Beware Of Mr. Baker

Zelden zal de spanning tussen de hoofdpersoon en maker van een documentaire zo treffend zijn uitgedrukt als in de openingsscène van Beware Of Mr. Baker (92 min.). Na een hoog opgelopen meningsverschil over wie er hun zegje over hem mogen doen in ‘zijn’ film mept meesterdrummer Ginger Baker Jay Bulger met zijn wandelstok tegen het hoofd. De documentairemaker blijft letterlijk bloedend achter. Hij had het kunnen weten: waar Ginger komt, komt ruzie.

Onder het voorwendsel dat hij een journalist van het tijdschrift Rolling Stone is, volgens hemzelf een totale leugen, trekt Bulger in 2009 tijdelijk in bij Baker in Zuid-Afrika en schrijft, inderdaad, een artikel voor Rolling Stone over De Doldrieste Drummer. En daarna, in 2012, volgt deze messcherpe, dolkomische en opwindende film over de man die furore maakte bij uiteenlopende acts als Cream, Blind Faith, Fela Kuti, Hawkwind, Public Image Ltd en Masters Of Reality en wordt beschouwd als één van de beste drummers van de twintigste eeuw. Of het nu gaat om rock, jazz of afrobeat.

Voor lieden als Baker is tegelijkertijd het begrip ‘enfant terrible’ uitgevonden. Als hij Bulger zijn levensverhaal vertelt, dreigt er dan ook voortdurend onenigheid. ‘En toen besloot Alexis om Graham bij de band te vragen’, vertelt de slagwerker bijvoorbeeld over het begin van zijn carrière in Alexis Korner’s Blues Incorporated. ‘Kun je iets meer context geven over wie je het dan hebt?, vraagt Jay Bulger. ‘Dat heb ik net gezegd, for fuck’s sake.’ Bulger laat zich de kaas echter niet van het brood eten: ‘Je zei alleen: Graham. Niemand weet wie Graham is.’ Baker, met zichtbare tegenzin: ‘Graham Bond was een vette kerel.’

Tussen de boude statements, middelvingers en cynische rokerslachjes door heeft de hork eerste klas natuurlijk wel degelijk een fascinerend verhaal te vertellen. Zijn zus, echtgenoten en kinderen, directe collega’s als Eric Clapton, Jack Bruce en Steve Winwood, en zijn vakbroeders Nick Mason (Pink Floyd), Stewart Copeland (The Police), Lars Ulrich (Metallica), Tony Allen (Fela Kuti) en Chad Smith (Red Hot Chili Peppers) kaderen dat verder in. En Bulger kleedt het aan met prachtig archiefmateriaal, treffende animaties en – natuurlijk! – dampende muziek, die de film een opwindend ritme geeft.

’Beschouw je jezelf als een tragische held?’ wil Jay Bulger op een gegeven moment weten van zijn volledig losgeslagen protagonist. ‘Ga door met het interview’, reageert die geïrriteerd. ‘Stop met je pogingen om een intellectuele eikel te zijn.’ Gaandeweg komt de filmmaker in deze kostelijke film echter toch vervaarlijk dicht in de buurt van de enige echte Ginger Baker: maniak, dopehead én absolute werelddrummer.

Unknown Brood


Provocerend gesteld: Herman Brood is de ideale rock & roller voor mensen die eigenlijk niet van rock & roll houden. Of beter: voor mensen die de rock & roll-levensstijl verkiezen boven de muziek. Zoals je hem ook de ideale kunstenaar kunt noemen voor mensen die eigenlijk niet van kunst houden. Of: de troeteljunk van mensen die drugsverslaafden het liefst uit hun eigen straat verjagen. Ik draaf door…

Regisseur Dennis Alink probeert in deze krachtige film de Unknown Brood (85 min.) te vinden, de man achter het fenomeen. Volgens eigen zeggen was die mensenschuw, sociaal onhandig en ‘allergisch voor gezelligheid’. Speed hielp hem over de drempel om ‘Herman Brood’ te worden. Zonder drugs zou hij niet oud zijn geworden, denkt zijn jongere zus Beppie zelfs. Achteraf bezien was er in zijn leven en werk altijd al een doodswens aanwezig, die in 2001 culmineerde in die fatale sprong van het Hilton.

