Giovanni/Carmen

Prospektor / NTR

Op het eerste oog is de Nederlandse theatermaker Giovanni Brand natuurlijk niet de meest voor de hand liggende persoon om de rol van Carmen op zich te nemen. Toch staat ie dichter bij de hoofdpersoon van Georges Bizets befaamde opera (1875), een vurige zigeunervrouw die alle mannen om haar vingers windt, dan die eerste indruk doet vermoeden.

Brands wortels liggen in een woonwagen. Behalve een vrijgevochten vamp ziet hij in Carmen ook een representatie van de Roma en Sinti, waarbij vooroordelen en clichés regelmatig om voorrang vechten. In de korte documentaire Giovanni/Carmen (34 min.) volgt Laura Stek haar hoofdpersoon dus zowel naar een stierenvechtersarena in Sevilla, waar hij zich als een androgyne toreador uitleeft in zijn rol, als naar een wagen waar zijn familie op hem wacht.

In zijn eigen leven beweegt Giovanni Brand zich tussen de ene wereld, het leven op wielen, en de andere, de burgermaatschappij, met alle uitdagingen en complicaties van dien. Taalproblemen bijvoorbeeld, vanwege zijn aanvankelijke laaggeletterdheid. Of door zijn geladen verhouding, als queerpersoon, tot masculiniteit. Op dat pad is Carmen een logisch tussenstation – hoewel dat dansen als de vurige verleidster voor hem soms ook ‘heel Hollands’ voelt.

Brand spreekt verder met de ervaren Carmen-vertolker Matia Kataeva van het Teatro de la Maestranza, laat zich bijspijkeren door flamencodanseres Conchi Maya en bezoekt zijn eigen neef, volkszanger Bob Offenberg. Met dramatische en gestileerde scènes vangt Stek tegelijk hoe haar hoofdpersoon, afwisselend geheel overtuigd en licht beschroomd, werkt aan zijn eigen, satirische interpretatie van ‘het meest toxische liefdesverhaal dat er bestaat’.

Intussen lijkt hij ook weer een stukje van de liefde voor zichzelf, zijn achtergrond en de kronkelige weg die hij heeft afgelegd te vinden.

Pulp: What Do You Do For An Encore?

MUBI

Als na een lange carrière de balans moet worden opgemaakt in een terugblikdocu, zijn er voor bekende bands in wezen twee opties. Óf alle groepsleden krijgen de gelegenheid om, liefst los van elkaar, ongefilterd terug te blikken. Zodat niemand controle heeft, behalve de filmmaker van dienst, die hun meningsverschillen, tegenstrijdige herinneringen en hoogte- en dieptepunten met elkaar moet zien te verzoenen, in een logisch verhaal, waarin de opkomst, succesperiode, ondergang en wederopstanding zijn te herkennen – en waarmee alvast een volgende concertreeks wordt aangekondigd.

Óf één van die bandleden krijgt volledige controle, zoals in Pulp: What Do You Do For An Encore (98 min.). Hoewel Garth Jennings officieel te boek staat als maker, fungeert Pulp-frontman Jarvis Cocker daarin als regisseur van zijn eigen leven en dat van z’n band. Als verteller laveert hij soepeltjes tussen impressies van het groots opgezette concert dat de Britse popgroep op 13 juni 2025 gaf in de Londense O2 Arena, naar verluidt het 566e optreden in de bandhistorie, en de lange, lange weg die Pulp daarnaartoe moest afleggen. Het succes is Cocker en co beslist niet komen aanwaaien.

Die zoektocht naar eeuwige roem begon in Sheffield, waar hij op 19 september 1963 ter wereld kwam als Jarvis Branson Cocker. Echt blij was hij niet met die voornaam, vertelt de zanger aan het begin van de film. Zelf had ie liever John geheten. ‘Met een achternaam zoals Cocker’, zegt zijn moeder in een oud fragment, ‘konden we hem moeilijk ‘Everhard’ noemen.’ Jarvis’ oma kan daar wel om lachen. ‘Ik zou je zoveel verhalen over hem vertellen’, voegt zij er glunderend aan toe. ‘Maar ik heb hem beloofd dat ik dit niet zou doen.’ Om vervolgens natuurlijk tóch aan een anekdote te beginnen…

Verder houdt ‘Everhard’ Cocker de teugels stevig in handen. Dit is zijn verhaal. Een handzame versie van bijna een halve eeuw Pulp, met veel zelfspot uitgeserveerd: tijdens een ingelaste pauze verschijnt er bijvoorbeeld een stukje gras in beeld, waar hij zelf op een zomeravond in 1983 zou zijn ontmaagd. En doorrr… Naar de hoogtijdagen van zijn band: op het podium tot leven gebracht met een uitgebreide bezetting, en tussendoor door Cocker zelf, voortdurend laverend tussen ernst en scherts, geordend tot een vermakelijk bandverhaal. Dat inmiddels dus bij de toegift is aanbeland.

Tardes De Soledad

Imagine

Met een ongenaakbare blik in de ogen treedt hij de vijand tegemoet. Vertrokken mond, verwaande tronie. In zijn mooiste showpak. Rood, afgezet met zwart stiksel. Of geel. Zolang ’t maar afkleedt – en de rollen in dit duivelse spel bevestigt. Koene ridder versus dommekracht. De borst fier vooruit, een holle rug, beloert hij hem. De rode doek, een lap, stevig in de hand. Achter de rug, ingeklapt of uitdagend uitgestald.

