Marley

Hoe een jongen die nooit ergens bij hoorde – omdat hij toevallig een witte vader had – hét symbool van zijn land en cultuur werd. Voor zijn veertigste was de verweesde halfbloed Robbie uitgegroeid tot niemand minder dan Bob Marley, het boegbeeld van reggaemuziek, Jamaica en de rastafari-levensfilosofie.

Dat verhaal wordt in de biopic Marley (144 min.) uit 2012 virtuoos verteld. Met zijn vrouw, kinderen en andere familieleden legt regisseur Kevin Macdonald echt de ziel van de man bloot. En kleurrijke collega’s als Bunny Wailer, Lee ‘Scratch’ Perry en Jimmy Cliff plaatsen hem overtuigend binnen de Jamaicaanse cultuur en levensstijl. Het fenomeen Bob Marley, zoveel wordt duidelijk, was voorbestemd, de sublimering van alles wat het Caribische eiland exceptioneel maakt.

En uiteindelijk belandt Macdonald binnen dit mythische verhaal weer bij dat elementaire gevoel: van een bastaardzoon die niet wordt geaccepteerd door zijn eigen vader. In één van de mooiste scènes van deze meeslepende film laat hij Marleys halfzus Constance en blanke halfbroer Peter voor het eerst Cornerstone horen, het lied dat Bob schreef nadat hij als jonge man werd afgewezen door zijn biologische vader, ‘captain’ Norval Marley.

‘The stone that the builder refused will always be the head cornerstone’, zingt de reggaeheld daarin trots. ‘Hoe waar is dat?’, constateert Constance niet zonder wrevel. ‘Bob heeft de naam Marley op de kaart gezet.’ Al die anderen, de ‘white Marleys’ die zichzelf altijd zo belangrijk vonden, zijn al lang en breed vergeten, wil ze maar zeggen. Terwijl haar halfbroer lééft. En juist doordat hij zo gekwetst was, meent zijn halfzus, kon Bob zoveel mensen raken.

Tot een erg stabiel gezinsleven leidde dat dan weer niet. Hoewel hij netjes getrouwd was, slaagde de womanizer Marley er toch in om maar liefst elf kinderen te verwekken bij zeven verschillende vrouwen. Voordat zijn onstuimige leven, op slechts 36-jarige leeftijd, tot een dramatisch einde kwam. Waarna hij, nu al bijna veertig jaar, tóch is blijven voortleven, zoals is te zien in de ontroerende slotscène van deze grootse documentaire.

Rudeboy: The Story Of Trojan Records

Toen Bob Marley, de man die het iconische gezicht van reggae zou worden, zich halverwege de jaren zeventig goed en wel internationaal begon te manifesteren, werd Trojan Records gedwongen om de tent de sluiten. De Britse platenmaatschappij had als bruggenhoofd gefungeerd voor de wereldwijde distributie van de muziekgenres reggae, ska en rocksteady en vroege helden als Derrick Morgan, Toots & The Maytals, Desmond Dekker, Lee ‘Scratch’ Perry en Jimmy Cliff in de vaart der volkeren opgestuwd.

Rudeboy: The Story Of Trojan Records (85 min.) blaast het stof van die essentiële muzikale periode, waarvan het startpunt vrij eenvoudig is te traceren: de onafhankelijkheid van Jamaica in 1962, waarna 100.000 inwoners verkassen naar de voormalige kolonisator Groot-Brittannië. Als bruidsschat nemen ze muziek mee naar hun nieuwe vaderland, die daar wordt omarmd door witte tegenhangers van de Jamaicaanse rudeboys. Deze skinheads, arbeidersjongens met gemillimeterde coupes, bretels en kistjes, maken van ska een multicultureel fenomeen. Later, als ook in het Verenigd Koninkrijk racisme welig begint te tieren, ontstaat echter ook een extreemrechtse variant. 

Regisseur Nicolas Jack Davies probeert die dampende Trojan-periode (1968-1975) daadwerkelijk te laten herleven met acteurs en een overdaad aan gefictionaliseerde scènes. Die zijn wellicht broodnodig – vanwege beperkt beeldmateriaal van enkele hoofdpersonages – maar leggen het qua authenticiteit af tegen het joyeuze archiefmateriaal. Want daarin gebeurt ‘t, met klassieke songs als Rudy, A Message To You, Monkey Man en Wonderful World, Beautiful People. En daaraan, aan loom of juist lustig swingende muziek die een halve eeuw na dato nog altijd uiterst vitaal klinkt en noopt tot ongegeneerd skanken, ontleent deze film zijn aantrekkingskracht.