Alink voert in zijn documentaire de gebruikelijke Brood-mythevormers op: de onvermijdelijke manager Koos van Dijk, de onvermijdelijke oud-bandleden en de onvermijdelijke biograaf Bart Chabot. Stuk voor stuk lijken ze hun bestaansrecht te ontlenen aan de jaren in het kielzog van de rock & roll junkie. Behalve zulke usual suspects komen ook intimi als Hennie Vrienten, Willem Venema en Anton Corbijn aan het woord. De echte meerwaarde zit echter bij Broods openhartige vrouw Xandra en kinderen, zijn ex-vriendin Dorien (die hem inspireerde tot Doreen) en zijn nuchtere zus. Zij openen de deur naar de Herman die Brood liever verborgen hield.

‘Herman en ik zeiden wel eens tegen elkaar dat we last hadden van een gelukkige jeugd’, beweert Beppie Brood stellig. Hij speelde in het openbaar echter liever de getormenteerde artiest, die een beroerde jeugd had gehad als loensend, gepest jongetje. Het was slechts één van de elementen van het trucje ‘Herman Brood’, dat gretig aftrek vond bij gulzige journalisten en televisiemakers, die zich hier in allerlei archieffragmenten van hun meest schaamteloze kant laten zien. Brood documenteerde daarnaast met een filmcamera zijn eigen leven. In rafelige homevideo’s tekent hij opmerkelijk afstandelijk zijn eigen aftakeling op.

Naarmate de documentaire vordert wordt het verval steeds zichtbaarder. Hij had dat zelf ook maar al te goed door. Herman wilde, in de woorden van die andere speedkikker Jules Deelder, niet eindigen als ‘een halfje Brood’. Tegelijkertijd zag hij er ook wel de (donkere) romantiek van in, getuige de vergelijking die hij in een interview trekt met de aan een overdosis bezweken stand up-comedian Lenny Bruce (van wie hij volgens de overlevering de kreet Shpritsz leende). Waarna Neerlands bekendste rock & roller uiteindelijk die al meermaals in bijzinnen, grapjes en songs aangekondigde stap in het diepe waagde en met het beëindigen van zijn leven nog eenmaal zijn imago bestendigde.

Van buitenaf bezien en met de wetenschap van nu lijkt Broods hele bestaan een soort uiting van het onvermogen om gewoon te leven. En juist dat maakt hem, en deze film die het beeld van een wankelend rock & roll-cliché behoorlijk kantelt, zo aangrijpend. Mens onder de mensen. Zelfs als je Herman Brood bent – of speelt.

Een fenomeen als Herman Brood vormt dankbaar documentairemateriaal. Rock ‘N Roll Junkie is bijvoorbeeld een klassieke docu uit 1994 over Neerlands bekendste rock & roller, gemaakt door vier overtuigde Brood-liefhebbers. Daarin zien we Brood zoals we hem kennen: cool, geil en high.

In Buying The Band, dat begin dit jaar een bescheiden hype werd in popland Nederland, is te zien hoe enkele leden van Herman Broods voormalige begeleidingsband, The Wild Romance, helemaal zijn blijven hangen in de rock & roll-lifestyle van weleer. De uiterst vermakelijke film van Teus van Sintmaartensdijk laat zien hoe ondernemer en would be-drummer Jan ’t Hoen zich inkoopt in de band en met hen onder de noemer Romanza Brava on the road gaat. De ontwikkelingen die hij zo in gang zet, zijn even voorspelbaar als komisch.

Dig!

Oscilloscope

Not If You Were The Last Junkie On Earth, de eerste hit van The Dandy Warhols uit 1997, werd direct vilein gecounterd door The Brian Jonestown Massacre met Not If You Were The Last Dandy On Earth. Het was natuurlijk ook de wereld op zijn kop: Anton Newcombe’s band had de ‘next big thing’ moeten worden, maar de groep van zijn vriend/rivaal Courtney Taylor-Taylor ging er met de eer vandoor.


