‘Was my father’s leftover stuff the key to who he really was?’, vraagt Charlie Tyrell zich af in de overrompelende korte egodocumentaire My Dead Dad’s Porno Tapes (14 min.). Wat vertellen die nauwelijks verborgen pornovideobanden over de man met wie ik als jongen maar niet overweg kon?
De vragen die de jonge filmmaker zichzelf stelt zijn niet meer dan een startpunt voor dit virtuoos vertelde familieverhaal, waarin de zoon des huizes met privéfilmpjes, telefonische interviews met andere gezinsleden en veelvuldig gebruik van animatie en stop-motion het systeem van zijn eigen familie blootlegt.
Is zijn vader een logisch product van z’n achtergrond? En in hoeverre geldt dat voor Charlie zelf? Het zijn vragen die we onszelf allemaal wel eens stellen en die hier op een slimme, speelse en hartveroverende manier aan de orde worden gesteld. ‘Directed by Charlie Tyrell’ bovendien, vergeet dat niet.
‘Wat heb je gedaan in Dubai?’, vraagt regisseur Lauren Greenfield aan Kacey Jordan, het Amerikaanse pornosterretje dat een veelbesproken affaire had met acteur Charlie Sheen. Ze antwoordt laconiek: ‘de prins.’ Kacey is nu voor de elfde keer zwanger, bekent ze later op een kwetsbaar moment. Ze denkt er ditmaal serieus over om het kind te houden.
Kacey Jordan is één van de mensen die in de afgelopen jaren zijn geportretteerd door fotograaf Greenfield en waarmee ze nu in de documentaire Generation Wealth (106 min.), die wordt vergezeld door een expositie, de balans opmaakt. Tezamen vormen ze een bonte stoet larger than life-personages. De alleenstaande moeder die zich verliest in plastische chirurgie. Het zesjarige beauty queentje Eden dat maar één doel zegt te hebben: money, money en nog eens money. En Greenfields voormalige studiegenoot, die uitgroeide tot een louche geldgraaier.
De documentairemaakster vergelijkt de wereld waarin zij, en wij, leven met de cultuur van de Egyptenaren. Toen zij de piramides bouwden, stonden ze al aan de rand van de afgrond. Zonder dat ze dat zelf in de gaten hadden, overigens. Ook wij dansen volgens Greenfield met zijn allen op een vulkaan, die elk moment kan uitbarsten. De American dream is immers allang verworden tot een plastic zucht naar roem en rijkdom.
Greenfield belandde nog eens nadrukkelijk op dat spoor door haar vorige documentaire The Queen Of Versailles, een lekkere jeukfilm over een Amerikaans nouveau riche-stel dat zich heeft voorgenomen om een (vanzelfsprekend smakeloze) replica van het illustere Franse paleis te laten maken. De filmmaakster/fotografe ontdekte zo een thema dat eigenlijk haar complete oeuvre domineerde: rijkdom. Of de ultradecadentie, waartoe het westerse kapitalisme zijn onderdanen lijkt te dwingen.
In Generation Wealth richt ze haar camera niet alleen op excessen in de buitenwereld. Naarmate de documentaire vordert kijkt Greenfield ook steeds meer naar binnen, naar haar eigen verslaving aan werk. Ze filmt haar man en kinderen en gaat in gesprek met haar eigen ouders. Daarmee verliest de film ook een beetje richting. Want wil ze werkelijk zeggen dat het leven uiteindelijk toch om hele andere dingen gaat dan poen en status? Dat zou een wat al te gemakkelijke conclusie zijn voor deze bijzonder bijdetijdse docu, die pregnante vragen stelt over wie we zijn (geworden).
Ze veroordeelden zichzelf tot elkaar. Werner Herzog en Klaus Kinski, de regisseur en zijn muze. Twee metershoge ego’s die elkaar over de hoogste toppen trokken en door de diepste dalen sleurden. Voor grote kunst was werkelijk alles geoorloofd. Samen maakten de Duitse geweldenaars vijf speelfilms, met Fitzcarraldo uit 1982 als absoluut hoogtepunt. Over een man die (bijna) net zo bezeten is als Herzog en Kinski zelf.
Het loodzware opnameproces van die film, waarbij Herzog niet alleen met Kinski maar ook met Murphy en zijn vermaledijde wet van doen kreeg, werd door regisseur Les Blank vereeuwigd in de making of-documentaire Burden Of Dreams. Herzog en zijn crew raken verzeild in een grensoorlog tussen Peru en Ecuador, krijgen te maken met weerbarstige natuurpracht en, oh ja, moeten ook nog een gigantische boot over een berg zien te slepen. Tot overmaat van ramp wordt hoofdrolspeler Jason Robards ziek. Hij moet, net als zijn beoogde sidekick Mick Jagger, afhaken. ’Ik leef mijn leven of beëindig mijn leven met dit project’, zet Herzog tijdens de opnames zijn hakken ferm in het zand.
Enter de helblonde ridder in het witte pak: Klaus Kinski. Volgens eigen zeggen – tenminste in de versie van sein Freund Werner – wist Klaus altijd al dat Hij de enige echte Fitzcarraldo was. Als een goedlachse redder in nood arriveert hij in de afgelegen Zuid-Amerikaanse jungle die Herzog in een optimistische bui heeft uitgezocht voor zijn film. En waar Klaus komt, komen problemen. Toch? Het is echter vooral de gekte van Herzog zelf die Les Blanks observerende documentaire domineert. Hij jaagt zijn eigen droom na. Ten koste van alles en iedereen. Vier jaar lang. Het neurotische gedrag van de acteur valt daarbij volledig in het niet.
