
Wie is de eigenaar van deze foto’s? vraagt Renzo Martens aan een fotograaf van Agence France Presse, die in Congo de gevolgen van oorlog, armoede en ondervoeding vastlegt en daarvoor vijftig dollar per foto krijgt. Ik, antwoordt die. En de mensen op die foto’s? vraagt Martens door. Zijn zij ook eigenaar van deze foto’s? Nee, reageert de fotograaf licht verbouwereerd. ‘Want ik heb de foto’s gemaakt, ik ben de auteur van de foto’s.’ Dat brengt de Nederlandse kunstenaar/filmmaker bij het punt dat hij wil maken: ‘Maar zij hebben alles georganiseerd wat op de foto is te zien. Jij hebt alleen de foto gemaakt.’
En daarmee heeft Martens, halverwege Episode III: Enjoy Poverty (87 min.), het centrale idee van zijn provocerende betoog te pakken: van wie is armoede en andere tegenspoed nu eigenlijk? En kunnen de mensen op zulke films of foto’s niet veel beter zelf hun eigen ellende gaan exploiteren? Voor de helderheid zet hij in een presentatie de kosten en opbrengsten op een rijtje voor enkele plaatselijke feesten & partijen-fotografen. En daarna kunnen zij direct aan de slag in hun eigen gemeenschap. Voor een foto die de westerse initiator ‘Oorlogsweduwe met kind’ noemt, bijvoorbeeld.
Bij een zwaar ondervoed kind spoort Renzo Martens de fotografen verder aan om vooral de ribben in beeld te brengen. Zodat de ernst van de situatie goed doordringt bij het publiek, dat er de poeplap voor moet trekken. Ellendeporno, gegarandeerd ‘home made’. Deze controversiële ideeën zijn het resultaat van twee jaar waarin Martens, die oogt als een klassieke witte koloniaal, door de armste en door oorlog verscheurde gebieden van Congo reist. Hij legt, vloggend avant la lettre, de tragiek van dat land en z’n inwoners vast en treft hulpverleners en journalisten die daaraan hun bestaansrecht ontlenen.
Achter alle goede bedoelingen komt een wrang verdienmodel tevoorschijn. Is het niet vreemd dat deze buitenstaanders een boterham mogen verdienen aan het leed van gewone Congolezen? In de kantlijn stelt Martens nog veel meer ongemakkelijke vragen: wat bezielt een legereenheid van de Verenigde Naties bijvoorbeeld om strijdende milities uit elkaar te houden, zodat een buitenlands bedrijf naar goud kan zoeken? Waarom prijkt op tal van hulpgoederen het VN-logo? En wat te denken van de constatering dat het leeuwendeel van de ontwikkelingshulp uiteindelijk weer terugvloeit naar de gulle gever?
Martens cynische conclusie is zo bezien onvermijdelijk: ontwikkelingsgeld is één van Congo’s voornaamste inkomstenbronnen, waar de armen en getroffenen zelf nog véél te weinig van profiteren. Met zijn ‘emancipatoire’ voorstellen, die menigeen natuurlijk tegen de borst stuiten, lijkt hij hen de mogelijkheid te bieden om hun leven in eigen hand te nemen. En voor de zekerheid heeft hij er in deze goed nare film uit 2008, die twaalf jaar later een iets aaibaarder vervolg kreeg met White Cube (2020), nog een zogenaamd opgewekte boodschap bij, vervat in heuse neonletters: Enjoy Poverty.