Monterey Pop

Janus Films

Als filmmaker stond D.A. Pennebaker (1925-2019) in de jaren zestig precies op de plek waar hét gebeurde. Samen met Robert Drew, Richard Leacock en de gebroeders Albert en David Maysles behoorde hij tot de bekendste exponenten van de zogeheten ‘direct cinema’. Met een lichtgewichtcamera op de schouder, voorheen volstrekt onmogelijk geacht, legden zij het leven onopgesmukt vast zoals zich dat voor hun lens aftekende.

Toen in diezelfde tijd ook een nieuwe generatie muzikanten zich meldde, was Pennebaker er als de kippen bij. Hij maakte bijvoorbeeld de klassieke Bob Dylan-documentaire Dont Look Back (1967). Later zou ie ook nog werken met uiteenlopende grootheden zoals John Lennon, David Bowie en Depeche Mode. In 1968 was de Amerikaanse filmer tevens verantwoordelijk voor één van de eerste grote concertfilms: Monterey Pop (79 min.), een verslag van het International Pop Festival. Dat vond in het weekend van 16 tot en met 18 juni 1967 plaats in het Californische stadje Monterey en werd beschouwd als het hoogtepunt van de ‘summer of love’.

Muzikale hoogtepunten te over. De bitterzoete meezinger California Dreamin’ van The Mamas & The Papas bijvoorbeeld. Een florerende Janis Joplin bij Big Brother And The Holding Company. Het lijflied My Generation van The Who, waarbij Pete Townshend zijn gitaar helemaal aan gort mept. De onweerstaanbare soulinjectie van Otis Redding, slechts enkele maanden voor zijn dood bij een tragisch vliegtuigongeluk. En het vuuroffer van Jimi Hendrix die – baas boven baas – zijn instrument in de hens zet en daarna de brokstukken in het publiek gooit. Met een lang uitgesponnen sitar-exercitie van de Indiase virtuoos Ravi Shankar, die z’n gehoor in extase brengt, tot besluit.

Behalve de dampende performances op het podium maakte Pennebaker ook een schouwspel van het observeren van gewone festivalgangers: buiten in een slaapzak pittende hippies, lekker verliefde stelletjes en bezoekers die, al dan niet onder invloed van geestverruimende middelen, helemaal uit hun dak gingen. Als twee jaar later niet de legendarische Woodstock-film was uitgebracht, over ‘three days of peace & music’, dan zou Monterey Pop beslist de geschiedenis zijn ingegaan als de ultieme weerslag van de flower power-jaren, een tijd waarin een nieuwe generatie ervan overtuigd was dat alles beter werd als we maar een beetje liever voor elkaar zouden zijn.

The Twister: Caught In The Storm

Netflix

Ze waren begonnen met het volgen van de storm. En toen begon die hen te volgen. Een groot eng monster, dat zich blijkbaar thuis voelde in het gebied dat niet voor niets ‘Tornado Alley’ wordt genoemd. ‘Er klonk gerommel’, herinnert Kaylee zich. ‘Alsof moeder natuur honger had.’ Samen met haar broer Eric en vriend Mac was ze een kijkje gaan nemen bij de tornado die Joplin, Missouri, zou gaan aandoen. De drie tieners moesten rennen voor hun leven.

In The Twister: Caught In The Storm (89 min.) reconstrueert Alexandra Lacey met Mac, Kaylee en andere overlevenden de wervelwind die op 22 mei 2011 ongenadig huishield in het hart van Amerika. Het was alsof de apocalyptische visioenen over het einde der tijden, waarover onheilspredikers al een tijd spraken in ‘de gesp van de biblebelt’, dan toch waren bewaarheid. Joplin werd volledig met de grond gelijk gemaakt. Wat restte was een soort slagveld, waar net de Derde Wereldoorlog leek te zijn uitgevochten.

