Het ene probleem veroorzaakt het andere, dat weer een nieuw probleem oplevert. De situatie van Demo is als een Gordiaanse knoop, die nauwelijks meer valt te ontwarren. Wie hakt hem door? Het begon ooit met gewapende overvallen. Of eerder: met een jeugd, die verder onbesproken blijft. Daarna volgde in elk geval een detentie, voorwaardelijke invrijheidstelling en strubbelingen met de reclassering.
De bokkige jongen, die zijn criminele verleden van zich af probeerde te schudden en begon aan een HBO-opleiding, was in 2011 de blikvanger van de documentaire Lost Boys: Bloods Forever van Margit Balogh (die nog altijd is te zien op de 2doc-website, net als een nabrander van vier jaar later). In die tijd was Demo lid van The Bloods, een Rotterdamse pendant van de beruchte Amerikaanse jeugdbende. Zijn vrienden Mr. T, Smockey en Lil-G hielden zich nog altijd bezig met drugs, geweld en criminaliteit.
In het vervolg Lost Boys, 5 Jaar Later (55 min.) fungeert Jeansen ‘Demo’ Djaoen als enige hoofdpersoon. Hij heeft de bendekleuren, in de vorm van rode bandana’s en shirts, afgelegd en werkt tegenwoordig als reporter/marketingmedewerker van de publieke radiozender Funx. Ogenschijnlijk moeiteloos houdt hij zich staande te midden van politici en collega-journalisten. Met Mijn Eerste Overval, een hoorspel over zijn criminele verleden, wordt hij zelfs genomineerd voor de prestigieuze NTR Radioprijs.
Zijn verleden blijft hem echter achtervolgen. Demo’s torenhoge schulden worden, ondanks aflossingen, door boetes en heffingen alleen maar hoger. En vanwege zijn strafblad komt hij niet in aanmerking voor schuldsanering. Dat is het centrale thema van deze tweede Lost Boys-film, een aangrijpend portret van een bijna-dertiger die blijft betalen voor oude fouten (al blijft wel schimmig waarvoor dan precies) en ervoor moet waken dat hij niet voor gemakkelijke oplossingen valt.
Tegelijkertijd is het (vrijwel geheel) ontbreken van de andere gangleden van The Bloods in deze film wel een gemis. Demo vormt ondanks zijn financiële malheur, die door Balogh zéér uitgebreid in beeld wordt gebracht, de uitzondering op de regel. Hoe zou het de meer stereotiepe bendejongens Mr. T, Smockey en Lil-G zijn vergaan? Die vraag blijft grotendeels onbeantwoord.
Mohamed Nur staart vanaf het strand verlangend naar de zee. De Afrikaanse man keert het water uiteindelijk de rug toe en loopt ervan weg. In zijn werkplaats bevestigt hij een haak aan een opvallend blauw touw. Als Mohamed dat touw de lucht inwerpt, neemt het hem mee de lucht in. De man van vlees en bloed is inmiddels in een geanimeerde versie van zichzelf veranderd. Zwevend door de lucht transformeert hij tot een enorme roofvogel, die zich daarna met zijn levensgrote klauwen op een vrachtschip stort.
Is het een herinnering van de Somalische piraat? Of fantaseert hij over een volgende schipkaping? De verbluffende openingsscène van Last Hijack (52 min.) werpt direct het centrale dilemma van deze film uit 2014 op en laat tevens zien dat dit verhaal op een bijzondere manier zal worden verteld: met een combinatie van traditionele documentaire-elementen en volledig geanimeerde scènes. De documentaire van Tommy Pallotta en Femke Wolting gaat bovendien vergezeld van een interactieve documentaire.
In Last Hijack Interactive, gemaakt door Mirka Duijn die daarvoor een Emmy Award voor won, kan de gebruiker met de voortdurend qat kauwende Mohamed het hele proces van een kaping minutieus doorlopen. Óf kiezen voor de herinneringen van kapitein Colin Darch, diens vrouw, Mohameds advocaat, zijn clanoudste, een journalist en/of een veiligheidsexpert. Óf zich nader verdiepen in de moderne historie van Somalische piraterij. Óf kijken en luisteren naar de berichtgeving over piraterij. Óf… Al grasduinend ontstaat een gelaagd en genuanceerd beeld van een kwestie die veel complexer is dan ie in eerste instantie lijkt.
De documentaire vertelt daarentegen een redelijk eenduidig verhaal. Van een man uit de Hoorn van Afrika die bevattelijk is voor het gemakkelijke leven en niet al te veel morele beperkingen ziet bij het verwerkelijken daarvan. Mohamed heeft inmiddels al de nodige vrouwen versleten, her en der kinderen achtergelaten en een chronisch gebrek aan geld dat alleen met oneigenlijke middelen is aan te zuiveren. Hoezeer zijn ouders ook op hem inpraten, de piraterij blijft onverminderd trekken.
‘Piratengeld is goedkoop’, zegt Mohamed als het burgermansleven zich toch weer eens opdringt. ‘“Made in Taiwan”. Het is binnen drie minuten verdwenen.’ Het lijkt alsof hij vooral tegen zichzelf spreekt. Terwijl de dertiger zich voorbereidt op alweer een huwelijk, blijft de zee echter toch lonken. ‘Waarom zou je bloedgeld gaan verdienen als het ook eerlijk kan?’, wil zijn nieuwe geliefde weten. ‘Wat moet ik dan gaan doen?’, stelt hij een wedervraag, kauwend op de onvermijdelijke qat. ‘Weer terug naar de steengroeve?’
Mohameds vader zet het met een groep geloofsgenoten alvast op een bidden. ‘We vragen God om hem op het rechte pad te brengen.’ En de kijker houdt zijn hart vast…
‘Hoeveel dagen moet ik wachten voordat ik geld kan
vragen?’, vraagt Ama, een alleenstaande Ghanese vrouw die net heeft geleerd hoe
ze moet chatten en ‘I’m doing fine’ heeft getypt naar een wildvreemde vent in
Engeland. Een week, meent Fi, een man die haar wegwijs maakt in de wereld van
de digitale oplichting. Als het een goede vent is. Hooguit twee weken. ‘En
hoeveel kan ik dan vragen?’ wil Ama nog weten. Zo’n vijftig dollar. Fi
grinnikt: oh ja, de domste mannen van Engeland heten allemaal Peter.
Als Ama’s pogingen om een man in haar netten te vangen toch
niet helemaal willen vlotten, vraagt ze advies aan een ervaren collega. Die
laat haar een sexy foto op haar telefoon zien. Ama schrikt. ‘We gebruiken wat
we hebben om te krijgen wat we willen’, zegt de vrouw zakelijk, waarmee ze deze
documentaire van Ben Asamoah, een
Belgische maker met Ghanese roots, meteen een soort motto meegeeft.
Vanzelfsprekend wil de wereldwijze dame ook een percentage van de opbrengst als
Ama’s onbeholpen pogingen om de man digitaal op te vrijen toch slagen.
Geld verdienen staat centraal bij de hoofdpersonen van
Asamoahs debuutfilm Sakawa (77
min.). Westerlingen zijn er om helemaal leeg te trekken, zonder scrupules. Hun
oude computers, gedumpt op een vuilnisbelt in Ghana, kun je plunderen op zoek
naar gegevens. Via Google Maps is vervolgens te zien hoe en waar ze wonen. En
daarna zijn ze met een nepprofiel van een aantrekkelijke dame en geveinsde
zwoele stem telefonisch relatief eenvoudig het hoofd op hol te brengen. Waarna
de geldstroom vanuit Europa of de Verenigde Staten, idealiter, op gang kan
komen.
