Matter Of Time

Netflix

Zijn machtige stem is niet meer dan een voertuig. ‘Good evening, Seattle’, opent Eddie Vedder z’n solo-optreden in de thuisbasis van zijn band Pearl Jam. Die stem, begeleid door alleen een akoestische gitaar, leidt zijn publiek in de Benaroya Hall door ‘s mans eerste nummer, de Pearl Jam-klassieker Elderly Woman Behind The Counter In A Small Town. ‘I just want to scream hello’, galmt ie, bijgestaan door enthousiaste fans. Als Vedder is aanbeland bij het bespiegelende ‘Hearts and thoughts, they fade away…’, zingt de hele zaal mee.

Die machtige stem is echter niet meer dan een voertuig, een manier om ‘de ergste ziekte waar je nog nooit van hebt gehoord’, aldus Eddies vrouw Jill, onder de aandacht te brengen tijdens een benefietconcert. Want in de zaal zitten ook ‘vlinderkinderen’ met hun families, overgekomen uit alle hoeken van Noord-Amerika, en wetenschappers die onderzoek doen naar epidermolysis bullosa (EB), de zeldzame genetische huidaandoening waar zij aan lijden. Volgens Vedder zijn er genoeg ontwikkelingen om vertrouwen en hoop uit te putten. ‘Het moeilijkste is alleen geduld opbrengen.’

Via Pearl Jam-evergreens zoals Lukin, Wishlist, Just Breathe, Porch en – opgedragen aan een overleden jongen met EB – Better Man loodst die stem de kijker van Matt Finlins documentaire Matter Of Time (106 min.) langs de aangrijpende verhalen van enkele kinderen met de vlinderziekte. Hun aandoening zorgt in het gunstigste geval voor jeuk, irritatie en pijn, maar kan ook resulteren in chronische wonden, huidkanker en een voortijdige dood. Eddie en Jill Vedder maken zich al jaren sterk voor onderzoek naar EB. Volgens optimistische prognoses behoort genezing binnen tien jaar tot de mogelijkheden, maar daarvoor moet er nog heel wat water door de Rijn.

Nieuwe behandelingen worden uitgeprobeerd op ‘oudere’ patiënten zoals de 27-jarige Garrett, die duidelijk al veel heeft geleden. ‘Ik doe het voor de jongere generatie in de hoop dat hun wonden kunnen genezen’, legt hij uit. ‘Misschien krijgen zij er dan nog tien, twintig of dertig jaar bij. Hopelijk hoeven ze niet alles te doorstaan wat ik heb doorstaan.’ Één van die kinderen is de zesjarige Eli. Hij is geadopteerd uit China en wordt regelmatig aangestaard op straat. Samen met z’n grote zus Lily bedacht hij een T-shirt om de ban te breken: come say hi!. Het schattige joch zit ook in de zaal als Eddie Vedder een liedje aan hem opdraagt, dat massaal wordt meegezongen. ‘I come and say hi when I see Eli.’

Vedder heeft duidelijk hart voor de zaak, gunt diverse vlinderkinderen hun momentje in de spotlights en slikt zo nu en dan zelf een brok in de keel weg. Met zijn stem vraagt hij intussen geld en aandacht voor een akelige ziekte en steekt hij de kinderen en hun ouders een hart onder de riem. En zijn laatste nummer van de avond voorspelt dat ie voorlopig ook niet van zins is om daarmee te stoppen: I won’t back down.

We Want The Funk!: A History Of Funk Music And Black Liberation In The Seventies

PBS

‘Say it loud’, croonde James Brown. ‘I’m black and I’m proud.’ Het werd eind jaren zestig het lijflied van een nieuwe beweging. En hij, de vuige, bezwete en sexy zanger, werd de vaandeldrager van een nieuwe muziekstroming: funk. Die maakte korte metten met Motown, het platenlabel waarmee Berry Gordy zwarte muziek acceptabel had gemaakt voor een wit publiek. Zijn artiesten mochten niet al te wulps dansen en al helemaal geen politieke statements maken. In een tijd dat Half Amerika in brand stond door de strijd voor burgerrechten van Afro-Amerikanen.

