Punk

Epix

Punk gaat nooit verloooooren! Althans volgens enkele ogenschijnlijk goed geconserveerde iconen van het ruige rockgenre in dit aanstekelijke documentaire-vierluik. De ultieme middelvingermuziek stak in de jaren zeventig zijn lelijke kop op, kreeg tijdens de eighties onder de noemer hardcore een erg grimmig karakter en kon in de negentiger jaren als poppunk eindelijk commercieel worden geëxploiteerd. Intussen was het ooit zo dwarse genre natuurlijk allang ingekapseld door de muziekindustrie, waarop het in het openbaar altijd had gespuugd.

Niet dat de gestaalde miniserie Punk (219 min.) daar al te veel aandacht aan besteedt. De nadruk ligt, zoals gebruikelijk in dit soort muziekdocu’s, op het bewieroken van de eigen helden. Dat is in het geval van punk eerder gedaan, maar niet vaak beter of completer. De serie van Jesse James – goede naam trouwens voor een regisseur van een punkfilm – Miller behandelt niet alleen de beginperiode, toen de punkmuziek en -lifestyle hun naam vestigden, maar brengt ook de periode van de grote commerciële doorbraak – of, zo je wilt de grote uitverkoop – in beeld.

Aflevering 1 richt zich op de Amerikaanse voorvaderen van het genre (The MC5, Stooges, New York Dolls en Ramones). In het tweede deel staat de Britse sensaaaaatie die daarop volgde (Sex Pistols, Damned en The Clash) centraal. De Amerikaanse hardcorescene van begin jaren tachtig (Bad Brains, Black Flag, Dead Kennedys en Minor Threat) bevolkt episode 3. En in de slotaflevering (Bad Religion, Nirvana, Green Day, The Offspring en Rancid) worden tenslotte grunge en skatepunk als soundtrack voor de alternatieve jeugd belicht.

Deze slicke serie heeft een lekker verteltempo, is natuurlijk dichtgesmeerd met opwindende muziek en beschikt bovendien over een behoorlijke sterrencast met vedettes (en usual suspects) als Iggy Pop, Wayne Kramer, Johnny Rotten, Marky Ramone, Debbie Harry, Joan Jett, Ian MacKaye, Jello Biafra, Henry Rollins, Flea, Brett Gurewitz, Billie Joe Armstrong, Josh Homme en Dave Grohl. Zij stralen in zowat alles uit dat punk behalve muziek vooral ook een attitude is. Van: Wij tegen de rest. Waarbij alles mag, zolang het maar punk is. Zoiets.

’Het is heel eenvoudig’, zegt Penelope Spheeris, maakster van de klassieke punkdocu The Decline Of Western Civilization uit 1981, daarover. ‘Je bent het en je snapt het. Of je bent het niet en snapt het dus ook niet.’ Waarbij je je automatisch afvraagt: zouden al die sprekers, die je ervan verdenkt dat ze, net voordat de cameraploeg binnenkwam, nog gauw even een kleurspoelinkje door hun haar hebben gedaan en het nog eens lekker door elkaar hebben gehusseld, bijvoorbeeld nooit een héél klein beetje moe worden van de punkmores en bijbehorende haarkloverij? Zulke vragen stel je echter niet in een ode aan een muziekstroming die staat of valt bij kwalificaties als ‘authenticiteit’ en ‘street credibility’.

Ook dat heeft overigens zijn charme. Als Miller op een platenspeler oude punkklassiekers zoals I Wanna Be Your Dog of Anarchy In The UK afspeelt voor zijn gesprekspartners, blijven die lekker in hun rol en zingen of luchtgitaren enthousiast mee. Het levert fraaie taferelen op. Van metershoge helden die zichzelf terugbrengen tot doodgewone punks. En dat zou je de essentie van de stijlvorm kunnen noemen.

Kurt Cobain: Montage Of Heck


‘I hope I die before I get old’, beweerde de nog altijd springlevende Pete Townshend halverwege de jaren zestig in My Generation, het lijflied van de babyboom-generatie. De gitarist van The Who wordt deze week 73. Bij de man die ruim 25 jaar later het lijflied van de generatie X zou neerpennen, Smells Like Teen Spirit, eindigde het leven al op 27-jarige leeftijd. In 1994 voegde hij zich eigenhandig bij een club van opvallend jong gestorven pophelden.

Kurt Cobain, de man die met Nirvana hoogstpersoonlijk alternatieve rock naar MTV en het bijbehorende miljoenenpubliek bracht. Het boegbeeld van slackers in de hele wereld. En de ontheemde twintiger, een jongen nog, die worstelde met zichzelf, zijn plots verworven roem en het leven in het algemeen. In de fabuleuze biografie Kurt Cobain: Montage Of Heck(132 min.) komt regisseur Brett Morgen voorbij het stereotiepe beeld van De Getormenteerde Zanger, dat zo vaak van Cobain is geschetst, en slaagt hij erin om daarachter de kleine Kurt te vinden.

Daaraan liggen een aantal opvallende keuzes ten grondslag. Zo hanteert Morgen op het gebied van interviews stringent het ‘less is more’-principe. Waar voor de meeste popbiografieën een karrenvracht aan celebrities wordt ingevlogen, beperkt Morgen zich tot louter essentiële bronnen: Cobains moeder, vader, stiefmoeder, zus, ex-vriendin, weduwe Courtney Love en Nirvana-bassist Krist Novoselic. Zelfs Nirvana-drummer (en tegenwoordig boegbeeld van The Foo Fighters) Dave Grohl, die blijkbaar niet op tijd kon worden geïnterviewd, ontbreekt in de film. Door die scherpe keuze blijft rock & roll-bullshit achterwege en kan de film direct door naar de kern.

Bij de aankleding van zijn documentaire heeft hij zichzelf dan weer geen enkele beperking opgelegd. Met zichtbaar plezier maakt Brett Morgen – naast de gebruikelijke obligate popinterviews en enerverende concert- en studiobeelden – gebruik van Cobains dagboekfragmenten, brieven en naargeestige tekeningen, vertederende familiefilmpjes en speciaal voor de film gemaakte animaties (waarvan overigens niet iedereen gecharmeerd was). Die paart hij op virtuoze wijze aan Nirvana’s overbekende rocksongs, die daardoor van een extra dimensie worden voorzien. Alsof je ze voor het allereerst hoort. Dat lijkt me een verdienste op zich.

Uiteindelijk drijft Montage Of Heck echter op een klein menselijk verhaal: over een jongetje dat door allebei zijn ouders werd afgewezen en daarna met zijn ziel onder zijn arm, en het hart op de tong, door het leven moest. Het is maar al te goed voor te stellen dat in die door allerlei lichamelijke en psychische klachten geteisterde schreeuwzanger nog dat enthousiaste blonde menneke uit de Cobain-jeugdfilmpjes zat verstopt. Ergens onderweg is hij onherstelbaar beschadigd geraakt en de drang ontstaan tot zelfmedicatie – en, uiteindelijk, zelfdestructie.

Regisseur Brett Morgen, die onlangs een prachtige biografie maakte over een ander icoon, de beroemde primatologe Jane Goodall, slaagt erin om van het fenomeen Kurt Cobain weer een mens van vlees en bloed te maken. Terwijl hij in de laatste fase van zijn leven afglijdt in een heroïneverslaving, zet de zanger samen met zijn vrouw Courtney tegen beter weten in een kind op de wereld en blijft hunkeren naar zoiets als een traditioneel gezin. De uiteindelijke afloop staat al bijna 25 jaar vast en zindert desondanks nog wel even na.