De werkelijkheid is echter weerbarstiger dan de theorie. Zijn de verhoudingen tussen dader en slachtoffer wel zo eenvoudig als ze in eerste instantie lijken? En waarom verlaten de kille laaielichters zich op plaatselijke predikers en voodoopriesters, die net zo goed van zwendel zijn te betichten? Asamoah observeert zijn subjecten in deze intrigerende film zonder hun gedrag te be- of veroordelen en toont op die manier het andere/echte gezicht van die veel gevreesde Afrikaanse internetoplichters.
Zie daar de kern van de spraakmakende strafzaak die in de documentaire Het Fatale Scooterongeluk (56 min.) wordt gereconstrueerd. Op weg naar een overval op een hotel in Nijmegen wil de politie twee jongens staande houden vanwege een defect achterlicht. Ze slaan op de vlucht en rijden een voetganger aan. Mario van de Geijn, medewerker van filmhuis Lux, overlijdt kort daarna. Maar wie reed er op die fatale januaridag in 2010 op de scooter en wie was er ‘slechts’ bijrijder?
Mohamed el G. (19) en Mohamed A. (18) blijven consequent elkáár beschuldigen. En ooggetuigen kunnen ook geen uitsluitsel geven. Daarmee ontstaat een patstelling, die zal resulteren in een jarenlange juridische hellegang voor Van de Geijns nabestaanden. De twee verdachten, die zich na het ongeluk ook al schuldig hebben gemaakt aan intimidatie van hulpverleners, zullen zich daarin van hun allerslechtste kant laten zien en de rechtsgang tot in den treure traineren.
Programmamaker Hetty Nietsch heeft de zaak al die jaren van zeer nabij gevolgd en contact onderhouden met Mario van de Geijns levenspartner Gé Creemers, die op zoek blijft naar rechtvaardigheid en dialoog. Met ooggetuigen, politieagenten, medewerkers van het ziekenhuis, officieren van justitie, journalisten en de advocaten van de twee verdachten neemt Nietsch het ongeluk en de nasleep daarvan minutieus door. Ze ondersteunt haar narratief met nieuwsbeelden en reconstructies van de politieverhoren. Oud-rechter Egbert Myjer fungeert opmerkelijk genoeg als verteller.
Het eindresultaat bevat weliswaar veel pratende hoofden, recht in de camera, maar maakt tegelijkertijd het centrale dilemma van een uiterst frustrerende strafzaak inzichtelijk. Want zolang niet duidelijk is wie er achter het stuur zat, kun je de één het ongeluk van de ander niet aanrekenen. Of zijn de twee, als (potentiële) plegers van een misdrijf, roekeloze rijders en schaamteloze saboteurs van de rechtsgang, misschien sowieso allebei schuldig?
Als één zwarte soulzanger zich grondig heeft laten ‘whitewashen’, dan is het Sam Cooke. Hij leeft voort als de man van gladgestreken popsoulsongs als Wonderful World, Cupid en You Send Me. Een zwarte Sinatra. Zijn vader waarschuwde hem al: ‘Je kunt de wereld winnen en je ziel verliezen.’ Maar Sam wilde van jongs af aan wereldberoemd worden. Pas na zijn vroegtijdige dood in 1964 werd A Change Is Gonna Come uitgebracht, een lijflied van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging.
In de geoliede popdocu The Two Killings Of Sam Cooke (74 min.) schetsen voormalige vrienden en medewerkers van de zakelijk ingestelde zanger en tijdgenoten als Smokey Robinson, Dionne Warwick en Quincy Jones de opkomst van Cooke, die gaandeweg steeds nadrukkelijker voor zichzelf opkwam en gelijkgestemden vond in politiek activist Malcolm X, acteur Jim Brown en bokser Mohammed Ali. Gezamenlijk stonden ze aan de basis van een nieuw zwart zelfbewustzijn dat Black Power zou gaan heten. Tegen de tijd dat de burgerrechtenbeweging goed op gang kwam, was Sam Cooke echter al dood.
Hij stierf als de eerste de beste ‘nikker’. Onder mysterieuze omstandigheden doodgeschoten in het haveloze Hacienda Motel in de beruchte Watts-wijk van Los Angeles. Theorieën over wat zich daar heeft afgespeeld waren er te over. Had de vrouw die de trekker waarschijnlijk overhaalde zich moeten verdedigen tegen de agressieve dronkenlap Cooke? Was de succesvolle zanger op slinkse wijze beroofd? Of ging het toch om een samenzwering tegen een zwarte artiest die zijn plaats niet wist in een industrie, die van oudsher wordt gerund door louter witte mannen?
Een serieus onderzoek naar zijn gewelddadige dood is er volgens deze documentaire van Kelly Duane nooit gekomen. Als zoiets al met de grote Sam Cooke kon gebeuren, wat had een gewone afro-Amerikaan in de roerige tijden van Martin Luther King, Malcolm X en Medgar Evers dan van de autoriteiten te verwachten? Die vraag is, getuige de Black Lives Matter-beweging, verrassend actueel. En zoals er nu grootschalige protesten ontstonden na de gewelddadige dood van Freddie Gray, Eric Garner en Mike Brown, zou het na Cookes dood blijven broeien in Watts, dat in 1965 het toneel werd van serieuze rassenrellen.
De president van het El Gitano-chapter gebaart dat Jack naar voren moet komen. Hij gaat – nietsvermoedend? – voor de groep staan, de getatoeëerde handen netjes over elkaar. Zijn clubgenoten, allemaal in een leren bodywarmer met rang, functie en verdiensten erop, staan met hun armen over elkaar om hem heen. Als een privéleger, dat elk moment kan toeslaan. ‘Een president is een president. Da’s geen koekwous, of wel?’ sneert de leider naar Jack. ‘Wat betekent ‘no contact’? ‘Geen contact’, antwoordt het lid in opspraak bedremmeld, duidelijk op zijn hoede. De president is inmiddels woedend: ‘En wat doe jij?’
Jack heeft nog niet ‘met wie?’ geantwoord of hij krijgt, op aanwijzing van de ‘pres’, enkele ferme klappen toebedeeld. Hij probeert de pijn te verbijten. De boodschap is helder: deze president van motorclub Satudarah laat niet met zich spotten. En wie niet horen wil, moet maar voelen. Jack kan bovendien zijn jack inleveren. ‘Wegwezen!’, voegt El Gitano’s verontwaardigde leider hem nog toe. Het parool ‘Satudarah tetap, tetap Satudarah’ (ofwel: ‘Satudarah voor altijd, voor altijd Satudarah’) geldt totdat de club zelf anders beslist en je in ‘bad standing’ wordt weggestuurd.
Die eerste klappen zijn direct een daalder waard in de openingsscène van de overweldigende documentaire Satudarah: One Blood (83 in.) uit 2015. Joost van der Valk en Mags Gavan, die eerder bij de Nederlandse Crips-gang filmden, portretteren de Molukse motorclub van binnenuit. Ze leggen met gevoel voor drama de welhaast militaristische rituelen vast, tekenen de onderlinge omgang en codes op en zijn erbij als Satudarah met de nodige bravoure zijn werkterrein uitbreidt naar Duitsland, waar de club meteen in botsing komt met de al even beruchte Bandidos. Intussen volgen ze de leiders naar hun geboortegrond in het huidige Indonesië, waar ze nog altijd hopen op een eigen Molukse staat en Satudarah is geworteld.