Dat ‘onrecht’ vormt het hart van de bruisende rockdoc Dig! uit 2004, waarvoor Ondi Timoner beide rockbands gedurende zeven jaar op de voet heeft gevolgd. In die periode kreeg Taylor-Taylor (tevens de verteller van deze film) steeds meer succes, terwijl Newcombe gaandeweg he-le-maal uit de bocht vloog. Totdat het zelfs te veel werd voor zijn trouwe secondant Joel Gion, die jarenlang met een veel te grote zonnebril op en een tamboerijn in de hand naast hem op het podium übercool stond te wezen.

Want de decadente levensstijl waarmee The Dandy Warhols uitbundig flirtten en uiteindelijk ook scoorden – met als meest tastbare resultaat de door een commercial tot wereldhit gebombardeerde kraker Bohemian Like You – werd door The Brian Jonestown Massacre daadwerkelijk geleefd. Hun muzikale verrichtingen, vastgelegd op een stortvloed aan platen, werden steevast overschaduwd door drankgelagen, sterallures, arrestaties, drugsmisbruik en zelfs vechtpartijen op het podium.

De losgeslagen multi-instrumentalist Anton Newcombe wordt door menigeen nog altijd beschouwd als een muzikaal wonderkind, maar in Dig! is hij vooral te zien als een enfant terrible, dat steeds opzichtig aan de noodrem trekt zodra zijn trein op stoom dreigt te komen. De mediagenieke Dandy Courtney Taylor-Taylor oogt intussen als de gedroomde popster, een ideale posterboy voor de lekker slicke alternatieve rock van het fin de siècle.

Behalve lof oogstte filmmaakster Ondi Timoner overigens ook kritiek met deze rudimentaire documentaire, die de juryprijs won op het Sundance Festival van 2004; ze zou wel erg weinig oog hebben gehad voor de muzikale verrichtingen van beide bands en het drama tussen hen bovendien nogal kunstmatig hebben aangezet. Zodat er aan het eind van de film duidelijke winnaars en losers lijken te zijn. De werkelijkheid lag, zoals altijd, een stuk genuanceerder. Maar dat levert natuurlijk niet per definitie ook een spannendere film op.

Ruim twintig jaar dato maakte Ondi Timoner een update van Dig!: Dig! XX, met extra beelden en interviews.

The Defiant Ones

Netflix

Ze kunnen doorgaan voor de yin en yang van de popindustrie. Twee ogenschijnlijk volledig tegengestelde sterproducers, die in de afgelopen decennia het gezicht van de Amerikaanse popmuziek definitief hebben veranderd. Eerst afzonderlijk en uiteindelijk – via gezamenlijke producties, hun eigen onderneming en een omstreden miljardendeal met Apple – ook samen.

Allereerst is daar Jimmy Iovine. Blanke rocker van Italiaanse origine. Producer van Bruce Springsteen, Patti Smith, Tom Petty, Stevie Nicks en U2. In de vierdelige documentaireserie The Defiant Ones (261 min.) steken ze stuk voor stuk de loftrompet over de streber en handige jongen. Later startte Iovine ook het fameuze platenlabel Interscope Records, waarvoor hij acts tekende zoals Nine Inch Nails, No Doubt en – de andere hoofdpersoon van deze serie – Dr. Dre.

Andre Romelle Young kan dan al met een gerust hart de Godfather van de gangsterrap worden genoemd, Hij is afkomstig uit een achterbuurt van Los Angeles. Het in rapkringen beruchte Compton, om precies te zijn. Hij verdiende er zijn sporen met het hiphopcollectief NWA (Niggaz Wit Attitudes) en zou naderhand nog gigantisch scoren met de rappers Snoop Doggy Dogg, Tupac Shakur, Eminem en 50 Cent.

