen, waarbij de Ajacieden zowaar eens met het vliegveld naar het buitenland mogen (en Johan zelfs in de cockpit), de kans krijgen om op het imposante Madrileense veld te trainen (maar niet bij de doelen!) en zich kunnen vergapen aan de goedgevulde bekerkast van de Spaanse club (waarin alleen de zilvervloot ontbreekt). En natuurlijk, zoals toentertijd ook gebruikelijk was in de Polygoon-journaals, wordt er altijd tijd ingeruimd voor hoogwaardigheidsbekleders, in dit geval een bezoek van een lid van de koninklijke familie. Terwijl haar Madrileense echtgenoot natuurlijk de thuisclub steunt, belooft prinses Irene plechtig dat ze voor Ajax zal supporteren.

Dit bijzonder vermakelijke tussendoortje van de grootmeester Haanstra, die in 1958 al een Oscar had gewonnen met zijn film Glas, blaast zo met verve het stof van het Nederland van de jaren vijftig, die hier te lande tot dik in de jaren zestig hebben geduurd. Daarbij komt een nostalgische voetbalwereld tevoorschijn, waarin de zilvervloot nog kan worden gewonnen, rond het veld voortdurend opgewekte marsmuziek klinkt en het publiek ‘boe!’ roept na overtredingen. En juichen gebeurt lekker ouderwets: bij een doelpunt steken ze simpelweg hun armen recht in de lucht en beginnen een heel klein beetje, niet te overdreven, op en neer te springen.

De korte documentaire Retour Madrid is hier in zijn geheel te bekijken.

John McEnroe: In The Realm Of Perfection

Je zou kunnen denken dat John McEnroe: In The Realm Of Perfection (94 min.) een standaard portret is van het voormalige enfant terrible van het Amerikaanse tennis. Een overmatig getalenteerd ettertje met krullenkop, vaak in toom gehouden door een zweetband, dat briljante dropshots en vlijmscherpe passeerslagen afwisselde met rondvliegende rackets. Als geen ander kon McEnroe fulmineren naar scheids- en lijnrechters.

Het kutmenneke, inmiddels alweer jaren een gewaardeerd commentator en analist, was echter ook een begenadigde stilist, de ideale uitdager voor het ijskonijn dat tennis in de tweede helft van de jaren zeventig had gedomineerd, de Zweed Björn Borg. Uitgelezen materiaal voor een meeslepende sportdocumentaire, zou je zeggen. Voor een psychologisch portret van een artistieke linkshander, die verdwaald raakte in topsport. Of voor een meeslepende reconstructie van een heroïsche grand slam-finale. Deze film beoogt echter iets anders. En dat weet je binnen enkele seconden.

Trage zwart-wit beelden van een man met een tennisracket, die mechanisch verschillende slagen voordoet. Gevolgd door een curieus muziekje. En een quote van nouvelle vague-held Jean-Luc Godard: ‘Cinema lies, sport doesn’t’. Een enigmatische voice-over mengt zich in de strijd en duidt de man en zijn racket als onderdeel van een instructiefilm uit 1966, A Study In The Basic Techniques Of Tennis. Theorie die weinig met de praktijk van doen had. De maker ervan, Gil de Kermadec, zou zich later specialiseren in portretten van tennishelden van vlees en bloed. Daarvoor filmde hij elk jaar tijdens de Open Franse Tenniskampioenschappen. Zo kreeg hij ook John McEnroe in het vizier.

Terwijl hij het ruwe materiaal van die portretten bekeek, had filmcriticus én tennisliefhebber Serge Daney, die door documentairemaker Julien Farnaut wordt ingezet als verteller, een authentieke brainwave: ‘We waren niet naar John McEnroe aan het kijken. We keken ook niet naar een film over John McEnroe. We waren als de cameramannen op de set van een film die daar werd gemaakt.’ Die filosofische inslag, waarin steeds de raakvlakken tussen cinema en sport wordt gezocht, zorgt voor een atypische en contemplatieve film, die rust, aandacht en een subtiel gevoel voor humor vraagt van de kijker.

McEnroe zelf wordt bijvoorbeeld niets gevraagd. Hij is slechts een object om te observeren. Liefst in slow-motion en begeleid door lekker tegendraadse muziek van Sonic Youth en Black Flag: als hij die gefühlvolle linkerarm laat neerdalen voor een venijnige service. Als hij zijn tegenstander alle hoeken van het centre court laat zien. Of – iconisch beeld – als hij met een ontevreden kop, één hand op het net en de andere wijzend naar een afdruk in het gravel, met veel misbaar verhaal gaat halen bij de wedstrijdleiding. ‘Doe je zonnebril af’, bijt hij een lijnrechter bijvoorbeeld toe. ‘Dan zie je die bal tenminste.’

McEnroe is een absolute winnaar, meent sportschrijver Cédric Quignon-Fleuret. Het gevoel dat iedereen tegen hem is, werkt als een soort drug voor hem. Hij heeft een (imaginaire) vijand nodig. Via een omweg komt Farnaut zo uiteindelijk toch min of meer uit bij dat psychologische portret en dat heroïsche titelgevecht. Niet met Borg overigens, maar met een andere rivaal: het Tsjechoslowaakse krachtmens Ivan Lendl, die de umpire zelf trouwens ook niet spaart. ‘Ben je soms bang voor hem?’, vraagt hij de ref verontwaardigd, terwijl hij naar zijn norse nemesis aan de andere kant van het net kijkt.

Net als zijn hoofdpersoon heeft Jean Farnaut zijn publiek gedurig tegen de haren ingestreken. Ruim een uur. Te langen leste geeft zijn film de toeschouwer met de finale van Roland Garros in 1984 echter tóch wat die wil: een zinderende climax, waarbij de ene matador echt niet onder de andere door wil gaan.

De documentaire McEnroe (2022) is een wat traditioneler portret van de voormalige toptennisser.

Transformer

Hij was een gestaalde marinier, werd een succesvolle bodybuilder en ontwikkelde zich ook nog eens tot één van de beste powerlifters van de wereld. Op en top man. Matt Kroczaleski, een spierbundel van jewelste. Kortweg: Kroc. Van jongs af aan wilde hij maar twee dingen: sterk zijn én vrouw zijn.

