The Hillside Strangler

MGM+

Te midden van vakbroeders zoals The Night Stalker, Son Of Sam en The Zodiac Killer zouden we hem bijna over het hoofd zien: The Hillside Strangler (213 min.). De man die tussen oktober 1977 en februari 1978 maar liefst tien jonge vrouwen heeft vermoord in de omgeving van Los Angeles. De vraag is wel of hij in zijn eentje opereerde of toch een handlanger had.

Wanneer er begin 1979, als het moorden in Californië al een jaar is gestopt, een kleine tweeduizend kilometer verderop twee studenten blijken te zijn vermoord in Bellingham, Washington, wordt er een verdachte ingerekend, die ook wel eens de wurger van Los Angeles zou kunnen zijn: de 27-jarige beveiliger Kenneth Bianchi. Een kleine halve eeuw later ontkent hij, vanuit de Washington State Penitentiary, echter nog altijd ten stelligste dat hij The Hillside Strangler is. Bianchi beweert dat hij al die jaren onschuldig vastzit.

Regisseur Peter Logreco gebruikt de eerste aflevering van deze vierdelige true crime-serie om de wereld te schetsten waarbinnen de killer actief is geweest. Los Angeles is in die tijd volgens schrijfster/historica Joan Renner erg ‘seriemoordenaarvriendelijk’. Er zijn werkelijk overal afritten naar de snelweg. Binnen twintig minuten kun je in een totaal ander juridisch district belanden. En je krijgt te maken met een totaal versnipperd politiekorps, waarbij de linkerhand geen idee heeft van wat de rechterhand doet.

Nadat hij het jachtterrein van de moordenaar, met een overtuigende seventies-touch, heeft geschetst, zoomt Logreco in op de enigmatische man die verantwoordelijk wordt gehouden voor dei serie moorden. Bianchi’s eigen verdediging heeft hem onder hypnose laten brengen – en zorgt ervoor dat die sessies ook worden gefilmd – om aan te tonen dat hij een psychische aandoening heeft die dan behoorlijk in zwang is: een meervoudige persoonlijkheidsstoornis (ook wel DIS, Dissociatieve Identiteitsstoornis, genoemd).

Deze sessies, onderdeel van een poging om de doodstraf te ontlopen, vormen het hart van deze soms wat warrige vertelling, waarin ook de rechtsgang tegen Bianchi’s vermeende medeplichtige, zijn neef Angelo Buono, uitgebreid wordt belicht en verder de Australische journalist David Monaghan wordt opgevoerd, die overtuigd is geraakt van Bianchi’s onschuld. Zijn kritiek op het politieonderzoek blijft echter vaag en wordt ook direct weggewuifd door de betrokken rechercheurs. Hij heeft z’n feiten niet op orde.

Monaghans bijdrage, die ook betrokken lijkt te zijn geweest bij het productieproces van deze miniserie, werkt uiteindelijk vooral als steunbewijs voor de doortraptheid van The Hillside Strangler en het gemak waarmee hij anderen voor zich inneemt en daarna voor zijn karretje spant. Daarmee wordt de verhaallijn van deze miniserie alleen wel behoorlijk vertroebeld en dreigt deze exegese van een serie duistere moorden te verzanden in een slinks welles-nietes spelletje.

Het Bloed Van Mijn Vader

BNNVARA / Tangerine Tree

Een belangrijk deel van wat Kimberley van haar biologische vader weet, weet ze uit het televisieprogramma Opsporing Verzocht. Op zaterdagochtend 25 januari 2014 is Kenneth Renaldo Richards dood aangetroffen in zijn Amsterdamse woning. De Surinaamse café-eigenaar, bijgenaamd ‘Flaco’, is om het leven gebracht. ‘Kenneth deed niet zomaar voor iedereen open’, stelt presentatrice Anniko van Santen. ‘Nee, hij was daar zelfs heel kritisch in’, beaamt politiewoordvoerder Ellie Lust. ‘Dat hij zo voorzichtig was, kan te maken hebben met het feit dat hij in 1996 ontvoerd is geweest vanwege een drugsgerelateerd conflict.’

Kenneths dochter Kimberley is zeventien als hij wordt vermoord. Ze kennen elkaar slechts beperkt. Ruim tien jaar later zoekt zij nog altijd naar antwoorden: wat is er destijds gebeurd en wie was haar vader eigenlijk? Ze reist naar Suriname en begint eens rond te bellen in de familie- en vriendenkring. ‘Wanneer iemand is overleden, kan jij die persoon niet meer zien’, houdt één van haar gesprekspartners Kimberley voor. ‘Maar vanuit de hemel ziet ie alles. Hij ziet ‘t.’ Ze herhaalt: ‘Hij ziet ‘t.’ Veel wijzer wordt z’n dochter verder niet. Mensen die haar vader hebben gekend laten het achterste van hun tong niet zien of willen hem niet in een kwaad daglicht stellen.