De filmmakers concentreren zich op enkele hoofdpersonen die gezamenlijk de gehele motorclub representeren, zoals de voormalige bajesklant die zich direct weer wil manifesteren, een brekebeen van twaalf ‘ambachten’ en dertien ‘ongelukken’ en de potentiële nieuwe leider Olla, een kind van een KNIL-militair die zijn eigen bikkelharde opvoeding in de praktijk brengt bij de club. Satudarah vormt een geheel eigen wereld waarbinnen alleen echte mannen zich staande kunnen houden. Vrouwen laten zich in deze testosteronfilm nauwelijks zien en zijn relatief eenvoudig in te delen binnen twee clichématige categorieën: lustobject of moederfiguur.
Satudarah: One Blood is geen documentaire die een oordeel velt – dat zou je op de film tegen kunnen hebben. Van der Valk en Gavan stellen ook geen kritische vragen, maar gaan mee in de belevingswereld van hun subjecten. Alleen nieuwsberichten uit radiobulletins, tijdens de montage toegevoegd, plaatsen de handelingen van de motorclub in zijn maatschappelijke – en strafrechtelijke – context. Verder mag de kijker zelf oordelen: criminele bende, potsierlijke machokliek of gewoon een gezellige vereniging voor motorvrinden? Één conclusie staat op voorhand vast: dit is een ijzersterke film, die de deur openwrikt naar een verboden wereld, aan het spreekwoordelijke eind van de straat. Één keer flink gas geven en je bent er – als je dat zou willen.
De complete documentaire Satudarah – One Blood is hier te bekijken.
Science fiction-schrijver Philip K. Dick (1928-1982), verantwoordelijk voor klassiekers als Blade Runner, Total Recall en A Scanner Darkly, kon het zo gek niet bedenken of het wordt vroeger of later werkelijkheid. In het korte verhaal The Minority Report, verfilmd met Tom Cruise in de hoofdrol, creëerde hij bijvoorbeeld een wereld waarin misdaden worden voorkomen doordat de potentiële daders al vóór het vergrijp in de boeien worden geslagen.
Toekomstmuziek? Niet als je het vraagt aan Matthias Heeder, de verteller van de unheimische documentaire Pre-Crime (52 min.). ‘Hollywood is nu echt werkelijkheid geworden’, mijmert hij hardop, zittend op een rotspartij bij een woelige zee. ‘Software die voorspelt waar een misdaad zal plaatsvinden. De politie die eerder ter plaatse is dan de misdadiger. Computers die lijsten maken van toekomstige moordenaars. Pre-crime noemen ze dat.’
Neem de Amerikaanse stad Chicago, waar de politie inmiddels een strategische doelenlijst heeft opgesteld. Allerlei databases zijn gekoppeld. Van arrestaties en sociale contacten tot huisuitzettingen en psychiatrische- en bijstandsdossiers. Daarna is op basis van algoritmes, waarvan natuurlijk niemand weet hoe ze precies werken en wie ze controleert, een lijst met een voorspellende werking samengesteld: van wie kan op basis van zijn contacten en activiteiten worden verondersteld dat hij in beeld komt als dader dan wel slachtoffer van geweld?
Via deze prikkelende insteek, en de bijbehorende science fiction-achtige vormgeving en muziek, buigt deze film van Heeder en Monika Hielscher zich over een inmiddels tamelijk vertrouwd maatschappelijk thema: hoe en door wie worden onze data beheerd? Zitten er bugs in dat systeem? En hoe zorgen we ervoor dat onze gegevens niet in verkeerde handen belanden en zonder onze toestemming – of dat we het überhaupt weten – worden ingezet voor commerciële dan wel ideële doeleinden?
Met datadeskundigen, privacypleiters, politieagenten, advocaten, (misdaad)journalisten, mensenrechtenactivisten en enkele gewone burgers, die ten onrechte in beeld zijn gekomen bij de politie vanwege een ongelukkige combinatie van gegevens, brengt Pre-Crime, een term die overigens ook werd gemunt door Philip K. Dick, de mogelijke gevaren in kaart van al die gekoppelde gegevensbestanden.
Op de achtergrond speelt daarbij steeds de vraag op of we op weg zijn naar de dystopie die die andere onheilsschrijver, George Orwell, al eens op huiveringwekkende wijze schetste? Of zijn we met zijn allen toch in staat om Big Brother een toontje lager te laten zingen?
‘Ik ben Charlie’, zegt Thomas Walleman. ‘En als hij sterft, sterf ik.’ Het hippiemeisje Mary Brunner kijkt bewonderend toe als Walleman vervolgt: ‘Ik heb mijn persoonlijkheid opgegeven en ben geworden wat hij me heeft laten zien dat ik kon zijn.’ ‘En dat is wat?’ wil interviewer Robert Hendrickson weten? Walleman, een kerel met een woeste baard, begint gelukzalig te lachen: ‘Totale liefde.’
Wat Charles Manson bij die onvoorwaardelijke liefde voor ogen had, zou gaandeweg glashelder worden: volledige overgave. Aan hem, welteverstaan, de zelfverklaarde leider van The Family, een verzameling losgeslagen hippies die in 1969 uit moorden werd gestuurd. Ze zouden een achttal willekeurige slachtoffers maken, waaronder de hoogzwangere actrice Sharon Tate, en op de muren van de plaatsen delict opruiende, met bloed geschreven teksten als ‘Rise’ en ‘Death to pigs’ achterlaten. Zo hoopte Charlie een onvervalste rassenoorlog te ontketenen. Geïnspireerd door Helter Skelter van The Beatles.
Dat overbekende horrorverhaal, het symbolische einde van de vrijgevochten jaren zestig, werd al veel vaker verteld. En met elke poging was de kleine crimineel en loverboy avant la lettre Charlie Manson, die in 2017 zijn laatste adem uitblies in de gevangenis, nóg nadrukkelijker de verpersoonlijking van Het Kwaad geworden. Een extatisch lachende ‘creep‘ met hypnotiserende ogen, die zijn volgelingen, de meisjes in het bijzonder, werkelijk alles kon laten doen. Op basis daarvan rijst de vraag: is die onverkwikkelijke episode uit de historie van de tegencultuur nu nog niet voldoende uitgemolken?
De documentaire Inside The Manson Cult: The Lost Tapes (85 min.) van Hugh Ballantyne heeft behalve de gebruikelijke vet aangezette voice-over, berouwvolle ex-volgelingen (‘Snake‘ en ‘Gypsy‘) en tamelijk overbodige reconstructies echter één belangrijke nieuwe troef: beelden die werden gemaakt binnen Mansons volledig doorgedraaide sekte, direct na de door hem geïnstigeerde moorden. Documentairemaker Hendrickson filmde en interviewde volgelingen op de beruchte Spahn Ranch en legde daar de blinde adoratie voor de inmiddels gearresteerde leider vast.
‘Ik ben bereid om voor hem te sterven’, zegt sektelid Lynette ‘Squeakie’ Fromme, die samen met twee andere Manson-groupies voor de camera met allerhande wapens in de weer is, zonder ook maar een spoor van twijfel. In zulke beelden zit de meerwaarde van deze zoveelste Manson-documentaire. De complete verdwazing van normale meisjes, die in handen van Charlie onvervalste moordwapens werden. ‘Je moet er de liefde mee bedrijven’, zegt diezelfde Fromme even later, terwijl ze liefdevol de loop van een geweer betast. In 1975 zal ze proberen om de daad bij het woord te voegen met een aanslag op de Amerikaanse president Ford.
