Matangi / Maya / M.I.A

‘All I wanna do is bang bang bang bang’, rapt M.I.A., terwijl er geweerschoten klinken in haar wereldhit Paper Planes uit 2007. Een kassa rinkelt: ‘And take your money.’ Zo kijken veel westerlingen toch tegen immigranten aan? Nou, dan kunnen ze het krijgen ook, moet de Britse rapper van Sri Lankaanse origine (echte naam: Maya Arulpragasam) hebben gedacht. In 1985 vluchtte ze als tienjarige Aziatische meisje naar een volledig vreemde wereld, Europa. Die verscheurdheid klinkt door in alles wat ze sindsdien heeft gemaakt.

Dat perspectief – van de buitenstaander die bij ‘ons’ en haar eigen moederland naar binnen kijkt – maakt van de biopic Matangi / Maya / M.I.A. (96 min.) méér dan het zoveelste portret van een succesvolle artiest, die nog eens goed in de markt moet worden gezet of wel een extra veer in zijn reet kan gebruiken. M.I.A.’s venijnige songs kunnen niet los worden gezien van hun maatschappelijke context. Dat betekent overigens niet dat filmmaker Steve Loveridge ook kritisch naar de controversiële rapper kijkt. Daarvoor verblijft hij (blijkbaar) al te lang in haar entourage. Hij filmt Maya sinds halverwege de jaren negentig, toen ze allebei op de kunstacademie zaten.

Onplezierige vragen over de aard van M.I.A.’s activisme of haar omstreden vader, een prominent lid van de verzetsbeweging/terreurgroep de Tamil Tijgers, blijven achterwege. ‘Waarom ben je zo’n problematische popster?’, vraagt Loveridge nog wel aan zijn hoofdpersoon. ‘Waarom…’ Ze maakt de zin zelf af: ‘houd je niet gewoon je bek?’. Waarmee de relatie tussen maker en subject aardig is neergezet. Deze film moet het duidelijk niet hebben van kritische distantie, maar van de nabijheid tussen vrager en bevraagde. De documentaire bestaat voor het leeuwendeel uit B-roll video’s die in huiselijke kring, backstage en tijdens reizen naar Sri Lanka zijn gemaakt.

M.I.A.’s leven en dit spannende portret van een strijdbare jonge vrouw komen tot een climax in 2009 als ze, zwanger van haar eerste kind en genomineerd voor zowel een Oscar als een Grammy Award, ziet hoe de oorlog in haar moederland escaleert. Als ‘enige Tamil in de westerse media’ voelt ze zich geroepen om zich uit te spreken over wat zij de genocide op haar volk noemt. Zo komt Maya zelf ernstig onder vuur te liggen, bijvoorbeeld via een venijnig profiel in New York Times Magazine, waarin ze wordt neergezet als een verwend kind, dat flinterdunne politieke statements maakt. Sleutelquote: ‘”I kind of want to be an outsider”, she said, eating a truffle-flavoured French frie.’

M.I.A. (ofwel: Missing In Action) reageert in stijl met een slicke videoclip, waarin ze zogenaamd met een grote zonnebril op aan een zonovergoten buitenzwembad zit. ‘All I wanna do is check my Monet’, concludeert ze, om met de nodige zelfspot te verduidelijken: ‘M.I.A. investing in third world democracy. These shades were made in Sri Lanka. Don’t you dare write anything else funny about me.’ Waarna de geboren provocateur ostentatief een vliegtuigje vouwt van een dollarbiljet en het door de lucht laat dwarrelen…

American Dharma

Enigszins oneerbiedig zou je American Dharma (98 min.) een Doomsday-variant op Zomergasten kunnen noemen. Steve Bannon is de gast en heeft de fragmenten uitgezocht. Interviewer Errol Morris probeert het achterliggende verhaal te vinden. En wij, de argeloze kijkers, vergapen ons aan het zinderende steekspel dat zich intussen ontvouwt tussen de mastodonten. Met die vergelijking wordt dit tweegesprek, dat op glorieuze wijze is aangekleed, echter schromelijk tekort gedaan.

Nadat hij eerder de architecten van de Vietnam-oorlog (Robert McNamara in The Fog Of War) en de Irak-oorlog (Donald Rumsfeld in The Unknown Known) portretteerde, neemt Morris nu de ontwerper van de oorlog om de ziel van het hedendaagse Amerika onder vuur. De man die als geen ander het Trumpisme en de (fatale) filosofieën daarachter kan verwoorden. Bannon put daarvoor ongegeneerd uit klassieke Amerikaanse heldenverhalen en plaatst zichzelf en passant ook in die traditie.

