Bang My Box: The Robin Byrd Story

HBO Max

In het hoardershuis dat ze samen met haar echtgenoot Shelly bewoont in New York, is al twintig jaar niemand meer te gast geweest, vertelt Robin Byrd. Haar hele leven ligt er uitgestald, waaronder meer dan zeshonderd videotapes van het erotische programma dat ze een half leven lang had op de Amerikaanse kabeltelevisie. Met The Robin Byrd Show werd de oud-deelnemer aan Miss Bare America, zelfverklaarde orgiekoningin en voormalige porno-actrice vanaf halverwege de jaren zeventig een icoon van het ‘seks-positief feminisme’, waarbij het bovendien heerlijk inbellen was.

In de zeer vermakelijke documentaire Bang My Box: The Robin Byrd Story (79 min.) neemt ze Jylian Gunther en Stephanie Schwam mee in haar leven met echtgenoot Shelly, met wie ze nu al ruim vijftig samen is. Het was ‘liefde op het tweede gezicht’, aldus de inmiddels bijna zeventigjarige liefde & seks-activiste. Shelly, sinds 1974 een aandachtig observator van ‘The Byrd’, kampt tegenwoordig echter met dementie. Daardoor wordt zijn vrouw ook gedwongen om na te denken over haar nalatenschap. Hoe voorkomt ze dat fatsoensrakkers er straks vandoor gaan met haar archief?

Geestverwanten van hen hebben de vrijgevochten Robin Byrd al eerder het leven zuur gemaakt. Toen haar show in de jaren tachtig een hit werd, ontwikkelde zij zich, in de woorden van New York Times-journalist Bob Morris, tot ‘a kind of kitsch Lady Liberty For the city that never sleeps’. Met haar stralende glimlach, blonde haren en uitdagende poses ontving ze talloze iconen van de Amerikaanse sekswereld, met wie ze dan tot besluit het sexy liedje Baby, Let Me Bang Your Box zong. In haar gehaakte bikini werd Byrd zo zowel een rolmodel als een steen des aanstoots voor conservatief Amerika.

Niet in het minst omdat ze, in een periode die wordt gemarkeerd door de Stonewall-rellen van 1969 en de AIDS-crisis van halverwege de jaren tachtig, in haar programma ook volop ruimte bood aan de LHBTIQ+-gemeenschap. Toen het gevreesde HIV-virus huis begon te houden onder Amerikaanse gays, schroomde ze niet om het gebruik van condooms en beflapjes te propageren. En toen de minister van Justitie Ed Meese, in de rug gedekt door de conservatieve ‘moral majority’, obscene televisieprogramma’s en telefoonsekslijnen het leven zuur begon te maken, verzette zij zich met hand en tand.

Onder het motto ‘Free The Byrd’ werd die dekselse Robin Byrd, promiscue tot op het bot, zowaar een uithangbord voor de vrijheid van meningsuiting. En nu, als vrouw van respectabele leeftijd en als kind van het parool ‘vrijheid blijheid’ (dat in Bang My Box overigens overtuigend over het voetlicht wordt gebracht), is ze daar maar wat trots op.

Mr. Dynamite: The Rise Of James Brown

Jagged Films

Ook hij breekt halverwege de jaren zestig door via het programma van de meest kleurloze gastheer uit de televisiegeschiedenis: Ed Sullivan (ahum). James Brown (1933-2006), ‘the hardest working man in show business’, bevindt zich in goed gezelschap. Elvis Presley, The Beatles en The Stones glorieerden eveneens bij de houterige host.

Brown staat erop dat hij met zijn eigen band The Famous Flames mag optreden en geeft, croonend als een krolse kater en dansend als de enige echte voorvader van Michael Jackson, een nauwelijks te overtreffen performance. Die eindigt met de entree van ‘s mans assistent Danny Ray. Als de soulzanger tijdens het wanhopige Please Please Please theatraal door de knieën gaat, gooit hij een cape over de man heen en begeleidt hem van het podium. Het is de treffende apotheose van een wervelwindoptreden, dat James Brown later nog een welgemeende klap op de rug van Sullivan oplevert.