Na Kinskis dood in 1991 schetste Herzog in 1999 in de documentaire Mein Liebster Feind (95 min.), evenwel een heel ander beeld van het enfant terrible Klaus Kinski – en daarmee en passant ook van zichzelf. Want Werner Herzog is natuurlijk een man die zichzelf héél erg graag hoort praten. Dat hebben vrijwel al zijn documentaires met elkaar gemeen. In deze ode aan zijn geliefde Nemesis bezondigt hij zich nu eens niet aan Engels met een Duitse tongval, maar houdt hij het bij zijn moedertaal. De regisseur is nochtans erg lang van stof, ook als hij andere medewerkers aan zijn films over Kinski interviewt, en zit de voortgang van de docu soms in de weg. Hij heeft wel oorspronkelijke gedachten.
Erg positief is Herzog verder niet over zijn favoriete leading man. Een egomaniak was het, die bij het minste of geringste gigantisch kon uitvallen. Buiten elke proportie. Dat laat hij ook met liefde en plezier zien. Bijvoorbeeld als Klaus Kinski tijdens de opnames voor Fitzcarraldo een wezenloze woedeaanval krijgt en een lid van de filmcrew helemaal stijf scheldt omdat het eten niet te vreten zou zijn. Die scène heeft Burden Of Dreams vreemd genoeg niet gehaald. Naderhand hebben enkele indiaanse figuranten hem nog aangeboden om Kinski van kant te maken, beweert Herzog. De filmmaker liep volgens eigen zeggen zelf ook een tijdje met moordplannen rond, bekent hij in deze intrigerende documentaire. Of hij daarmee de onbetwiste waarheid vertelt of op zijn eigen verknipte wijze aan mythevorming doet? Wie zal het zeggen?
En is Mein Liebster Feind een eerbetoon of juist een afrekening? Beide waarschijnlijk. In zijn autobiografie had Kinski op zijn beurt ook weinig positiefs te melden over Herzog (die nu beweert dat hij de acteur daarvoor hoogstpersoonlijk enkele scheldwoorden heeft ingefluisterd). Uiteindelijk, hun gezamenlijke werk overziend, overheerst echter een zekere mildheid. Elke grijze haar op mijn hoofd noem ik Kinski, vertelt Herzog tijdens een gesprek met zijn voormalige cameraman. De filmmaker lacht erbij. Ondanks alles mist hij zijn dierbare vijand…
Je kunt best ethische vragen stellen bij deze persoonlijke documentaire van IDFA-held Victor Kossakovsky: in hoeverre rechtvaardigt een film een toch wel behoorlijke ingreep in de ontwikkeling van je eigen kind?
Aan Kossakovskys korte documentaire Svyato (33 min.) uit 2005 ging een heuse levenskeuze vooraf: de Russische filmmaker besloot zijn zoon vanaf diens geboorte uit de buurt te houden van spiegels. Toen Svyatoslav op tweejarige leeftijd eindelijk werd geconfronteerd met spiegels in huis en dus voor het eerst zichzelf zag, legde zijn vader dat met drie camera’s vast. Hoe zou zijn inmiddels puberende zoon daar nu op terugkijken?
De film opent met een citaat uit een oude legende: alles veranderde toen de mens voor het eerst zijn reflectie zag. En dat zie je letterlijk voor je ogen gebeuren. Het vrolijk rond dribbelende peutertje waant zich onbespied en onderneemt een adembenemende ontdekkingstocht via de spiegel. Op zoek naar niets minder dan – hij heeft daar zelf natuurlijk nog geen idee van – zichzelf. En in en via de spiegel slaan wij hem gade.
Hoe leuk is het om met een veger op die spiegel te slaan? Wat zie en hoor je dan? Ben jij het echt die dat kan en mag doen? Al snel raakt Svyatoslav verveeld en keert hij terug naar zijn vaste speeltjes. Het tweejarige jongetje lijkt die hele spiegel alweer vergeten. Totdat hij hem toch weer opzoekt en geheel nieuwe mogelijkheden ontdekt in de wereld achter dat ding aan de muur, waarvan hij zelf stilaan deel is gaan uitmaken. Gaandeweg ontwikkelt hij zoiets als zelfbewustzijn.
’Dat ben ik’, zegt hij aan het eind van de film trots tegen zijn vader en geeft zijn eigen spiegelbeeld een kusje.
Bij de volkstelling van 1991 werd het universitair docent Srbijanka Turajlic ineens duidelijk: haar land was ten dode opgeschreven. Waar ze haar hele leven had gedacht dat Joegoslavië altijd onder communistisch bewind zou blijven en leider Tito nooit kon sterven, daagde het haar ineens toen ze haar nationaliteit op een formulier moest invullen. De optie ‘Joegoslavisch’ was verwijderd. De natie waarin ze altijd had geleefd, en daarmee ook het idee waarin ze altijd had geloofd, leek dood.
Via een portret van haar ‘Servische’ moeder, een politiek activiste die zich vanaf het allereerste begin openlijk heeft uitgesproken tegen de onvermijdelijkheid van de Joegoslavische burgeroorlog, schetst regisseur Mila Turajlic de recente geschiedenis van haar land, dat ruim 25 jaar na de oorlog, die toch onvermijdelijk bleek, nog altijd haar wonden likt. De egodocu The Other Side Of Everything (103 min.) maakt de balans op vanuit haar moeders appartement in Belgrado, dat al sinds mensenheugenis in de familie is, maar dat vanaf 1947 op last van het regime verplicht moet worden gedeeld met een communistisch gezin.