Met een vloeiende combinatie van echte opnamen van de natuurramp en gedramatiseerde beelden – waarbij zeker niet altijd helder is waar het ene begint en het andere eindigt – wordt de ontwikkeling van de wervelwind opnieuw opgeroepen. Direct betrokkenen – een vanuit Californië ingevlogen aspirant-weerman van dertien, enkele rondrijdende tieners en een middelbare scholier die juist op die dag z’n diploma had gekregen bijvoorbeeld – vertellen hoe ze die ramp ternauwernood hebben overleefd.

The Twister beperkt zich tot de ontwrichtende gebeurtenissen op die ene meidag en de directe gevolgen daarvan – behalve ongelooflijke materiële schade zo’n 160 doden – en laat het grotere verhaal van de ramp links liggen. Daarmee wordt de documentaire een soort real life-variant op de ouderwetse rampenfilm uit de jaren zeventig, waarbij de kijker zich van een veilige afstand kan verlustigen aan uitzinnig natuurgeweld, zonder zich te hoeven bekommeren over de oorzaken en lange termijngevolgen daarvan.

De tornado van Joplin wordt vooral behandeld als een spannend verhaal, een levensveranderende gebeurtenis, met bovendien een wel erg Amerikaans einde. Want alle overlevenden zijn er natuurlijk beter uitgekomen en voelen zich dan verantwoordelijk voor de wederopbouw van de plaatselijke gemeenschap. Zodat al die angst, dat lijden en ook het verlies van 22 mei 2011 – de Dag des Oordeels, zou iemand die ’t achteraf altijd beter weet zeggen – misschien toch nog ergens goed voor zijn geweest.

Patti Smith: Electric Poet

Arte

Na een concert met Bruce Springsteen & The E Street Band voelde gitarist Steven van Zandt onlangs de behoefte om met een tweet een recensent te corrigeren: nee, Bruce speelde geen cover van Patti Smith, het was zijn eigen compositie!

Vreemd is het overigens niet dat Because The Night door menigeen vooral wordt geassocieerd met de zangeres, dichter en kunstenares uit New York. Zij eigende zich het prijsnummer volledig toe en maakte er een absolute wereldhit van, haar enige overigens. Smith zelf werd intussen in het collectieve geheugen opgeslagen als een performer die floreerde op het braakliggende terrein tussen poëzie en rock & roll. Ze stond daarbij op de schouders van giganten als Arthur Rimbaud, Brian Jones, James Dean, Albert Camus en Bob Dylan en werd volgens eigen zeggen regelmatig verrast door de kracht van haar eigen verbeelding.

Als outsider had ze haar plek gevonden in het illustere Chelsea Hotel, een bastion van de tegencultuur waar je in de lobby zomaar bohémiens als Janis Joplin, William Burroughs of Allen Ginsberg tegen het lijf kon lopen. En even verderop huisde Andy Warhol’s The Factory, waar The Velvet Underground kind aan huis was. Gedragen door de eerste punkgolf van halverwege de jaren zeventig, waarbinnen ze helemaal op haar plek was, werd Smith zelf ook een icoon van die scene: oorspronkelijk, eigenzinnig en androgyn. Gaat het te ver om haar ‘non-binair avant la lettre’ te dubben? Feit is dat ze speelde met de traditionele man- en vrouwrollen.

Het gedegen portret Patti Smith: Electric Poet (53 min.) van Anne Cutaia en Sophie Peyrard richt zich vooral op het decennium waarin de geboren performer zich openbaarde aan de wereld. Zoals wel vaker wordt de periode daarna, waarin ze ook nog eens bijna tien jaar uit het publieke leven verdween om zich samen met haar echtgenoot Fred ‘Sonic’ Smith (oud-gitarist van The MC5) te wijden aan haar gezinsleven, bijna behandeld als een soort epiloog. Alsof dat latere leven simpelweg kan worden gereduceerd tot de comeback, na Freds vroegtijdige overlijden in 1994, en de blijvende artistieke waardering die haar sindsdien, ook als fotograaf, ten deel is gevallen.

‘Ik ben nooit normaal geweest’, stelt ze zelf, na een leven lang liefdevol laveren tussen punk en poëzie. ‘Maar ik ben een normale excentriekeling.’