Funk wilde allesbehalve braaf zijn. En de groove werd allesbepalend. Alles op de één. Zodat je wilt – nee, niet anders kúnt dan: – dansen. Browns muziek was een kwestie van ‘simplexity’, stelt één van de sprekers in We Want The Funk!: A History Of Funk Music And Black Liberation In The Seventies (82 min.). Het lijkt zo simpel, maar probeer alles maar eens helemaal kloppend te krijgen. Na Brown volgden Sly & The Family Stone, met de moddervet slappende bassist Larry Graham, en Parliament/Funkadelic. En toen was de funk wel helemaal volgroeid.

Regisseur Stanley Nelson heeft deze gedegen docu helemaal volgepropt met dampende muziekfragmenten. Hij plaatst het genre met George Clinton en Jeanette Washington-Perkins (Parliament/Funkadelic), Robert ‘Kool’ Bell (Kool & The Gang), Leo Noncentelli (The Meters), Nona Hendryx (Labelle), Questlove (The Roots), David Byrne (Talking Heads), Fred Wesley (The J.B.’s) en diverse kenners en historici nadrukkelijk binnen de zwarte historie, religie en cultuur en laat enkele muzikanten bovendien demonstreren hoe je iets gigantisch kunt laten funken.

Via het multitalent Prince, de afrobeat-pionier Fela Kuti én spierwitte acts zoals Elton John, David Bowie en Talking Heads werkt Nelson (Miles Davis: Birth Of The Cool, Attica en Crack: Cocaine, Corruption & Conspiracy) vervolgens toe naar hiphop, een muziekgenre dat bijna bestaat bij de gratie van vette funksamples. Het uitgangspunt is in wezen precies hetzelfde. ‘Free your mind’, verwoordt Dr. Todd Boyd, kenner van (Afro-)Amerikaanse cultuur, dit geheel in stijl. ‘And your ass will follow.’

Sean Connery vs James Bond

Arte

Heeft Sean Connery James Bond gemaakt? wil interviewer F. Lee Bailey weten tijdens een bezoek aan de Schotse acteur in 1967. Of heeft James Bond Sean Connery gemaakt? In zijn antwoord neemt de man zelf het woord Frankenstein in mond. Bond, James Bond, was voor hem een monster van Frankenstein geworden, waarvan hij een groot deel van zijn carrière afstand probeerde te nemen. De immense aandacht voor de Britse superspion werkte verstikkend, stelt hij tegen Bailey. ‘Maar het heeft me er nooit van weerhouden om een nieuwe film te maken.’

In de documentaire Sean Connery vs James Bond (53 min.) buigen vrienden, collega’s en deskundigen, zoals collega-acteur Andy Garcia, regisseur John Boorman, biograaf Christopher Bray, auteur Lisa Funnell en producer Murray Grigor zich over Connery’s leven en loopbaan, die worden geïllustreerd met talloze filmfragmenten, (privé)foto’s en tv-interviews. James Bond wordt daarin gaandeweg een vloek waaraan hij echt niet kan ontsnappen. ‘Overal waar hij kwam werd hij aangesproken en meneer Bond genoemd’, vertelt historicus/biograaf Michael Feeney Callan. ‘Hij haatte dat.’

Toen hij de iconische geheimagent eindelijk van zich had afgeschud en allerlei andersoortige rollen had gespeeld (die toch aanmerkelijk minder gage bleken binnen te brengen), besloot Connery in 1983 in arren moede maar om zijn eigen Bondfilm te maken. ‘Het werkte op geen enkele manier’, zegt Feeney Callan daarover. ‘Het was visueel een rotzooitje, Sean zelf is waardeloos en die Fred Astaire-pruik lijkt net een koeienvlaai. Geen idee hoe hij daarmee dacht weg te komen.’ Never Say Never Again legde ’t ook qua inkomsten flink af tegen de officiële Bondfilm Octopussy met Connery’s opvolger Roger Moore.

Zijn faliekant mislukte terugkeer naar Bond werkt vreemd genoeg bevrijdend, laat deze interessante tv-biografie van Gregory Monro zien. ‘s Mans rollen worden beter en succesvoller. En met films als The Name Of The Rose, Indiana Jones And The Last Crusade en The Untouchables komt eindelijk ook de waardering voor hem als acteur. Sean Connery, een man die ook in verband is gebracht met seksisme en huiselijk geweld, krijgt zo het imago van een ‘wise old man’ aangemeten en kan daarmee de rest van zijn leven en carrière vooruit.