‘Do you even want me here?’ vraagt Djuwa Mroivili zich af na afloop van een performance ten overstaan van een compleet wit publiek. Als zwarte vrouw opereert de Nederlandse pianiste in een vrijwel kleurloze omgeving. Regisseur Naomi White maakt dit bij aanvang van de korte documentaire Als Ik Zelf De Zon Ben (25 min.) direct tastbaar: terwijl Mroivili speelt ziet ze vrijwel alleen witte hoofden. Het oogt intimiderend. Alsof ze haar beoordelen, misschien zelfs veroordelen, en haar in elk geval flink op de vingers kijken.
Zij wil de klassieke muziek van binnenuit veranderen – juist omdat ze er zoveel van houdt – en die ontdoen van elke vorm van institutioneel racisme. Daarvoor put Djuwa Mroivili uit historisch en artistiek onderzoek dat ze heeft gedaan in het archief van het Concertgebouw te Amsterdam. Ze stuitte daarbij op de Wereldtentoonstelling in 1883. Performers uit de Nederlandse koloniën werden toen tot haar ontsteltenis letterlijk ten toon gesteld op het Museumplein. Mroivili ziet er parallellen in met de hedendaagse klassieke muziekprogrammering.
De vraag is: wat wil en kan zij daar nu mee als zwarte musicus? Dat is een intiem proces, van een kunstenaar die haar identiteit, leven en carrière in eigen hand neemt. Smith zit de pianiste daarbij zeer dicht op de huid, heeft oog voor hoe ze dat veruiterlijkt en geeft haar intussen, via een monologue interieur, het woord om zichzelf uit te drukken. ‘Waarom zou ik zijn als een zonnebloem en draaien naar de zon’, concludeert Djuwa Mroivili uiteindelijk zelfbewust, ‘als ik zelf de zon ben?’
Podiumkunstenaar en klassiek pianist Djuwa Mroivili zoekt haar weg binnen de conservatieve, witte muziekwereld. 'Als ik zelf de zon ben' van Naomi White werd tijdens NFF 2023 genomineerd voor een Gouden Kalf.
Wat een hand kan zeggen. Als hij liefdevol op die van een ander wordt gelegd. Geruststellend, troostend. Ik hoor je, zie je, voel je.
Of als hij om een schouder wordt geslagen. Vaderlijk, begripvol. Maar ook: steun zoekend.
En als hij, trillend, contact probeert te leggen. De afstand die onderweg is ontstaan wil overbruggen.
Metissen Van België (136 min.) had een veredelde versie van de televisieprogramma’s Spoorloos en Verborgen Verleden kunnen worden, waarin (verweesde) volwassenen voor de camera op zoek gaan naar hun oorsprong. Uiteindelijk is deze productie van Steven Crombez tot zoveel meer uitgegroeid: een collectieve zoektocht naar identiteit, verbinding en (zelf)respect, tegen de achtergrond van het kolonialisme.
Met deze driedelige serie belicht Crombez een zwarte bladzijde uit de koloniale geschiedenis van België. Daarvoor start hij in het Rwandese dorp Save, waar in de jaren veertig en vijftig een internaat voor ‘mulattenkinderen’ was gevestigd. Deze kinderen uit Congo, Rwanda of Burundi, het product van de relatie tussen een Belgische witte man en een lokale zwarte vrouw, namen daar, vaak zonder dat ze het zelf door hadden, definitief afscheid van hun ouders.
‘Wij waren mulâtres’, stelt Georges. ‘Dat is de kruising tussen een paard en een ezel.’ Germaine vult aan: ‘Kinderen van de zonde. En onze moeders waren hoeren. Onze vaders trof geen schuld.’ Toen in de jaren vijftig de Congolese onafhankelijkheidsstrijd losbarstte, werden honderden van deze kinderen overgebracht naar België. ‘God heeft de blanke en de zwarte geschapen’, zei de latere Belgische premier Joseph Pholien ooit. ‘De duivel heeft de metis geschapen.’