Dat is best lastig. Zeker als je ook vader bent van drie opgroeiende jongens. Zijn lijf brengt tevens zijn eigen dilemma’s met zich mee. Janae, de nieuwe naam van Kroczaleski, kan zichzelf niet voorstellen als een zeer gespierde vrouw. Als man zou hij echter niet met een ander lichaam kunnen leven.

Het kolossale lijf waarin hij altijd veilig heeft kunnen schuilen belet hem nu om zich door te ontwikkelen. Het uitgangspunt voor de documentaire Transformer (79 min.) is echter spannender dan de uitwerking ervan. Want die is typisch Amerikaans. Behalve zijn ouders is iedereen zo enthousiast over Krocs transitie dat het ongeloofwaardig wordt.

Alsof Kroczaleski zich permanent in een soort plastic realiteit bevindt, waarin al het ongemak bij hemzelf zit en vrijwel alle anderen (voor de camera) alleen maar ondersteunende woorden voor hem hebben. De hoofdpersoon praat de twijfel en onzekerheid dapper van zich af, maar regisseur Michael Del Monte had nadrukkelijker voorbij het sociaal wenselijke gedrag moeten kijken.

Hoewel Janaes achtergrond (white trash), persoonlijk leven (‘transgender dad’), leefomgeving (de powerliftwereld) en ingrijpende keuzes (het ziekenhuis) ogenschijnlijk aanknopingspunten bieden voor een moverende film die wel degelijk wringt, wil Transformer dus nooit meer worden dan het gemiddelde inspirerende Hollywood-drama. Real life, dat wel.

The Dawn Wall

IDFA

Twee of drie weken zal het ze zeker kosten. De ‘Dawn Wall’ van El Capitan in het Amerikaanse Yosemite National Park. Een steile bergwand van negenhonderd meter hoogte. Ze hebben er jaren voor geoefend. Tot in detail uitgedokterd hoe de 32 pitches van de klim moeten worden genomen. En dan worden Tommy Caldwell en Kevin Jorgeson, als ze zowat halverwege zijn, ontdekt door de Amerikaanse media.

Die happen massaal toe als de bewezen klimmer Tommy, tegen alle verwachtingen in, voorbij de traverse van pitch 15 komt. Nieuwsanchors en verslaggevers beginnen te reppen over ‘the climb of the century’. Terwijl de relatief onervaren Kevin diezelfde pitch nog gewoon moet bedwingen, iets waarin hij tot dusver nooit is geslaagd. Voor het oog van de wereld blokkeert hij. De traverse lijkt een onneembare veste.

In de portaledge van het duo, een winderig tentje dat op honderden meters hoogte tegen de bergwand is gehangen, zullen ze moeten beslissen of Tommy wacht op zijn partner of alleen doorgaat naar de top van The Dawn Wall (100 min.) en daar geschiedenis probeert te schrijven. Een duivels dilemma, dat fungeert als emotioneel hart van deze boeiende documentaire van Josh Lowell en Peter Mortimer.

De filmmakers leggen de heroïsche tocht van het tweetal natuurlijk vast met monumentale beelden. Tegelijkertijd concentreren ze zich ook op het kleine verhaal dat daarachter steekt, van twee jongens die elkaar en – vooral – zichzelf iets proberen te bewijzen. Daarvoor verbinden ze de klim met de persoonlijke geschiedenis van Tommy. De kijker krijgt gedoseerd informatie gevoerd, zodat er steeds nog wat blijft te ontdekken.

Dit draagt bij aan de zeggingskracht van deze epische film, die ook in dat opzicht grote overeenkomsten vertoont met de grote klimdocu van 2018, Free Solo, waarin Tommy Caldwell toeziet (of moet toezien) hoe zijn collega-klimmer Alex Honnold El Capitan zonder enige vorm van zekering probeert te bedwingen.

Barney, Het Verdriet Van Een Wereldkampioen

RTL

Zelden zal een geboren loser zoveel hebben gewonnen. Verliezen zit Raymond van Barneveld in het bloed. Op school had hij moeite om bij te blijven, beweert hij. Voetballen of taekwondo kon hij ook al niet. En in darts bleek hij niet héél veel beter. Tenminste, als je hem zo hoort praten in Barney, Het Verdriet Van Een Wereldkampioen (45 min.). De ondertitel van deze bijna aandoenlijke televisiedocumentaire verraadt het echter al: @RayBar180 heeft met die vermaledijde pijltjes wél de wereldtitel bij elkaar gegooid. Vijfmaal zelfs.

Sinds 2007 wil het echter niet meer lukken met de man die de cafésport eind jaren negentig serieus op de kaart zette in Nederland en sindsdien landgenoot Michael van Gerwen langszij heeft zien komen. Dat vreet aan hem. Als Van Barneveld verloren heeft, kan hij zich bijvoorbeeld nauwelijks voorstellen dat iemand met hem op de foto wil. ‘Dan keer ik mijn rug om. Omdat ik gewoon een gevoel van schaamte heb. Dan denk ik: waarvoor wil je met mij op de foto? Ik ben een loser, gek! Wat doe je bij me, waarvoor vraag je dat?’

‘Raymond is ook gewoon een heel groot kind’, zegt zijn manager Jaco van Bodegom, die noodgedwongen bijklust als Van Barnevelds mental coach. ‘Bij een tegenslag voelt hij zich zo’n mislukking. Voor mijn gevoel is het niet eens hijzelf die verliest, maar hij verliest voor zijn vrienden, voor zijn familie en voor zijn publiek.’ Nadat hij, voor zijn eigen gevoel tenminste, weer eens genadeloos is afgegaan, valt er volgens zijn vrouw Silvia geen land te bezeilen met Van Barneveld: ‘Als Raymond direct na een toernooi naar huis komt, is hij inderdaad ontoerekeningsvatbaar.’

Dat wordt in deze film, gemaakt door het team van Helden Media, prachtig geïllustreerd met een treffende scène op de German Darts Masters in Gelsenkirchen. Voor Van Barnevelds partij tegen de flamboyante Peter Wright probeert Van Bodegom zijn pupil nog opzichtig moed in te praten. Met een welgemeend ‘het is jouw avond’ stuurt hij hem het podium op. ‘Eye of the tiger, pik!’ De dubbels willen echter niet vallen voor de gewezen wereldkampioen. Naderhand is hij ontroostbaar. ‘Ik heb echt zin in stoppen, weet je dat?’, sombert Van Barneveld als hij met de staart tussen de benen de sporthal verlaat. ‘Wat heb het voor nut? Iedere keer weer die pijn.’