Haar naam is bijna een synoniem voor het Stockholm-syndroom geworden. Patricia Hearst, de steenrijke erfgename van de befaamde Amerikaanse Hearst-familie, werd op 4 februari 1974 ontvoerd door het Symbionese Liberation Army (SLA). Dik twee maanden later pleegde ze, als de gedreven strijder ‘Tania’, samen met haar ontvoerders een overval op de Hibernia Bank in San Francisco. De kleindochter van mediamagnaat William Randolph Hearst, die ooit model stond voor de Orson Welles-film Citizen Kane, had zich volledig vereenzelvigd met de idealen en methoden van een radicale representant van de Amerikaanse tegencultuur, die ook terreurgroepen als The Black Liberation Army en The Weather Underground zou voortbrengen. Was ze gehersenspoeld of gewoon een ‘natuurtalent’?
In de zesdelige serie The Radical Story Of Patty Hearst (240 min.) belicht regisseur Pat Kondelis de opzienbarende wildemansrit van Hearst met de extreem-linkse splintergroep, die in een orgie van geweld zou uitmonden. De SLA-leden stond niets minder dan de revolutie voor ogen. Al bleef volgens auteur Jeffrey Toobin, die de ongeautoriseerde biografie American Heiress schreef waarop deze serie is gebaseerd, onduidelijk wat ze nu precies wilden en hoe ze dat dachten te bereiken. De organisatie schuwde geweldsmiddelen in elk geval niet. Vóór de ontvoering van hun toekomstige strijdmakker, die toen nog een rijkeluisleventje met haar aanstaande echtgenoot leidde, was de organisatie met de zevenkoppige cobra als logo al verantwoordelijk voor de moord op een in hun ogen repressief schoolhoofd, Marcus Foster.
‘Dood aan het fascistische insect dat het volk misbruikt’, stond er pontificaal in de eerste verklaring die de Symbionese Liberation Army na de ontvoering naar de Hearst-familie stuurde. Patty’s vader Randy moest die voorlezen tijdens een persconferentie. Er zouden nog veel boodschappen volgen, waarvan een groot deel ingesproken door ‘Tania’ zelf. Het waren ‘crazy ass communiques’ volgens voormalig SLA-kaderlid Bill Harris, één van de belangrijkste bronnen van Toobins boek en deze serie. Hij praat erover alsof die hele ontvoering niet meer dan een onschuldige jeugdzonde was. En het Symbionese Liberation Army een soort hippiebende van Robin Hood. Soms klinkt er zelfs trots in zijn woorden door, bijvoorbeeld als de afgedwongen voedseldonaties aan arme Amerikanen ter sprake komen. Serieuze zelfreflectie lijkt in elk geval te ontbreken bij de voormalige extremist.
Hearsts voormalige verloofde Steven Weed noemt de SLA-leden daarentegen zonder omhaal van woorden ‘compleet gestoord’. Patty zelf, die binnenkort 65 wordt en al enige tijd oma is, ontbreekt helaas in de serie. Zij had volgens een officiële verklaring ‘geen interesse om deze gewelddadige en pijnlijke periode uit haar leven opnieuw te beleven’ en stelt zelfs dat Toobins boek haar verkrachting en marteling heeft geromantiseerd. Ze is in de serie alleen aanwezig via oude audio-interviews en archiefmateriaal. Als psychologisch portret van een jonge vrouw in zeer uitzonderlijke omstandigheden komt The Radical Story Of Patty Hearst daardoor niet uit de verf. De hoofdpersoon, die zich binnen luttele maanden ontwikkelt van rijkeluisdochter tot de gestaalde guerrillastrijder ‘Tania’, blijft een enigma.
Als historische reconstructie heeft de documentaireserie, die wordt bevolkt door diverse direct betrokkenen, de gehele affaire minutieus doorneemt en is aangekleed met gedramatiseerde scènes en een overdaad aan fraai archiefmateriaal, zeker zijn waarde. Tegelijkertijd voelt de serie minder urgent dan vergelijkbare historische producties als The Clinton Affair en Enemies: The President, Justice & The FBI, waarin duidelijke parallellen met het heden worden getrokken.
Hij was het type man waarmee je je zus zou laten trouwen, zegt Marlin Lee Vortman, een politiek medewerker die Ted Bundy aan het begin van de jaren zeventig leerde kennen tijdens een campagne van de Republikeinse partij. Enige charme kon Bundy inderdaad niet worden ontzegd, maar of het goed zou aflopen met die zus valt te betwijfelen. De gesoigneerde jongeman met de vlotte babbel zou zich ontpoppen tot de loverboy onder de seriemoordenaars.
Niet dat ze dat begrip al kenden in het Amerika van de seventies. De term ‘seriemoordenaar’ moest nog worden bedacht. Zoals er ook geen profilers waren. Al zouden die werk genoeg overhouden aan de woelige seventies, een decennium waarin de Verenigde Staten op alle mogelijke manieren in brand leken te staan en diverse illustere killers van zich deden spreken: The Son Of Sam, John Wayne Gacy, The Golden State Killer en de bloeddorstige van hen allemaal, Theodore Robert Bundy. Een psychopaat pur sang, een man waarvan het je, ook na zijn dood, nog altijd koud om het hart wordt.
Op 24 januari jongstleden was het precies dertig jaar geleden dat hij, de gewetenloze charmeur die op foto’s soms doet denken aan een jeugdige George W. Bush, ter dood werd gebracht. Vóór het zover was gaf Bundy vanuit de gevangenis zo’n honderd uur aan interviews aan de jonge journalist Stephen Michaud. Waarschijnlijk niet zozeer om openheid van zaken te geven als wel om zijn eigen ‘sterstatus’ te bevestigen. Als hij in de derde persoon mocht praten – zodat hij niet, per ongeluk, allerlei moorden kon bekennen – was Bundy bereid om in zijn inktzwarte ziel te laten kijken.
De audiocassettes van die gesprekken, geduid door Michaud en diens toenmalige mentor Hugh Aynesworth (Newsweek), vormen het hart van de vierdelige documentaireserie Conversations With A Killer: The Ted Bundy Tapes (235 min.) van regisseur Joe Berlinger, die al een indrukwekkend true crime-track record heeft opgebouwd met films als de Paradise Lost-trilogie, Whitey: United States Of America v. James J. Bulger en Cold Blooded: The Clutter Family Murders. De filmmaker sprak verder met kennissen van Bundy, zijn advocaten, rechercheurs, de openbaar aanklager, verslaggevers en een psycholoog die hem beroepsmatig onderzocht. Ook Carol DaRonch komt aan het woord; zij overleefde als bij wonder een attaque van de diabolische moordenaar.
De contouren van Bundys strooptocht door vrouwelijk Amerika zijn voor menigeen wellicht bekend terrein, de details daarvan blijven onverminderd choqueren. Hoe hij er bijvoorbeeld in slaagde om op één dag tweemaal een meisje te ontvoeren bij het drukbevolkte recreatiegebied Lake Sammamish, tart elke verbeelding. Dit is geen roofdier dat louter vanuit zijn instincten te werk gaat, maar een calculerende moordmachine. Berlinger maakt de angst weer voelbaar voor een gezichtsloze killer die op elk moment en elke plek kan toeslaan. Hij zet zijn onrustbarende narratief kracht bij met allerlei (logische) tijdsprongen, vervat Bundys belevingswereld en de tijdgeest in enkele spannende associatieve sequenties en alterneert steeds soepel tussen de gesprekken met de dwangmatige killer, diens persoonlijke historie en dat gru-we-lijke moordpatroon.
