Shut Up & Sing

Terwijl het Amerika van president George W. Bush zich in het voorjaar van 2003 opmaakt voor een bijzonder omstreden militaire inval in Irak, geeft het populaire countrytrio The Dixie Chicks uit zijn thuisbasis Texas een optreden in Londen. ‘Wij zijn tegen deze oorlog, dit geweld’, zegt zangeres Natalie Maines daarbij. ‘En we schamen ons dat de president van de Verenigde Staten uit Texas komt.’ Ze moet er zelf om lachen. Het was geen vooropgezet plan. De woorden zijn haar per ongeluk ontsnapt.

Na afloop van het concert lijkt er geen vuiltje aan de lucht. De drie vrouwen en hun management zijn tevreden over de show. Ze hebben geen idee dat half Amerika, het patriottische deel, straks over hen heen zal vallen. Regisseur Barbara Kopple registreert vervolgens van dichtbij hoe Maines en de zussen Martie Maguire en Emily Robison reageren als de conservatieve countrywereld z’n favoriete dochters in de ban doet, hun cd’s publiekelijk worden vernietigd en de algehele sfeer rond de dames ronduit bedreigend wordt.

’Ze schaden onze mannen overzee’, zegt een gast in een praatprogramma. ‘Dit zijn de domste bimbo’s die ik ooit heb gezien’, stelt een ander. En de beruchte talkshowhost Bill O’Reilly concludeert dat iemand die meiden eigenlijk eens alle hoeken van de kamer moet laten zien. Shut Up & Sing (92 min.) documenteert hoe The Dixie Chicks in de drie jaar na Maines’ slip of the tongue de storm proberen te trotseren, hun persoonlijk leven verder gestalte geven én de weg terug naar het hart van Amerika hopen te vinden.

Het is uiteindelijk een klein en menselijk verhaal over hoe je in tijden van nationale eenheid ineens helemaal uit de gratie kunt raken en hoe moeilijk het dan is om in zo’n storm, ook al raast die slechts in een glas water, echt bij jezelf te blijven. En dan, als die oorlog in Irak maar blijft voortduren en slachtoffers blijft maken, verandert zowaar de ‘you’re either with us or with the terrorists’-attitude in het land en worden de moed en standvastigheid van The Dixie Chicks (die sinds kort overigens door het leven gaan als The Chicks) alsnog beloond.

After Tiller

calgaryfilm.com

Als eerste Amerikaanse president sprak Donald Trump onlangs een anti-abortusbijeenkomst toe. Je zou het een nieuw hoogtepunt voor Religieus Rechts kunnen noemen in de strijd tegen Roe Vs. Wade, het besluit van het Hooggerechtshof waarmee in 1973 het recht op abortus werd geregeld in de Verenigde Staten.

Sinds die tijd wordt er een loopgravenoorlog uitgevochten rond het zogenaamde ‘wedge issue’, die de laatste jaren lijkt over te waaien naar Europa. Vertrouwd zijn ook hier inmiddels de beelden van demonstranten bij abortusklinieken, die vrouwen luidkeels proberen te overtuigen van de immoraliteit van hun keuze. Tot gericht geweld tegen klinieken en artsen is het vooralsnog niet gekomen.

De indringende documentaire After Tiller (87 min.) van Martha Shane en Lana Wilson laat zien wat het betekent als extremisten wél bereid zijn om bloed te vergieten voor hun denkbeelden. De gelauwerde film uit 2013 zoomt in op enkele bijzonder gedreven artsen en verpleegkundigen in Amerikaanse abortusklinieken, in de jaren nadat de bekende abortusarts George Tiller in 2009 koelbloedig is vermoord, tijdens een kerkdienst nota bene.

In de hele Verenigde Staten zijn er op dat moment nog maar vier artsen, die net als hij bereid zijn om abortussen uit te voeren in het laatste trimester, na de 25e week van de zwangerschap. Shane en Wilson volgen de idealisten tijdens hun werk, met onherkenbaar gemaakte zwangere vrouwen, en portretteren hen in hun eigen omgeving, waar ze ingaan op hun beweegredenen en de prijs die ze daarvoor betalen.

De filmmakers sympathiseren duidelijk met de zorgverleners en hun patiënten en laten zien welke redenen er schuil gaan achter de ingrijpende beslissing om een zwangerschap te beëindigen en hoe zorgvuldig de bijbehorende procedure in gang wordt gezet. De demonstranten fungeren slechts als decorstuk: staand bij de ingang van de kliniek, met een bord of spandoek in de hand. Of op enge fotootjes, waarmee medewerkers van de kliniek elkaar waarschuwen voor mogelijk gevaar.