Deze kinderen kwamen terecht bij pleeggezinnen of in weeshuizen. Hun koloniale dossiers zijn pas onlangs vrijgegeven, zestig jaar na de onafhankelijkheid. Sindsdien kunnen zij – als ze dat willen – op zoek gaan naar waar ze vandaan komen. ‘Ik heb hier ontdekt dat mijn geschiedenis die mij aangeleerd was, voor een groot deel gelogen was’, stelt Jacqueline tijdens een bezoek aan haar geboorteland Rwanda. ‘Blijkt dat ik niet ben wie ik dacht te zijn.’
Jacqueline, die als tweejarig meisje afscheid moest nemen van haar complete familie, is één van de drie metissen die Steven Crombez volgt naar hun geboorteland. Voormalig politierechercheur Jaak gaat met zijn volwassen zoon Hugo, die hij bepaald geen gemakkelijke jeugd heeft bezorgd. En Paul probeert het contact met zijn moeder in Rwanda te herstellen. Zij schreef hem jarenlang wanhopige brieven, die hij vaker dan hem nu lief is onbeantwoord liet.
Deze aangrijpende persoonlijke verhalen, sereen gefilmd in een zeer fotogenieke omgeving, worden verdiept en verbreed door lotgenoten. Hun herinneringen zijn niet minder indringend. ‘Zelfs nu nog denk ik bij mezelf dat het misschien beter is dat ik geen kinderen heb gekregen’, bekent Eveline bijvoorbeeld. ‘Ik zou niet gewild hebben dat ik geen goede moeder had kunnen zijn, dat ik ze niet had kunnen bieden wat een kind nodig heeft.’
‘Ik heb geprobeerd Belg te zijn’, zegt Georges. ‘Ik heb geprobeerd Vlaming te zijn. Maar uiteindelijk, het racisme brengt je terug tot de werkelijkheid.’ Op een bepaald moment ging hij zich afvragen: ‘wie ben ik dan? En dan moet je jezelf een antwoord geven en zeggen: ik ben wie ik ben. Ik ben metis. Ik ben tussenin. Daar is niks mis mee.’ Het is een even vanzelfsprekende als pijnlijke constatering, waarmee hij zichzelf eindelijk de hand reikt.
Om vrede te vinden met wie hij is, net als al die anderen: een metis van België.
Wat is de erfenis van de grootschalige Black Live Matters-demonstraties in de zomer van 2020? Die vraag wil Clarice Gargard exploreren in deze intuïtieve ontdekkingstocht. ‘Staan we nu op een kantelpunt?’ vraagt ze zich af. ‘Is dit hoe verandering ontstaat?’
‘Ga Terug En Haal Het’ (53 min.), start een soort stationsomroepster vervolgens de reis langs verzetsverhalen – van het verleden via het heden naar de toekomst – die op het punt staat om te beginnen. ‘Herinner wat u vergeten bent.’ Is deze steeds terugkerende stem, begeleid door beelden van voorbijrazende nachtelijke treinstations, een metafoor voor hoe zwarte mensen zichzelf moeten vinden, binnen een wereld waarin wit al sinds jaar en dag dominant is? Want, zo werpt de omroepstem nog op, ‘hoe reis je verder als je niet weet waar je vandaan komt?
Gargard gaat in Nederland, Suriname en Curaçao op zoek naar alledaags verzet van zwarte Nederlanders. Dat heeft zich door de jaren in allerlei gedaanten gemanifesteerd. Ze spreekt bijvoorbeeld André Reeder, ooit lid van de links-marxistische Surinaamse studentenvereniging. In 1982 maakte hij een film over de abominabele huisvesting van Surinaamse studenten in Nederland. Lulu Helder organiseerde in 1996 de allereerste anti-Zwarte Piet-actie ‘Zwarte Piet is zwart verdriet’. ‘Hoe lang moeten we wachten op een gelijkwaardige positie in deze samenleving?’ verzucht zij.
Deze voorbeelden weerspreken in elk geval het hardnekkige beeld dat zwarte Nederlanders hun achtergestelde positie al die tijd lijdzaam zouden hebben ondergaan. In Curaçao ontmoet Gargard verder Jeanne Henriquez, de conservator van het Tula museum. Als je je eigen geschiedenis niet kent, dan wordt het moeilijk om te geloven in jezelf, stelt zij. ‘Want je hebt niet geleerd wie je bent.’ Het pleidooi van al Gargards gesprekspartners komt in essentie neer op het herschrijven van de geschiedenis: loskomen van het kolonialisme en onderdrukking en het (h)erkennen van jezelf.