Totdat het dier bezwijkt en aanvalt. De hoorns vooruit. Steeds weer. Ins Rote hinein. Als een blinde stier. En in het stof bijtend. Een geduchte tegenstander nochtans, die tot voorzichtigheid maant. Al staat de uitslag op voorhand vast: híj eindigt straks, briesend, bezweet en dodelijk gewond, in de modder. Terwijl de trotse matador de staande ovatie in ontvangst neemt, die al het hele ‘gevecht’ in de lucht hing.

Andrés Roca Rey is de naam, stierenvechter zijn beroep. Hij komt uit Peru en wordt beschouwd als een meester in zijn stiel. Regisseur Albert Serra observeert hem in Tardes De Soledad (Engelse titel: Afternoons Of Solitude, 125 min.) voor en na zijn entree in de arena, maar vooral tijdens de tweekamp met die oliedomme mannetjesputter. Rey is vrijwel de volledige film in beeld, de absolute ster ervan.

Serra stelt geen vragen aan zijn hoofdpersoon en werpt ook geen vragen op over diens dagelijkse bezigheid. Die laat hij aan zijn publiek. Over hoe een dier met vereende kracht – stierenvechten is een soort teamsport – en en plein public wordt uitgedaagd, verwond, afgebeuld, vernederd en uiteindelijk, vermoedelijk vanuit een verwrongen soort compassie, uit zijn lijden wordt verlost. Waarna het wrede spel uit is.

‘De verwachtingen zijn hooggespannen, Andrés’, houdt een collega de matador voor als hij op het punt staat om de arena te betreden. ‘Jij bent een grote jongen in het stierenvechten. Dat schept verwachtingen.’ Die spanning is zichtbaar en voelbaar in de lang uitgesponnen scènes van Reys voorbereiding, terwijl naderhand al even duidelijk is hoe die ook weer van hem afglijdt en hij de schade, ook bij zichzelf, opneemt.

Het is geen fraai schouwspel, dat stierenvechten. En, als je de ethische component probeert weg te denken, ook weer wel. Deze zeer lijvige film, een sfeertekening van een archaïsche wereld, laat in zekere zin de schoonheid ervan zien, maar kan net zo goed worden beschouwd als een aanklacht. Dat zit in ‘the eye of the beholder’, het oog van de toeschouwer. Kan die de pijn en het bloed negeren? En mag ie dat ook?

Zirkuskind

Julia Lemke / Flare Film

Als ‘opa Ehe’ vertelt, hangt Santino aan zijn lippen. Zijn bijna tachtigjarige overgrootvader heeft prachtige verhalen. Over de gloriedagen van het circus. Als vijftienjarige reed hij al tractor. Daarmee trokken ze van Duitsland naar Barcelona. 2700 kilometer. Met zeventien kilometer per uur! En de olifant, apen, slangen en giraffen moesten allemaal mee.

Santino is nu elf. Voor zijn verjaardag heeft het guitige joch een kleine crossmotor gekregen. Hij is er dolblij mee. Het wordt nu zo langzamerhand ook tijd dat hij als Zirkuskind (Engelse titel: Circus Boy, 86 min.) gaat nadenken over hij zelf wil gloriëren in de piste van het circus. ‘Iedereen moet iets doen waarop ie trots is’, zegt opa Ehe bemoedigend.

Zijn achterkleinzoon en hij behoren tot de circusfamilie Frank. Santino’s vader Gitano heeft de verantwoordelijkheid over de dieren van Circus Arena. Kamelen, koeien, paarden, pony’s, lama’s en honden. Zijn moeder Angie is acrobate. Ze is nu alleen zwanger. En Santino’s jongere broer Giordano wordt, net als hijzelf, ingezet voor allerlei klusjes.

Julia Lemke en Anna Koch kiezen in deze observerende film consequent het perspectief van Santino, een jongen die het nomadenbestaan van zijn circusfamilie zonder voorbehoud omarmt. Zo was ‘t, is ’t en zal ’t naar zijn stellige overtuiging ook altijd blijven. Terwijl de hoogtijdagen van het circus toch al enige tijd achter hen lijken te liggen.

Overgrootvader blijft hem intussen nostalgische verhalen voeden, met zo nu en dan een bittere ondertoon. Als de vooroordelen ter sprake komen waarmee ze als circuslui altijd krijgen te maken, bijvoorbeeld. En ook de inktzwarte periode van de nazi’s, toen een groot deel van de familie werd afgevoerd naar de vernietigingskampen, blijft niet onbenoemd.

Zulk drama voert evenwel nooit de boventoon – ook omdat Ehe’s herinneringen worden verbeeld met cartooneske animaties van Magda Kreps en Lea Majeran. Santino’s bestaan kan zich ogenschijnlijk veelal in kinderlijke onschuld voltrekken. Op elke nieuwe school dreunt hij verder netjes op welke dieren ze hebben. En nee, die worden natuurlijk niet mishandeld.

Zirkuskind, verrijkt met afwisselend luchtige en weemoedige accordeonmuziek, richt zich duidelijk op een jonge doelgroep, maar geeft wel degelijk, door de ogen van een kind, een boeiende impressie van een jaar achter de schermen bij Circus Arena, dat met één been in het verleden en het andere toch nog best comfortabel in de tegenwoordige tijd lijkt te staan.

En aan het eind daarvan begint Santino zowaar een idee te krijgen van waar ie later trots op zou kunnen zijn.