Welfare

IDFA

Je geld voor je leven. Daar komt het simpelweg op neer, aan de balie van de sociale dienst. In ruil voor een uitkering wordt je complete bestaan binnenstebuiten gekeerd. Aan de andere kant van die balie begint iemand – streng, begripvol, bureaucratisch, verveeld of, hopelijk, menselijk – je het hemd van het lijf te vragen. Alles moet op tafel: je werkeloosheid, beperking, huwelijk, verslaving en/of dakloosheid. Aan één balie, in een kantoortuin. Om je heen zitten mensen zoals jij. Minkukels, outsiders, losers… Althans, zo voelt het.

Mensen die hopen dat jij opschiet, anderen die lusteloos hun tijd uitzitten. Sommigen staan in je nek te hijgen, anderen onderbreken rustig jouw gesprek. Frederick Wiseman (Titicut Follies / High School), de grootmeester van de direct cinema, kijkt ook mee en tekent in Welfare (167 min.) uit 1975 de gesprekken op tussen medewerkers van een sociale dienst in New York en hun cliënten over Amerikaanse varianten op burgerservicenummers, echtscheidingspapieren, belastingformulieren, medische dossiers en toeslagen. Het is alsof je er, een halve eeuw later, naast staat en stiekem meekijkt en -luistert.

Dat is meteen de kracht en de zwakte van deze documentaire-klassieker. Met hedendaagse ogen bekeken, die al een overload aan d’rop & d’rover social media-filmpjes hebben aanschouwd, duren die (intake)gesprekken, werkoverleggen en terzijdes, waaronder het eindeloze gebekvecht tussen een zwarte portier en een veteraan die zich uiterst racistisch uitlaat, echt veel te lang. Er lijkt nauwelijks verschil te bestaan tussen de vertelde tijd, de totale lengte van het door Wiseman gefilmde beeldmateriaal, en de verteltijd, de lengte van de scène die hij van dat gefilmde materiaal heeft gemaakt.

Toen Frederick Wiseman Welfare maakte, was het feit dat hij het reilen en zeilen bij een uitkeringsinstantie überhaupt kon filmen waarschijnlijk al bijzonder genoeg. Een kleine vijftig jaar later wreekt het lage verteltempo zich echter een beetje. Voor 21e eeuwse kijkers worden sommige scènes, die regelmatig de tien minuten-grens doorbreken, bijna een bezoeking. Een strenge eindredacteur zou Wiseman voor dit materiaal nu hooguit anderhalf uur hebben gegeven. En dan zou de boodschap van deze observerende zwartwit-film nog heel overtuigend over het voetlicht zijn gebracht.

Want dat mensen die een uitkering willen volledig afhankelijk zijn van de goodwill van de mensen die hun aanvraag behandelen en het bureaucratische systeem waarbinnen die moeten werken is vanaf de allereerste seconde van Welfare glashelder. En dat stemt wanhopig, maakt strijdbaar of slaat juist murw. Als je je complete leven hebt overlegd en dan maar moet afwachten totdat – óf! – die check komt.

High School

Kanopy

Zó herkenbaar. Voor vrijwel iedereen, ook in Nederland. De lange gangen om eindeloos in te verdwalen, betweters met de gave des woords (althans, dat vinden ze zelf), de reprimandes van de conciërge of een andere ouwe ziel die het (weer) beter weet, gymles en manieren om daar onderuit te komen en dat enkele uurtje in de week, met die ene leraar of lerares die het wél begrijpt of wél weet wat er nu speelt, waarop al je vriend(inn)en, belangrijke bezigheden zoals rondhangen of keet trappen en die ene onbereikbare liefde heel even pas op de plaats maken.

In wezen is er in de dikke halve eeuw die is verstreken sinds Frederick Wiseman zijn tweede documentaire High School (74 min.), na ‘s mans schokkende debuutfilm Titicut Follies, heeft afgeleverd, relatief weinig veranderd. De gangen zijn nog steeds lang, sommige leraren oersaai en de liefde doorgaans even onbereikbaar. Hooguit was het onderwijs destijds, eind jaren zestig, nog vooral eenrichtingsverkeer, dat veelal in traditioneel klassikaal verband werd opgediend aan een vrijwel volledig wit publiek. Met tamelijk traditionele opvattingen over jongens en meisjes bovendien. Bij de typeles zit bijvoorbeeld nauwelijks een manspersoon.

Tegelijkertijd waart ook de geest van de sixties wel degelijk rond op de Northeast High School in Philadelphia. Een jeugdige lerares legt, met een elpeehoes van Simon & Garfunkel in de hand, uit wie van de twee zangers Paul Simon is en wie Art Garfunkel, waarna ze met zijn allen heel geconcentreerd naar het duo gaan luisteren. Een leraar vraagt zijn leerlingen wie van hen lid wil zijn van een gemengde club en of dat nog verandert als de helft van de leden, of meer, zwart is. En een oudere lerares leest geëmotioneerd een brief voor van een oud-leerling, een jongen zonder ouders die een thuis vond op school en inmiddels als soldaat dient in Vietnam. 

