I, Dolours

‘If you hate the British army, clap your hands’, zingt een groep schoolkinderen op straat enthousiast, terwijl de gemoederen in Belfast begin jaren zeventig oplopen. ‘If you hate the British army…’ In diezelfde tijd mengt ook Dolours Price, de hoofdpersoon van deze documentaire, zich in het Noord-Ierse conflict: ze wordt lid van het Irish Republican Army (IRA) en begint een bloedige strijd met de Britse overheersers en de aan hen gelieerde loyalisten.

In I, Dolours (82 min.) construeert filmmaker Maurice Sweeney haar levensverhaal, via een serie interviews die Price in 2010 gaf aan journalist Ed Moloney. Ze oogt daarin als een doorsnee vrouw van middelbare leeftijd, die je eerder op naailes verwacht dan in de gewelddadige tak van een bevrijdingsbeweging/terreurgroep. Geen persoon in elk geval waaraan je bankovervallen, verdwijningen, bomaanslagen en liquidaties zou toeschrijven.

Achter Dolours’ conventionele uiterlijk gaat echter een geharde vrouw schuil, die volledig is gevormd door The Troubles, het gevecht om Ulster. Als ze in 1973, na een bomaanslag in Londen, voor jaren in een Engelse gevangenis belandt, zet ze daar samen met haar eveneens geradicaliseerde zus Marian meteen een hongerstaking op. Die wordt door de Britten rigoureus de kop ingedrukt. Dolours zal er de rest van haar leven mee blijven worstelen.

De traumatische gebeurtenis is indringend verfilmd in deze solide film, waarin Sweeney een overtuigende middenweg tussen documentaire en drama vindt en zijn hoofdpersonage zich zo nu en dan laat verleiden om héél voorzichtig haar kwetsbare kant, en zowaar iets van wroeging, te laten zien.

The Yes Men

Als je de grootst mogelijke onzin maar op gezaghebbende toon verkondigt, is die vaak nauwelijks te onderscheiden van de enige echte waarheid. Voorbeelden in de politiek en media te over. Zelden is dat basisidee echter doeltreffender én grappiger in de praktijk gebracht dan door The Yes Men, twee antiglobaliseringsactivisten die zich in het openbaar met veel succes voordoen als hun strak in het pak zittende, ideologische opponenten.

Het is allemaal begonnen met het bemachtigen van een internetdomeinnaam die op het eerste gezicht van de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush lijkt te zijn. Daarop plaatsen Jacques ’Andy Bichlbaum’ Servin en Igor ’Mike Bonanno’ Vamos een officieel ogende website en doen het in hun ogen werkelijke beleid van de Republikeinse politicus uit de doeken. Als Bush in interviews vervolgens met die pijnlijke waarheden wordt geconfronteerd, realiseren The Yes Men (82 min.) zich dat ze hun modus operandi hebben gevonden.

Met de website www.gatt.org, een domeinnaam die van de wereldhandelsorganisatie WTO had kunnen zijn, boren de beroepsactivisten vervolgens opnieuw een publicitaire goudmijn aan. Gewiekst fabriceren ze een ogenschijnlijk authentieke website voor de World Trade Organization, een organisatie die zij beschouwen als een zielloze spreekbuis van Het Grote Geld. Niet veel later stromen de verzoeken, klachten én uitnodigingen binnen. En met name die invitaties zijn natuurlijk onweerstaanbaar voor The Yes Men, die maar wat graag in de openbaarheid treden met hun satirische statements.

Nadat Bichlbaum bij een congres in Salzburg als ‘officiële’ WTO-vertegenwoordiger een bevlogen betoog heeft gehouden over het aan de hoogste bieder veilen van stemmen bij de Amerikaanse verkiezingen, om zo het hopeloos inefficiënte stemsysteem te verbeteren, krijgt hij geen enkel weerwoord. De seminargangers horen het onbewogen aan en lijken hem volstrekt serieus te nemen. Daarmee is het hek definitief van de dam en krijgen de plannen van The Yes Men een steeds doldriester karakter.

De filmmakers Chris SmithDan Ollman en Sarah Price leggen bijvoorbeeld met zichtbaar plezier vast hoe het ‘management leisure suit’, waarmee de topman van een multinational gemakkelijk zijn werknemers in ontwikkelingslanden in de gaten kan houden en toch lekker kan ontspannen, wordt ontwikkeld en gepresenteerd. Het ontwerp, een gouden pak waarop een enorme fallus met beeldscherm is bevestigd, wordt met verbazing begroet en gretig opgepikt door de media – essentieel voor de Yes Men-strategie.