Met al deze elementen construeert de documentairemaker een complete en overtuigende narratief over de horrordaden van Ted Bundy, die model stond voor de archetypische hyperintelligente seriemoordenaar die inmiddels in talloze films en televisieseries is opgevoerd. Waarbij de archiefbeelden van hoe die vriendelijke Ted na zijn arrestatie uitnodigend lacht naar de camera, de verzamelde pers te woord staat of dolt met zijn bewakers, er nog steeds genadeloos inhakken en altijd weer dezelfde vraag oproepen: waarom? Was het een afrekening met zijn jeugd als onwettig kind, wraak op zijn ex-vriendin, frustratie over zijn gefnuikte studieloopbaan, het uitleven van gewelddadige seksuele fantasieën, een stem die hem opdroeg om te doden of…? We zullen het nooit helemaal (zeker) weten.
En waarschijnlijk is dat precies de reden dat we nooit genoeg krijgen van de Bundy’s van deze wereld; zij laten een beest los, waarvan we niet wisten dat het in ons kon huizen.
Regisseur Joe Berlinger was na deze fascinerende documentaireserie ook nog niet klaar met Ted Bundy. Op het Amerikaanse Sundance-festival is zaterdag de speelfilm Extremely Wicked, Shockingly Evil And Vile in première gegaan. Zac Efron kruipt in de huid van de onverbeterlijke vrouwenvreter, diens horrorverhaal wordt verteld vanuit het perspectief van zijn voormalige vriendin Elizabeth Kloepfer.
Anderhalf jaar geleden ontdekte ik een werkelijk fascinerende documentaire, die beslist niet in dit rijtje mag ontbreken. Het is een film die, als je het mij vraagt, schromelijk wordt onderschat. The Family I Had (73 min.) vertelt het tragische relaas van de alleenstaande moeder Charity uit Texas, die in 2007 een ronduit verwoestend telefoontje krijgt. Ella, haar dochtertje van vier, blijkt te zijn vermoord. De dader? Haar dertienjarige zoon Paris.
De gewelddadige dood van Ella vormt het startpunt van een troosteloos verhaal, dat als een virtuoze thriller wordt verteld. Elke keer als je denkt dat je de bodem van deze familietragedie hebt bereikt en het vervolg nu wel kunt uittekenen, sturen de co-regisseurs Katie Green en Carlye Rubin je een andere richting in en blijkt die bodem slechts een valluik naar een nieuwe laag misère.
Zo geeft The Family I Had je elke tien minuten een gigantische klap voor je kanis. Na bijna vijf kwartier zoek je bont en blauw, en met een niet meer zo gerust hart, je eigen veilige leventje weer op. Familieleden, zoveel is duidelijk, die heb je inderdaad niet voor het uitkiezen.
Alert kijkt hij in het rond, voortdurend op zijn hoede. Om hem heen is het feestgedruis losgebarsten, maar voor Jory Brenders is het een gewone werkdag. Tot dusver is er nog nooit iets mis gegaan tijdens de Gay Pride in Amsterdam, maar de evenementen- en winkelbeveiliger houdt voortdurend rekening met een terroristische aanslag. ‘Ik heb zelf geen angst dat mij iets overkomt’, zegt hij. Brenders is volgens eigen zeggen alleen maar bezig met de veiligheid voor de bezoekers. ‘Om het zomaar eens te zeggen: je leven geven ervoor.’ Hij moet er zelf een beetje om lachen.
‘Je grootste wapen is je mond,’ stelt hij later. ‘En daar moeten we het mee doen.’ Toch treedt Brenders ook regelmatig handelend op, zoals is te zien bij de aanhouding van een winkeldief. ‘Ik hoop dat jij een kogel krijgt’, voegt die een opgetrommelde politieagent toe. ‘Een kogel in je kwibus.’ Ook de beveiliger zelf krijgt het soms zwaar te verduren, getuige bewakingscamerabeelden van een stevige worsteling met de klant van een supermarkt. De observerende documentaire De Beveiligers (67 min.) van Anneloek Sollart kijkt voortdurend stiekem mee op gewone werkdagen van veiligheidsmedewerkers.
Bij de Rotterdamse metro zijn ze bijvoorbeeld continu verdachte personen op het spoor. ‘Letten wij op mensen met baarden?’, vraagt een beveiliger demonstratief aan zijn collega. ‘Niet specifiek’, antwoordt deze. Dan kunnen ze ook wel op mensen met rood haar letten. Een terrorist kun je toch niet herkennen. Elke aanslag is anders. Zoals ook niet elke ‘spoorloper’ een doodloper wordt. Diezelfde filosofie wordt aangehangen door John de Nooijer, security manager van de kerncentrale Borssele. Hij verafschuwt de Amerikaanse aanpak, waarbij elke beveiliger is uitgerust met een wapen – dat hij/zij vroeger of later dan ook gaat gebruiken.
Persoonsbeveiliger Michael (achternaam onbekend) is echter wel degelijk bewapend. In opdracht van de Nederlandse overheid waakt hij over landgenoten, die wellicht doelwit zouden kunnen worden van een aanslag. Sollart volgt hem tijdens een publiek optreden van PVV-leider Geert Wilders. De scène heeft een hoog Frank Horrigan-gehalte. De lijfwacht uit de film In The Line Of Fire, vertolkt door Clint Eastwood, kon ooit ‘zijn’ president niet redden, een traumatische gebeurtenis die de lijfwacht nog dagelijks achtervolgt. Nederlandse persoonsbeveiligers hebben hun eigen trauma: de moord op Pim Fortuyn. Sindsdien ziet de wereld er totaal anders uit; een politicus taarten zou zomaar de eerste stap kunnen zijn naar een geslaagde liquidatie.
Zo neemt Sollart de kijker mee in de leef- en belevingswereld van Nederlandse beveiligers. Ze doet daarbij alom bekende plekken en activiteiten aan, die door de context waarbinnen ze worden getoond een totaal andere lading krijgen. Het volksfeest wordt een potentieel terroristisch doelwit, een willekeurige winkel de plek voor diefstal of een vechtpartij. Het zit allemaal in de blik waarmee je ernaar kijkt. Zo kan zelfs een licht uitdagende man met een joint, althans in de ogen van een beveiliger in opleiding, een mogelijke bedreiging vormen. De intrigerende film De Beveiligers, waarbij de camera vaak het perspectief van de hoofdpersonen kiest en de beelden extra kleur krijgen met een spannende mixture van geluid en muziek, maakt een essentieel beroep inzichtelijk, dat in een betere wereld overbodig zou zijn.
Samen maakten ze zeven films. In 2001 zag de Duitse documentairemaker Christian Bauer zich echter genoodzaakt om een film te maken óver zijn Amerikaanse cameraman Allen Ross. Die was ruim vijf jaar eerder, eind 1995, plotseling van de aardbodem verdwenen.
Enkele jaren daarvoor had de zoeker Allen een mysterieuze nieuwe liefde opgedaan, ene Linda Greene (of Jennifer of Genevieve of…), en was hij van zijn geliefde geboortestad Chicago naar Oklahoma verhuisd. Van daaruit stuurde hij de Duitse regisseur ansichtkaarten met tot nadenken stemmende teksten als: ‘I seized the opportunity to seek answers for questions I had not been able to ask’. Of: ‘The masters will shut you up in a pen with others. Then it will be up to you to find a house to enter.’