Thuis lijkt alle stress terstond van hem af te vallen. Het liefst zou ‘Barney’ de hele dag films en series kijken, bekent hij. Bij de deur van zijn eigen privébioscoop op zolder hangt de ‘Geen Gezeik, Iedereen Rijk’-poster van de Tegenpartij. Binnen heeft hij volgens eigen zeggen ruim 2500 films verzameld. Alien, Star Wars, Vaiana en – kleine verrassing – Cry Freedom. In een belendende kamer laat het grote Haagse jongetje een enorme superheldenverzameling zien, met als absoluut pronkstuk een massieve replica van de Hulk. ‘Enig idee wat zoiets kost?’, vraagt hij, besmuikt lachend. ‘Dat kost 3300 euro. Lekker beeldje. Ja, dat is bizar toch, hè?’

Inmiddels heeft Nederlands beste darter aller tijden zijn afscheid aangekondigd. Nog één jaar zal Raymond van Barneveld de wereld afreizen om, in de kermisachtige atmosfeer die hem eigenlijk volledig vreemd lijkt, zijn allerlaatste pijlen te gooien. In de hoop nog eenmaal die ‘triple twintig’ te vinden en alle dubbels te raken. Deze stemmige film is een treffend eerbetoon aan de kampioen die zoveel beter is geweest dan hijzelf kan bevatten. Met een vreemdsoortige mengeling van ontzag, verwondering en – en dat blijft opmerkelijk voor een man die alles gewonnen heeft wat er te winnen viel – compassie wordt een grote sporter geëerd, die helaas nooit lang van die erkenning zal kunnen genieten.

De documentaire Barney, Het Verdriet Van Een Wereldkampioen is hier te bekijken.

Sunderland ‘Til I Die

Netflix

Sunderland zit in de hoek waar de klappen vallen. De trots van de arbeidersstad in het Noordoosten van Engeland, die eerder al de scheepswerven en mijnen zag sluiten, is in de zomer van 2017 gedegradeerd uit de Premier League en moet zo snel mogelijk terug naar het hoogste niveau. ‘Laten we bidden voor Sunderland Football Club en onze stad’, gaat pater Marc Lyden-Smith van de St. Mary’s Church zijn in het rood-wit gestoken kerkgangers voor. ‘Heer, onze God, help ons te begrijpen wat voetbal voor onze gemeenschap betekent.’

De achtdelige serie Sunderland ‘Til I Die (314 min.) van Leo Pearlman en Ben Turner, die eerder betrokken waren bij de Manchester United-documentaire The Class Of ‘92, volgt de club in zijn eerste seizoen in de Britse variant op de Keukenkampioen Divisie, The Championship. Na tien jaar op het allerhoogste niveau. Geld is er bij aanvang van het ‘do or die’-jaar 2017-2018 nauwelijks. De club heeft Jordan Pickford, inmiddels doelman van de Engelse nationale ploeg, bijvoorbeeld moeten verkopen. Zijn plek onder de lat wordt ingenomen door twee nobody’s, waaronder voormalig FC Utrecht-keeper Robbin Ruiter.

De nieuwe manager Simon Grayson zal ook een beroep moeten doen op de eigen jeugd. De eerste resultaten vallen echter tegen. Sunderland heeft ‘the numbers’ niet, constateren kenners halverwege de transferperiode. Nieuwe ‘bodies’ zijn nodig. ‘Waarom staat Ibrahimovic onderaan die lijst’, vraagt algemeen directeur Martin Bain aan zijn scoutingteam. ‘Hebben jullie ergens geld gevonden?’ Assistent-manager Glynn Snodin gaat op een druilerige dinsdagavond dus maar kijken bij de wedstrijd Scunthorpe United tegen Fleetwood. Over de gescoute speler is hij echter niet te spreken. ‘Hij heeft handschoenen aan, het is niet eens koud.’

De aankopen die Sunderland uiteindelijk wél doet bieden ook geen soelaas. Langzaam maar zeker zakken The Black Cats zelfs op het tweede niveau af naar de degradatiezone. Voor de fans, die steeds nadrukkelijk de confrontatie zoeken met de leiding, is dat misschien een drama, voor deze serie is het zonder enige twijfel een zegen. Anders was Sunderland ‘Til I Die, waarvoor de makers toegang hebben gekregen tot het hart van de club en tevens een aantal seizoenkaarthouders volgen, ongetwijfeld een heel gelikte bedoening geworden. Zoals de documentaireserie die Netflix eerder dit jaar uitbracht over de Italiaanse topclub Juventus.

Bij Sunderland worden er geen bekers opgepoetst en de tegenslag kan ook niet zomaar worden weggepoetst. Het water staat de club echt aan de lippen. Om de financiële problemen het hoofd te bieden, wordt bijvoorbeeld alles in het werk gesteld om een peperdure speler uit betere tijden, die tegenwoordig als een Britse variant op Winston Bogarde alleen nog maar op de bank zit, definitief te lozen. Een andere speler kan vanwege een slepende blessure niet brengen waarvoor hij is gehaald en begint zo aan zichzelf te twijfelen dat er een mental coach aan te pas moet komen. Ook sportief is de club bezig aan een treurmars, waarvan het einde nog lang niet in zicht is. Hoeveel zit er nog in die gifbeker?

Alle ingrediënten zijn kortom aanwezig voor een boeiend sportfeuilleton, met dramatische slow-motion beelden, bombastische muziek en alle denkbare voetbalclichés. Van het verplichte enthousiasme over alweer een nieuwe trainer tot de klaagzang van de vaste schare supporters, die tegen beter weten in blijft lijden aan ‘fever pitch’. Wat er op het spel staat is van meet af aan duidelijk: tezamen stijgen ze boven zichzelf uit of gaan ze, strijdend natuurlijk, ten onder. ‘We are Sunderland’, scanderend. ‘We are Sunderland.’ Op weg naar een emotionele apotheose…

Inmiddels is er een tweede seizoen van Sunderland ‘Til I Die.

Over The Limit

Ze gaat voor goud en lijkt tegelijkertijd chronisch ongelukkig. De Russische gymnaste Margarita Mamun kan in Over The Limit (73 min.) elk ogenblik in tranen uitbarsten. Ze is voortdurend oververmoeid. In de aanloop naar de belangrijkste sportwedstrijd van haar leven, de Olympische Spelen in Rio de Janeiro van 2016, pleegt ze roofbouw op haar lichaam. Intussen vergt ze ook het uiterste van haar geest – haar incasseringsvermogen in het bijzonder.