Als burgemeesters in oorlogstijd proberen de abortusverleners, die zelf soms ook worstelen met de morele implicaties van late abortussen en het gegeven dat vrouwen daarbij echt een baby opgeven, intussen mensenwerk te blijven leveren. In een steeds vijandigere omgeving, waarin continu de dreiging van redeloos geweld hangt.

When We Were Kings

‘Het is passend dat ik eindig zoals ik begon, door een monster te verslaan dat iedereen neerhaalt en niemand kan verslaan’, pocht uitdager Muhammad Ali tijdens één van zijn befaamde persconferenties, ditmaal voor het legendarische gevecht tegen wereldkampioen zwaargewicht boksen George Foreman in 1974. Ali heeft duidelijk een lesje voorbereid en komt al snel lekker op stoom: ‘Ik heb iets nieuws gedaan voor dit gevecht: ik heb geworsteld met een alligator. Gestoeid met een walvis. Ik heb de bliksem handboeien omgedaan en de donder in het gevang gegooid. En vorige week heb ik nog een rots vermoord, een steen verwond en een baksteen het ziekenhuis in geslagen. Ik ben zo gemeen dat ik medicijnen ziek maak.’ Gestaag werkt hij zo toe naar de pointe van zijn rijmpje: ‘Ik ben zó snel. Gisteravond deed ik het licht uit in mijn slaapkamer en lag ik al in bed voordat het donker was!’

‘Ik denk dat Ali bang was’, zegt schrijver Norman Mailer, die een boek schreef over het groots opgezette titelgevecht in Zaïre, aan het begin van de documentaire When We Were Kings (83 min.). ‘En hij wist dat hij alleen maar banger zou worden naarmate het gevecht dichterbij kwam.’ Muhammad Ali is intussen nog altijd bezig met zijn showtje: ‘Weet je hoe George vecht?’ vraagt hij aan de camera terwijl-ie als een dolende zombie door de ruimte paradeert. ‘Ik noem hem de mummie.’ Mailer zorgt opnieuw voor duiding: ‘Met zijn ego kon hij zichzelf wijsmaken dat hij Foreman zou domineren, moeiteloos kon verslaan en voor gek ging zetten.’ Maar stiekem wist ‘The Greatest’ volgens Mailer wel beter. Foreman was een absolute geweldenaar, die eerdere titelpretendenten als Joe Frazier en Ken Norton moeiteloos had verpulverd. ‘The Rumble In The Jungle’, gepresenteerd als de grootste bokspartij aller tijden, zou in zijn ogen Muhammad Ali’s zwanenzang worden, de tragische afgang na een glorieuze bokscarrière.

Filmmaker Leon Gast was er met zijn camera getuige van hoe de twee matadoren de strijd met elkaar aanbonden. Op initiatief van de legendarische bokspromotor Don King vond het gevecht plaats in het Afrikaanse land Zaïre, waar hij 10 miljoen dollar voor de twee boksers los wist te peuteren bij dictator Mobutu. In eerste instantie wilde Gast zich volgens dit artikel uit De Filmkrant in de documentaire vooral richten op het bijbehorende muziekfestival, waarvoor onder anderen James Brown, The Spinners en BB King waren ingevlogen. Het kostte hem echter ruim twintig jaar om zijn film gefinancierd te krijgen. In die tijd wijzigde zijn idee over welk verhaal hij wilde vertellen: de muziek werd niet meer dan een smeermiddel voor de grote tweekamp tussen Ali en Foreman. En dat gevecht, en de aanloop ernaartoe, zou de filmmaker laten zien vanuit de underdog met de véél te grote mond, Muhammad Ali. Voor Foreman had hij niet veel meer dan een positie als afschrikwekkende antiheld in gedachten, een bijrol waarmee de man eigenlijk schromelijk tekort werd gedaan.