Na Allens vertrek uit Chicago hadden ze nog een paar keer samen gedraaid, één keer zelfs met diens echtgenote erbij. Tijdens het filmen van een documentaire over de Mississippi-rivier in New Orleans had deze Linda erg opzichtig voor Allens camera gedanst, waarna haar echtgenoot, ogenschijnlijk gegeneerd, zich snel op andere activiteiten had geconcentreerd. Die gezamenlijke draaidag bleek achteraf de laatste keer dat Christian zijn vriend zou zien. Niet lang daarna was Ross weg. Voorgoed, zo leek het.
In Missing Allen (91 min.) probeert Christian Bauer, ondersteund door Allens tweelingbroer Brad, hoogbejaarde vader Laurids en vriendenkring, klaarheid te brengen in de raadselachtige verdwijningszaak. De film is gestructureerd als een zoektocht naar de waarheid. Naar wat er precies is gebeurd met Allen, maar zeker ook naar zijn enigmatische vrouw Linda, die ooit als verpleegster werkte in een hospice, maar liefst vijfmaal eerder getrouwd blijkt te zijn geweest en een eigen religieuze beweging, The Samaritan Foundation, schijnt te leiden.
In de documentaire schakelt Bauer soepel tussen zijn eigen herinneringen aan de cameraman Allen Ross, die daarmee opnieuw tot leven komt, en nieuwe ontwikkelingen in diens zaak, die hem steeds dieper het schaduwleven van zijn vermiste vriend insturen en tegelijkertijd langs enkele schokkende gebeurtenissen in het Amerika van de jaren negentig leiden. Het is een fascinerende tocht, niet voor niets diverse malen in de prijzen gevallen, die stelselmatig weigert om een hijgerige dertien-in-een-dozijn true crime-docu te worden.
Searching For Allen van NBC’s Dateline daarentegen is een typisch Amerikaanse crimestory. De aalgladde reportage uit 2005 geeft wel extra context bij Missing Allen en belicht bovendien wat er na het afronden van Christian Bauers documentaire nog duidelijk is geworden over het lot van Allen Ross. Te bekijken na de documentaire dus.
De vergelijking met Deadwood dringt zich op: een vrijstaat aan de rafelranden van de Verenigde Staten, waar outlaws kunnen ontsnappen aan de wet. Terwijl eind negentiende eeuw de zoektocht naar goud figuren als de louche kroegeigenaar Al Swearengen, sheriff Seth Bullock, cowgirl Calamity Jane en revolverheld Wild Bill Hickok, die er zijn laatste kogel zou vinden, naar de zwarte heuvels van South Dakota lokte, zorgt marihuana er nu al jaren voor dat vrijbuiters, klaplopers en tweederangs criminelen verkassen naar Humboldt County in Californië.
Het begon in de jaren zestig met een groep hippies, die in ‘The Emerald Triangle’ een woongemeenschap startte en illegale wietplanten ging verbouwen. Daar bleek, behalve heel veel rookgenot, ook goed geld in te zitten. En daarvan ging, natuurlijk, een aanzuigende werking uit. Een halve eeuw later is het uitgestrekte, bosrijke gebied uitgegroeid tot een soort moderne variant op het wilde westen, waar plaatselijke bendes de dienst uitmaken en de politie niks heeft te vertellen. Humboldt heeft zelfs zijn eigen ‘ghost town’: Alderpoint, ook wel bekend als Murder Mountain (248 min.), tevens de titel van deze zesdelige documentaireserie.
Sinds 1975 raakten er maar liefst tweehonderd mensen vermist in Humboldt County. Of ze bewust van de radar zijn verdwenen of een handje werden geholpen, blijft de vraag. Regisseur Joshua Zeman werkt één van deze casussen verder uit: de zoektocht naar de 29-jarige Garret Rodriguez, die zijn geluk ging beproeven in de softdrugs-business, in de hoop daarna te kunnen gaan rentenieren op zijn eigen visplek. Rodriguez’s verdwijning zet een serie van steeds verder escalerende gebeurtenissen in gang, die uitmondt in bot en dom geweld. Die ene zaak, boordevol simpele schurken, gesjeesde Vietnam-veteranen en schietgrage burgerwachten, wordt vet uitgeserveerd met spannende slow-motion reconstructies en dreigende muziekjes.
De true crime-achtige verhaallijn, die zich voor het leeuwendeel in 2013 afspeelt, slorbt zeker de helft van deze serie op en wordt enigszins geforceerd samengebracht met een portret van het hedendaagse Humboldt County. De ‘white trash’-variant op ons eigen Ruigoord heeft onlangs te maken gekregen met nieuwe ontwikkelingen. Vanaf 1 januari 2018 is recreatief marihuanagebruik gelegaliseerd in Californië, nadat eerder al medicinaal gebruik van cannabis werd toegestaan. Dat zou de zwarte handel en bijbehorende problematiek tot een halt moeten brengen, maar kunnen én willen de op hun vrijheid gestelde telers wel aan de bijbehorende regels voldoen? Het is in elk geval even aanpassen. De doorgewinterde stoner Jason Dookie van de firma Dookie Brothers neemt na elke bedrijfsbeslissing bijvoorbeeld nog steeds een flinke ‘bong hit’ met zijn waterpijp.
Zo blijft het behelpen in Humboldt County, met telers en handelaren die binnen en buiten de wet willen opereren. Één van de kleine zelfstandigen in Humboldt trekt niet voor niets de vergelijking met de drooglegging, toen de Amerikaanse maffia via dranksmokkel groot kon worden. Zoals ook het Nederlandse softdrugsbeleid aantoont, laten mensen zich nu eenmaal niet zomaar vertellen welke genotsmiddelen ze wel of niet mogen gebruiken en is er op de grens van legaal/illegaal goud geld te verdienen. Intussen is er een behoorlijke kans dat de rechtstaat danig wordt ontwricht. Met alle gevolgen van dien, zo bewijst deze wat onevenwichtige serie, voor gewone burgers die liever aan de zijlijn zouden blijven staan.
Zoals Al Swearengen het ooit, heerlijk profaan, verwoordde in de fictieserie Deadwood (waarvan binnenkort zowaar een speelfilm uitkomt): ‘Every fuckin’ beatin’, I’m grateful for. Every fuckin’ one of them. Get all the trust beat out of you. And you know what the fuckin’ world is.’
‘Ik ben Scarface zonder de drugs’, zegt Marion ‘Suge’ Knight. ‘En zonder dat ik aan het eind kapotgeschoten word.’ In gesprek met regisseur Antoine Fuqua blijkt de beruchte baas van het vermaarde hiphoplabel Death Row Records opmerkelijk rolvast. Je wilde een gangster? Dan krijg je een gangster. Flirtend met de Cubaanse supercrimineel Tony Montana, op onvergetelijke wijze vereeuwigd door Al Pacino in de bij (wannabe) criminelen immens populaire speelfilm Scarface. En pochend over zijn verleden in de grimmige achterstandswijk Compton in Los Angeles, waar hij net als zijn ontdekkingen Dr. Dre en Snoop Dogg opgroeide.
American Dream / American Knightmare (85 min.) is een wat eendimensionaal portret van de man die een sleutelrol speelde in de ontwikkeling van gangsterrap, de commerciële exploitatie ervan én de vete tussen rappers van de Oostkust en de Westkust van Amerika, die tot de gewelddadige dood van sterren als Tupac Shakur en The Notorious B.I.G. leidde. Dit is Knights kant van het verhaal, opgetekend tijdens een serie tweegesprekken met Fuqua in 2011 en 2012. Erg veel weerwoord krijgt de ‘low-life thug’ niet. Hij kan zijn imago van hiphop-maffiabaas, compleet met zonnebril en sigaar, zonder al te veel moeite ophouden. Vrijwel elke zin die met veel bravoure uit zijn mond komt is gelardeerd met krachttermen als fuck, bitch of motherfucker.
