Natuurlijk, dit is zo’n typische banddocu. Die chronologisch uiteenzet hoe de som uiteindelijk – pas na een slordige 24 minuten – meer werd dan de delen. Waarin de grote successen van de helden (True, Gold en natuurlijk Through The Barricades) vanzelfsprekend uitbundig worden gevierd. En die niet geheel toevallig werd uitgebracht toen hun groep, Spandau Ballet, na ruim twintig jaar een onverwachte comeback had gemaakt.
Soul Boys Of The Western World (110 min.) is niettemin een joyeuze viering van hoe de ‘working-class lads’ uit Noord-Londen, na diverse valse starts, ergens in de jaren tachtig de synthesizer ontdekten, zich precies het juiste imago aanmaten en een eigentijdse en poppy draai gaven aan hun voorliefde voor soul. Ze werden er even héél succesvol mee: echte popsterren, de vervulling van al hun jongensdromen. En toen begonnen de steeds verder opgeblazen ego’s, gepersonifieerd door zanger Tony Hadley en songschrijver Gary Kemp, ongenadig te botsen. Vanwege een ordinaire centenkwestie kwamen de bandleden zelfs tegenover elkaar te staan bij de rechter.
Regisseur George Hencken serveert dat al duizenden malen vertelde verhaal over de opkomst, ondergang en wederopstanding van een popgroep aanstekelijk uit, laat het off screen becommentariëren door de individuele bandleden en heeft daarnaast genoeg oog voor de maatschappelijke context in het toenmalige Verenigd Koninkrijk, straf geleid door ‘iron lady’ Margaret Thatcher, om er nét iets meer van te maken dan alleen een routineuze vertelling over een dertien-in-een-dozijn bandje. Ook als je weinig hebt met hun muziek – understatement – en zelfs wel een beetje moet grinniken om hun uitbundige kapsels, zorgvuldige gestylede kostuums en nét iets te kleine speedo’s – bekentenis – houdt deze film je bijna twee uur bij de les.
Slechts enkele jaren na het uitbrengen van deze popdocu uit 2014 was er overigens tóch weer herrie in de tent bij Spandau Ballet. Sindsdien moeten de overjarige glamourboys het doen zonder frontman Tony Hadley. Totdat ook die in zijn portemonnee weer de dringende noodzaak begint te voelen om zich en plein publique te verzoenen met zijn jeugdvrienden. En de camera’s wellicht kunnen gaan draaien voor Soul Boys Of The Western World – The Sequel.
Over The Beatles mag dan zo langzamerhand écht alles al zijn gezegd in een ware stortvloed aan documentaires. Voor de Nederlandse tributeband The Analogues geldt dat natuurlijk nog niet – al zijn die, geloof het of niet, inmiddels ook aan documentaire drie toe. Want een film over ‘iets wat met The Beatles te maken heeft’ trekt nog altijd meer bekijks dan het leeuwendeel van de docu’s over een actueel muzikaal fenomeen. Legt hand voor zijn ogen. En schudt eens met zijn hoofd.
Oké: punt gemaakt (of althans een halfbakken poging daartoe). Na The Analogues – Sgt. Pepper 50 Jaar Later en The Analogues In Liverpool is er nu dus The Analogues: Op Weg Naar Abbey Road (63 min.), wederom van regisseur Marcel de Vré. En daarin gaan de helden – ik bedoel hun Nederlandse afgietsels daarvan (en nu houd ik op, écht!) – naar de befaamde Londense studio, waar The Beatles vijftig jaar eerder hun allerlaatste album opnamen. ‘Dit is de moeilijkste die we ooit gedaan hebben’, constateren ze al snel.
En dat zorgt soms ook voor complicaties tussen de verschillende groepsleden, die alles uit de kast moeten trekken om de magie van weleer te laten herleven. Daaruit spreekt professionaliteit en oprechte liefde voor The Fab Four, die ook tot uiting komt in hun verduiveld knappe interpretatie van het (nooit eerder live uitgevoerde) Beatles-oeuvre. Ze proberen niet zozeer elke noot te reproduceren als de geest ervan te pakken te krijgen.
