What Drives Us

Amazon Prime

Ze staan inmiddels alweer enige tijd te roesten op hun parkeerplek. Totdat die Coronacrisis voorbij is en ze eindelijk weer ‘on the road’ mogen. What Drives Us (89 min.) is een eerbetoon aan al die tourbusjes. En aan de bandjes die daarmee, veelal tevergeefs overigens, de wereld proberen te veroveren.

Regisseur Dave Grohl, die eerder een portret van de befaamde Sound City-opnamestudio in Californië en de muziekserie Sonic Highways maakte, weet zelf als frontman van de Amerikaanse rockband Foo Fighters (en ooit drummer van Nirvana) natuurlijk van wanten. Ook hij heeft menig uur in een net iets te krap voertuig doorgebracht, onderweg naar alweer een publiek dat met huid en haar moet worden opgevreten. En dan weer doorrr…

Die ervaring geeft hem natuurlijk ook een prima ingang bij allerlei vakbroeders en -zusters. Voor deze aanstekelijke ‘middle of the road’-movie heeft Grohl wereldsterren als Ringo Starr (The Beatles), Brian Johnson (AC/DC), The Edge (U2), Lars Ulrich (Metallica) en Flea (Red Hot Chili Peppers) gestrikt. Hij spreekt tevens met leden van cultgroepen als Fugazi, L7 en Black Flag, bands die een sleutelrol speelden in zijn eigen ontwikkeling tot rockster.

Gezamenlijk kleuren zij hun eigen ‘Nomadland’ met zichtbaar plezier in. Hoewel zeker de grote namen tegenwoordig vaak in een nightliner of zelfs privéjet de wereld doorkruisen, beschouwen ze de eindeloze dagen in dat gammele busje stuk voor stuk als een vormende ervaring: de camaraderie, het ongezonde voer en hoe alle apparatuur met veel beleid toch weer achterin kon worden gepropt. En de flatulentie, die ook.

Natuurlijk, erg diep graaft dat niet. En jazeker, het busjesleven wordt schaamteloos geromantiseerd – ook omdat dit bij alle sprekers uiteindelijk tot een serieuze carrière heeft geleid. Zouden de lui die uiteindelijk in een geestdodende kantoortuin of aan de lopende band zijn beland ook met zoveel luim terugkijken op de vele uren die ze, bijna doodgedrukt, tussen een ruftende bassist en een zanger met een serieus meerderwaardigheidscomplex hebben doorgebracht?

Het woord ‘groupie’ valt intussen helemaal niet in deze gelikte film. Alsof dat geen enkele rol speelde in die diepgevoelde behoefte om van stad naar stad te trekken en daar de rockgod uit te hangen. En de verslavingsproblematiek die sommigen onderweg opdoen wordt gekanaliseerd in één enkel verhaal: de neergang van drummer D.H. Peligro die na dienstverbanden bij Dead Kennedys en Red Hot Chili Peppers als een schim van zichzelf en geheel bandloos achterbleef. 

Toch heeft al die rock & roll-nostalgie, escapisme van het zuiverste water, voor de liefhebber zeker z’n charme. Al kan What Drives Us dan ook weer niet tippen aan die andere ode aan het bandjesgevoel, het onweerstaanbare We Are The Thousand, waarin diezelfde Dave Grohl overigens een beste bijrol claimt.

The Mole

Piraya Film / Wingman Media / VPRO

Wie is The Mole? Die vraag ligt voor de hand. Het antwoord ook: Ulrich Larsen, een onopvallende Deense huisvader. Hij begeeft zich als Scandinavische vertegenwoordiger van de Korea Friendship Association jarenlang in schimmige deals met de schurkenstaat Noord-Korea. Als westerse mol welteverstaan, in opdracht van en in samenspraak met regisseur Mads Brügger.

Sinds de Deense documentairemaker in 2009 een kritische film maakte over Kim Jong-Un’s onwezenlijke dictatuur, genaamd The Red Chapel, is hij daar zelf persona non grata. Na de release van die film wordt Brügger echter benaderd door Larsen, die hem alsnog de mogelijkheid biedt om de ware aard van het regime in Pyongyang te tonen.

Voor het zover is, zet de regisseur nog wel even enkele extra pionnen op het bord: Mr. James, een cokedealer in ruste die zich gaat voordoen als potentiële investeerder in Noord-Korea. En een voormalige geheimagente van MI5, Annie Machon, die zowel deze Mr. James als de mol na afloop grondig gaat debriefen. Zie daar de opzet voor de real life-spionagefilm The Mole (125 min.), waarin (waarschijnlijk) niemand is zoals hij/zij zich voordoet.

