In eerste instantie lijkt het een traditioneel true crime-relaas te worden: jonge vrouw is uit de weg geruimd door jaloerse echtgenoot. Haar moeder Marisela Escobedo Ortiz, de protagonist van deze vertelling, probeert vervolgens recht te halen. Eerst moet alleen het stoffelijk overschot van haar zestienjarige dochter Rubí worden gevonden. En dan neemt dat ogenschijnlijk licht voorspelbare verhaal, met typische Latijns-Amerikaans melodrama opgedist, een onverwachte wending.
Die crime passionel blijkt in Las Tres Muertes De Marisela Escobedo (109 min.) de opmaat naar een groter verhaal over de samenleving waarbinnen die zich heeft afgespeeld: het Mexico waar drugskartels de dienst uitmaken en een mensenleven een soort wegwerpartikel is. Letterlijk. Zeker een vrouwenleven, getuige de feminicide in het land. Rubí is slechts één van de vele vermiste vrouwen van Ciudad Juárez. En ze zal ook niet het laatste slachtoffer in deze zaak zijn.
Het schokkende verhaal van Marisela en haar kinderen is exemplarisch voor de maalstroom van corruptie, incompetentie en geweld die het Midden-Amerikaanse land nu al jaren in zijn greep houdt en die door regisseur Carlos Pérez Osorio met direct betrokkenen uit en te na wordt gereconstrueerd. Intussen wordt Sergio Barraza Bocanegra, Rubí’s gewelddadige ex, lid van de beruchte drugsbende Los Zetas. Hij raakt zo steeds verder buiten bereik van justitie en Marisela zelf, die hem nog altijd wil (laten) inrekenen.
Hij is een wat tragische ‘poster boy’ geworden voor het Nederlandse softdrugsbeleid: Johan van Laarhoven, de grote man van de coffeeshopketen The Grass Company. In 2014 werd de Brabander gearresteerd in Thailand. Hij zou voor jaren achter de tralies verdwijnen en moest zien te overleven in ronduit erbarmelijke omstandigheden. Het initiatief voor zijn aanhouding zou volgens zijn broer en compagnon Frans en z’n advocaten Gerard Spong en Sidney Smeets zijn gekomen vanuit het drugsgidsland Nederland. Iets wat door het Openbaar Ministerie dan weer wordt genuanceerd.
De zaak Van Laarhoven loopt als een rode draad door de zesdelige serie Cannabis (304 min.) waarin Arjen Sinninghe Damsté stijlvol door de geschiedenis van het Nederlandse softdrugsbeleid zwiert. Van het hippiefestival Kralingen en de allereerste Amsterdamse coffeeshops tot de hedendaagse wietzolders, internationale cannabisindustrie en medicinale wiet. In de tussenliggende jaren is er altijd reuring geweest rond het vaderlandse gedoogbeleid. Was het niet de aanhoudende kritiek vanuit Amerika, waar al decennia een ‘war on drugs’ wordt uitgevochten, dan ontstond er wel een enorm schandaal rond het feit dat politie en justitie enorme hoeveelheden drugs bleken te hebben doorgelaten, de zogenaamde IRT-affaire.
Cannabis geeft crimefighters het woord, maar focust zich vooral op de vrije jongens die ooit besloten om een boterham te gaan verdienen met hashhandel. Zij zouden stelselmatig worden gemangeld tussen de steeds steviger optredende overheid en de altijd weer brutaler denkende georganiseerde misdaad. Zo kreeg Henk de Vries, eigenaar van de befaamde coffeeshop The Bulldog, tussen de invallen van de politie en belastingdienst door bijvoorbeeld ineens bezoek van ene Klaas Bruinsma. Het criminele kopstuk kondigde doodleuk een vijandige overname van de coffeeshop aan. Niet veel later werd Bruinsma geliquideerd. De Vries had er niets mee van doen, zegt hij. ‘Ik moet er enkel bij zeggen: ik was op dat moment wel bereid om het te doen. Iemand anders heeft mijn probleem opgelost.’
Met zulke verhalen uit alle uithoeken van de softdrugswereld dringt Cannabis, lekker sjiek gefilmd en verlevendigd met bijzonder fijn archiefmateriaal, door tot het hart van een business die zich noodgedwongen op het snijvlak tussen legaal en illegaal afspeelt. Een sleutelrol is daarbij weggelegd voor de joyeuze verteller Tom Vermeir. Met losse, informele voice-overs, die qua toonzetting doen denken aan de series Schuldig en Stuk, en het nodige kunst- en vliegwerk houdt hij de verschillende verhaallijnen en personages bij elkaar. Vermeir moet ook steeds de verbinding leggen met de zaak Van Laarhoven, waarin Nederlands dubbelhartige houding tegenover softdrugs, vervat in die ene multi-interpretabele term ‘gedogen’, nog eens goed onder het vergrootglas komt te liggen.
De kwestie rond de Brabantse coffeeshophouder claimt gaandeweg steeds meer ruimte. Als in de slotafleveringen de vraag op tafel komt of Van Laarhoven naar Nederland kan worden gehaald (en of hij hier dan nog de rest van zijn straf moet uitzitten), schaart Sinninghe Damsté zich bovendien heel nadrukkelijk aan zijn kant en krijgt het Openbaar Ministerie ondubbelzinnig de schurkenrol toebedeeld. Het is een laatste akte die deze ambitieuze serie enigszins uit het lood trekt.