Alleen de dood van Tupac, waarbij hijzelf gewond raakte, laat hem zo’n vijftien jaar na dato nog altijd niet koud. Zodra Fuqua daarop doorvraagt, moet Suge zijn auto aan de kant van de weg zetten. Het is één van de weinige keren dat hij even de regie kwijt lijkt te raken in deze semi-autobiografie, waarin ook zijn ouders en ooms aan het woord komen. Ook al probeert Fuqua hem soms iets kritischer te bevragen en plaatst hij met archiefbeelden, nieuwsberichten en fragmenten uit zijn strafblad zo nu en dan kanttekeningen bij Knights grootspraak en ontkenningen. American Dream / American Knightmare is echter geen film waarmee je aan Suge Knights binnenkant komt, om te zien waarvoor het hart van de man achter Death Row Records, die inmiddels voor 28 jaar achter de tralies is verdwenen, werkelijk klopt.
Twee strafzaken die ogenschijnlijk niets met elkaar van doen hebben: de verkrachting van en moord op Debbie Carter in 1982 en de verdwijning van een andere jonge vrouw, Denice Haraway, anderhalf jaar later. Beide misdrijven vonden plaats in Ada, een slaperig stadje in Oklahoma. En in beide zaken werden twee mannen aangeklaagd en veroordeeld. Maar zijn deze vier langgestraften ook werkelijk schuldig? En (wat) hebben de twee verontrustende delicten met elkaar te maken?
De startpositie van de zesdelige documentaireserie The Innocent Man (282 min.), gebaseerd op de enige non fictie-thriller van bestsellerauteur John Grisham, voelt direct vertrouwd: true crime, zoals Amerikaanse documentaireproducenten die tegenwoordig per strekkende meter afleveren. Een enerverende achtbaanrit door het plaatselijke justitiesysteem met bizarre personages, straffe gedramatiseerde scènes en duizelingwekkende plotwendingen en cliffhangers. En, als het enigszins kan: een of meerdere ten onrechte veroordeelden en snode lieden die hen er doelbewust in hebben geluisd.
In dit specifieke geval: mannen die zelf een schuldbekentenis hebben afgelegd en een vrouwelijke getuige met de gave om aan anderen bekentenissen te ontlokken. En ook nu komt het betrokken politiekorps, uit Pontotoc County ditmaal, onder het vergrootglas te liggen. In die zin doet deze serie van Clay Tweel sterk denken aan het in Manitowac County gesitueerde Making A Murderer en moeten er ook vergelijkbare vragen worden beantwoord: zijn er andere verdachten? Hebben zij een logisch motief? En: is de (verplichte) complottheorie geloofwaardig?
Terwijl de successerie over de (onterechte) veroordeling van Steven Avery en Brendan Dassey, die in 2015 uitgroeide tot de standaard voor hedendaagse true crime, erg prekerig en langdradig wordt in het onlangs verschenen tweede seizoen, blijft The Innocent Man behoorlijk op koers en tempo. Het verhaal is wel erg gecompliceerd. Filmmaker Tweel probeert de chronologie en verbanden tussen de twee moordzaken te verduidelijken met een tijdlijn en heeft de ontwikkelingen zoveel mogelijk ondergebracht in afgebakende hoofdstukken. Kijkers moeten niettemin goed bij de les blijven. Na bijna vijf uur moord laat het overkoepelende verhaal zich niet zomaar in enkele zinnen samenvatten.
Aan het eind zet Tweel ‘gelukkig’ de voornaamste argumenten uit het pleidooi van het advocatenteam van de (ten onrechte) veroordeelden nog maar eens netjes op een rij, waarna amateurdetectives in de huiskamer zelf op zoek mogen naar gaten en losse eindjes in dat betoog.
’Je heb de dader vast al geknuffeld’, zegt Curtis Scoon, die zelf wordt verdacht van de moord op Jam Master Jay, tijdens de begrafenis tegen diens zus Bonita. Over dat gegeven zijn ze het eens: de dader komt ongetwijfeld uit de directe omgeving van de vermaarde deejay van Run-DMC. Maar wie heeft de trekker overgehaald en bovendien het beveiligingssysteem in Jays studio uitgeschakeld?
Ruim vijftien jaar later is er nog altijd geen klaarheid gebracht in de zaak rond Jam Master Jay alias Jason Mizell. Volgens diverse betrokkenen kon het de politie ook geen zier schelen. Gewoon een nieuw (zwart) slachtoffer in de continue hiphop-oorlog, die eerder grootheden als Tupac Shakur en Biggie Smalls al het leven kostte. Zoals KRS-One ooit rapte: ‘You want to get away with murder? Kill a rapper.’
In Who Killed Jam Master Jay? (59 min.) blaast regisseur Brian Oakes samen met Mizells moeder, broer en zus, medebandlid Daryll ‘DMC’ McDaniels, diverse jeugdvrienden en Def Jam-platenbaas Russell Simons het stof van de mysterieuze dood van deze hiphop-wegbereider, die samen met zijn maatjes als eerste de cross-over met rockmuziek maakte in de wereldhit Walk This Way. Je ziet ze zo weer staan: met die zwarte gleufhoeden, gouden kettingen en witte Adidas-sneakers. Rap, toegankelijk gemaakt voor een wit publiek.
Hoewel Oakes in deze stevige televisiedocu diverse scenario’s ontvouwt over wat er op die fatale dertigste oktober in 2002 kan zijn gebeurd met Jam Master Jay, lijkt één ding als een paal boven water te staan: het antwoord is te vinden in de vriendengroep waarmee hij opgroeide in de New Yorkse wijk Hollis, Queens. Alle ‘brothers’ waren al die tijd – tussen de gevangenisstraffen door, zou ik bijna zeggen – in Jays periferie blijven hangen. Ook toen hij, nadat Run-DMC toch echt over zijn top leek, minder goed in de slappe was kwam te zitten.
Ooit, in de tijd van een louche, drugs dealende vriend, ging ze flink in de fout. Inmiddels heeft Cindy Shank haar leven echter helemaal op orde: een fijne echtgenoot en drie kleine dochters. Niets lijkt een bevredigend bestaan als huismoeder in de weg te staan. Totdat ineens de politie voor de deur staat…
Vanwege die jeugdzonde moet Cindy alsnog de gevangenis in.Voor vijftien jaar maar liefst, de verplichte minimumstraf in de Verenigde Staten voor een drugsvergrijp, waar geen geweld aan te pas is gekomen. Haar broer Rudy Valdez registreert met zijn cameraatje wat The Sentence (86 min.) aanricht bij Cindy en haar gezin.
Hij wil voor zijn zus vastleggen hoe haar dochters opgroeien, maar vangt intussen ook hoe het familieleven van Cindy, die noodgedwongen van de ene naar de andere gevangenis verhuist, volledig wordt ontwricht. De kleine meiden die ze verplicht achterliet, groeien in de tussentijd uit tot ontluikende pubers.
Deze aangrijpende documentaire bestrijkt meer dan tien jaar, een periode waarin Cindy zich vastklampt aan haar moederrol en toch onvermijdelijk op afstand raakt. Valdez heeft dat pijnlijke proces ruw gefilmd en gemonteerd. Authentiek en ‘in your face’ (al ligt de emotionele ontknoping er misschien nét iets te dik bovenop).