De meningen zijn zeventig jaar later nog altijd hopeloos verdeeld, de onderlinge verbanden uiterst broos. Als Srbijanka opnieuw haar nationaliteit en religie moet doorgeven bij een volkstelling, zorgt dat bijvoorbeeld nog steeds voor ongemak. ‘De Kroaten vormen een eenheid’, stelt één van de gasten tijdens het traditionele eier-tikken op Srbijanka’s paasfeest. ‘De Sloven vormen een eenheid. En de Albanezen vormen een eenheid. Maar per twee Serviërs heb je drie meningen.’ Intussen steekt ook het onversneden Servische nationalisme, waarmee Slobodan Milosevic het voormalig Joegoslavië begin jaren negentig uiteen scheurde, weer zijn lelijke kop op.
In hoeverre wil en kan een dappere oudere vrouw zoals Srbijanka Turajlic nog eenmaal de handschoen oppakken? Of is die taak weggelegd voor de volgende generatie, in de persoon van dochter Mila? Deze indringende film, die zich voor een groot deel afspeelt in het verdeelde appartement, werd tijdens het IDFA van 2017 uitgeroepen tot Best Feature Length Documentary en demonstreert welke krachten er vrij komen als de nationalistische geest eenmaal uit de fles is. En die laat zich niet zomaar met woorden en ideeën bezweren. Dat kun je met een gerust hart een waarschuwing noemen. Aan het adres van iedereen die bijvoorbeeld denkt dat westerse democratieën onverwoestbaar zijn.
De teloorgang van Joegoslavië werd in 2000 al prachtig in beeld gebracht door Vuk Janic. In zijn film Het Laatste Joegoslavische Elftal portretteert hij de zogenaamde gouden generatie voetballers die door de burgeroorlog in verschillende landenteams terecht is gekomen. Spelers als Boban, Suker, Savicevic, Mihajlovic en Prosinecki zagen zo hun droom vervliegen om samen wereldkampioen te worden.
Als zijn vrienden gingen skaten, was hij erbij met zijn camera en legde hun duizelingwekkende capriolen of knullige valpartijen vast. Intussen groeide in het hoofd van Bing Liu een documentaire: Minding The Gap (93 min). Over zijn vrienden Zack en Deire. En over zichzelf, de man achter de camera, die zo nu en dan toch in beeld komt.
Gedurende twaalf jaar bleef Liu filmen. Het leverde talloze fraaie skatebeelden op en een portret van drie opgroeiende jongens uit de zogenaamde Rust Belt. Rockford, Illinois, om precies te zijn. Van de goedlachse witte jongen Zack, altijd een biertje of jointje in de hand. Hij krijgt al op jonge leeftijd een kind met zijn vriendin Nina. Dat is natuurlijk vragen om problemen.
Zack is helemaal niet klaar voor het vaderschap. Als de ruzies met de moeder van zijn kind steeds verder escaleren, verdwijnt langzaam maar die onweerstaanbare tandpastaglimlach van zijn gezicht. Intussen wil zijn zwarte vriend Deire, die bij zijn alleenstaande moeder inwoont, eindelijk eens op eigen benen staan. Tussen allerlei klotebaantjes door probeert hij tevens in het reine te komen met zijn vader. Wat skaten en zijn pa gemeen hebben? Ze hebben hem allebei pijn gedaan, zegt hij, maar hij houdt toch van ze.
Via Zack en Deire, die hij zo nu en dan kritisch bevraagt op hun gedrag, vertelt de Aziatische Amerikaan Bing Liu ook het verhaal van zijn eigen jeugd, die wordt overschaduwd door problemen thuis. Minding The Gap, meeslepend gemonteerd en op smaak gebracht met fijne indiemuziek, wordt zo een typisch coming of age-verhaal, waarin op de onvermijdelijke weg naar volwassenheid de nodige obstakels moeten worden genomen.
Een man jogt alleen door de Nederlandse polder. Hij sleept een beetje met een been, maar zijn ademhaling klinkt regelmatig en hij houdt behoorlijk tempo. Intussen horen we een telefoontje naar 112. Een vrouw zegt: ‘Mijn man wordt net wakker en hij praat heel onduidelijk. Ik kan hem niet verstaan.’ De medewerker van 112 besluit om met spoed een ambulance te sturen. Intussen gaat de joggende man steeds langzamer lopen. In slow-motion. De camera zoomt op hem in, op zijn hoofd in het bijzonder.
De openingsscène van Protocol Van Mijn Vader (53 min.) is spannend en filmisch. Daarna volgt een wat overcomplete voice-over van maakster Melliena Beckmann, die erg veel van het navolgende verhaal prijsgeeft. De hardlopende man is haar vader, die enkele jaren geleden een zogenaamde ‘wake-up stroke’, een herseninfarct tijdens zijn slaap, heeft gehad. Vader Beckman was eigenlijk ten dode opgeschreven, maar werd voor de poorten van de hel weggesleept door dokter Bonte, de dienstdoende neuroloog van het ziekenhuis.
Jan Bonte is een karakteristiek heerschap. Als Beckmann hem anderhalf jaar later volgt tijdens een dagje als freelancer in het ziekenhuis, draagt hij onder zijn openhangende witte jas een T-shirt met de tekst ‘I’m pretty confident my last words will be “well shit, that didn’t work”’ erop. Een arts kortom, die de gebaande paden durft te verlaten en zo nodig zijn eigen plan trekt. ‘No guts, no glory’, zoals hij dat zelf noemt, Maar als hij de protocollen doorbreekt, zoals in het geval van Beckmanns vader, kan hij natuurlijk ook tegenover zijn directe collega’s komen te staan.
