Motherboard

Tull Stories / Autlook / VPRO / vrijdag 13 november, om 20.30 uur, op NPO2 Extra

Ze is er zelf van overtuigd dat ze het allerlaatste moment dat haar zoon nog écht een kind was heeft vastgelegd. Jim is een jaar of dertien en samen met haar, zijn moeder, op vakantie in Lissabon. Hij dartelt langs het strand, springt over de golven en zegt dat ie van haar houdt. Tegelijk spreekt het ontwapenende joch ook voor het eerst uit dat ie zijn vader wil ontmoeten.

Daar zit een heel verhaal achter, weet zij, zijn moeder Victoria Mapplebeck. Ze was 38 toen ze zwanger van die man raakte. Ze hadden elkaar leren kennen via een datingbureau en waren welgeteld vier keer samen uit geweest. Toen hij een vaderschapstest wilde doen, om zeker te weten dat Jim echt zijn zoon was, wist Victoria het zeker: ze zou het verder alleen moeten doen.

Met haar camera heeft ze sindsdien vastgelegd hoe haar kind is opgegroeid. Als Jim contact wil opnemen met zijn vader, heeft Victoria alleen net heel slecht nieuws gehad, dat alles op het spel zet. Ook dan blijft zij, de voormalige televisiemaker, hun leven echter documenteren. Motherboard (86 min.) is de intieme weerslag van hoe het de twee verder vergaat, in tijden die veel van hen vragen.

Met bij elkaar geklutste privébeelden, gesprekken, voicemails en social media-posts heeft Mapplebeck een verhaallijn gedestilleerd uit de twintig jaar waarin ze als alleenstaande ouder, zo goed en zo kwaad als dat ging, zowel samen met hem als soms ook tegenover haar zoon, Jim naar volwassenheid probeert te loodsen. Daarbij is die afwezige vader altijd aanwezig op de achtergrond.

Deze egodocu lijkt soms net zo chaotisch als het leven zelf. Achteraf valt daar misschien een idee uit te halen, maar op het moment dat het wordt geleefd, in het hier en nu, is er vaak ook geen touw aan vast te knopen. Mapplebeck heeft de verleiding weerstaan om van alle gebeurtenissen, met de wijsheid van nu, een nette vertelling te maken, maar voor een buitenstaander was dat soms wel prettig geweest.

Motherboard heeft overigens wel degelijk structuur. Flashbacks verbinden bijvoorbeeld het heden en verleden, via liedjes en grapjes voor ingewijden. De film voelt echter als een grabbelton van gesprekjes, ervaringen en gevoelens, die met een bruuske beweging is omgekieperd. Waardoor iedereen soms even de weg kwijtraakt en dan in die symbiotische moeder-zoon relatie toch weer iets van zijn gading vindt.

Soldier’s Bones

Zeppers

De Vietnamoorlog die iedereen allang spuugzat was, kon volgens de Amerikaanse generaal Julian Ewell wel degelijk nog gewonnen worden. Hij initieerde eind 1968 in het zuidwesten van Vietnam de omstreden operatie Speedy Express, die hemzelf de bijnaam ‘The Butcher Of The Delta’ opleverde. De militaire campagne van het Amerikaanse leger in de zogeheten Mekongdelta, die tot halverwege 1969 duurde, kostte naar verluidt bijna 11.000 Vietcong-strijders het leven. Toch werden er in totaal nog geen 750 wapens ingenomen.

Waren dit echt vijandelijke strijders? vroeg de 27-jarige Newsweek-journalist Alec Demitri Shimkin zich dus begin jaren zeventig af. Of had de Negende Infanterie Divisie van het Amerikaanse leger Ewells parool ‘kill anything that moves’ letterlijk genomen en gewone Vietnamezen vermoord? Shimkin beet zich vast in de zaak en verdween daarna van de aardbodem. Sinds 1972 werd er niets meer van hem vernomen. In de documentaire Soldier’s Bones (90 min.) neemt de Nederlandse documentairemaker Kasper Verkaik ruim vijftig jaar later het stokje van hem over.