Mamun wordt namelijk begeleid door de gestaalde trainster Amina Zaripova en het ongelooflijk bitchy hoofd van het Russische Olympische team Irina Viner-Usmanova, één van de succesvolste coaches uit de historie van de ritmische gymnastiek. Daarbij vraag je je echter meteen af: tegen welke prijs? In een andere wereld zou deze vrouw onmiddellijk een verplichte cursus sociale vaardigheden krijgen, in plaats van een belangrijke Olympische onderscheiding.

Getuige deze observerende documentaire van voormalig gymnaste Marta Prus huldigen beide dames met verve het principe van de ‘tough love’. Mamun wordt stelselmatig geprikkeld, bekritiseerd en zelfs afgebrand. Waarna ze dan ineens, ogenschijnlijk vanuit het niets, een (ongemakkelijke) knuffel, kus of omhelzing krijgt. Alles, werkelijk alles, wordt uit de kast gehaald om de veelbelovende pupil te stimuleren (nee: te dwingen) om het uiterste uit zichzelf te halen. Desnoods ten koste van zichzelf.

‘Er bestaan geen gezonde topsporters’, zegt Amina bijna ten overvloede als Margarita weer eens last heeft van pijn in haar voet. Daarna laat de voormalige gymnaste, die vierde werd op de Olympische Spelen van 1996 in Atlanta, een litteken op haar eigen voet zien. Ze wijst vervolgens naar een andere atlete, een directe concurrente van Margarita Mamun. ‘Yana Kudryatseva heeft haar been gebroken.’ Alsof ze wil zeggen: doorbijten, schatje.

De drie belangrijke karakters lijken in deze fascinerende film verwikkeld te zijn geraakt in een continue psychologische catfight, waarin voor buitenstaanders volstrekt onbelangrijke details van levenslang worden en alles in het teken komt te staan van dat ene doel. Ook als in eigen kring het noodlot toeslaat. Dat resulteert in een ijzingwekkend mooie film, die onder de huid kruipt en daar voorlopig van geen wijken wil weten. 

Shut Up And Dribble

Showtime

Het had een eer moeten zijn. De uitnodiging voor de kersverse basketbalkampioen The Golden State Warriors om het Witte Huis te bezoeken. Sterspeler LeBron James en zijn teamgenoten bedanken er echter voor in de zomer van 2017. In Donald Trump hebben ze geen zin. ‘De nummer één van Amerika begrijpt de mensen niet en geeft ook geen fuck om hen’, maakt James van zijn hart geen moordkuil. Het komt hem – natuurlijk! – op stevige kritiek van Fox News te staan. ‘Houd je politieke praatjes maar bij je’, zegt talkshow-host Laura Ingraham recht in de camera. ‘Of zoals iemand ooit zei: Shut Up And Dribble.’

En daarmee heeft deze driedelige documentaireserie (153 min.) over de rol van Afro-Amerikanen in de basketbalhistorie meteen zijn leidmotief te pakken. Regisseur Gotham Chopra plaatst de politieke stellingname van Lebron James en de zijnen in hun historische context. Hij keert daarvoor terug naar de tijd dat basketbal nog een volledig witte sport was. Het verheven tijdverdrijf kreeg in de jaren vijftig plotseling te maken met zwarte nieuwelingen, die actief aanvallen gingen blocken, ongegeneerd dunkten en in het algemeen veel swingender speelden. De tegenstelling tussen zwart-wit die zo ontstaat zal decennia later nog slim worden uitgevent met de opgeklopte rivaliteit tussen Magic Johnson en ‘the great white hope’ Larry Bird.

Begeleid door volvette soul, funk en hiphop trekt de gelikte serie soepel langs invloedrijke zwarte basketballers zoals Bill Russell, Kareem Abdul-Jabbar en Isiah Thomas. Gezamenlijk belichamen zij tevens de ontwikkeling die zwart Amerika sinds de Tweede Wereldoorlog heeft doorgemaakt; van de burgerrechtenbeweging en Vietnam via de opkomst van de zwarte celibrity-cultuur en het crackgebruik van de jaren tachtig naar het presidentschap van Barack Obama en Black Lives Matter. Het is een aansprekend verhaal dat van context wordt voorzien door zwarte opiniemakers als LL Cool J, Kendrick Lamar. Common en Jay-Z.

Intussen geraakt de sport via met name superster Michael Jordan volledig vercommercialiseerd. Hij opereert als een kameleon, die op verzoek voor iedereen iemand anders kan zijn en zich dus ook niet zomaar laat inzetten voor de zwarte zaak. Zelfs niet als Rodney King voor het oog van de natie gruwelijk wordt mishandeld door enkele witte politieagenten van de Los Angeles Police Department. Zijn redenering daarvoor is even simpel als fnuikend: Republikeinen kopen ook sneakers. Jordan heeft daarnaast een belangrijke les voor alle zwarte sporters goed in zijn oren geknoopt: ‘don’t scare the white man!’.

Met de komst van Donald Trump keert ook het engagement weer helemaal terug in het topbasketbal. Nadat de American footballer Colin Kaepernick uit protest tegen politiegeweld weigert te gaan staan voor het volkslied, verklaart LeBron James zich solidair. ‘Ik heb sport in mijn leven ervaren als iets dat mensen met elkaar verbroedert’, zegt hij in een interview met Don Lemon. ‘Maar Trump gebruikt sport om verdeeldheid te zaaien tussen blank en zwart.’ En daarmee is het zwarte basketbal in zekere zin weer terug bij af. Al zijn de betrokken atleten niet meer automatisch de onderliggende partij.

Home Games

IDFA

In een betere wereld zou de twintigjarige Alina, bijgenaamd de Oekraïense Maradona, beslist voetbalinternational worden. Ze is overigens ook daadwerkelijk in beeld bij de bondscoach van het vrouwenelftal van Oekraïne. Maar de één of andere onverlaat knoopt steeds weer de veters van haar schoenen, die vaak met naald en draad bijeen worden gehouden, aan elkaar. Haar moeder, om te beginnen. Die schittert al enige tijd door afwezigheid, maar heeft Alina wel opgescheept met de kinderen uit haar tweede relatie.