Een Surinaamse paragnoste kenschetst Kenneth dan weer als een levensgenieter. ‘Hij heeft bijna alles gedaan wat God verboden heeft’, zegt ze tegen Kimberley. ‘Ik hoop dat je dat weet.’ Daarmee moet de jonge vrouw ’t zo’n beetje doen. Kenneth Richards wil maar niet meer worden dan een schim uit het verleden. Terwijl zij in Het Bloed Van Mijn Vader (52 min.) de man die haar op de wereld heeft gezet probeert te vatten en ook stappen zet om officieel zijn dochter te worden, komt ook haar eigen achtergrond steeds duidelijker in beeld. Op het moment dat haar vader stierf, was Kimberley bijvoorbeeld zelf uit huis geplaatst. Ze werd beschouwd als een probleemjongere.

Hoewel ze in de praktijk niet veel verder komt, boekt Kimberley in haar hoofd wel degelijk vooruitgang. Regisseur Jorn Koning omlijst dit persoonlijke proces met sfeervolle sequenties die haar gemoedstoestand weerspiegelen en mythische dronebeelden van de Surinaamse jungle, waarin allerlei familiegeheimen verborgen lijken te zijn én blijven. Het is uiteindelijk aan Kimberley Richards zelf – de jonge vrouw die voorheen bekend stond als Kimberley van Friderici – om de man die achter haar herinneringen vandaan komt te omarmen. Ondanks – of juist door – dat haar vader was wie hij was.

Captive Audience: A Real American Horror Story

Disney+

Over zijn jaren als Dennis Gregory Parnell laat hij zo min mogelijk los. Zeven jaar lang gaat Steven Stayner in Comptche, Californië door voor de zoon van Kenneth Parnell. Zijn vriendinnen, klasgenoten, leraren en eerste vriendinnetje, die in de driedelige docuserie Captive Audience: A Real American Horror Story (138 min.) stuk voor stuk aan het woord komen, weten niet dat hij in 1972 als zevenjarig jongetje door diezelfde Parnell is ontvoerd. Als Stayner op veertienjarige leeftijd eindelijk aan zijn kidnapper ontsnapt, en dan meteen ook een vijfjarig jongetje bevrijdt, wordt hij onthaald als een held en lijkt het leven hem toe te lachen.

Stevens jarenlange ontvoering vormt de basis voor de tweedelige tv-film I Know My First Name Is Steven. Die wordt eind mei 1989 op de Amerikaanse televisie uitgezonden en trekt bijna veertig miljoen toeschouwers. Steven zelf heeft een klein bijrolletje als politieagent in de film, die ook nog wordt genomineerd voor vier Emmy Awards. Zijn verhaal is wel een beetje bijgewerkt, zodat het geschikt is voor een groot publiek. Tijdens zijn research voor de productie heeft scenarioschrijver JP Miller met Steven en enkele familieleden gesproken. De weerslag daarvan, tientallen uren audio-opnames, vormt nu de onderlegger voor deze driedelige docuserie van Jessica Dimmock, waarin ook beraadslagingen tussen de verschillende leden van het productieteam zijn opgenomen.

Dimmock maakt bovendien veelvuldig gebruik van fragmenten uit de tv-film en vraagt de acteurs Corin Nemec en Todd Eric Andrews, die daarin respectievelijk Steven en zijn oudere broer Cary Stayner vertolken, om bepaalde gespreksfragmenten opnieuw in te spreken. Op die manier ontstaat een gelaagde vertelling, waarin de spanning zichtbaar wordt tussen het ‘ware verhaal’ en de film die daarop is gebaseerd. Daarmee wordt deze miniserie, die nóg een onrustbarende verhaallijn opdiept uit de diepste krochten van de Stayner-familie, meteen ook een soort commentaar op het true crime-genre in het algemeen: wat gebeurt er als Hollywood zich ontfermt over dramatische gebeurtenissen? En welke gevolgen heeft die interpretatie dan weer voor het échte echte leven?

Steven Stayners vrouw Jody, dochter Ashley, zoon Steven Jr., moeder Kay en zus Cory kunnen in elk geval vanuit de eerste hand vertellen hoe hun bestaan volledig is ontwricht door enkele familietrauma’s en de manier waarop Amerikaanse media daarmee aan de haal zijn gegaan. Die kwestie wordt in het intrigerende Captive Audience overtuigend uitgediept – al blijven er, zoals bijna onvermijdelijk in dit soort true crime-series, ook nog wel wat losse eindjes rondslingeren.

Easy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood

BBC

Vraag een willekeurige kenner van de Amerikaanse cinema om z’n favoriete periode te noemen en dikke kans dat ie met de seventies op de proppen komt, de jaren waarin regisseurs de macht grepen in Hollywood. Peter Biskind schreef daarover in 1998 een machtig interessant boekEasy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood (113 min.). Vijf jaar later volgde de bijbehorende documentaire van Kenneth Bowser.

Met de generatie die destijds de ommekeer bewerkstelligde in de filmwereld schetst Bowser hoe grote studio’s zoals Warner Brothers, Paramount en 20th Century Fox halverwege de jaren zestig de concurrentiestrijd met televisie leken te hebben verloren en op omvallen stonden. Uit pure noodzaak ontstond er vervolgens ruimte voor eigenzinnige filmmakers die, gevoed door Europese cinema en opgegroeid binnen het B-film circuit, de vastgelopen industrie daarna een gigantische opdonder verkochten.