De Vré volgt dat proces, een jongensboekverhaal dat gewoon werkelijkheid wordt, en vraagt tussendoor aan de individuele bandleden om het te becommentariëren. Tussendoor laat hij enkele Beatles-kenners de laatste episode uit het heldenverhaal van John, Paul, George & Ringo nog eens goed uit de doeken doen. En dan, op 30 juni 2019, komen alle inspanningen tot een vanzelfsprekende climax op ‘heilige grond’, tijdens de opnames van The Analogues in Studio One van Abbey Road.
‘Dichterbij The Beatles kom je niet’, zegt één van Nederlanders die daarbij aanwezig mag zijn. ‘Supergaaf!’ Een Britse fan vergelijkt het zelfs met ‘een religieuze ervaring’. Het is glashelder dat ook The Analogues zelf er in die termen op terugkijken. Al heeft het tegelijk iets ongemakkelijks dat de groepsleden met hun eigen bands nooit zo succesvol zijn geweest of kunnen worden als nu met deze uitstekende – ga ik het woord gebruiken? – coverband. Maar dat kan natuurlijk ook aan mij liggen.
Oké, boomer?
De Nederlandse band The Analogues spelen in de Abbey Road Studios voor een live publiek integraal het album Abbey Road, met het originele, analoge instrumentarium. The Analogues op weg naar Abbey Road, zaterdag 23.25 uur op NPO 2! pic.twitter.com/xTT8WryOW2
‘Wat voor Harry en Lucas geldt, geldt ook voor jou’, schreeuwt doelverdediger Hugo Lloris tegen zijn medespeler Heung-Min Son. ‘Met één minuut te gaan móet je meelopen.’ Het komt in de Spurs-kleedkamer zelfs bijna tot een handgemeen tussen de twee ploeggenoten. Trainer Mourinho ziet er wel wat positiefs in: ‘Dit was een jaar geleden niet voorgekomen. Dit gebeurt omdat jullie meer van elkaar eisen.’
De koning is dood, lang leve de koning! Na vijfeneenhalf jaar moet Mauricio Pochettino, de coach die de Londense club enkele maanden eerder nog naar de Champions League-finale heeft geleid, het veld ruimen bij Tottenham Hotspur. Zijn opvolger staat al klaar: José Mourinho, één van de succesvolste trainers van de afgelopen twintig jaar en tevens één van de meest gehate mensen van het internationale voetbal.
Even later, in de eerste aflevering van de negendelige serie All Or Nothing: Tottenham Hotspur (440 min.), na een eerdere reeks over Manchester City, begint ‘The Special One’ zelf dozen uit te pakken en nauwkeurig zijn nieuwe kantoor in te ruimen. Foto’s van zijn carrière om op te hangen, ordners in de vakkenkast. Paperassen op het bureau, netjes recht. Lineaaltje erbij. En dan alleen de flipover nog installeren. Via de televisie komt intussen het nieuws van zijn benoeming binnen. ‘Kijk wat er gebeurde bij zijn laatste clubs’, zegt een sportcommentator. ‘Hij is over zijn top heen.’ Mourinho loopt direct naar het toestel en zet dat demonstratief uit. ‘Fuck you!’
En daarmee is de toon gezet. De nieuwe koning schrijft zijn eigen wetten uit, zet z’n onderdanen op hun (juiste) plek en begint meteen de media te bespelen. Het sleutelwoord is: winnen. ‘Ik haat het om te verliezen’, heet ‘t dan. Terwijl Mourinho zijn veel te lieve team een over mijn lijk-mentaliteit probeert bij te brengen, hebben sommige spelers zo hun eigen beslommeringen: de flegmatieke international Dele Alli worstelt met zijn vorm, vaste linksachter Danny Rose valt ineens geregeld buiten de basis en spelverdeler Christian Eriksen lijkt in ongenade te zijn gevallen omdat hij een transfer wil maken. En dan raakt ook spits en boegbeeld Harry Kane nog ernstig geblesseerd.