American Dharma is gelardeerd met fragmenten uit zijn favoriete speelfilms, zoals Twelve O’Clock High, The Searchers en Bridge On The River Kwai. Over rechtschapen mannen, die vanuit puur plichtsgevoel en zonder al te veel woorden recht proberen te doen. Dharma, volgens Bannon. De oud-hoofdredacteur van Breitbart, het Amerikaanse voorbeeld van GeenStijl, en voormalige topadviseur/ideoloog van Donald Trump spiegelt zich aan ‘all American heroes’ als John Wayne en Gregory Peck. Al lijkt zijn eigen ambitie, de totale destructie van het huidige maatschappijmodel, haaks te staan op de nobele doeleinden van deze iconen.

Morris geeft Bannon de ruimte om zijn ideeën uit de doeken doen – een platform, volgens critici – en zet hem slechts een enkele keer de duimschroeven aan. Als de filmmaker bekent dat hijzelf op Hillary Clinton heeft gestemd bijvoorbeeld, om te voorkomen dat gekken zoals Bannon aan de macht komen. Of als hij Trump provocerend de ‘fuck you’-president noemt. In de trant van: jij wilde gezondheidszorg? Fuck you. Je wilde schoon drinkwater? Fuck you. Bannon lacht de beschuldigingen minzaam weg – en lijkt ook daarmee weg te komen. Je zou bijna gaan denken dat er inderdaad, zoals Morris stelt in de film, een ‘good Bannon’ achter de inmiddels welbekende ‘bad Bannon’ zit.

Zoals inmiddels gebruikelijk heeft Errol Morris het gesprek lekker tegendraads gekadreerd en gemonteerd, waardoor het nooit voelt als een normaal huis-, tuin- en keukeninterview. Ook de dramatische setting ervan, een duistere vliegtuigloods die rechtstreeks uit Bannons favoriete oorlogsfilm Twelve O’Clock High afkomstig lijkt te zijn, en de lekker bombastische muziek dragen bij aan de unheimische sfeer van deze urgente film. Die culmineert uiteindelijk in een apocalyptische eindscène, waarmee de politiek van de verschroeide aarde die Bannon propageert overweldigend wordt verbeeld.

In de observerende documentaire The Brink volgt Alison Klayman Steve Bannon naar achterafkamertjes in de Verenigde Staten, waar de populistische revolte (verder) gestalte moet krijgen. Ze reist ook mee naar Europa, waar Bannon vergaande samenwerking tussen nationalistische partijen uit verschillende landen hoopt te bewerkstelligen.

The King Of Kong


Ken je Donkey Kong nog, de digitale aap die jou, een onooglijk mannetje, over vaten en vuurbollen laat springen zodat ‘t je niet lukt om het meisje te bevrijden dat hij gevangen houdt? The King Of Kong: A Fistful Of Quarters (82 min.), een documentaire over de klassieke computergame, start met een citaat van William Burroughs: ‘This is a war universe. War all the time. There may be other universes, but ours seems to be based on war and games.’ Vergezocht, niet?

Totdat je deze kostelijke klassieker van Seth Gordon uit 2007 ziet, waarin het werkelijk hard tegen hard gaat. De onbetwiste koning van het genre, gamer van de eeuw Billy Mitchell, krijgt te maken met een serieuze uitdager, een man die eigenlijk nooit ergens in uitblonk. Nadat deze Steve Wiebe werd ontslagen, vulde hij zijn dagen echter obsessief met Donkey Kong spelen en werd er, zeker naar de zin van de onbetwiste kampioen, nét iets te goed in. Als Wiebe besluit om Billy Mitchells wereldrecord aan te vallen, gaan de handschoenen uit.

Via de enerverende tweekamp tussen de good guy Steve Wiebe, met wie je je gemakkelijk kunt identificeren, en de flamboyante bad guy Billy Mitchell, die steeds weer blijft verbazen met bizarre acties, brengt Gordon een curieuze subcultuur in beeld, waarbinnen een kleine groep nerds elkaar tot grote hoogten opzweept; het verbeteren van een wereldrecord betekent al gauw zo’n 2,5 uur aan een stuk achter een ouderwetse speelkast zitten, met de hand vastgelijmd aan de joystick.

The King Of Kong, afgetopt met lekker cheesy jaren tachtig-hits zoals Eye Of The Tiger, is opgebouwd als een klassieke sportfilm, waarbij enkele matadoren het tegen elkaar opnemen en ‘t tot het eind spannend blijft wie er uiteindelijk met de hoofdprijs vandoor gaat. In de tussentijd worden de mores van de scene en de bijbehorende kinnesinne blootgelegd en valt er natuurlijk ook nog wat te lachen. Kortom: heerlijke film!

Het larger than life’-personage Billy Mitchell speelt ook een bijrol in Man Vs. Snake: The Long And Twisted Tale Of Nibbler, een documentaire die uit dezelfde mal komt als The King Of Kong. Ditmaal gaat het om het spel Nibbler, speelt de morsige Tim McVey (nee, niet die van Oklahoma City) de rol van uitdager en is er natuurlijk ook een veel te arrogante kampioen, Dwayne Richard.