En net als in eerdere films als The John Dalli Mystery en Cold Case Hammarskjöld claimt Mads Brügger hoogstpersoonlijk de vertellersrol. In Engelstalige voice-overs met een moddervette Deense tongval, die welhaast net zo herkenbaar is als het Sauerkraut-Engels van zijn Duitse collega Werner Herzog. Trefzeker koerst Brügger door een internationaal schimmenspel, veelal vastgelegd met verborgen camera’s, dat zich voor een groot deel afspeelt op anonieme hotelkamers en in kale vergaderruimtes en dat soms zo grotesk lijkt dat het ongeloofwaardig wordt.

Hoe ze bijvoorbeeld het Oegandese eiland hebben gevonden om stiekem een wapenfabriek op te starten? ‘Google’, antwoordt Mr. James met een grote grijns op zijn gezicht. Mads Brügger heeft er achteraf wel spijt van dat hij de nepinvesteerder daarna naar China heeft laten vertrekken, waar zijn leven wellicht gevaar loopt. ‘Maar Mr. James is een man die van actie houdt en ik ben een filmmaker die van sensatie houdt. Dus is hij maar gegaan.’

Het is zulke onmiskenbare zelfspot, waarmee zijn serieuze onderzoeksjournalistiek een absurdistisch vernislaagje krijgt, die ook deze nieuwste ambitieuze onderneming van Mads Brügger kenmerkt. Daarmee reikt hij ditmaal niet zo enorm hoog als in bijvoorbeeld zijn onderzoek naar de dood van Verenigde Naties-topman Dag Hammarskjöld – ook doordat The Mole wel erg veel schimmige beelden van schimmige mannen op schimmige locaties bevat – maar laat hij opnieuw zien dat hij een geweldige neus heeft voor waar het stinkt.

Aan het eind resteert alleen nog steeds de vraag: wie is The Mole nu werkelijk? Wat heeft hij in al die jaren precies uitgevreten? En waarom ook alweer?

Im Keller

In de kelder, waar een normaal mens zakken rijst, frisdrank en blikken soep stalt, kun je ook héél rustig gaan zitten toekijken hoe jouw enorme slang een muis besluipt en opvreet, de wildste sadomasochistische fantasieën uitleven en allerlei opgezette dieren bewaren (die je natuurlijk stuk voor stuk – met één schot, dat spreekt vanzelf – hebt geschoten). Om maar enkele voorbeelden te geven uit Im Keller (85 min.), een bijzonder unheimische film uit 2014 van de Oostenrijkse filmer Ulrich Seidl.

Hij presenteert personages die je het liefst meteen zou vergeten. Dat wil alleen niet lukken. Een volwassen vrouw die uitgebreid haar levensechte babypoppen vertroetelt en ze daarna terug stopt in hun bananendoos. De voluptueuze prostituee, die via haar vak veel ‘lustige Typen’ ontmoet, en haar klant, die er trots op is dat hij zo uitbundig kan ejaculeren. Een hoornblazer die lekker met z’n muzikale kameraden zit te pimpelen in zijn kamertje met nazi-parafernalia. En de dominante vrouw en haar slaaf, die poedelnaakt en met gewichten aan zijn geslachtsdeel het huishouden doet. En goed ook. Daarna volgt de kelder, waar het pas echt menens wordt.

Elders worden prachtige gesprekken gevoerd. Bij de ondergrondse schietbaan bijvoorbeeld. Over ‘oriëntaalse logica’. ‘Die kunnen niet logisch denken’ meent een man met een baard. ‘Hoe kan het dan dat sommige van hen zijn opgeleid tot ingenieur?’ werpt een ander tegen. ‘Als er op honderdduizend idioten één slimmerik is, dan maakt ze dat nog niet allemaal slim’, stelt een derde even later. Precies, meent de man met baard: ‘Dat is nou een generalisatie.’ Het duurt niet lang of het gesprek gaat over Turken die hún vrouwen willen neuken, boerka’s en de achtergestelde cultuur van moslims in het algemeen. Waarna ze weer lekker gaan schieten.

Seidls camera beweegt nauwelijks. Hij zet zijn hoofdpersonen bovendien midden in hun eigen decor en laat ze vervolgens wezenloos en ongemakkelijk lang in de lens staren. Zet de filmmaker zijn subjecten te kijk? Heeft hij dingen geënsceneerd? Of laat hij de nare werkelijkheid zien zoals die nu eenmaal is? En legt hij zo de (bedorven) ziel van zijn land bloot? Zeg het maar. Im Keller oogt in elk geval als een ongenadige freakshow, regelmatig te gênant om aan te zien, die slechts een enkele keer wordt onderbroken door redelijk normale mensen met een modeltreinbaan of drumstel. De kelder als wanstaltige representatie van Oostenrijks onderbuik. Alleen Josef Fritzl ontbreekt, de man die zijn dochter 24 jaar lang opgesloten hield en van zijn kelder een voorgeborchte van de hel had gemaakt.