Gast sprak voor zijn documentaire niet meer met de twee hoofdpersonen zelf, maar voorzag hun lotgevallen in de voormalige Belgische kolonie Congo van context via interviews met de schrijver George Plimpton, de Afro-Amerikaanse filmregisseur Spike Lee en de lokale kunstenaar Malik Bowens. Die laatste schetst overtuigend hoe Ali zich destijds nadrukkelijk positioneerde als een Afrikaanse bokser en zo de plaatselijke bevolking aan zijn kant kreeg. Dat resulteerde zelfs in een soort strijdkreet: ‘Ali, bomaye!’ (Ali, maak hem af!). Dat die andere bokser ook zwart was en eveneens een product van de gesegregeerde Verenigde Staten, deed er even niet meer toe. Dit zou een gevecht worden tussen goed en kwaad. Muhammad Ali liet zich daarin, tussen het uitdelen en incasseren door, opnieuw van zijn patserigste kant liet zien. Toen Foreman de overhand kreeg, fluisterde de man die natuurlijk al met een alligator had geworsteld hem provocerend toe: ‘George, je stelt me teleur. Je slaat niet hard genoeg.’ Waarna zijn opponent ziedend werd en behalve Ali ook zichzelf helemaal naar de kloten sloeg.

Via de nodige om- en zijwegen werkt Leon Gast, die later nog de documentaire The Trials Of Muhammad Ali (2013) zou produceren, uiteindelijk toe naar de apotheose van het genadeloze man-tegen-man gevecht, de vanzelfsprekende climax van deze klassieke documentaire die met diverse filmprijzen, waaronder een Oscar, werd beloond.

Hearts Of Darkness: A Filmmaker’s Apocalypse

Zoetrope

‘Mijn film is geen film. Hij gaat niet over Vietnam, hij ís Vietnam’, zegt regisseur Francis Ford Coppola met gevoel voor drama bij de persconferentie voor zijn film Apocalypse Now op het festival van Cannes in 1979. ‘Zo was het echt. Het was gekkenwerk. De manier waarop we hem maakten is vergelijkbaar met de manier waarop de Amerikanen zich gedroegen in Vietnam. We waren in de jungle, we waren met te veel en we hadden te veel geld en apparatuur. En langzaam maar zeker werden we gierend gek.’

Orson Welles beet zich al eens stuk op het boek Heart Of Darkness van Joseph Conrad. Coppola, helemaal vol van zichzelf na het immense succes van zijn twee Godfather-films, liet zich daardoor niet weerhouden. Hij zag in de aardedonkere klassieker een prima gelegenheid om zijn bedrijf Zoetrope nieuw leven in te blazen. John Milius had het onverfilmbare verhaal enkele jaren daarvoor al in een scenario gegoten. Gesitueerd in een actueel decor bovendien, de Vietnam-oorlog. En dus vertrok de sterregisseur met zijn crew naar de Filipijnen voor wat zijn grootste film moest worden. Coppolas vrouw Eleanor mocht mee om een making of-docu te maken. Ze weet nog altijd niet of haar echtgenoot geen zin had in nóg een professionele filmcrew of haar gewoon bezig wilde houden.

Hoogmoed komt voor de… triomf. Uiteindelijk, tenminste. Eleanor Coppola legde de voorafgaande val van haar man echter genadeloos vast. Ze nam zelfs stiekem privégesprekken met hem op, oorspronkelijk bedoeld voor een productiedagboek. De documentaire-opnamen en interviews zouden jarenlang ongebruikt blijven totdat Eleanor ze overhandigde aan Fax Bahr en George Hickenlooper. Zij strikten de voornaamste hoofdrolspelers voor een interview, onder wie het echtpaar Coppola en de acteurs Martin Sheen, Robert Duvall, Frederic Forrest, Dennis Hopper en Sam Bottoms (die bekent dat hij tijdens de filmopnames hasj, LSD en speed heeft gebruikt en regelmatig onder invloed voor de camera stond) en lieten mevrouw Coppola een verbindende voice-over inspreken. Het resulteerde in 1991, vijftien jaar na de start van de filmopnames voor Apocalypse Now, in de klassieker Hearts Of Darkness: A Filmmaker’s Apocalypse (96 min).

De documentaire brengt de desastreuze filmopnames en het onttakelingsproces bij Coppola zelf haarscherp in beeld. Na slechts een week filmen besluit de regisseur bijvoorbeeld al zijn hoofdrolspeler te vervangen. Harvey Keitel blijkt niet zijn gedroomde captain Willard, Martin Sheen des te meer. Zoals hij tijdens een bloederige scène, stomdronken opgenomen op diens 36e verjaardag, feilloos aantoont. Maar Sheen brengt ook problemen met zich mee. En die heeft Francis Ford Coppola al zoveel: een rammelend script, door tropische regens verwoeste filmlocaties en een peperdure ster, die voor drie weken werk een honorarium van maar liefst drie miljoen dollar heeft bedongen. Ondanks een voorschot van een miljoen weigert Marlon Brando echter mee te denken over wanneer hij naar de Filipijnse jungle afreist. En als hij uiteindelijk toch arriveert in Coppola’s creatieve chaos, blijkt de man zijn tekst niet te kennen. Sterker: heeft de zwaarlijvige acteur Heart Of Darkness eigenlijk wel gelezen?