Alina’s jonge halfzusje Regina en schattige halfbroertje Renat hebben weliswaar een vader, de klaploper Roman, maar die houdt zich vooral bezig met het opstrijken van de kinderbijslag en gaat zich daarna vaak dagen achter elkaar te buiten aan wodka. En als hij zijn roes ligt uit te slapen in hun gezamenlijke flat, mag Alina samen met geliefde Nadya en haar afgeleefde, bijna blinde grootmoeder de opvoeding van de kinderen voor haar rekening nemen. Met nauwelijks een cent te makken en lang niet altijd de gelegenheid om normaal te trainen.

Nee, filmmaakster Alisa Kovalenko, die Alina enkele jaren op de voet volgde met haar camera, schetst geen fraaie wereld. In het aangrijpende Home Games (86 min.) is werkelijk alles grauw, lelijk en aftands. Oostblok-ellende in optima forma. In hun piepkleine appartement, verstopt in één van de desolate woontorens die vol verve troosteloosheid staan uit te stralen in Kiev, slaagt de jonge vrouw er ondanks alles in om haar zus en broer een liefdevolle omgeving te bieden. Intussen probeert ze – tegen beter weten in, zou je bijna zeggen – haar eigen droom levend te houden.

Kovalenko kijkt in deze klassieke direct cinema-film van heel dichtbij mee als Alina weer eens aan alle kanten moet inschikken of een donderpreek krijgt van haar coach, die in haar wedstrijdbesprekingen stug blijft hameren op de juiste topsportmentaliteit. Die vormt volgens de verbeten vrouw de sleutel naar succes. Als er echter ergens geen gebrek aan is bij haar sterspeelster, dan is het aan doorzettingsvermogen. Ze dreigt alleen te worden vermalen tussen haar eigen ambities en het gewone leven van alledag. De aanblik van hoe ze met één arm op haar rug gebonden toch naar de sterren reikt, stemt tegelijkertijd hoopvol en somber.

Free Solo

National Geographic

Ben of word je medeplichtig als je iemand filmt die doelbewust zijn leven in de waagschaal stelt? Dat vraagt filmmaker Jimmy Chin zich af tijdens het portretteren van Alex Honnold. De Amerikaan doet aan ‘free solo’, vrij klimmen. Hij beklimt indrukwekkende bergwanden, zonder enige beveiliging. Één klein foutje is direct fataal. Of zoals Honnold het zelf stelt: ‘De kans dat ik naar beneden val is vrij klein, maar de consequenties zijn dan extreem groot.’

Juist klauterend tegen zo’n steile wand, zonder vangnet op eenzame hoogte, voelt hij zich echter werkelijk vrij. ‘Volgens mij is iedereen die van ‘free soloing’ een belangrijk onderdeel van zijn leven maakte nu dood’, werpt medeklimmer Tommy Caldwell droog tegen. Honnolds nieuwe vriendin Sanny McCandless kan in de enerverende documentaire Free Solo (99 min.) ook maar niet begrijpen waarom hij zulke risico’s wil nemen. Zelf blijft de klimmer er stoïcijns onder. Wat heeft hij ook te verliezen?

Volgens eigen zeggen haalt Alex Honnold inspiratie uit zijn ‘bodemloze put van zelfhaat’. Hij refereert daarbij aan zijn ‘liefde’-loze jeugd. Thuis werd dat woord in elk geval nooit gebezigd. Moeder Dierdre, lerares Frans, zei op zijn best ‘je t’aime’. Ze sprak immers consequent Frans tegen haar kinderen. En Honnolds jong overleden vader sprak al helemaal nergens over. Achteraf bezien had hij volgens moeder waarschijnlijk een autismespectrumstoornis.

Hun volwassen kind Alex, dat zichzelf op latere leeftijd moest leren knuffelen, heeft zich nu in zijn hoofd gehaald dat hij als eerste free solo El Capitan, een negenhonderd meter hoge bergwand in het Yosemite National Park, moet beklimmen. Daarbij zal hij worden gevolgd door Chins cameraploeg van ervaren klimmers (die overigens wél goed zijn gezekerd). Verhoogt hun aanwezigheid de druk op Honnold? En in hoeverre heeft zijn nieuwe vriendin hem week gemaakt? Met andere woorden: staat er nu ineens wél wat op het spel voor hem?

Moeten Jimmy Chin en zijn co-regisseur Elizabeth Chai Vasarhelyi Alex Honnold tegen zichzelf in bescherming nemen en hem zijn snode plan uit het hoofd proberen te praten? Of mogen ze die beslissing bij hemzelf laten en ‘gewoon’ het hele proces – de loodzware trainingen, het al dan niet definitieve afscheid van Sanny en de adembenemende soloklim zelf – vastleggen? Deze zenuwslopende film vormt het uiteindelijk vanzelfsprekende antwoord.

Minding The Gap

Als zijn vrienden gingen skaten, was hij erbij met zijn camera en legde hun duizelingwekkende capriolen of knullige valpartijen vast. Intussen groeide in het hoofd van Bing Liu een documentaire: Minding The Gap (93 min). Over zijn vrienden Zack en Deire. En over zichzelf, de man achter de camera, die zo nu en dan toch in beeld komt.

Gedurende twaalf jaar bleef Liu filmen. Het leverde talloze fraaie skatebeelden op en een portret van drie opgroeiende jongens uit de zogenaamde Rust Belt. Rockford, Illinois, om precies te zijn. Van de goedlachse witte jongen Zack, altijd een biertje of jointje in de hand. Hij krijgt al op jonge leeftijd een kind met zijn vriendin Nina. Dat is natuurlijk vragen om problemen.

Zack is helemaal niet klaar voor het vaderschap. Als de ruzies met de moeder van zijn kind steeds verder escaleren, verdwijnt langzaam maar die onweerstaanbare tandpastaglimlach van zijn gezicht. Intussen wil zijn zwarte vriend Deire, die bij zijn alleenstaande moeder inwoont, eindelijk eens op eigen benen staan. Tussen allerlei klotebaantjes door probeert hij tevens in het reine te komen met zijn vader. Wat skaten en zijn pa gemeen hebben? Ze hebben hem allebei pijn gedaan, zegt hij, maar hij houdt toch van ze.