All Or Nothing laat ongetwijfeld heel veel níet zien van wat er in het binnenste van de trainersploeg, het elftal en de directie omgaat, maar wat er overblijft is méér dan voldoende: (crisis)overleg tussen directie en coach, kleedkamerbeelden van voor, tijdens en na de wedstrijd en Mourinho’s persoonlijke gesprekken met (on)tevreden spelers bijvoorbeeld. Zulk fly on the wall-materiaal wordt doorsneden met lekker bombastische wedstrijdregistraties, waarbij volvette shots, ronkende muziek en overspannen commentatoren een glorieus huwelijk aangaan. Zo wordt zelfs van het meest onbeduidende competitieduel een soort strijd op leven en dood gemaakt, waarbij er nooit enige twijfel is over wie de ‘good guys’ (moeten) zijn.
Zelfs de totstandkoming van transfers blijft niet geheel onbelicht. Saillant is in dat verband de komst van de Nederlandse aanvaller Steven Bergwijn, een overgang die bij zijn vorige club PSV begin dit jaar heel wat kwaad bloed zette. De speler zou hebben geweigerd om nog te spelen in Eindhoven. Bij Tottenham Hotspur wordt Bergwijn evenwel binnengehaald als redder in nood. Geen woord over hoe de transfer tot stand is gekomen (en of er eigenlijk wel zoveel aan de hand was bij zijn vorige werkgever, of dat alle partijen gewoon het welbekende onderhandelingsspel speelden).
Deze puike sportserie, waarvoor acteur en Spurs-fan Tom Hardy als verteller fungeert, laat alleen onbeantwoord wat er precies zo speciaal is aan de nieuwe koning van de Spurs. José Mourinho lijkt vooral een archetypische teambuilder, die onvermoeibaar blijft hameren op agressie, discipline en de absolute wil om prijzen te pakken. ‘We moeten winnen’, zegt de manager bijvoorbeeld tijdens de wedstrijdbespreking voor Bergwijns eerste match, tegen titelkandidaat Manchester City. ‘We moeten aanvallen. We moeten risico’s nemen, maar hebben ook stabiliteit nodig. En we moeten georganiseerd spelen als we de bal hebben…. Oké, we zijn er klaar voor.’
Of zulke peptalks, doorgaans vergeven van de fucks en fuckings, werkelijk voldoende zijn om het tij te keren bij Mourinho’s zwalkende elftal? En kan hij zijn team tijdens de verplichte Corona-pauze echt met Zoom-sessies klaarstomen voor toch nog een succesvolle bekroning van het seizoen?
In de miniserie Mourinho (2026) wordt de succesvolle loopbaan van de Portugese coach nog eens doorgenomen.
De jonge honden die in de jaren zestig stormenderhand de documentairewereld overnamen met hun mobiele camera- en geluidsapparatuur en het bijbehorende nieuwe docugenre, direct cinema, injecteerden ook hun eigen onderwerpen in die films. Popmuziek en documentaire gingen vanaf de swingin’ sixties een natuurlijk huwelijk aan, dat nog steeds standhoudt. Al piept en kraakt de verbintenis, die door de professionalisering van de popbusiness ook veel zouteloze promotiefilms heeft opgeleverd, zo nu en dan flink.
Dont Look Back (96 min.), een film uit 1967 waarin Bob Dylan in korrelig zwartwit wordt geobserveerd, geldt als het archetype van de tourfilm, een subgenre van de muziekdocu. In de navolgende halve eeuw zijn er talloze portretten gemaakt van artiesten of bands die floreerden, of juist verdwaald raakten, in de eindeloze, zichzelf repeterende rondgang langs concertzalen, kleedkamers, journalisten, superfans, groupies en afterparty’s. Met Meeting People Is Easy (1998), Grant Gees desolate verbeelding van een volledig verweesd ‘Radiohead on tour’, als absoluut hoogtepunt.
D.A. Pennebaker, één van de absolute direct cinema-pioniers, schetst in zijn volgportret van de jonge Dylan die Londen verovert, een minder dramatisch beeld: van een muzikant die de roem en aandacht ogenschijnlijk redelijk gemakkelijk van zich laat afglijden en oog houdt voor waar het hem om gaat. Tussen de optredens en interviews door wordt er bijvoorbeeld druk gemusiceerd in zijn hotelkamer. Terwijl Joan Baez een lied zingt, zoekt Dylan op een typemachine naar de bijbehorende woorden. Even later neemt hij zelf ook zijn instrument ter hand. Gezamenlijk prikken ze zo even een gaatje in de enorme zeepbel die rondom hem wordt opgeblazen.