Zo steken ze in deze activistische documentaire uit 2003, die met The Yes Men Fix The World (2009) en The Yes Men Are Revolting (2014) vooralsnog twee sequels heeft gekregen, uitbundig de draak met de neoliberale mindset, waarbinnen uiteindelijk alles z’n prijs heeft. Waarom is hongersnood in ontwikkelingslanden een probleem? staat er bijvoorbeeld bloedserieus op de powerpoint van een Yes Men-presentatie over de Reburger, een (meermaals) gerecyclede hamburger. Waarna een even ontluisterend als dolkomisch betoog volgt over hoe voedselgebrek voor eens en altijd uit de derde wereld kan worden geholpen.

The Price Of Everything

‘Er zijn veel mensen die alles van de prijs weten’, zegt Stefan Edlis. ‘Maar niets van de waarde.’ Het is een opmerkelijke tekst voor een man die fortuin heeft gemaakt met de aan- en verkoop van kunst. Edlis is inmiddels dik in de negentig, plaatst met de nodige zelfspot kanttekeningen bij de kunstwereld en denkt na over de toekomst van zijn eigen indrukwekkende collectie, die werk van toonaangevende kunstenaars als Andy Warhol, Gerhard Richter en Jeff Koons bevat.

In de uiterst vermakelijke documentaire The Price Of Everything (98 min.) belicht regisseur Nathaniel Kahn de musea, galeries en veilinghuizen waar moderne kunst en het grote geld elkaar ontmoeten. De jacht en de deal, daar gaat het om, aldus Amy Capellazzo van Sotheby. ‘Kunst en geld hebben altijd hand in hand gegaan’, stelt veilingmeester Simon de Pury zelfs. ‘Het is belangrijk dat goede kunst ook duur is. Je beschermt alleen iets wat ook waarde vertegenwoordigt. Als iets geen enkele financiële waarde heeft, kan het niemand schelen wat ermee gebeurt.’

Tegenover die benadering plaatst Kahn de traditionele Amerikaanse schilder Larry Poons, die sinds 1971 in zijn eigen atelier werkt aan grote en abstracte doeken, die verdomd lastig zijn te verhandelen. Poons is volgens eigen zeggen kunstenaar tegen wil en dank. Uit pure noodzaak. Geld speelt daarin geen enkele rol. ‘Je kunt ook je ouders niet uitkiezen’, zegt hij uitdagend. ‘Zoals je ook niet kunt bepalen wie je zelf bent.’ In de jaren zestig had Poons rijk en beroemd kunnen worden. Nu leeft en werkt hij in de schaduw van tijd- en vakgenoten.

Kunst is intussen een soort luxeartikel geworden, constateert historica Barbara Rose met een vies gezicht. Puur effectbejag. Neem dat gouden toilet van de Italiaanse kunstenaar Maurizio Cattelan. Dat is toch een belediging voor de goede smaak? Net als dat ‘sensationalisme’ van hedendaagse grootheden als Damien Hirst en Jeff Koons. ‘Ik heb nagedacht over waarom ik maak wat ik maak’, constateert Koons zelf nochtans droog in deze film. ‘Het enige wat ik heb is mijn eigen interesse.’

Met kunstenaars, historici, handelaren, critici en verzamelaars schildert The Price Of Everything, dat is aangekleed met ravissante kunstwerken en weelderige klassieke muziek, zo een gelaagd beeld van de contemporaine kunstwereld, die (vanuit economische motieven) zijn eigen popsterren heeft gecreëerd. Moderne kunst lijkt soms niet meer dan handelswaar, waarbij vraag en aanbod bepalen of de kunstenaar er nog toe doet of niet. Hoe voorkom je als individuele maker dat je wordt verzwolgen door je eigen hype?

Kunstcriticus Jerry Saltz ziet in die economische benadering van moderne kunst nog een ander bezwaar. Al die veilingen vormen in zijn ogen een soort afscheid. Als een kunstwerk voor een enorm bedrag is verkocht, belandt het aan de muur bij een puissant rijke verzamelaar. Waardoor de kunst die oorspronkelijk was bedoeld voor een groot publiek, zo toont deze levendige film feilloos aan, toch weer gewoon bij de elite terecht komt.