Waardoor The Sentence – zeker voor iedereen die zelf kinderen heeft – aanvoelt als een venijnige oorvijg, die nog wel even nagloeit.
Waarom wordt topambtenaar Joris Demmink niet veroordeeld vanwege seks met minderjarigen? Wie zitten er écht achter de aanslagen van 11 september? En hoe komen ze erbij dat Jasper S. Marianne Vaatstra heeft vermoord? Samenzweringstheorieën te over. Alex Jones, de brulboei van het Amerikaanse Info Wars, heeft er zelfs een businessmodel in ontdekt. Met wilde verhalen over het pedonetwerk dat Hillary Clinton runde in een pizzeria en de natuurlijk volledig geënsceneerde school shooting in Newtown, kun je tegenwoordig een flinke smak geld verdienen.
Het ultieme complot van de moderne tijd dateert alweer van 55 jaar geleden. 22 november 1963, om precies te zijn. Toen werd de eenzaat Lee Harvey Oswald door een gigantisch samenwerkingsverband van (onder anderen) de CIA, Rusland, vice-president Lyndon B. Johnson, de maffia en Cuba ingezet als zondebok bij de moord op de Amerikaanse president John F. Kennedy. Althans, volgens enkele hardliners die zich in de geruchtmakende moordzaak hebben verdiept. De details zijn inmiddels een geheel eigen leven gaan leiden. De gemiddelde Amerikaan van middelbare leeftijd kan vast moeiteloos opdreunen wat de Zapruder-film, het Texas Book Depository en ‘the grassy knoll’ met elkaar van doen hebben en uitleggen hoe ook alweer die dekselse ‘magic bullet’-theorie in elkaar steekt.
Het is een eindeloze zoektocht naar een nooit te vinden waarheid geworden, die anno 2018 nog steeds met nieuwe theorieën wordt gevoed. Een zoekopdracht op YouTube met de woorden ‘jfk, ‘conspiracy’ en ‘documentary’ levert bijvoorbeeld talloze actuele hits op. De moord is een bron die werkelijk nooit lijkt op te drogen. Zelfs vanuit Nederland kwam er regelmatig input. Van Peter R. de Vries natuurlijk, die altijd een alibi heeft om een misdaad te onderzoeken, maar ook van een erkende complotdenker als Wim Dankbaar, die niet alleen in eigen land menigeen het leven zuur maakt. Voor de documentaire I Shot JFK heeft Dankbaar (die mij persoonlijk – origineel waar – ooit de huls heeft laten zien van de kogel waarmee Kennedy zou zijn neergeschoten) de moordenaar opgesnord: ene James Files, een beroepskiller van de maffia.
Nooit werd de moord op JFK echter uitputtender behandeld dan in de moeder aller samenzweringsdocumentaires: The Men Who Killed Kennedy (435 min.) van Nigel Turner, een negendelige serie over de (vermeende) coup d’état die in zijn geheel op YouTube is te vinden. De eerste twee delen werden in 1988 gemaakt voor de Britse televisiezender ITV, de andere episodes zijn later toegevoegd door The History Channel dat de serie adopteerde. De serie, die in 2003 werd afgerond, onderzoekt tot in detail de officiële lezing van de zogenaamde Warren Commission, introduceert nieuw bewijsmateriaal en spreekt met een indrukwekkende verzameling ooggetuigen, deskundigen, betrokkenen en erkende ‘conspiracy buffs’, die een carrière hebben opgebouwd rond de moord op JFK, zoals Cyril Wecht, Jim Garrison en Robert Groden (aan wie de Nederlander Kasper Verkaik in 2014 de documentaire Plaza Man wijdde).
Op gezaghebbende toon roepen de thematisch gegroepeerde afleveringen talloze vragen op. Intussen werkt de docuserie diverse geloofwaardige, minder geloofwaardige en totaal ongeloofwaardige theorieën uit over wat er is gebeurd op die fatale vrijdag in november 1963. De aldus geplaatste vraagtekens zijn ruim een halve eeuw na dato nog altijd niet allemaal vervangen door een punt of uitroepteken. En het is de vraag of dat ooit gaat gebeuren. Nog steeds zijn niet alle archieven geopend. In dat opzicht zouden er ook in de 21e eeuw best nieuwe delen voor The Men Who Killed Kennedy kunnen worden gemaakt. Ook omdat onze honger naar nieuwe complotten, zeker rond de moord op Kennedy, blijkbaar nauwelijks is te stillen.
’s Nachts schrik ik nog wel eens wakker van een schokkende scène uit Meiden Van De Keileweg , de deprimerende documentaireserie die Roy Dames eind jaren negentig maakte over enkele prostituees die tippelen in de Rotterdamse rosse buurt. Een zwaar verslaafde vrouw helpt daarin een klant in diens auto aan zijn gerief. Een onthutsend tafereel, hondsrauw vastgelegd vanaf de achterbank, dat zich nog wel eens ongevraagd aandient voor mijn geestesoog.
Zijn fascinatie voor het leven aan de zelfkant drijft de Nederlandse filmmaker al jaren voort. In zijn bekendste documentaire Foute Vrienden (87 min.) uit 2010 portretteert hij enkele leden van de hoofdstedelijke penoze. Illustere bijnamen hebben deze bloedgabbers: Verbrande Herman, Rooie Jos, Jantje van Amsterdam en Dikke Bob. Roy Dames heeft ze vanaf 1994 gevolgd en zo een wereld leren kennen waarin geldtekort, gevangenisstraf en ‘de ziekte van Gorkasjov’ aan de orde van de dag lijken.
’Door het filmen kom ik steeds dichter bij ze’, bekent Dames in één van de voice-overs waarmee hij van alle losse verhaalelementen een krachtige vertelling heeft geconstrueerd. ‘Wat eerst vooral een fascinatie was, voelt steeds meer als een vriendschap.’ Toch blijft Dames als filmer altijd een buitenstaander, zo beseft hij zelf maar al te goed. ‘Ik kon nooit echt één van hun worden’, klinkt het spijtig. ‘Want ik was het niet.’
Vanuit oprechte interesse legt hij vast hoe de mannen zich schuldig maken aan oplichting, een auto jatten of op de vlucht slaan. Als een soort filmende gluurder, die zo nu en dan ook de helpende hand toesteekt als zijn bijna-vrienden weer eens in de problemen zijn geraakt. Deze documentaire heeft een tamelijk fragmentarisch karakter. Gezien de tijdspanne die Dames in de film moet overbruggen, en het feit dat hij de mannen soms hele perioden uit het oog verliest, is dat onvermijdelijk.
Als zedenschets van de onderkant van het criminele milieu, waar kleine krabbelaars met alle mogelijke middelen het hoofd boven water proberen te houden, is Foute Vrienden echter bijzonder geslaagd. Niet voor niets werd de documentaire een onvervalste kijkhit. Intussen filmt Dames overigens gewoon door met de mannen voor een volgende episode over de stilaan met hun leeftijd en gezondheid kampende vrienden.
Roy Dames kwam de Amsterdamse gabbers in 1994 op het spoor. Toen filmde hij hen vijf maanden lang voor de documentaire Ik Ben Jantje, zes jaar later volgde Vrienden Voor Het Leven (2000). Beide films zijn op YouTube te vinden. De slimme kijker kijkt de trilogie dus in chronologische volgorde.
In 2015 blikte Dames met Jantje en Jos terug op de derde documentaire Foute Vrienden, die toen al een behoorlijke cultstatus had verworven. Dit interview is nog altijd op de 2doc-website te bekijken.