Dat proces krijgt gaandeweg voor de maakster zelf een steeds persoonlijker karakter en mondt tijdens een Winti-ritueel, tevens het eindstation van deze wat grillige en breed uitwaaierende film, uit in een emotionele climax. ‘Wij creëren zelf, steeds opnieuw, de kantelpunten die voor verandering zorgen’, concludeert Clarice Gargard daarna. ‘Wanneer we ons herinneren wie we zijn, waar we vandaan komen én besluiten actie te ondernemen.’
In 'Ga terug en haal het’ verdiept Clarice Gargard zich in het verleden, het heden en de toekomst van zwart verzet. Zo spreekt ze ook Lulu Helder over het eerste antizwartepietprotest in de jaren ’90. Kijk de documentaire maandag 28 november om 22.15 uur op NPO 2. pic.twitter.com/QQb62eBHQC
‘We weten van al die mannen hoe ze heetten, we weten waar ze woonden, wat voor beroep ze hadden’, vertelt Eveline Sint Nicolaas, senior conservator van het Rijksmuseum bij het schilderij De Schutters van Wijk VIII van Bartholomeus van der Helst. Ze kijkt naar een donkere jongen, ‘een Moriaantje, zo zwart als roet’, die half verscholen achter één van de nette witte heren staat. ‘En híj werd gewoon niet genoemd.’ Afrikaanse bezoekers van het Amsterdamse museum zien de bediende echter vaak meteen. Waarom merken zij hem wel op en veel witte kunstliefhebbers niet?
‘Tot twee jaar geleden zag ik hem niet en werd hij eigenlijk helemaal weggeblazen door het visuele geweld van die mannen om hem heen’, vervolgt Sint Nicolaas, die sinds ze enkele jaren eerder aan de tentoonstelling ‘Slavernij’ ging werken anders naar de collectie van het museum begon te kijken. ‘Dat vind ik een heel raar iets, dat je heel lang langs een schilderij kunt lopen, dat kunt zien en iets helemaal niet kunt zien. En je nu helemaal niet meer kunt voorstellen dat dat zo is.’
Datzelfde bewustwordingsproces hoopt de tentoonstelling, die vanaf dit voorjaar is te zien in het Rijksmuseum, bij bezoekers te weeg te brengen. Door bekend werk in een nieuwe context te plaatsen, waardoor bijvoorbeeld op Rembrandts befaamde schilderijen Marten en Oopjen behalve een wereldberoemd koppel ineens ook profiteurs van het koloniale systeem zijn te zien. En met nieuwe objecten, waarmee (bewust) onderbelichte delen van de Nederlandse historie in kaart worden gebracht. Die vernieuwing gaat niet vanzelf, maar vereist oprechte interesse in elkaar, vergt veel afstemming en zorgt soms ook frictie.
De serene documentaire Nieuw Licht: Het Rijksmuseum En De Slavernij (55 min.) van Ida Does brengt dat proces van binnenuit in beeld, via het divers samengestelde conservatorenteam. Dat moet, in de woorden van directeur Taco Dibbits, de ‘voorouderverering’ die het Rijksmuseum van oudsher kenmerkt verrijken met nieuwe voorouders. Daarvoor wordt een dialoog opgestart met vertegenwoordigers van bevolkingsgroepen en culturen die noodgedwongen een ondergeschikte rol speelden in de vaderlandse geschiedenis. Of zoals kunstenaar Felix de Rooy het uitdrukt: ‘Black Lives Matter, ook in schilderijen.’
De algehele erkenning van institutioneel racisme in de manier waarop Nederlandse kunst tot dusver is gerepresenteerd in musea zorgt voor interessante gedachtenuitwisselingen en pakkende persoonlijke getuigenissen, maar maakt deze gestileerde film ook een beetje braaf en praterig. Al vormt de eindscène waarin de geschiedenis via ‘het Moriaantje’ eens goed op zijn kop wordt gezet – of gewoon: rechtgezet – een bijzonder trefzeker slotakkoord.