Via Zack en Deire, die hij zo nu en dan kritisch bevraagt op hun gedrag, vertelt de Aziatische Amerikaan Bing Liu ook het verhaal van zijn eigen jeugd, die wordt overschaduwd door problemen thuis. Minding The Gap, meeslepend gemonteerd en op smaak gebracht met fijne indiemuziek, wordt zo een typisch coming of age-verhaal, waarin op de onvermijdelijke weg naar volwassenheid de nodige obstakels moeten worden genomen.

Student Athlete

HBO

Miljoenen kinderen dromen ervan, maar slechts voor een enkeling is een carrière als topsporter daadwerkelijk weggelegd. Elk jaar vindt er een enorme schifting plaats, waarbij een enkele droom voorlopig in leven wordt gehouden terwijl talloze andere worden vertrapt. Bij de voornaamste Amerikaanse sporten, football en basketbal, vindt die selectie voor een belangrijk deel plaats binnen de zogenaamde collegeteams.

Daarbij is iets vreemds aan de hand. Terwijl de schoolteams floreren en hun coaches dik betaald worden, moeten de Student Athletes (88 min.) koste wat het kost amateur blijven. Anders verliezen ze wellicht hun toegang tot een profloopbaan. Deze ‘studenten’ verdienen werkelijk geen rooie rotcent en moeten zich soms in de gekste bochten wringen om te overleven. Dat kan alleen in Amerika, zou je zeggen.

Die misstand is slechts één van de prangende kwesties die wordt aangesneden in deze gedegen film van Sharmeen Obaid-Chinoy en Trish Dalton, waarin enkele (voormalige) talenten worden gevolgd en een gewezen coach en anonieme Nike-medewerker aan het woord komt. Zij trekken zich het lot aan van de jonge helden, die in hun tienerjaren roofbouw plegen op hun lijf en zich zonder problemen laten exploiteren. Terwijl het nog maar de vraag is of ze ooit in aanmerking komen voor een profcontract.

De talenten die vandaag een biedingsoorlog kunnen ontketenen hebben morgen, vanwege een blessure of domme pech, misschien al een glorieuze toekomst achter zich. En dan is er, gelukkig, ook nog altijd die ene positieve uitzondering, die tegen alle verwachtingen een plek in het elitecorps verovert.

 

Cradle Of Champions

Illustere kampioenen als Sugar Ray Robinson, Floyd Patterson en Mohammed Ali stonden er in de arena – en gingen ten onder. Volgens Cradle Of Champions (99 min.) hebben The Golden Gloves, de amateurkampioenschappen van New York die sinds 1926 worden georganiseerd door The Daily News, nochtans meer wereldkampioenen bij de professionals afgeleverd dan de Olympische Spelen.

Deze documentaire volgt enkele vechters die de Gloves willen gebruiken als springplank naar een profcarrière. Voor Titus Williams, die al zo’n beetje alles heeft gewonnen in de wijde omtrek, moet het toernooi de glorieuze afsluiting worden van zijn periode als amateur. Maar is de trouwe kerkganger Williams nog wel hongerig genoeg?

Dat kan nooit het probleem zijn van Williams-uitdager James Wilkins. Volgens zijn coach is het straatschoffie Wilkins een Mike Tyson-achtige figuur; zodra hij niet met boksen bezig is, komt hij direct in de problemen. Boksen geeft zijn leven de richting die het anders ontbeert. Hij is dus genoodzaakt om te vechten. Maar is Wilkins wel gedisciplineerd genoeg?

Nisa Rodriguez doet het intussen allemaal voor haar zoontje Emerson. Met haar 24 jaar heeft de alleenstaande moeder uit het zuiden van de Bronx de felbegeerde titel al vijfmaal in de wacht gesleept. Eenmaal voor elk levensjaar van haar kind. Maar hoeveel titels heeft Rodriguez nog in zich? En kan ze zich straks kwalificeren voor de Olympische Spelen?

Deze observerende documentaire van Bartle Bull duikt diep in die typische bokscultuur. Van zweterige boksscholen, waar eenzame strijders, onder de bezielende leiding van gestaalde coaches, zichzelf een weg uit hun eigen leven willen vechten. Waarna ze in een kolkende arena, aangevuurd, uitgedaagd en beschimpt door diezelfde coaches, voor enkele minuten boven zichzelf en die ander proberen uit te stijgen.

Voetbal Is Oorlog


‘Wat een kutkeeper! Wat een kutkeeper! Wat een kutkeeper! Wat een kutkeeper! Godverdomme. Wat hebben wij toch een kutkeeper, zeg! Verschrikkelijk! Wat een kutkeeper hebben wij, zeg!’ De tirade van Achilles ‘29-trainer Eric Meijers over zijn eigen doelverdediger, afkomstig uit de documentaire Voetbal Is Oorlog (83 min.) van Hans Heijnen, ging in de afgelopen weken viral en vormt een prachtig visitekaartje voor deze film, die echt een groot publiek kan aanspreken.

Voetbalstadions lijken immers de nieuwe kerken, waar de belangrijkste bijzaak des levens wordt beleden als een alles omvattende religie. Ook in de onderste regionen van het Nederlands betaald voetbal lopen de emoties soms hoog op. Zodra ze gras ruiken, krijgen sommige mensen nu eenmaal een waas voor hun ogen. In de kleedkamer krijgt diezelfde keeper, Robbert te Loeke, bijvoorbeeld nog eens van onder uit de zak van technisch manager en assistent-trainer Frans Derks. ‘Kom op, godverdomme!’, schreeuwt hij met overslaande stem. ‘Hou die ballen tegen, man!’

De familie Derks zet de toon bij de voetbalclub van de Groesbeekse middenstand. Broer Harrie is voorzitter, zus Elrie bestuurslid. Grote ambities hebben ze: hun club moet betaald voetbal spelen. Terwijl de grote concurrent, het ooit zo ongenaakbare De Treffers, gewoon bij de amateurs is blijven steken. Door financiële perikelen laat de felbegeerde proflicentie van Achilles ’29 alleen steeds op zich wachten. Grijpt de club boven zijn macht?

De knulligheid en het amateurisme druipen er regelmatig vanaf in deze kostelijke documentaire, zeker als de club ook sportief in zwaar weer terechtkomt. Het team staat stijf onderaan in de Jupiler League. Degradatie naar de amateurs dreigt. De nieuwe Zweeds-Servische spits Emir Smajic moet daarom ‘honey’ zijn voor de goal, volgens trainer Meijers in zijn allerbeste Engels. ‘Horny’, corrigeert zijn assistent Frans Derks. Hitsig.