Wiseman heeft in het voorjaar van 1968 vijf weken gefilmd op de middelbare school in Pennsylvania. In zijn kenmerkende observerende stijl, in fraai zwart-wit, legt hij met dat materiaal de interne machinerie van de Amerikaanse leerfabriek vast. Zonder vaste hoofdpersonen, met scènes die de tijd krijgen. Én met betrokken/bemoeizuchtige ouders, ook toen al. ‘Het is mijn leven’, zegt een leerling, met een nogal dominante vader, tijdens een gesprek op school over haar toekomst. ‘Wat ik wil worden is belangrijker dan wat hij voor mij wil.’ Daarmee is de kous alleen niet af. Bij vertrek wil pa toch nog even kwijt dat hij zou willen dat ze ‘net zo slim als sterk’ was.

Ook dat is nog altijd zó herkenbaar: generatieconflicten waarbij ouders, leraren en kinderen stuk voor stuk het beste voor ogen hebben, maar daar totaal andere dingen onder verstaan.

High School is hier te bekijken.

Titicut Follies


Ruim vijftig jaar geleden maakte hij met zijn eerste film Titicut Follies (84 min.) direct het pièce de résistance van zijn omvangrijke oeuvre. Anno 2018 is Frederick Wiseman, die inmiddels tegen de negentig loopt, echter nog altijd actief als documentairemaker. Zijn nieuwste film Monrovia, Indiana, over het leven in een vaak vergeten deel van de Verenigde Staten, komt aan het eind van deze maand uit.

In Titicut Follies uit 1967 begeeft Wisemans observerende camera zich in het Bridgewater State Hospital, waar veroordeelde psychiatrische patiënten met wel héél weinig compassie worden behandeld. Hij vangt talloze indringende scènes, die in deze klassieke direct cinema-film zonder enige opsmuk worden gepresenteerd. De camera volgt simpelweg de handelingen in beeld, die sober zijn gemonteerd. Interviews, muziek en andere mogelijke toevoegingen blijven achterwege. Dit is de rauwe waarheid. Tenminste, zoals Wiseman hem toentertijd zag. In grauw zwart-wit.

Vijftig jaar verder, en een hele stortvloed aan schokkende beelden, doet de film nog altijd pijn aan je ogen. Bijvoorbeeld als je ziet hoe een poedelnaakte man, die verward en verweesd op de gang staat, wordt getreiterd door de begeleiders die hem eigenlijk terzijde zouden moeten staan. Hij belandt uiteindelijk in een separeerruimte, alleen en bevuild. Een zielig hoopje mens. Ook uiterst ongemakkelijk: hoe een andere patiënt een slang in zijn neus krijgt gepropt en verplicht wordt gevoed. De dokter haalt er zijn sigaret niet voor uit zijn mond. De liefdeloosheid straalt er vanaf.

Het totale gebrek aan privacy, zowel in de instelling zelf als in deze film, is bovendien ronduit schrijnend. De vraag is onvermijdelijk: willen we dit zien? De lange monoloog bijvoorbeeld, van een geëxalteerde man die ogenschijnlijk louter wartaal uitslaat. Totdat je woorden als ‘christ’, ‘nigger’ en ‘sick boy’ meent te onderscheiden. Hij sluit af met het slaan van een kruis en een herhaaldelijk uitgesproken ‘amen’. Zogenaamd fier, maar volstrekt machteloos. Of de jonge kerel die tijdens uitgebreide praatsessies door een psychiater, met een bijna karikaturaal buitenlands accent, aan de tand wordt gevoeld over zijn seksuele voorkeuren en het misbruik van een elfjarig meisje.

Als we deze beelden al zouden wíllen zien, is het nog de vraag of we ze mógen zien. Er was de staat Massachusetts, die Wiseman nochtans toestemming had gegeven om te filmen, destijds in elk geval veel aan gelegen om de documentaire te verbieden. Titicut Follies deed te veel kwaad – en maakte kwaad. De debuterende filmmaker had de privacy van de geportretteerden geschonden, betoogden ze bij de rechter. Na enkele vertoningen op festivals verdween de documentaire dan ook achter slot en grendel. Pas 25 jaar later werd Wisemans debuut officieel vrijgegeven.

Met deze nog altijd schokkende documentaire legde Frederick Wiseman in de jaren zestig al een blauwdruk neer voor zijn latere werk. Met zijn observerende films – een term waarover hij zelf overigens niet zo enthousiast was, omdat die volgens hem suggereerde dat hij als maker geen dwingende keuzes maakte – zou de filmer zich in de navolgende decennia buigen over Amerikaanse instituties zoals de middelbare schoolhet ziekenhuis en de sociale dienst en hoe de mens zich daarbinnen staande probeert te houden.