En ook in Chasing Ghosts: Beyond The Arcade komen we Billy Mitchell tegen. Net als Walter Day, de man achter het toonaangevende videogamebedrijf Twin Galaxies die in de drie documentaires een belangrijke bijrol vertolkt. Tezamen vormen deze films een soort aparte gamedocu-franchise.

Anvil: The Story Of Anvil


De vergelijking met de hilarische mockumentary This Is Spinal Tap, over een omhoog gevallen hardrockband met exploderende drummers, is tot in den treure gemaakt. De metalband Anvil zou een soort ‘real life’-variant zijn op het legendarische Spinal Tap. Ik zou het willen omdraaien: Spinal Tap is een gescript bandje dat nooit zo innemend, ontroerend en grappig wordt als het volledig spontaan opererende Anvil.

De openingsscène van de kostelijke documentaire Anvil! The Story Of Anvil (80 min.) van filmmaker/fan Sacha Gervasi zet direct de toon. We gaan terug naar 1984, naar het Super Rock Festival in Japan. Alle bands die tijdens dat festival op het podium stonden (The Scorpions, Whitesnake en Bon Jovi) werden wereldberoemd. Behalve eentje… Juist.

Steve ‘Lips’ Kudlow en zijn boezemvriend Robb Reiner, de kern van de invloedrijke metalband, proberen 25 jaar later het hoofd boven water te houden als respectievelijk maaltijdbezorger en sloopwerker. En intussen is er nog altijd dat bandje en de droom die van geen wijken wil weten.

Terwijl Lips en Robb tegen beter weten in nog altijd hun band in de vaart der volkeren proberen op te stuwen, en intussen het ene na het andere obstakel moeten nemen, ga je ook als non-metalhead vol-le-dig overstag voor Anvil en deze dolkomische, meeslepende én tranentrekkende documentaire, die wereldwijd diverse prijzen in de wacht sleepte.

Bannon’s War

PBS

Achter elke Republikeinse president gaat een onvervalste Raspoetin schuil, die welhaast demonische krachten moet worden toegedicht.  Zo liet Lee Atwater George H. Bush ooit het gemeenste campagnespotjes aller tijden uitzenden, fluisterde Karl Rove (ook wel Bush’s Brain bijgenaamd) diens zoon George W. allerlei wilde oorlogsplannen in en zorgt alt-righter Stephen K. Bannon er tegenwoordig voor dat Donald Trump xenofobe muren optrekt voor moslims en Mexicanen.

Dat is althans de beeldvorming. Zo’n kwade genius achter de schermen spreekt natuurlijk tot de verbeelding. Óók van documentairemakers. En dus krijgen al die politieke poppenspelers hun eigen film. Zo waagt de gerenommeerde Amerikaanse documentairerubriek Frontline, van de publieke omroep PBS, nu een serieuze poging om Trumps meesteradviseur Steve Bannon te duiden.

Frontlines toon blijft daarbij zoals gewoonlijk zakelijk en neutraal. Dit portret van één van Amerika’s meest omstreden politieke figuren, met bijnamen als President Bannon en The Great Manipulator, moet ’t dus niet hebben van gepeperde meningen, smeuïge details en wilde theorieën. Of van de hoofdrolspeler zelf, want die spreekt zich zelden in het openbaar uit.

Met archiefbeelden en een keur aan pratende hoofden, zowel tegenstanders als medestanders, schetst Bannon’s War (54 min.) een afgewogen beeld van de voormalige hoofdredacteur van de Amerikaanse Geenstijl (Breitbart), die wordt gezien als Trumps connectie met extreem-rechts en architect van diens (vooralsnog mislukte) moslimban. Daarmee worden tevens de politieke filosofie, methoden en idealen die schuilgaan achter de regering Trump in kaart gebracht.

Hoop Dreams


Documentairemaker Steve James was al eens eregast op het International Documentary Festival Amsterdam. Zijn oeuvre is zeer divers; van het meeslepende portret van de ontspoorde redneck Stevie, die James ooit als idealistische jongeman op het rechte pad probeerde te houden, tot Life Itself, een film over de stervende filmcriticus Roger Ebert.


James’ debuut Hoop Dreams (1994) is misschien wel zijn allermooiste documentaire. In deze bijna drie uur klokkende film, die diverse prijzen won, volgt hij gedurende vier jaar Arthur Agee en William Gates, twee basketbaltalenten uit Chicago die dromen van een carrière in de NBA.


Hoop Dreams is een onvervalst coming of age-drama, waarin de hoofdpersonen ongegeneerd durven te dromen over het achterlaten van de achterbuurt waarin ze opgroeiden en die aspiraties vervolgens, in weerwil van blessures en andere tegenslag, proberen te verwezenlijken.