Samen met haar familie en de rebelse arts (ander shirt: ’skilled enough to become a doctor, crazy enough to love it’) reconstrueert Melliena Beckmann de gebeurtenissen na het herseninfarct van haar vader en de gevolgen daarvan. Lukt het hem om zijn leven weer op te pakken? En hoe is dat voor zijn echtgenote? Beckmann, die haar ouders netjes met u aanspreekt, brengt het herstelproces met een combinatie van privéfilmpjes en documentairemateriaal treffend in beeld. Het eindresultaat is wel wat onevenwichtig: een ‘kleine’ egodocu, die tevens wat halfslachtig een ‘grote’ ethische kwestie probeert aan te snijden.
De wereld van onze jeugd is allang verdwenen. Met elk jaar raken we verder verwijderd van wie we ooit waren en wat we ooit deden. Sandi Tan heeft tenminste de film nog. Althans, had de film nog moeten hebben…
De dwarse tiener uit Singapore liep begin jaren negentig met een wild idee rond. Samen met haar hartsvriendinnen Jasmine Ng (montage) en Sophie Siddique (productie) wilde ze een speelfilm maken. Over een meisje zoals zij. Sterker: ze schreef zelf het script en nam natuurlijk ook de hoofdrol op zich. Shirkers zou de eerste Singaporese indiefilm worden. Een Aziatische zusterfilm van Rushmore en Ghost World, Hollywood-klassiekers die pas jaaaren later zouden worden gemaakt. Maar ergens onderweg viel de droom van Sandi Tan in duigen.
Ruim 25 jaar later is de speelfilm die nooit de bioscoop zou halen uitgelopen op een documentaire. Via de wonderlijke, spannende en uiteindelijk ook tragische verwikkelingen rond Shirkers (97 min.) reconstrueert de kunstzinnige veertiger de wereld van haar jeugd. Het meisje waarvan ze nu denkt dat ze toen was, maar ook de schilderachtige omgeving waarin ze zich toen bewoog. Het Singapore dat is ingehaald door economische voorspoed en voorgoed van gedaante is veranderd.
Daarvoor trekt Tan, die later carrière zou maken als filmcriticus, schrijfster en filmer, alle lades van haar jonge jaren helemaal open: schrijfsels, tekeningen, filmpjes, knipsels, brieven, knutselwerkjes… En de bijbehorende mensen, surrealistische taferelen en overgesatureerde kleuren. Relikwieën van een verloren tijd, die hier op een bijzonder joyeuze manier, met een overdaad aan liefde voor cinema met een rafelrandje, tot leven wordt gewekt.
Al die afzonderlijke brokstukken van een onbezonnen leven worden door Sandi Tan zelf aaneen gepraat tot een boeiend coming of age-drama, waarin ze tevens het geheim probeert te ontrafelen van de enigmatische vaderfiguur Georges Cardona, die haar film destijds slinks de nek omdraaide – en Shirkers, op het Sundance-festival bekroond met de World Cinema Documentary Directing Award, nu indirect een tweede leven en een véél groter publiek heeft bezorgd.
‘Ik heb de horende wereld niet nodig’, zegt Tobias de Ronde en voegt er, half grappend, aan toe: ‘Deaf Power!’ Via zijn broer Joachim en vader Alex, die de documentaire Doof Kind (71 min.) over hem maakte, is en blijft Tobias natuurlijk wel degelijk verbonden met de wereld van de horenden. Maar of hij er ook (nog) thuis hoort? Twintiger Tobias voelt zich inmiddels helemaal op zijn plek te midden van louter doven, bijvoorbeeld op de enige dovenuniversiteit van de wereld in Washington. ‘Het is mijn cultuur, mijn identiteit.’
Die zogenaamde dovenidentiteit is een terugkerend aspect in deze persoonlijke film van Alex de Ronde, waarmee hij zowel op het IDFA in Amsterdam als op het Belgische festival Docville de publieksprijs won. In hoeverre wordt die identiteit bedreigd door de komst van implantaten? Kinderen die nu met een gebrekkig gehoor worden geboren, krijgen direct een Cochleair Implantaat (CI). Als gevolg daarvan zou de gebarentaal, waarin Tobias floreert en die hem ook is gaan definiëren, wel eens helemaal verloren kunnen gaan. Dat gaat hem zichtbaar aan het hart.
En dan te bedenken dat het voor diezelfde Tobias en zijn familie ooit een onmogelijke keuze leek: een ‘normale’ middelbare school in Amsterdam of toch die speciale dovenschool in het verre Groningen? Hij koos uiteindelijk voor het hoge Noorden en bewees daar, ook aan zichzelf, dat doofheid niet per definitie een handicap hoeft te zijn. Soms heb je er zelfs uitgesproken voordeel van, vertelt hij op de hem kenmerkende lichtvoetige wijze. Bijvoorbeeld als je geen zin hebt om de tram te betalen. Je reist als dove overigens sowieso met korting.
Die nuchtere toon is kenmerkend voor de geboren verhalenverteller Tobias en deze ontroerende film over zijn leven. Terwijl er in de familie De Ronde toch ook voldoende drama is geweest: beestjes in mama’s borst bijvoorbeeld, ooit nog ongewild onderwerp van gesprek in de talkshow van Catherine Keyl. Vader en debuterend filmmaker Alex, in het dagelijks leven directeur van het Amsterdamse filmtheater Het Ketelhuis, kiest er echter voor om deze familietragedie niet te benadrukken en simpelweg zijn onvermijdelijke plek te geven in het leven van zijn opgroeiende zoon.