Spraakmakende zesdelige serie #Cannabis, over de roemruchte geschiedenis van het Nederlands softdrugsbeleid, vanaf woensdag 30 september @NPO2pic.twitter.com/VKZnH6VkOB
Één onfortuinlijk ogenblik, dat in deze documentaire talloze malen wordt herhaald, ook in slow-motion, zou Andrés Escobar fataal worden. Tijdens het WK-voetbal van 1994 in de Verenigde Staten veranderde de Colombiaanse verdediger per ongeluk een bal van richting. Die verdween prompt in eigen doel en leidde zo de vroegtijdige uitschakeling in van het nationale elftal, waarvan hij de aanvoerder was. Alsof de gebeurtenissen werden gestuurd door een ‘mano negra’, een zwarte hand. Die bovendien nog lang niet klaar bleek te zijn.
Colombia was in die tijd verwikkeld in een burgeroorlog, waarin die andere Escobar, drugsbaron Pablo, de absolute hoofdrol claimde. In een betere wereld hadden de paden van The Two Escobars (104 min.) elkaar nooit gekruist, maar in het verscheurde Zuid-Amerikaanse land, waar de kartels ook op het voetbalveld de strijd aanbonden met elkaar, móesten ze elkaar wel ontmoeten. Andrés speelde voor het door Pablo gefinancierde Atlético Nacional Medellin, de eerste Colombiaanse ploeg die de Copa Libertadores, het clubkampioenschap van Zuid-Amerika, won in 1989. Bij de grote concurrent América waste intussen het concurrerende Cali-kartel zijn drugsmiljoenen wit.
In deze enerverende film uit 2010 brengen Jeff en Michael Zimbalist die twee verhalen samen: de totale verwording van Colombia, verpersoonlijkt door Pablo Escobar, de nietsontziende maffiabaas die zich in het openbaar graag voordeed als weldoener en zelfs, om zijn eigen belangen te beschermen, de politiek inging. En, parallel daaraan, de opmars van datzelfde Colombia als voetbalgrootmacht en serieuze kanshebber voor het wereldkampioenschap. Waarbij smaakmakers als doelman René ‘El Loco’ Higuita (bekend van zijn spectaculaire scorpion kicks), dirigent Carlos Valderrama (‘De Witte Gullit’) en de dartele aanvaller Faustino Asprilla meteen een perfect uithangbord vormden voor de narcostaat, die wel wat aan z’n imago mocht doen.
Die twee ontwikkelingen zorgden voor een totale verwevenheid van sport en georganiseerde misdaad, vervat in de nefaste term ‘narcovoetbal’, en leidde ook daadwerkelijk tot onderonsjes tussen gangsters en topspelers. Op feestjes van Pablo Escobar kon de onkreukbare verdediger Andrés Escobar zomaar naast Jhon Jairo Vásquez Velásquez, bijgenaamd Popeye, komen te zitten. Een man die als rechterhand van de baas van het Medellin-kartel jarenlang de allervuilste klusjes opknapte. ‘Ik heb hoogstpersoonlijk zo’n 250 mensen naar de andere wereld geholpen’, beweert hij met een stalen gezicht in The Two Escobars. ‘Maar alleen een psychopaat houdt de precieze score bij.’
De gebroeders Zimbalist tekenen de desolate staat van Colombia in de jaren negentig met een uitbundige collectie archiefmateriaal op, larderen de gebeurtenissen met essentiële bronnen uit de directe omgeving van de beide Escobars (hun zussen, geliefden, directe collega’s, concurrenten en politici) en brengen het geheel met dampende muziek helemaal aan de kook. Zowel het bloedbad in de straten van Colombia als de sequenties van het ontketende voetbalelftal, dat gaandeweg steeds directer wordt geconfronteerd met het grootschalige geweld in eigen land, krijgen daardoor een enorme urgentie.
The Two Escobars is zonder twijfel één van de beste voetbaldocumentaires aller tijden. Een film die de sport portretteert als een afspiegeling van de wereld waarbinnen die wordt gespeeld. En een naargeestige verbeelding van die befaamde uitspraak van Rinus Michels: in het Colombia van de twee Escobars is voetbal inderdaad (drugs)oorlog.
Zitten er mensen onschuldig in de cel? Die vraag dringt zich onmiddellijk op als Sonja Farak in 2013 wordt aangehouden. De chemicus van het Amherst-laboratorium in de Amerikaanse staat Massachusetts test in beslag genomen drugs en zou wel eens met bewijsmateriaal kunnen hebben geknoeid. Moeten die rechtszaken nu opnieuw? En wat kan Farak hebben bewogen om haar beroepseer op zo’n flagrante wijze te schenden? Ze zal toch niet zelf…?
Alle elementen voor een onvervalste nagelbijter lijken aanwezig. Toch duurt het even voordat deze vierdelige documentaireserie op stoom komt. Zeker de eerste aflevering is erg uitleggerig: wat doet zo’n drugslaborant nu precies en welke consequenties heeft het als dat werk niet kan worden vertrouwd? Dit gaat ten koste van het verteltempo, dat later wel wat wordt opgeschroefd.
Erin Lee Carr kleedt de vertelling aan met chique reconstructies, waarin actrice Shannon O’Neill Sonja Farak vertolkt, en kadert die in met een waslijst aan bronnen: openbaar aanklagers, advocaten, verdachten, deskundigen, journalisten en de moeder en zus van Farak. Die laatste komt zelf niet aan het woord. En ook Dookhan laat verstek gaan. Al is het sowieso de vraag wat zij had kunnen toevoegen. De meerwaarde van de tweede casus blijft beperkt.
Dit is en blijft het relaas van Sonja Farak, de welhaast malicieuze manier waarop het Openbaar Ministerie van de staat Massachusetts is omgegaan met de strapatsen van haar dolende medewerker en wat de consequenties daarvan zijn geweest voor honderden, misschien wel duizenden, veroordeelden. Daarbij is de vraag gerechtvaardigd of die vertelling wel een miniserie waard is of toch ook gewoon in één stevige docu over deze geruchtmakende zaak had gepast.