‘Deze film is een ramp van twintig miljoen dollar’, vertrouwt de regisseur zijn vrouw toe als hij de wanhoop allang voorbij is. ‘Ik denk erover om mezelf dood te schieten.’ Apocalypse Now, een ‘journey into self’ voor Coppola, een confrontatie met zijn eigen ambities en angsten, dreigt een ongelooflijk debacle te worden. ‘Apocalypse When?’ en ‘Apocalypse Forever’, koppen de media al als de draaiperiode, achteraf bezien, nog maar halverwege is. Coppola zinkt intussen zienderogen weg in zijn eigen moeras. Hij zal uiteindelijk 238 filmdagen nodig hebben. Tegen alle verwachtingen in is het resultaat er echter naar: een zinnenprikkelende filmklassieker die de complete gekte van oorlog belichaamt en die bovendien een intrigerende documentaire heeft opgeleverd, die perfect past in de prachtige traditie van films over geniale gekken aan het werk, die eerder docu-evergreens over Werner Herzog (Burden Of Dreams), Terry Gilliam (Lost In La Mancha) en – juist – Orson Welles (They’ll Love Me When I’m Dead) heeft opgeleverd.

Hungary 2018

IDFA

De leiders van de Europese Unie zitten volledig onder de plak bij George Soros.
In Zweden verven blondines hun haren bruin om migranten te plezieren. In dat land worden toevallig ook de meeste vrouwen verkracht.
Engelse kinderdagverblijven nodigen actief transseksuelen uit. En ouders daar laten kinderen van vier tot twaalf jaar zonder problemen een sekseoperatie ondergaan.

Welkom in het Europa van de Hongaarse regeringspartij Fidesz. Centrale thema: de instroom van vluchtelingen. Want: elke anderhalve vluchteling leidt tot zeker vijf nieuwe mensen in het land. Dus: laten we Hongarije een kalifaat worden of niet?

Die anti-migratieboodschap staat ook centraal tijdens de campagne van premier Viktor Orbán voor de parlementsverkiezingen van april 2018. Daarvoor trekken zijn partij-apparatsjiks het hele land door. In sfeerloze zaaltjes spreken ze een roomblank en volledig vergrijsd publiek toe, dat gedwee als klapvee fungeert. Alsof de jaren vijftig nooit zijn voorbij gegaan of alweer ras voor de deur staan.

‘Haat zal dit land vernietigen’, constateert voormalig premier en oppositieleider Ferenc Gyurcsáni, de hoofdpersoon van Hungary 2018 (82 min.). De observerende film van Eszter Hajdú volgt hem als hij het land, tegen beter weten in, probeert te winnen voor zijn linkse, pro-Europese ideeën. Van onvermoeibare campaigner wordt hij gaandeweg een zichtbaar oververmoeide politicus, die voor zijn medewerkers de hoop levend moet houden die hij zelf allang lijkt te hebben begraven.

Want Orbán en zijn Fidesz-partij zijn alomtegenwoordig in het hedendaagse Hongarije: bij verkiezingsbijeenkomsten, in de grotendeels door de regering gecontroleerde media en gewoon op straat, in de vorm van hatelijke leuzen, liedjes en posters. Subtiel is anders. Als een man bij een campagnerally bijvoorbeeld hardop uitspreekt dat Soros de 6.000.001ste had moeten zijn, een naargeestige verwijzing naar het aantal Holocaust-slachtoffers, is er niemand die hem tot de orde roept.

Het is al met al een angstaanjagend beeld dat uit deze film oprijst. Over een land dat nog altijd gewoon deel uitmaakt van de Europese Unie, waartegen het zich zo vaak afzet. De documentaire was in eigen land nog niet te zien, maar de reacties laten zich raden. Uit angst voor represailles hebben veel medewerkers hun naam niet op de aftiteling laten zetten. Hungary 2018 mag dan op zich geen héél bijzondere film zijn, het is wel héél bijzonder dat deze campagnedocumentaire überhaupt is gemaakt.

Oh ja, tot slot: Merkel, May en ook Rutte hebben geen kinderen. Volgens Fidesz-kopstukken betekent dit dat ze niet vooruit kunnen denken.