In Doof Kind versnijdt hij activiteiten van en interviews (in gebarentaal) met de inmiddels volwassen Tobias, zoals een nieuwe liefde en de daarmee gepaard gaande toekomstplannen, met oude familiefilmpjes, waarmee de weg naar zijn huidige, ogenschijnlijk tamelijk zorgenvrije bestaan in beeld wordt gebracht. Intussen komen actuele dilemma’s voor Tobias aan bod. Of hij bijvoorbeeld zelf een doof of horend kind wil? Het officiële antwoord is dat het niet uitmaakt, stelt hij onomwonden. Maar: ‘een olifant wil toch ook niet liever een tijgerwelpje?’
‘Elke familie heeft een verhaal’, stelt de ondertitel van deze overrompelende egodocumentaire van Sarah Polley uit 2012, die donderdag wordt herhaald op NPO2. Je zou die zin ook kunnen parafraseren: elke familie wórdt een verhaal – en zou dus het decor kunnen vormen voor een zeer persoonlijke film zoals Stories We Tell (108 min.).
Die verhalen kunnen de waarheid natuurlijk ook in de weg zitten. Want corresponderen de verhalen die we over onszelf vertellen werkelijk met het leven zoals we dat leven of hebben geleefd? Of overwoekert onze behoefte om de protagonist te worden in onze eigen vertelling, met een kop en (liefst een bevredigende) staart, de ware gebeurtenissen? En in hoeverre worden we eigenlijk voor de gek gehouden door ons geheugen?
In de aangrijpende speelfilm My Life Without Me vertolkte Sarah Polley ooit de rol van een zieke moeder die in het geheim scenario’s voor haar man en kinderen schrijft, voor een toekomst waarvan ze zelf geen deel meer zal uitmaken. In Stories We Tell gaat ze op zoek naar haar eigen moeder. Diane Polley overleed toen dochter Sarah elf was en liet haar gezin vooral achter met mogelijke scenario’s voor het verleden: wie was bijvoorbeeld Sarahs biologische vader? En (hoe) kun je vooruit als die vraag nog niet is beantwoord?
De regisseuse laat daarbij ostentatief zien hoe ze haar eigen verhaal stuurt. Ze instrueert de man die ze jarenlang als haar vader beschouwde, acteur Michael Polley, bij het inspreken van voice-overs, demonstreert hoe ook interviews uiteindelijk geënsceneerde situaties zijn waarover alleen zij als maakster controle heeft en fabriceert zelfs authentiek ogende familiefilmpjes die ze versnijdt met originele video’s van het gezin Polley. Stories We Tell is haar verhaal, wil ze maar zeggen. Haar waarheid.
En een verhaal vertellen kan ze, deze Canadese filmmaakster. Ze lardeert haar persoonlijke zoektocht met kleine valkuilen, milde humor en verraderlijke cliffhangers en werkt uiteindelijk toe naar een bijzonder bevredigend einde. Stories We Tell is, kortom, het werk van een geboren verhalenverteller, die ook nog eens verdacht dicht bij de – nee, laten we zeggen: een – waarheid lijkt te komen.
Een klein monumentje moest het worden, deze film. Voor een overleden vriend. Vermoord, om precies te zijn. In een park in Pennsylvania. Dokter in opleiding Andrew Bagby. 6 November 2001. Vijf kogels en een klap op het achterhoofd. Verdachte: zijn veel oudere ex-vriendin Shirley. Een ‘psychotic bitch’, volgens diverse betrokkenen.
Andrews vriend Kurt Kuenne was net bezig met filmen en interviewen. Had zijn ouders Kate en David al gesproken. Andrews voormalige verloofde. En een enorme stoet familieleden, vrienden, kennissen en studiegenoten. Toen bleek Shirley (tweemaal gescheiden, drie kinderen) enkele maanden zwanger. Van dezelfde Andrew, die ze met voorbedachte rade zou hebben vermoord.
Toen Kuenne dat hoorde, had hij geen keuze meer: zijn film voor familie en vrienden zou worden opgedragen aan Andrews kind. Zachary Andrew Turner, geboren op 18 juli 2002. Zeven maanden na de dood van zijn vader. Ook rond het kleine jongetje zou zich een groot drama afspelen. De persoonlijke tributevideo veranderde in een intrigerende documentaire: Dear Zachary: A Letter To A Son About His Father (91 min.).
Een film als een trits omvallende dominostenen. Geen idee waar het stopt of heengaat. Ruw gefilmd, snel gemonteerd. En zo gewiekst opgebouwd dat het bijna onkies wordt. Waarbij het persoonlijke perspectief van de maker, de voice-overs aan het adres van Andrews zoon Zachary, zorgt voor een enorme zeggingskracht. En een aangrijpende film die de kring van Andrew Bagby inderdaad volledig ontstijgt en na het ondergaan nog wel even nazindert.
De reportage The Legacy Of Dear Zachary: A Journey To Change Law (15 min.) kan worden beschouwd als een nabrander voor Dear Zachary. Een making of, die ook de nasleep van de film in beeld brengt. Na de documentaire zelf te bekijken dus.
Je kunt allerlei grote woorden verbinden aan deze film en het bijbehorende kunstproject: lofzang op de gewone man, een eerste stap in diens empowerment en het vergroten van sociale cohesie in het algemeen. Je kunt ook gewoon een hopeloos romantische viering van het leven zien in Visages Villages (93 min.), een kostelijke roadmovie van de bijna negentigjarige nouvelle vague-filmster Agnès Varda en de ruim een halve eeuw jongere fotograffiti-kunstenaar JR.