Aan de hand van ingelezen brieven die Alec Shimkin tijdens zijn speurwerk naar het thuisfront stuurde reconstrueert hij diens diepgravende onderzoek. Verkaik weet ook getuigen op te sporen die nader licht werpen op Operation Speedy Express. Met Shimkins zus Eleanor, verloofde Mary Ann, nicht Barbara, beste vriend Bill en enkele collega’s in Vietnam probeert hij bovendien vat te krijgen op de idealistische Amerikaanse journalist, die eerst actief was in de burgerrechtenbeweging en later besloot om de omstreden oorlog in Zuidoost-Azië te gaan verslaan.

Deze kalme en sfeervolle reis door het hedendaagse Vietnam is aangekleed met huiveringwekkende beelden uit dat zwarte verleden en wordt zo meteen een hypnotische tocht naar het ‘heart of darkness’ van de oorlog – en het hart van een jonge man die weigerde om zich neer te leggen bij oorlogsmisdaden en die ervan overtuigd raakte dat hij een belangrijk verhaal op het spoor was gekomen. ‘Death is our business’, stond er volgens Shimkin op één van de Amerikaanse helikopters, die dood en verderf zaaiden in de Mekongdelta. ‘And business is good.’

In de Verenigde Staten zat, na de commotie rond het bloedbad in het dorpje My Lai in 1968, echter niemand te wachten op nóg een voorbeeld dat de oorlog in Vietnam niet deugde. Met Alec Shimkin verdween dus ook het verhaal van Operation Speedy Express in een nooit meer te openen bureaulade, die Kasper Verkaik nu vol overtuiging openrukt.

Rock Hudson: All That Heaven Allowed

HBO

Laten we zeggen dat er een Rock Hudson was – en een Roy Fitzgerald. Hudson was ‘the most wanted man in America’, de Adonis van de jaren vijftig en zestig. De ideale protagonist voor elke Hollywood-film: charmant, toegankelijk en verduiveld knap. Elke vrouw werd verliefd op hem en elke man wilde op hem lijken. En daarnaast was er dus Fitzgerald, kind van gescheiden ouders, net uit de marine én homoseksueel. ‘Een seksuele gladiator,’ aldus de schrijver Armistead Maupin, die nog een omstreden rol in zijn leven zou spelen.

Dat Rock Hudson (1925-1985) in werkelijkheid Roy Fitzgerald was, was een publiek geheim in Tinseltown. Hij had niet voor niets onderdak gevonden bij Henry Willson, een Hollywood-agent die jonge, stoere jongens verzamelde – niet alleen voor professionele doeleinden. Willson zorgde ervoor dat de bladen over romances van Hudson met allerlei dames schreven en regelde uiteindelijk zelfs een echtgenote voor hem: zijn eigen secretaresse Phyllis Gates. Zo kon de Amerikaanse acteur zich voor het grote publiek in zijn kast blijven verschuilen. En dat is natuurlijk ook het centrale thema van Rock Hudson: All That Heaven Allowed (104 min.), een aangrijpende documentaire van Stephen Kijak.

Homoseksualiteit kreeg soms overigens wel degelijk een plek in Rock Hudsons films: als een truc om alsnog de ‘love interest’ van de desbetreffende rolprent, Doris Day bijvoorbeeld, voor zich te winnen. Het was een slinkse streek: de stiekeme gay moest een macho spelen die homoseksualiteit voorwendde om een vrouw te scoren. Met die wetenschap zijn sommige scènes buitengewoon ongemakkelijk om te bekijken. Kijak maakt daarvan slim gebruik. Hij recyclet allerlei fragmenten uit Hudsons filmografie en geeft die een rol in zijn visie op diens leven, dat op tragische wijze ten einde komt: Hudson wordt de eerste beroemdheid die en public public bezwijkt aan ‘the gay plague’, AIDS.

