Yiya Murano: Muerte A La Hora Del Té

Netflix

Ruim tien jaar na haar dood geniet Yiya Murano (1930-2014) nog altijd een even opmerkelijke als bedenkelijke heldenstatus in Argentinië. Ze leeft voort in talloze memes. De elegante dame van middelbare leeftijd, die zo lijkt te zijn weggelopen uit een moordmysterie van Agatha Christie, wordt eind jaren zeventig beschuldigd van drie geraffineerde moorden. Bij de thee die ze haar buurvrouwen voorzet, heeft ze vermoedelijk ook cyanide geserveerd. Maar hoe?

Over Yiya’s motief is weinig twijfel in de documentaire Yiya Murano: Muerte A La Hora Del Té (104 min.): na een door haar opgezet piramidespel heeft ze bij elk van de  vrouwen een schuld uitstaan. Die hoeft ze nu niet te voldoen. De zaak tegen ‘de gifmengster van Monserrat’ lijkt zonneklaar – ook al blijft haar echtgenoot Antonio heilig in haar onschuld geloven. Yiya’s eigen zoon Martín Murano, die later een boek aan zijn moeder zal wijden, treedt zelfs als getuige à charge op in El Caso Yiya. Hij is ervan overtuigd dat hij het kind van een moordenares is.

Regisseur Alejandro Hartmann diept deze geruchtmakende geschiedenis, waarvan de Argentijnse media (en Yiya zelf) maar geen genoeg krijgen, op met Martín en enkele direct betrokkenen, lardeert hun herinneringen met krantenkoppen, reportages en televisie-interviews en illustreert dit geheel weer uitbundig met nogal vet gereconstrueerde scènes, voor een belangrijk deel in zwartwit. De kwestie krijgt daarmee bijna een soapy karakter, alsof die drie uiterst verdachte sterfgevallen vooral geschikte gespreksstof zijn voor een theekransje.

Zo lijkt de zaak zelf in Argentinië ook te zijn behandeld. Yiya groeit uit tot een cultureel fenomeen. Ze wordt een graag geziene gast in televisieprogramma’s, krijgt haar eigen musical en maakt haar reputatie zelf ook ongegeneerd te gelde. En zoonlief Martín, voormalig stuntman, profiteert op zijn eigen dubbelzinnige manier mee. Zo moeder, zo zoon, klinkt ’t niet voor niets in deze, jawel, vermakelijke combinatie van moordmysterie en ‘celebrity’-portret.


David Holmes: The Boy Who Lived

HBO Max

Misschien was hij wel net zoveel Harry Potter als acteur Daniel Radcliffe. Hij haalde als ‘stunt double’ immers de halsbrekende toeren uit in de Potter-films. David Holmes vloog op een bezemsteel, viel zo ongeveer overal vanaf en vocht met elk denkbaar monster. Althans, in de eerste zes films. Tijdens de opnames voor nummer zeven, Harry Potter And The Deathly Hallows – Part 1 (2010), in januari 2009 werd David bij de repetities voor een episch gevecht met een slang met gigantische snelheid tegen een muur gesmeten. Er bleef een zielig hoopje mens achter.

‘Hij zei letterlijk meteen: ik heb mijn nek gebroken’, herinnert zijn vriend en collega Marc Mailley zich geëmotioneerd. ‘Hij kon ’t zelfs aanwijzen met zijn hand: híer, ik kan ’t voelen.’ En hij kon volgens Harry Potters stuntcoördinator Greg Powell, die kampt met een fiks schuldgevoel, ook zijn benen niet meer voelen. ‘Hij had meteen door wat er aan de hand was.’  De stuntman wilde de waarheid liever meteen onder ogen zien, vertelt hij in David Holmes: The Boy Who Lived (86 min.). Tegen de artsen zei Holmes: ik ben vanaf mijn middel verlamd en word nooit meer beter. Dat klopt toch?