Safari

Het moet de angstdroom zijn van iedere cinefiel: te moeten leven in een wereld die louter wordt bevolkt door Ulrich Seidl-personages. Het kost weinig moeite om je daarbij een voorstelling te maken. Onuitwisbare beelden uit zijn vele films schieten voorbij. Van seksuele perversiteiten in een oververhitte Weense buitenwijk (Hundstage). De man die in z’n kelder trots zijn nazi-parafernalia toont (Im Keller). Of – ik probeer het beeld terstond te verdringen – de oudere Europese dames die zich in Afrika vermaken met viriele donkere mannen (Paradies: Liebe).

De Oostenrijker Seidl, die in zijn carrière regelmatig schakelt tussen speelfilms en documentaire, houdt er een inktzwart mensbeeld op na – en geeft dat met ‘liefde’ en ‘plezier’ door aan zijn publiek. Één blik op de titel van zijn nieuwste documentaire (Safari), de thematiek (plezierjacht) en de filmposter (een stel dat fier poseert bij een gevelde zebra) en de goede verstaander weet alweer genoeg: dit is wederom een film om te bekijken met dichtgeknepen neus, samengeperste billen en een hand die elk moment voor de ogen kan worden geslagen.

Ook het leeuwendeel van de personages in deze schurende film (84 min.) is weer lelijk en dom en houdt er weerzinwekkende denkbeelden op na. Zoals de man die een gnoe liefdevol op zijn kop klopt en bemoedigend toespreekt (‘een goede strijder’) nadat hij hem zelf vanaf een veilige afstand met een geweerschot van het leven heeft beroofd. Met enkele handjes water wordt het dier vervolgens schoongepoetst, en intussen de directe omgeving gefatsoeneerd, zodat de onvermijdelijke heldenfoto kan worden gemaakt van de stoere jager met zijn ontzielde prooi.

Traag en sober registreert Seidl de jacht op kansloze zebra’s en giraffes, die steevast wordt beslecht met een fataal schot, gevierd via een ‘Jagersheil’-groet en vereeuwigd met een fotocamera. Voor buitenstaanders zijn het even trieste als onbegrijpelijke taferelen. Zo nu en dan belicht Safari daarnaast ook de tragikomische aspecten van de plezierjacht. Zo brengen twee dikkige mannen van middelbare leeftijd, boerend en snurkend, urenlang tevergeefs door in een soort schutterscabine. De lulligheid ten top.

Intussen laat Seidl de jagers tijdens zorgvuldig geënsceneerde interviews langzaam maar zeker helemaal leeglopen. Nadat ze de zegeningen van de jacht hebben geteld en hun activiteiten (voor zichzelf) hebben gerechtvaardigd, belanden ze uiteindelijk in troebeler water en brengt Seidl hen in verband met een soort koloniaal racisme, waarbij zwarten letterlijk het vuile werk mogen opknappen voor witte mannen. Het is de venijnige pointe van een vertrouwd ongemakkelijke Seidl-film.

Metallica: Some Kind Of Monster


Samen met zijn inmiddels overleden samenwerkingspartner Bruce Sinofsky heeft Joe Berlinger op zijn minst drie onvervalste documentaireklassiekers op zijn naam staan: het tragische relaas van enkele wereldvreemde broers in Brother’s Keeper, de hartverscheurende true crime-trilogie Paradise Lost en deze nietsontziende blik in het zwarte hart van ’s werelds grootste metalband.

Metallica: Some Kind Of Monster (141 min.) werd door Berlinger en Sinofsky gefilmd in de jaren 2001-2003 en was oorspronkelijk gewoon bedoeld als een verslag van de opnames van album nummer zoveel, St. Anger. Niemand kon voorzien dat de pleuris zou uitbreken bij de Amerikaanse methalheads.

Eerst ruimt bassist Jason Newsted het veld, daarna raakt zanger James Hetfield helemaal verstrikt in zichzelf en laat hij zich opnemen in een ontwenningskliniek. Na zijn terugkeer barst de echte crisis los: de frontman komt lijnrecht tegenover drummer en voormalige boezemvriend Lars Ulrich te staan. Er moet zelfs een therapeut aan te pas komen, die de boel, ondanks talloze groepssessies, maar niet gelijmd krijgt.

Terwijl de twee haantjes elkaar naar de keel vliegen blijft de camera genadeloos draaien. Intussen is er ook nog altijd geen nieuwe bassist gevonden. Het voortbestaan van de band Metallica, die eigenlijk te groot is geworden voor z’n individuele leden, hangt in deze zinnenprikkelende documentaire voortdurend aan een zijden draadje.