Thematisch sluit deze film aan bij de klassieke documentaire over homoseksualiteit in Amerikaanse speelfilms, The Celluloid Closet (1995), en het meer recente Scotty And The Secret History Of Hollywood (2018). Deze films tonen een entertainmentwereld, waarin alleen de buitenkant telt. Ook voor heren. Zij waren gehouden aan een eendimensionaal beeld van de man als koene ridder, eenzame held of geraffineerde ladiesman en moesten dat imago permanent beschermen. Als een tabloid lucht kreeg van het verborgen leven van een beroemdheid, kwamen er onvermijdelijk suggestieve verhalen. Ook Hudson leefde continu met de angst dat hij zou worden ontmaskerd.

Veelal buiten beeld schetsen vrienden, collega’s en ex-geliefden, met soms wel erg plastische herinneringen aan de Rock, in deze film een levendig beeld van de steracteur, zijn imago en de identiteit die daarachter schuilging. Buitengewoon aangrijpend is het relaas van actrice Linda Evans. In de serie Dynasty had zij een zoenscène met de acteur, die destijds nog geheim hield dat hij AIDS had. Toen bekend werd dat hij ziek was, werd ook zij gemeden. ‘Waar is je menselijkheid?’ vroeg ze zich af. ‘Waar is je compassie? En wat is er toch aan de hand met deze wereld?’ Evans ervoer, kort en relatief oppervlakkig, de attitude die haar tegenspeler vreesde.

En Rock Hudson zelf – of moeten we toch Roy Fitzgerald zeggen? – werd vervolgens in harteloze roddelbladen gereduceerd tot ‘the hunk who lived a lie’. Daarmee is hij tevens een symbool geworden, laat Stephen Kijak treffend zien in deze alternatieve Hollywood-film. Van een minderheidsgroep, samenleving en tijd – en tegelijk van iedereen die niet zichzelf kan zijn, elk land waar geen werkelijke vrijheid bestaat en zogezegd dus van alle tijden.

Hunger Ward

Abeer is zes jaar oud en weegt vijftien pond. Vijftien. Pond. Met grote ogen kijkt ze toe hoe een zuster van de Aslam-kliniek in het Noorden van Jemen een naald inbrengt in haar linkerarmpje. Het meisje gaat aan het infuus. Om te redden wat er nog te redden valt.

Even later zit ze wezenloos voor zich uit te staren, in een ruimte met allemaal vrouwen in zwarte boerka’s met net zo’n weerloos hummeltje op hun schoot. ‘Hebt u genoeg geld om haar te kunnen voeden?’ vraagt zuster Mekkia Mahdi aan Abeers vader. Het antwoord laat zich raden. ‘Lach één keer naar me’, probeert de zuster het ondervoede meisje nog een reactie te ontlokken. Abeer heeft haar echter niet meer dan een flauwe glimlach te bieden, terwijl ze met haar vader het ziekenhuis verlaat. Op weg naar een ongewisse toekomst in dat troosteloze land.

Andere kinderen verlaten de Hunger Ward (40 min.) als ze hun laatste adem al hebben uitgeblazen. De hongersnood in Jemen is alomtegenwoordig. Het leven van twee miljoen kinderen hangt aan een zijden draadje. En ook de oorlog zelf kan ze nog te pakken krijgen. Het is allemaal vervat in die blik van Abeer: de tristesse, het lijden, de totale verslagenheid. Gevangen in een vicieuze cirkel van oorlog en honger, die zo nu en dan ook van deze gestileerde, indringende en voor een Oscar genomineerde korte documentaire van Skye Fitzgerald een moedeloos makende bedoening dreigt te maken.

Bij gebrek aan licht aan het eind van de tunnel, zijn er alleen de onvermoeibare ziekenhuismedewerkers die voor licht en verlichting zorgen: Zij vertegenwoordigen de hoop tegen wil en dank. Dagelijks brengen ze dat ene, ondanks alles troostrijke, uitgangspunt in de praktijk: het redden van één mensenleven is als het redden van de complete mensheid.