Het idee is even simpel als effectief: Varda en JR reizen samen in een mobiele fotostudio door het platteland van Frankrijk. Ze ontmoeten plaatselijke bewoners, fotograferen hen en maken van die foto’s grote prints die ze op treffende plekken in de directe omgeving plakken. Gewone mensen worden zo letterlijk metershoge helden. De laatste bewoonster van een rij mijnwerkerswoningen, die op de nominatie staan om te worden gesloopt, wordt bijvoorbeeld vereeuwigd op de muur. Net als enkele mannen die er jarenlang naar het diepste der aarde afdaalden.
Het is geen kunst voor de eeuwigheid; regen, wind of gewoon overijverige ambtenaren kunnen wat vandaag nog fier of olijk op een muur prijkt morgen zomaar hebben weggewerkt. Dat is ook niet erg. Het speelse duo is dan alweer op een volgende plek. Bij boeren die de hoorns van geiten wegbranden en anderen die daartegen ageren. Bij een sympathieke postbode die heel aardig blijkt te kunnen schilderen. Of bij dokwerkers in de haven van Le Havre, waar ze nu eens de vrouwen in het zonnetje zetten – of beter: op een enorme stapel containers.
Gaandeweg verdiept ook de band tussen de twee reisgenoten zich en krijgt deze documentaire een wat introspectiever karakter – al blijft er altijd meer dan genoeg lucht om het hart. Hij stelt haar voor aan zijn grootmoeder, zij neemt hem mee naar plekken waar nog onvoltooid verleden ligt. Tijd om daarmee aan de slag te gaan! Want alleen nostalgie is aan de hoogbejaarde filmmaakster nog altijd niet besteed. Ze barst van de levenslust en wil nieuwe beelden creëren zolang haar ogen, die zienderogen slechter worden, het toelaten. En hij is oprecht geïnteresseerd in alles en iedereen.
Samen maken ze van Visages Villages, ook wel bekend onder de Engelse titel Faces Places, een aanstekelijke ode aan het bestaan, waarin het gewone algauw heel bijzonder wordt.
In een ander leven had ze misschien barones in ‘Het Land Van Ooit’ kunnen worden. In dit leven werd Petra Timmermans vrouw nummer vijf van kunstenaar Anton Heyboer (1924-2005). Ze oogt als een volledig losgeslagen freule, die niet had misstaan in het inmiddels opgedoekte attractiepark: overdadig aangebrachte make-up, ravissante kleding in de felste kleuren en een enorme hoeveelheid opzichtige sieraden.
Rogier Timmermans heeft zijn tante vijftien jaar niet gezien als hij haar in 2001 opzoekt. Ze woont in een huisje tegenover de woning waar kluizenaar Heyboer met zijn vier andere vrouwen leeft en houdt zich daar onledig met de verkoop van zijn kunst. Ze weet nog precies wanneer het begon, vertelt ze trots tegen haar neef: 3 juni 1982. De dag waarop Petra haar lotsbestemming vond: ene Anton Heyboer.
Die ontboezeming vormt het startpunt van De Vijfde Bruid (68 min.), een fascinerende film uit 2007 waarin Timmermans, aan de hand van het levensverhaal van z’n tante, de geschiedenis van zijn eigen getroebleerde familie ontrafelt. Zijn oma speelt daarin een sleutelrol. Haar dochter Petra blijkt uiteindelijk niet meer dan ‘een inruilwagen’ voor Heyboer, die haar leven op geheel eigen wijze structuur heeft gegeven. Zíjn structuur.
De almachtige man die met strakke hand de lijnen uitzet (en intussen alom wordt aanbeden door zijn eigen harem). Waar hebben we die vaker gezien? Binnen zijn eigen kleine context beschikt Anton Heyboer, die in deze slim opgebouwde documentaire soms overkomt als een raaskallende ouwe zonderling, blijkbaar over een enorme aantrekkingskracht. Hij maakt het leven, in elk geval dat van Petra, klein en overzichtelijk en geeft het tegelijkertijd op een tamelijk verwrongen manier ook weer zin.
Zolang er nog geen breed gedragen consensus bestaat over de precieze oorzaak blijft er waarschijnlijk altijd een zweem van twijfel hangen rond het Chronische Vermoeidheidssyndroom (ook wel ME of CVS genaamd). Gaat het om louter psychosomatische klachten (en is het dus een hedendaagse variant op wat ze vroeger hysterie noemden)? Of bestaat er wel degelijk een lichamelijke trigger voor al die ontwrichtende pijn en vermoeidheid?
In de indringende documentaire Unrest (97 min.) belicht Jennifer Brea de aandoening vanuit haar eigen persoonlijke perspectief. Hoe ze zelfs tijdens de geringste inspanning, zoals bijvoorbeeld een trap oplopen, vaak even moet uitrusten. Hoe ze door een overdaad aan prikkels volledig overstuur kan raken en dan alleen nog onverstaanbare klanken uitbrengt. En hoe ze uiteindelijk (vrijwel) elke dag volledig uitgeput en afgebrand in bed belandt, te moe en terneergeslagen om te leven.
Vanuit datzelfde bed heeft Brea ook een belangrijk deel van deze egodocu gemaakt; via haar laptop legt ze contact met medepatiënten, doctoren en wetenschappers en bespreekt met hen de oorzaken en gevolgen van het bestaan achter de dichtgetrokken gordijnen. Die persoonlijke betrokkenheid geeft de documentaire een echte meerwaarde: dit is niet zomaar een film over CVS-patiënten, maar een film ván en mét gewone mensen die gebukt gaan onder een ontluisterende aandoening, die behalve allerlei lichamelijke en geestelijke consequenties ook allerlei sociale implicaties meebrengt.