Als Meijers en de diverse Derksen het tij niet weten te keren, daalt Achilles ’29 straks weer af naar het niveau van de eeuwige rivaal. Die wedijver met De Treffers doet denken aan de clash tussen de Bokken en Geiten), de twee harmonieën van het Limburgse dorpje Thorn waarover Hans Heijnen twintig jaar geleden één van zijn meest geslaagde films maakte. Ook Voetbal Is Oorlog draagt duidelijk zijn signatuur: veel losse gesprekjes met clubmensen en dorpelingen, dik aangezette (klassieke) muziek en een dwingende voice-over (van vaste gast Huub Stapel).

Met die elementen schetst de Nijmeegse filmmaker een hartveroverend portret van een hechte dorpsgemeenschap, rond een voetbalclub in barre tijden. ‘Het is ons niet gegund vandaag’, houdt coach Eric Meijers zijn terneergeslagen ploeg voor na alwéér een nederlaag. Alsof ze daar zelf geen enkele invloed op hebben gehad, maar er een hogere macht is die wikt en beschikt over ‘de helden van de Heikant’. En wie zegt, zou de gezworen Achilles-fan kunnen denken, dat dit opperwezen niet, stiekem, heel stiekem, voor De Treffers is?

De Prijs Van De Hemel


Morgen komt waarschijnlijk een jongensdroom uit. In Camp Nou, het imposante voetbalstadion van FC Barcelona, staat PSV-middenvelder Pablo Rosario dan in zijn eerste Champions League-wedstrijd tegenover de superster Lionel Messi. Zes jaar geleden belichtte regisseur Jack Janssen het leven van de dertienjarige Rosario in de documentaire De Prijs Van De Hemel (61 min.).

De verwachtingen zijn dan al hooggespannen rond de HAVO-scholier met de paardenstaart. Volgens zijn jeugdtrainer bij de Amsterdamse amateurclub DWS wordt Pablo Paulino Rosario zelfs beter dan Ruud Gullit, die samen met Frank Rijkaard bij dezelfde vereniging speelde. Hij staat in de belangstelling van Ajax, Feyenoord en zijn huidige werkgever PSV. Vertegenwoordigers van die clubs blijven hem met voorstellen bestoken. Aan Pablo de keuze…

Pa Rosario treedt op als zaakwaarnemer. Ook hij denkt dat zijn zoon de top gaat halen. ‘Hij komt absoluut in het Nederlands elftal te spelen.’ Tegelijkertijd ziet de van oorsprong Dominicaanse spraakwaterval ook beren op de weg. ’Er zijn hele mooie vrouwen die je het hoofd helemaal op hol kunnen brengen’, oreert hij tegen zijn zoon. Pablo moet ervoor zorgen dat hij op een dag ‘een kusje en ketting van de koningin’ krijgt als het Nederlands elftal met hem het WK heeft gewonnen. De jongen zit de preek onbewogen uit.

Tijdens de halve finale van het WK-voetbal in Zuid-Afrika laat Pablo een heel andere kant van zich zien. In een krachtige scène juicht hij (om zijn vriendjes te sarren?) heel nadrukkelijk voor Oranjes tegenstander Uruguay, bij een wedstrijd waarin ook zijn huidige trainer Mark van Bommel actief is. Ineens is ‘Pablito’ weer gewoon een lekker dwarse puber, die school, vriendjes en een alles overwoekerende ‘hobby’ moet zien te combineren en soms gewoon de kont tegen de krib gooit.

Intussen brengt deze observerende documentaire uit 2012 ook treffend de gekte in beeld die kan ontstaan rond jeugdig voetbaltalent, waarbij volwassen mannen hun eigen dromen projecteren op een kind en anderen daar weer een slaatje uit proberen te slaan. Terwijl steeds opnieuw blijkt hoe moeilijk het is om te voorspellen wie er later tegenover Messi komt te staan en wie gedoemd is om weg te kwijnen in de verste uithoeken van het betaalde voetbal.

Zion


Welgeteld elf minuten duurt ie. Elf. Na slechts acht minuten liep er een stiekeme traan over mijn wang. Onaangekondigd. Plotseling geraakt door Zion, de man en deze minidocumentaire. En door ‘zijn’ Coach Donahue. Zonder voornaam.

Hij wil worstelen, Zion Clark. Kleine complicatie daarbij: de jongeling heeft geen benen. En ook geen ouders trouwens. Zie daar het uitgangspunt voor een hartveroverend portret van Floyd Russ. Waarin geen woord te veel valt en de beelden en montage het moeten doen: gestileerd, geënsceneerd en gedramatiseerd slaan ze genadeloos hun slag.
 

Één enkel leven dus, vervat in een handvol quotes, enkele flarden uit het verleden en talloze overweldigende mise-en-scènes. In slechts elf minuten dus. Eigenlijk meer tien. Van je hele leven. Niet dat je dat door hebt. Zion neemt je mee naar een wereld waarin je je even helemaal kunt verliezen. Bij terugkeer ben je, voor een heel klein beetje, een ander mens.

Andre The Giant

HBO

Vroeger zouden ze hem in een freakshow ten toon hebben gesteld. Als een ouderwetse attractie, naast de degenslikker, dwerg en vrouw met de baard. Een heuse reus. Een gigant. Monster. Ergens tussen de 2.15 en 2.25 meter, ruim tweehonderdvijftig kilo schoon aan de haak: André The Giant (85 min.). Het was onvermijdelijk dat hij vroeger of later in het karikaturale Amerikaanse showworstelen terecht zou komen (en later, veel later, zijn eigen biopic zou krijgen).

Ze kenden hem in Amerika ook wel als The Polish Giant, André Roussimoff of The Giant Frenchman. Achter al die vet aangezette aliassen ging – zo luidde het verhaal – ene Jean Ferré (ook dat was een artiestennaam) schuil, een houthakker (nee, nooit geweest) uit de Franse alpen (ook niet, gewoon uit een nietszeggend dorpje). Mythevorming in optima forma. Sterke verhalen, juist, waarmee André perfect paste te midden van all star wrestling-grootheden als Hulk Hogan, The Iron Sheik en Mr. T.