Kaskrakers zoals Bonnie And Clyde, Easy Rider, Midnight Cowboy, The Wild Bunch, The Last Picture Show, The Godfather, American Graffiti, Mean Streets, The Exorcist, Chinatown, Taxi Driver en Raging Bull weerspiegelden perfect de tijdgeest en toonden aan dat eigenzinnige films, waarbij de regisseur ‘final cut’ had bedongen, wel degelijk een groot publiek konden bereiken. Met het succes kwamen echter ook de enorme ego’s, neuroses en verslavingen.

Verteller William H. Macy loopt dit interessante stuk filmgeschiedenis netjes door met anti-establishment filmmakers zoals Peter Bogdanovich, Dennis Hopper, Arthur Penn, Paul Schrader en John Milius (waarbij opvalt dat Francis Ford Coppola, Martin Scorsese, William Friedkin en Robert Altman ontbreken; zij zijn wél van de partij in een documentaire uit hetzelfde jaar over precies hetzelfde thema, A Decade Under The Influence). Verder laat hij de acteurs Cybill Shepherd, Peter Fonda, Ellen Burstyn, Richard Dreyfuss en Karen Black aan het woord over hun ervaringen en lardeert hun herinneringen met een stortvloed aan filmfragmenten.

Zo ontstaat een levendig beeld van de jaren waarin de filmgekken voor heel even het gesticht konden overnemen. Totdat Steven Spielberg en George Lucas – zo wil althans de Hollywood-versie van de gebeurtenissen – met respectievelijk Jaws en Star Wars korte metten maakten met de hoogtijdagen van de Amerikaanse auteurscinema en de tijd inluidden van de blockbuster, een nieuwe variant op de aloude B-film die met een gigantisch budget mocht worden gemaakt én gepromoot.

Bedlam

PBS

‘Budi-budi-boop!’, ratelt Johanna. ‘Ik hou van iedereen’, voegt ze eraan toe. ‘Budi-budi-boop! Mijn waarheid zal me vrijmaken.’ Een arts van de psychiatrische Eerste Hulp in Los Angeles probeert haar ondertussen vragen te stellen, maar de 23-jarige vrouw raast in een manisch tempo door. ‘Budi-budi-boop! Ik zag hoe Michael Jackson stierf. Budi-budi-boop. Ik ben niet wie ik ben, begrijp je wel?’

Medicatie wil Johanna echter niet. Als blijkt dat er echt niet met haar valt te praten, krijgt ze uiteindelijk, onder enige dwang, tóch een spuit toegediend. Die brengt haar even onder zeil. De jonge Amerikaanse vrouw is gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis en zit midden in een psychotische episode.

Een jaar later oogt dezelfde Johanna een stuk rustiger. Na een periode van in en uit het ziekenhuis is ze nu weer thuis. En flink aangekomen, dat ook. Waarschijnlijk als gevolg van de medicijnen die ze voorgeschreven heeft gekregen. Met die pillen is Joanna nu al enkele maanden gestopt, vertelt ze echter monter aan haar bezorgde vader.

Als de Amerikaanse filmmaker Kenneth Paul Rosenberg, zelf ooit opgeleid tot psychiater, haar weer een jaar later opnieuw thuis opzoekt, zijn de gevolgen daarvan direct zichtbaar: Johanna heeft zichzelf helemaal volgetekend met viltstift, haar woning is een bende en ze dendert weer in een nét iets te hoog tempo door de dag.

Het is een even pijnlijk als vertrouwd beeld, dat enkele malen terugkeert in de documentaire Bedlam (84 min.): van gewone mensen met een psychiatrische aandoening die even lijken op te krabbelen en dan toch weer een terugval hebben. Hun bipolaire stoornis of schizofrenie laat zich nooit definitief de kop indrukken.

In veel westerse landen belanden zulke ‘verwarde mensen’ tegenwoordig eerder op straat of in de cel dan op een plek waar ze echt worden behandeld, stelt Rosenberg. Hij plaatst dat in z’n historische kader: het sociale vangnet dat ooit was opgetuigd, is vanaf de jaren zeventig op een zodanige manier toegetakeld dat het tegenwoordig letterlijk levensgrote gaten bevat.

De filmmaker weet waar hij over praat: zijn eigen zus heeft tientallen jaren met ernstige psychiatrische problemen gekampt. En Rosenbergs gezin met haar. Dat familieverhaal verweeft hij in Bedlam best soepel met pogingen om de psychiatrische zorg te verbeteren en de lotgevallen van enkele doktoren en patiënten die hij gedurende enkele jaren geregeld heeft opgezocht met de camera.

Zoals Johanna, de verpersoonlijking van die bijzonder weerbarstige problematiek. ‘Wat het zo lastig maakt is dat je je een tijd behoorlijk normaal voelt’, zegt ze tegen het eind van de film, weer helemaal bij zinnen. ‘En dan ineens heb je een terugval.’