Met de ferme stomp in de maag Unrest, die inmiddels allerlei prijzen won en op de short list staat voor de Oscars, geeft Jennifer Brea het veelal verborgen leed van de CVS-lijder en zijn/haar directe omgeving een gezicht – twee, als je haar partner Omar meetelt, wiens leven ook volledig is ontregeld. Intussen doet Brea een dringend beroep op de (medische) wereld om de ziekte te erkennen en het gevecht ertegen met vereende kracht aan te gaan.
Als dit stuk door Gordon zou zijn geschreven, volgden er nu eerst grappen over nummertje 39, sambal bij en witte lijst voordat de film zelf zou worden besproken (waarna het al snel weer over Gordon zou gaan). Die zal ik eenieder besparen. Deze documentaire is ook geen poging om het leven achter het doorgeefluikje van een Chinees restaurant in beeld te brengen. Die film, die ik zelf overigens nog niet heb gezien, maakte Yan Ting Yuen al in 2001. Ze won er zelfs bijna een Gouden Kalf mee.
In de egodocu De Keuze Van Mijn Vader (54 min.) traceert Yuen het leven van haar ouders vóórdat ze vanuit China via Hongkong naar Nederland, Maastricht om precies te zijn, vertrokken om daar een restaurant te beginnen. Zelf werd ze in 1967 geboren in Hongkong, de voormalige Britse kolonie waar haar vader en moeder tegenwoordig weer wonen. Want Nederland werd nooit hun definitieve thuis.
Hun ‘Hollandse’ dochter vraagt zich intussen af waarom ze überhaupt ooit hiernaartoe zijn gekomen. Was het de dreiging van Mao’s culturele revolutie? Niet echt, als we haar vader Chak Man Yuen mogen geloven. Maar welke zwaarwegende redenen er dan wel ten grondslag lagen aan het besluit dat het lot van het gehele gezin veranderde wordt in deze film, die zich langzaam ontvouwt en waarbij emoties vaak onder de waterlijn blijven, ook niet helemaal duidelijk.
De maakster, die in de ogen van haar Chinese familie wel aanzien maar geen rooie rotcent verdient met haar creatieve werk, krijgt er maar geen vat op. ‘Mijn westerse blik brengt me nergens in hun wereld’, verzucht Yan Ting Yuen op driekwart van de film, als haar ernstig zieke vader haar stilaan definitief begint te ontglippen. Tot het bittere einde blijft hij de gesloten, plichtsgetrouwe man die hij altijd al was.
In die zin blijft hij dus ook voldoen aan het clichébeeld dat de Gordons van deze wereld hebben van Chinezen; ze leveren in stilte hun noeste arbeid, maar laten zich nooit in hun ziel kijken. Yan Tings neef Kueng, die het familierestaurant mocht overnemen en Chakt Man Yuen als zijn eigen vader beschouwt, verwoordt ‘t treffend in een opvallend emotioneel interview: ‘Ik hou heel erg veel van hem, maar dat zou ik hem nooit ronduit zeggen.’ En zo houden ze elkaar in deze film, liefdevol, gevangen.
Er lag een enorme berg beeldmateriaal. Zonder begin of einde. De Palestijnse cameraman Emad Burnat zag door de bomen allang het bos niet meer. Totdat hij toch een logische structuur vond: de vijf camera’s waarmee hij al die beelden had geschoten. Elk exemplaar vertelde zijn eigen verhaal. En met die vijf verhalen had Burnat zijn film.
En 5 Broken Cameras (86 min.) is een ronduit verpletterende film geworden. Een diep menselijke aanklacht tegen Israëls nederzettingenpolitiek, verteld vanuit Palestijns perspectief. Burnat legt vast hoe zijn dorp Bil’in op de westelijke Jordaanoever, van oudsher Palestijns terrein, langzaam maar zeker wordt ingesloten door oprukkende Joodse kolonisten en het Israëlische leger dat hun komst faciliteert.
Het verhaal van Bil’in begint gaandeweg te lijken op een soort navrante variant op dat ene dorpje uit de Asterix en Obelix-strips, dat zich met de moed der wanhoop blijft verzetten tegen de grote overheerser. Een dorpje met zijn eigen heethoofden, diplomaten en martelaren. Binnen die explosieve atmosfeer probeert filmer én vader Emad Burnat, ondersteund door zijn Israëlische co-regisseur Guy Davidi, het hoofd enigszins koel, zijn camera enigszins steady en zijn gezin enigszins veilig te houden.
Behalve de voorspelbare kritiek – mag een Palestijn samenwerken met een Jood bij een film over zo’n precair onderwerp? – bezorgde hem dat ook de publieksprijs op het IDFA van 2012, de allereerste Palestijnse Emmy Award én een Oscar-nominatie. In de aanloop naar die uitreiking, waarbij Searching For Sugar Man er met de prijs vandoor ging, werd Burnat nog een tijd vastgehouden op het vliegveld van Los Angeles. Hij zou niet de juiste papieren bij zich hebben gehad. Zou hij zijn zesde camera toen thuis hebben gelaten?
Drie generaties van haar familie zijn in Nederland beland. Haar zoontje Sergej is er geboren en weet niet beter. Haar ouders Vesna en Vojo, in eigen land chemicus en professor, zijn nu respectievelijk vrijwilliger bij vluchtelingenwerk en lid van de schaakclub. Zelf kan Lidija Zelovic zich maar niet losmaken van haar geboorteland. Ze wil de ultieme film maken over de oorlog die hen van huis en haard verdreef.