Zijn kostje lijkt daarmee gekocht – al is de Amerikaanse soulzanger en funkmeister geen man om dat dan uitbundig te vieren met zijn muzikale gevolg. Hij geldt als een ‘loner’, een man die alle touwtjes in handen wil houden en een perfectionist die met minder nooit genoegen neemt. In Mr. Dynamite: The Rise Of James Brown (120 min.) gaat Alex Gibney niet zozeer op zoek naar de achtergronden daarvan. Browns uiterst armoedige jeugd zonder moeder, hoe hij daarna opgroeide in het bordeel van zijn tante Honey en de jeugddetentie die hij kreeg vanwege diefstal worden in enkele zinnen afgedaan.

Dit is een film over James Browns muzikale hoogtijdagen en hoe die, al dan niet toevallig, samenvallen met een nieuw zwart bewustzijn. In 1968 schrijft hij het lijflied van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging, Say It Loud – I’m Black And I’m Proud. Gibney illustreert ’s mans schier onaantastbare positie als boegbeeld van de zwarte gemeenschap met beelden van Browns optreden in Boston, een dag na de moord op de Afro-Amerikaanse leider Martin Luther King op 4 april van dat jaar, waarbij hij resoluut rellen in de kiem smoort. Zijn woord is dan nog wet in de zwarte gemeenschap.

Want als Brown later publiekelijk de Republikeinse president Nixon omarmt, wordt hem dat bepaald niet in dank afgenomen. ‘Soul Brother No. 1’ komt te boek te staan als een verrader van de goede zaak, een man bovendien die zijn beste tijd lijkt te hebben gehad. Gibney tekent die geschiedenis in deze muziekfilm uit 2014 op met een combinatie van fraai archiefmateriaal, oude televisie-interviews met de man zelf en gesprekken met Browns bandleden Bobby Byrd, Alfred ‘Pee Wee’ Ellis, Martha High, Fred Wesley, Clyde Stubblefield, John ‘Jab’o’ Starks, Bootsy Collins en de broers Melvin en Maceo Parker.

En ook Afro-Amerikaanse iconen zoals Al Sharpton, Chuck D en Ahmir ‘Questlove’ Thompson doen nog hun duit in het zakje over de ‘Godfather of Soul’. De man daarachter – een kerel die zijn handen bijvoorbeeld niet altijd thuis kon houden – blijft een enigma. Alex Gibney en mede-initiatiefnemer Mick Jagger, die zelf natuurlijk ook nog even aan het woord komt over zijn inspirerende tijdgenoot, kiezen liever voor de zanger, de danser, het fenomeen James Brown. Ofwel voor: Mr. Dynamite.

Cameraperson

Janus Films

Ook wanneer je als Cameraperson (102 min.) opereert als de spreekwoordelijke ‘fly on the wall’ en de werkelijkheid alleen maar lijkt te registreren, ben jij degene die bepaalt wat de wereld krijgt te zien. Als cameraman, cinematograaf of pak ‘m beet ‘director of photography’ (DOP) kies je immers de plek, het frame, de achtergrond, het perspectief en de belichting van wat de beurtelings onthullende, meedogenloze of juist verliefde camera vastlegt.

Na 25 jaar ‘schouderen’ of staan achter een statief, waarin ze werkte voor klassieke documentaires zoals Citizenfour (Laura Poitras), Fahrenheit 9/11 (Michael Moore) en This Film Is Not Yet Rated (Kirby Dick), maakt Kirsten Johnson in deze persoonlijke film uit 2016 de balans op. Het zijn de memoires van een cameravrouw die veel van de wereld heeft gezien en laten zien: Nigeria, Jemen, Darfur, Oeganda, Afghanistan, Liberia én Bosnië, waarnaar ze in deze documentaire steeds weer terugkeert. Naar een oorlog, die van geen ophouden wil weten. Johnson laat ook zien hoe ze werkt. Het zoeken naar een shot. Het scherpstellen. En de opmerkingen vanachter de lens, de gesprekjes die daar soms worden gevoerd en de aanwijzingen richting de mensen voor de camera.