Op dat moment lijkt deze documentaire van Dan Hartley nog een zeer optimistische film te worden. Over een man die, letterlijk, niet kapot is te krijgen. Een levenskunstenaar, die uiteindelijk alle malheur van zich af kan laten glijden. Dave is dan bijvoorbeeld al ‘een jongen zonder angst‘ genoemd door zijn ouders Andy en Sue. En gekenschetst als ‘een ideale vriend’ door zijn (stunt)collega’s bij de Harry Potter-films. Zij zien echter ook dat Holmes’ gezondheid alleen maar slechter wordt. Volgens Daniel Radcliffe noemt hij zijn aandoening inmiddels ‘the gift that keeps on taking.’ 

‘Verlamming is net een gevangeniscel’, legt de hoofdpersoon zelf uit. ‘Zo claustrofobisch. En voor mijn gevoel wordt die cel steeds kleiner en kleiner. Totdat het lijkt alsof ik zit opgesloten in een doodskist.’ Dat gevoel ontneemt zelfs een rasoptimist het laatste restje levenslust, zou je zeggen. Dat is echter buiten David Holmes gerekend. In het ontroerende portret The Boy Who Lived wordt hij stapsgewijs gebroken, zowel fysiek als mentaal, totdat er weinig meer van hem over lijkt en probeert hij tóch, op de één of andere Godsonmogelijke manier, heel te blijven.

Crucified At 2 P.M.

DR Sales

‘Drink water’, luidt het bericht. ‘Er is iets mis met je maag.’ De Deense filmmaker Lasse Spang Olsen neemt de waarschuwing niet al te serieus. Het sms’je is afkomstig van een extreem-religieuze man die hij onlangs heeft gefilmd in de Filipijnen. Al 26 jaar laat die zich elk jaar kruisigen.

Ruim vier uur later ligt Spang Olsen volgens eigen zeggen in een ambulance. Want er blijkt wel degelijk iets mis met zijn maag. Eenmaal in het ziekenhuis krijgt hij te horen dat hij maar beter afscheid kan nemen van zijn geliefden. Het is niet zeker dat hij deze aandoening zal overleven. De voormalige stuntman is de wanhoop nabij: had hij nu maar een God om tegen te praten!

Eenmaal genezen besluit hij, de ongelovige Europeaan, om naar de Filipijnse provincie Pampanga te vertrekken om, net als veel plaatselijke bewoners, dat gesprek maar eens aan te gaan. Als zij iets willen van de Heer, moeten ze daar echter wel wat terug voor terugdoen. Kruisiging bijvoorbeeld. Want voor wat hoort wat. En dus zal ook Spang Olsen eraan moeten geloven in Crucified At 2 P.M. (45 min.).

Dat is de bizarre premisse voor deze surrealistische film. De hoofdpersoon en maker ervan begint, dertig dagen voor de heuglijke gebeurtenis, eerst met het lezen van de Bijbel. Daarna kan hij gedoopt worden, een doornenkroon kopen en de nagels inspecteren waarmee hij straks aan het kruis wordt gehamerd. Het blijken essentiële rituelen, voor een ronduit onwerkelijke onderneming.

Daarbij dringt zich de vraag op of dit gewoon de zoveelste stunt van een professionele ‘thrillseeker’ is of toch de oprechte zoektocht naar zingeving van een overtuigde atheïst? Alleen Spang Olsen kan het antwoord geven. Zeker is dat de filmmaker in hem zich nooit helemaal overgeeft aan de ervaring. Eenmaal in positie kan hij het bijvoorbeeld niet laten om een klassiek Monty Python-liedje te zingen.

Het ontbreekt er alleen nog aan dat hij en de andere gekruisigden vervolgens het bijbehorende deuntje beginnen te fluiten. En natuurlijk – tis tenslotte een film die na het ‘point of no return’ een heldere afronding moet krijgen, liefst in de vorm van een happy end – zet de hele ervaring hem aan het denken. Zou er dan toch, ook al is het dan misschien geen God, meer zijn tussen hemel en aarde?