Zelovic kwam ruim twintig jaar eerder alleen over vanuit het voormalige Joegoslavië, twee jaar later werd ze in Nederland herenigd met haar ouders. In de egodocu My Own Private War (56 min.) uit 2015 haalt ze samen met hen bitterzoete herinneringen op aan haar onbezorgde jeugd in Sarajevo en onderzoekt wat de burgeroorlog bij de mensen uit haar omgeving heeft aangericht (en wat die mensen intussen zelf hebben aangericht).
In haar voormalige ouderlijke huis vindt Zelovic bijvoorbeeld oude liefdesbrieven van haar ouders, relikwieën van een verloren tijd en leven die droef en weemoedig stemmen. En op een onbewaakt ogenblik loopt ze haar neef Zeljko tegen het lijf, die tijdens de oorlog dienst heeft gedaan als Servische sluipschutter. Niemand zit eigenlijk op zijn verhaal te wachten, zo constateert zijn nicht. Voor de buitenwereld is hij ‘gewoon’ een agressor.
Via haar persoonlijke familiegeschiedenis schetst Zelovic zo de verschillende kanten en gevolgen van een oorlog, die natuurlijk louter verliezers kent. Toch is My Own Private War uiteindelijk geen deprimerende film. Te midden van de persoonlijke drama’s vindt de filmmaakster, die confrontaties niet uit de weg gaat, voldoende aanknopingspunten voor een enigszins hoopvolle slotconclusie: ook als je veel (van jezelf) kwijtraakt, is er reden genoeg om te leven.
Hij had gewoon een schop onder zijn hol nodig. Metin Fennema, de hoofdpersoon van de documentaire Independent Boy (56 min.) die zijn vriend Vincent Boy Kars over hem maakte. Metin, een wat schlemielige jongen met snor, bloempotkapsel en een petje – een typetje bijna – moet nodig het huis uit en zou eindelijk ook eens wat met zijn muziek moeten doen.
Zijn moeder heeft daar weinig vertrouwen in, zo laat ze hem bij aanvang van de film weten. En dus neemt Kars voor een maand de regie over in het leven van zijn vriend. Morgen staat er een busje voor de deur, meldt hij de verbouwereerde Metin en zijn moeder. Hij gaat op zichzelf wonen. Wat de rest van het experiment gaat brengen, weet dan nog niemand.
In hoeverre is het leven maakbaar, vragen Kars en Fennema zich intussen af. En zou je dat eigenlijk moeten willen? Het zijn serieuze vragen die tijdens deze lekker wringende film, waarbij je je voortdurend afvraagt wat er spontaan is vastgelegd en wat er speciaal voor de camera is geënsceneerd, gaandeweg van een plausibel antwoord worden voorzien.
Het experiment is dan allang zijn spannende beginfase voorbij, waardoor ook filmmaker Vincent Boy Kars zelf – hoe kan het ook anders? – met de billen bloot moet.
Voordat ze zich nadrukkelijk in de Zwarte Piet-discussie mengde, hield Sunny Bergman zich in haar films vooral bezig met de rol en positie van vrouwen. Beperkt Houdbaar (2007) is de documentaire waarmee ze zichzelf (internationaal) op de kaart zette en die naderhand nog een soort vervolg kreeg met het scabreuze Sletvrees?.
De manier waarop ze die films maakte én vervolgens ook aan de man/vrouw bracht, met een grote rol voor haar eigen uiterlijk en beleving, raakte een gevoelige snaar. Sindsdien zijn er overtuigde Sunny-lovers en -haters en is de maakster zelf een soort van Bekende Nederlander
In Beperkt Houdbaar (60 min.) is de mix van moed en schaamteloosheid die haar (werk) kenmerkt alom tegenwoordig. Zoals in die spraakmakende scène waarin Sunny met gespreide benen wacht op het oordeel van de Amerikaanse plastische chirurg, die vindt dat er nog heel wat werk aan de winkel is om van haar vagina een Playboy-poes van te maken.
Een even vermakelijk als schrijnend tafereel dat een jaar later overigens nog een vervolg zou krijgen in de documentaire The Perfect Vagina, waarin Lisa Rogers de wereld van het volmaakte vrouwelijke geslachtsdeel verkent.
Terwijl Icarus begint als een dopingvariant op Supersize Me, de film waarvoor Morgan Spurlock een maandlang alleen bij McDonald’s at, begint de veelbesproken Netflix-documentaire gaandeweg steeds meer te lijken op Citizenfour, de Oscar-winnende film over klokkenluider Edward Snowden.
Regisseur Bryan Fogel, tevens een verdienstelijk amateurwielrenner, wil een experiment aangaan. Om zijn prestaties bij de zogenaamde Haute Tour, een soort miniatuurversie van de Ronde van Frankrijk, op te krikken, besluit hij zich te onderwerpen aan een serieus dopingprogramma.
In dat kader komt hij in contact met Grigory Rodchenkov, de directeur van het Russische antidopinglaboratorium en tevens, zo blijkt al snel, de architect van het groots opgezette en uiterst geheime dopingprogramma van zijn land.
Die ontmoeting brengt in Icarus (121 min.) een fascinerende maalstroom van gebeurtenissen op gang, waardoor Rodchenkov zijn eigen positie grondig moet herbezien en besluit om Fogel, letterlijk met gevaar voor eigen leven, door de krochten van Poetins Rusland te leiden.