Samen met filmmakers, producers, fixers en tolken bezoekt ze plekken des onheils. Het motel waar Servische soldaten zich schuldig maakten aan massaverkrachting. De pickup truck van drie witte racisten, waarachter de zwarte Amerikaan James Byrd Jr. in 1998 met een ketting werd gehangen. Wounded Knee, waar in 1890 honderden Sioux-indianen werden afgeslacht en ook navolgende generaties ‘native Americans’ gewond raakten. Het Tahrir-plein in Cairo waar de Arabische Lente werd neergeslagen. En de Rwandese Nyamata-kerk waar Hutu’s tienduizend leden van de Tutsi-stam om zeep hielpen. En natuurlijk ontbreekt ook het World Trade Center in Johnsons eigen thuisbasis New York niet, het toneel van de terroristische aanslagen van 9/11.

Kirsten Johnson zet haar camera tevens op persoonlijke subjecten: haar kleine kinderen Viva en Felix bijvoorbeeld (terwijl die de dop weer op de lens proberen te krijgen). Haar moeder Catherine Joy Johnson, enkele jaren nadat zij is gediagnosticeerd met Alzheimer. En haar vader Dick, die ze in 2020 nog zal vereeuwigen in de geweldige documentaire Dick Johnson Is Dead. Cameraperson wordt zo tegelijkertijd een intieme terugblik op een enerverend (werk)leven en een boeiende bespiegeling op beeld: wat het is, hoe het wordt verkregen en wat het te weeg kan brengen. Waarbij de camera – dat mag echter geen verrassing heten – nooit liegt.

The Matthew Shepard Story: An American Hate Crime

Discovery+

De voorbijganger die hem uiteindelijk aantrof op 7 oktober 1998, vastgebonden aan dat hek op een verlaten landweg in Laramie, Wyoming, dacht in eerste instantie dat hij een vogelverschrikker was. Een hert had Matthew Shepard de hele nacht gezelschap gehouden. Het rende weg toen hij werd ontdekt. De armen van de 21-jarige student waren op z’n rug gebonden. Matthew bleek ernstig mishandeld. Hij stond al achttien uur op zijn plek en was nog min of meer in leven.

Matt Shepard had er nooit een geheim van gemaakt dat hij homo was. Dat vergde moed en lef. Wyoming gold (en geldt) als een uitgesproken conservatieve staat. Tegelijk leek er in het Amerika van de jaren negentig wat meer leefruimte te komen voor jongeren zoals hij. Shepard was zich dus waarschijnlijk van geen kwaad bewust toen hij op een avond in de Fireside Lounge de losgeslagen jongelingen Russell Henderson en Aaron McKinney tegen het lijf liep. Wat er daarna gebeurde werd een ijkpunt in de Amerikaanse LHBTIQ+-historie.

Net als twintig jaar eerder de publieke moord op homo-activist Harvey Milk veroorzaakte Matthews tragische dood, slechts enkele maanden na de huiveringwekkende haatmoord op de jonge zwarte Amerikaan James Byrd, een storm van verontwaardiging. Óók doordat de radicale Westboro Baptist Church van Fred Phelps de gelegenheid misbruikte om z’n abjecte ‘God hates fags’-boodschap onder de aandacht te brengen. Phelps zei hardop wat een deel van conservatief Amerika dacht en alleen in eigen kring uitsprak.

Vijfentwintig jaar na dato roept The Matthew Shepard Story: An American Hate Crime (85 min.) het beruchte haatmisdrijf op met Matthews vrienden, journalisten, activisten en LHBTIQ+-prominenten zoals Rosie O’Donnell, zanger Adam Lambert en acteur Andrew Rannells (die tevens enkele brieven van Matthew Shepard voorleest). In de degelijke tweedelige documentaire zijn bovendien audio-interviews uit 2011 opgenomen met direct betrokkenen, waaronder Matts moeder Judy, vader Dennis, politiemensen en advocaten.

Zo worden het korte bestaan van de homoseksuele jongen en zijn dramatische laatste uren gereconstrueerd. Het tweeluik belicht tevens de mediahype die daarvan de logische consequentie was en het vervolg daarop via The Matthew Shepard And James Byrd, Jr., Hate Crimes Prevention Act van 2009. Inmiddels staan de verworvenheden van de LHBTIQ+-beweging echter weer onder druk, toont deze tweedelige film. Conservatieve krachten in Amerika ondernemen serieuze pogingen om de klok weer terug te draaien.

Het is niet moeilijk om te bedenken wat Matthew Shepard daarvan zou hebben gevonden.