The War Room

Janus Film

Het is een klassiek geworden scène: de hevig geëmotioneerde campagneleider James Carville spreekt op verkiezingsdag zijn troepen toe. Of Bill Clinton daadwerkelijk president wordt, weet hij dan nog niet. ‘Ik was 33 toen ik voor het eerst naar Washington en New York ging’, stamelt Carville. ‘42 toen ik mijn eerste campagne won. En ik ben dankbaar voor jullie allemaal. Jullie hebben deel uitgemaakt van iets bijzonders in mijn leven.’ Zijn mond trekt, tranen dringen zich op. Niet alleen bij hem. ‘En ik zal nooit vergeten wat jullie hebben gedaan. Bedankt!’

‘The Ragin’ cajun’ Carville en zijn rechterhand, glamourboy George Stephanopoulos, zijn de absolute helden van deze ultieme politieke campagnefilm van de direct cinema-pionier D.A. Pennebaker en zijn partner Chris Hegedus. Hun baas Bill Clinton, die ze slim The Comeback Kid dubden, is hooguit een interessant bijpersonage. Als twee politieke generaals zetten Carville en Stephanopoulos de lijnen uit in The War Room (96 min.), zodat hun kandidaat in 1992 de Republikeinse president George Bush kan verslaan en straks zelf leider van de westerse wereld wordt.

Je zou deze presidentscampagne kunnen zien als het startpunt van de (verdere) verruwing van de Amerikaanse politiek, die uiteindelijk in het reality-tv presidentschap van Donald Trump heeft geresulteerd. Gebruikte gouverneur Clinton een condoom?, wil een journalist bijvoorbeeld weten tijdens de persconferentie van Gennifer Flowers, die claimt jarenlang een affaire te hebben gehad met de presidentskandidaat. Zo ongeveer tegelijkertijd lekt uit dat Bill Clinton in de Vietnam-jaren de dienstplicht zou hebben ontdoken.

Die verhalen zijn volgens James Carville, de vuilgebekte southerner die van zijn hart nooit een moordkuil maakt, allemaal ingestoken door de Republikeinse spin doctor Roger Ailes (die later Fox News zal oprichten en daarmee een jarenlange hetze gaat voeren tegen alles wat links of Democratisch is). Intussen onderhoudt de ‘straight talking’ Carville een relatie met Mary Matalin, de stekelige woordvoerdster van de door hem zo gehate Bush-campagne. Over twee geloven op één kussen gesproken.

Carville en Matalin zijn 25 jaar later nog altijd een koppel. Hun huwelijk heeft de presidentschappen van Clinton, Bush jr. en Obama overleefd. Deze klassieke campagnefilm, die met zijn ongeëvenaarde blik in de machinekamer van een presidentscampagne de standaard heeft gezet voor politieke documentaires, maakte van hen celebrities. Hetzelfde geldt voor de mediagenieke George Stephanopoulos. Hij is al jaren anchor van This Week, het zondagochtendprogramma van de Amerikaanse televisiezender ABC.

In 2008 maakten Hegedus en Pennebaker nog een soort terugblikdocumentaire, The Return Of The War Room, waarin alle hoofdpersonen worden bevraagd over de campagne van ‘92 en hun eigen rol daarin. Dat is geen heel bijzondere exercitie geworden. Op het web is er ook nauwelijks meer iets over te vinden.

Ruim dertig jaar later, in aanloop naar de presidentsverkiezingen van 2024, verscheen er bovendien nog een afzonderlijk portret van de hoofdpersoon van The War Room: Carville: Winning Is Everything, Stupid.

George Best: All By Himself


‘Herinner me maar vanwege het voetbal’, zegt voormalig stervoetballer George Best twee maanden voor zijn dood tegen een interviewer. Het is één van zijn laatste quotes in de documentaire George Best: All By Himself (92 min.). Best realiseert zich dat hij ook onder een andere noemer de geschiedenisboeken in zou kunnen gaan.

Als de vijfde Beatle bijvoorbeeld, één van de allereerste voetbalidolen. Als een onvervalste playboy, die geen Miss World kon weerstaan. Of, het meest voor de hand liggend, als de onverbeterlijke drinkebroer die zijn talent verzoop.

Deze fraaie documentaire besteedt gelukkig ook ruim aandacht aan Georgie Best, de kwikzilveren aanvaller die Manchester United twee landstitels en die felbegeerde Europa Cup I bezorgde, maar ontkomt er niet aan om ook de schaduwzijden te belichten van de man die ooit over zichzelf zei: ‘In 1969 ben ik gestopt met vrouwen en alcohol. Het waren de beroerdste twintig minuten van mijn leven.’