In dat verband is een scène met Dylans manager Albert Grossman, een gesoigneerd heerschap dat eerder al hotelmedewerkers die het waagden om te klagen over lawaai vanuit Dylans hotelkamer op onbeschofte wijze heeft afgeblaft, eveneens verduiveld interessant. Samen met een Britse concertpromotor probeert hij op gehaaide wijze de BBC te verleiden om de gage voor enkele concerten van ‘zijn’ artiest te verhogen. Dat levert een fraai inkijkje op in het dagelijkse loven en bieden rond een gewild popproduct, dat je tegenwoordig nog maar zelden krijgt voorgeschoteld.
Ook verhelderend en ontluisterend tegelijk: de ontmoetingen van Dylan met een keur aan concertorganisatoren, would be-muzikanten en popjournalisten, die opzichtig hengelen naar zijn aandacht en goedkeuring en zo nu en dan ‘s mans toorn of afkeer over zich afroepen. Als een keizer tegen wil en dank wikt en beschikt de singer-songwriter, die een halve eeuw later de Nobelprijs voor de Literatuur zal ontvangen, met een enkele blik, besmuikte lach of messcherpe opmerking over zijn hovelingen.
Pennebakers zoekende camera, zowel naar de ideale verhaallijn als het juiste kader en de focus, schetst ondertussen een onopgesmukt en voor die tijd ongekend portret van een fenomeen dat tegenwoordig heel vertrouwd voelt: de muzikant als beroemdheid, opiniemaker en machtsfactor.
De openingsscène van Dont Look Back, het iconische beeld van Dylan die tekstkaarten laat zien tijdens Subterranean Homesick Blues, zou overigens de geschiedenisboeken ingaan als zo’n beetje de allereerste videoclip.
Ze zetten zich af tegen het land van hun ouders, waarin je klasse bepaalde wie je was en wie je zou kunnen zijn. Met liefde en plezier droegen ze het grote Britse rijk van weleer ten grave om een nieuw land te stichten. Rule, Britannia! werd zogezegd vervangen door My Generation (86 min.). En midden in die Britse vloedgolf bevond zich acteur Michael Caine. Of beter: Maurice Micklewhite, de zoon van een visboer en een poetsvrouw.
In de bedompte jaren na de tweede wereldoorlog vond hij zichzelf opnieuw uit. De aankomende filmster had een artiestennaam nodig, vertelt hij geroutineerd in deze aan hem opgehangen film over de roarin’ sixties. Bij een bioscoop zag de acteur volgens eigen zeggen een poster van zijn favoriete acteur Humphrey Bogart, The Caine Mutiny. ‘Als ik naar de volgende bioscoop was gelopen, had ik nu dus Michael 101 Dalmatiërs geheten.’
Als verteller laveert Caine in deze gelikte film soepeltjes tussen zijn eigen persoonlijke lotgevallen en het grotere verhaal van de opkomst en ondergang van Swinging Londen. Hij gaat bovendien in gesprek met generatiegenoten als Beatle Paul McCartney, model Twiggy, fotograaf David Bailey, Who-zanger Roger Daltrey, modeontwerper Mary Quant en zangeres Marianne Faithfull. Stuk voor stuk nieuwe helden van weleer, met een Cockney-achtergrond.
Die (off screen) gesprekken worden door regisseur David Batty geserveerd met een levendige cocktail van film, reclame, comedy, politiek en natuurlijk muziek uit de tijd dat Londen het epicentrum van de wereld was – of op zijn minst dacht te zijn. Alle ijkpunten van de veel bewierookte jaren zestig komen weer voorbij: de minirok, het gebruik van de pil en de onvermijdelijke confrontaties met het establishment. Dat gaat – onvermijdelijk – gepaard met het romantiseren van de eigen jeugd, waarmee de babyboomers volgende generaties meteen alle gelegenheid gaven en geven om daar weer tegen te rebelleren.