En zo belandde hij tevens in speelfilms. Want, zoals worstelhistoricus David Shoemaker het stelt in deze echte mannendocumentaire van Jason Hehir: ‘Vóór CGI was er alleen André The Giant.’ Als Hollywood in de jaren zeventig en tachtig dus een monster zocht, dan konden ze terecht bij het achtste wereldwonder uit Frankrijk. Het resulteerde in rollen in de serie The Six Million Dollar Man en de Rob Reiner-film The Princess Bride.

En dan was er nog de tamelijk prozaïsche werkelijkheid van alledag. ‘Flatulentie, dat was zijn handelsmerk’, zegt voormalig worstelspeaker Gene Okerland met een stalen gezicht. ‘Dan deed hij zijn been omhoog…’ Andrés voormalige assistent Tim White vult aan: ‘Dan zag ik hoe hij in de lanceerpositie ging staan en zei ik “Oh, mijn God, daar komt ie!” Zoiets had je nog nooit gehoord.’ ‘Het klonk als een soort diepe oergrom’, bevestigt promoter Vince McMahon Jr. Waarna diverse geïnterviewden het geluid hoogstpersoonlijk nabootsen. Aan Andrés bovenmenselijke scheten worden zeker drie minuten van deze documentaire gespendeerd.

En zuipen dat ie kon. Ongelofelijk! En daarmee wordt eindelijk de onderlaag van deze film aangeboord. The Giant worstelde met zijn status als freak en leed bovendien onder helse pijnen. Dat enorme lijf had hij niet zomaar, maar was het resultaat van een zeer zeldzame ziekte: acromegalie, een tumor in de hypofyse waardoor overmatige groei van lichaamsdelen kan ontstaan. Die aandoening zou ook de ondergang van André betekenen. Dat drama wordt in deze typisch Amerikaanse film zo vakkundig uitgeserveerd dat ook echte mannen overstag gaan. Maar: ‘there’s no cryin’ in wrestling’, bezweert zijn Personal Assistant Tim White 25 jaar na dato, terwijl hij zijn tranen wegslikt.

Les Bleus 2018, Au Coeur De L’épopée Russe


Documentaire maken in real time, het kan. Slechts twee dagen na de WK-finale verscheen Les Bleus 2018, Au Coeur De L’épopée Russe (122 min.), een gelikte achter de schermen-film over het Franse voetbalelftal dat uiteindelijk de wereldtitel in de wacht zou slepen. De documentaire is in twee delen op YouTube te bekijken, waarbij je de kreupele ondertiteling voor lief moet nemen.

Erg diep graaft die film natuurlijk niet en de toon blijft altijd positief – naar de blunder van keeper Hugo Lloris in de WK-finale tegen Kroatië zul je bijvoorbeeld tevergeefs zoeken. De filmmakers Emmanuel le Ber en Théo Schuster hebben echter wel opmerkelijk veel toegang gekregen. Voor, tijdens en na de wedstrijd lijkt de camera overal welkom te zijn; van de wedstrijdbesprekingen van coach Didier Deschamps tot het opmaken van de balans in de rust en de euforie na alwéér een gewonnen wedstrijd. De spelers doen daarnaast regelmatig hun verhaal in een soort dagboekcamera en worden gefilmd als ze zich ontspannen of prepareren voor de volgende wedstrijd.

Intussen wordt glashelder wie de absolute leider is van de ploeg: Manchester United-middenvelder Paul Pogba. Voor de wedstrijden geeft hij steeds een ongenadige peptalk (‘we zijn gekomen om deze fuckin’ wereldcup te winnen’), tijdens de negentig minuten stroopt hij het hele veld af en na afloop geeft hij letterlijk het tempo aan bij het feestgedruis. Het voetbal van Les Bleus tijdens het wereldkampioenschap in Rusland mag dan wat al te zakelijk zijn gebleven, deze backstagedocu met straffe beelden en kekke muziekjes laat zien dat de kersverse wereldkampioen achter de schermen wel degelijk flink kon swingen.

Op Netflix is nog altijd Les Bleus: Une Autre Histoire De France 1996-2016 te zien, een documentaire waarin twintig turbulente jaren van het Franse elftal in beeld worden gebracht en zo meteen een beeld wordt geschetst van (de strubbelingen in) het hedendaagse, multiculturele Frankrijk.

The Workers Cup


Frankrijk is nog geen wereldkampioen of wij Nederlanders richten het vizier – noodgedwongen – alweer op het volgende wereldkampioenschap, in Qatar in 2022. Over vier jaar moet er een uitgebreide voetbalinfrastructuur zijn aangelegd in de Arabische golfstaat, die tegen de verwachtingen in enkele jaren geleden de organisatie van het WK heeft bemachtigd.

In dat kader verblijven er inmiddels ruim anderhalf miljoen, grotendeels Aziatische, Afrikaanse en Arabische arbeiders in Qatar. Gezamenlijk vormen ze op dit moment zestig procent van de totale bevolking van het land. Ze wonen in werkkampen en maken zo’n twaalf uur per dag, vaak zeven dagen per week. De arbeidsomstandigheden zijn belabberd. Al te veel gelegenheid om te klagen of een andere baan te zoeken is er echter niet, want hun werkgever heeft hun werkvergunning in beheer.

Gelukkig mogen ze zelf ook een potje voetballen. De bedrijven waarvoor ze werken hebben zich ingeschreven voor de strijd om The Workers Cup (58 min.), een toernooi dat door de WK-organisatie is georganiseerd om het voetbal in eigen land te promoten. Deze stevige documentaire van Adam Sobel volgt enkele spelers van het team van de Gulf Contracting Company (GCC). ‘Ons bedrijf heeft veel voor ons gedaan en daarom moeten we vandaag winnen’, houdt trainer Dean zijn mannen uit Kenia, Ghana, India en Nepal voor. Daarbij kunnen ze volgens hem uit eigen kracht putten: ‘eenheid in diversiteit.’

Buiten het veld bestaat het leven van de spelers uit niet veel meer dan werken, waarbij ze tussen de bedrijven door contact proberen te houden met hun vroegere leven en de geliefden die zijn achtergebleven in eigen land. Binnen de lijnen vinden ze een gelegenheid om zich te onderscheiden. De wedstrijden worden beleefd als echte WK-krakers. Waar hun werkgever vooral uit lijkt op prestige, staat er voor de voetballers zoiets elementairs als zelfrespect op het spel. Hoe blijf of word je meer dan een onbeduidend radertje in het systeem? Met een benutte penalty of katachtige reflex misschien?