In de eerste twee uur van The Defiant Ones worden de doopcelen van Iovine en Dre los van elkaar gelicht en lijkt het alsof regisseur Allen Hughes schakelt tussen twee verschillende – en tamelijk voorspelbare – popbio’s. Pas in de eerste helft van aflevering drie laat hij de twee verhaallijnen samenvloeien en begint de serie voor het eerst te knetteren als Interscope onder vuur komt te liggen door spraakmakende signings als shockrocker Marilyn Manson en het beruchte hiphoplabel Death Row Records.

Daarmee is dit toch wat gemankeerde dubbelportret meteen over zijn hoogtepunt heen. In het laatste uur krijgt The Defiant Ones soms wel erg nadrukkelijk een promotioneel karakter als Jimmy Iovine en Dr. Dre zichzelf, na de verplichte persoonlijke crisis, opnieuw uitvinden en met een slim uitgevente koptelefoonlijn he-le-maal binnenlopen. Daarbij wreekt zich dat de serie nooit écht onder de oppervlakte komt. Hoewel de hoofdpersonen geen onderwerp uit de weg gaan, laten ze ook nooit het achterste van hun tong zien. Het blijft bij een soort functionele zelfonthulling, die vooral lijkt te zijn bedoeld om de eigen personal branding kracht bij te zetten. Waardoor deze docuserie, hoe vermakelijk die soms ook uitpakt, toch eerst en vooral een marketingtool lijkt te zijn.

Gimme Shelter


Alsof de Duivel ermee speelt… Deze klassieke popdocu uit 1970 start met de welhaast demonische klassieker Jumpin’ Jack Flash, opgenomen tijdens een Rolling Stones-concert in New York. Na een absolute killerriff van Keith Richards fleemt Mick Jagger de wereldberoemde openingszinnen in de microfoon: ‘I was born in a cossfire hurricane and I howled at my ma in the driving rain.’

Met zichtbaar plezier kijken Jagger en de andere Stones de beelden terug in de montageruimte. Meteen daarna krijgen ze een radioverslag te horen van de tragische gebeurtenis waarmee de bijbehorende tournee en de weerslag daarvan, de documentaire Gimme Shelter (91 min.) van de gebroeders Albert en David Maysles en Charlotte Zwerin zal eindigen: Altamont.

Tijdens de Stones-show op dat festival, waar ook The Flying Burrito Brothers en Jefferson Airplane optraden, zou een man sterven. Hells Angels, die waren ingehuurd om de boel te beveiligen, staken de concertganger Meredith Hunter neer. Een tragische gebeurtenis die, samen met de moorden van de Manson Family, tegenwoordig wordt gezien als een kwaadaardige afrekening met de sixties.

Je voelt de gehele film aankomen dat het uit de hand gaat lopen op de Altamont Speedway. Voor een band die uitbundig flirtte met zijn Sympathy For the Devil, zou dat eigenlijk niet als een verrassing mogen komen. Toch is Mick Jagger, in een klassiek geworden scène van Gimme Shelter, duidelijk ontdaan als hij voor het eerst de beelden van Hunters gewelddadige dood te zien krijgt.

Als je wilt zien of horen wat een geweldige rock n’ roll-band The Rolling Stones (ooit) waren, luister dan naar de klassieke rocksong waaraan deze documentaire zijn naam ontleent of kijk naar de documentaire Crossfire Huricane van Brett Morgen.

The Untold Tales Of Armistead Maupin


Hij was de man die acteur Rock Hudson vlak voor zijn dood ongevraagd outte. Schrijver Armistead Maupin kwam zelf pas op latere leeftijd uit de kast als homoseksueel en vond dat hij de Hollywood-held Hudson, die stervende was aan aids, moest helpen met schoon schip maken. Of de vermeende womanizer dat nu wilde of niet.

Het is één van de weinige keren dat The Untold Tales Of Armistead Maupin (91 min.) een weerhaakje vindt bij de chroniqeur van de gayscene van San Francisco, die met zijn eigen rubriek Tales Of The City in de plaatselijke krant een menselijk gezicht gaf aan de ontluikende LGBT-cultuur in de Verenigde Staten. Maupin had in deze zachte en ook wat veilige film van Jennifer M. Kroot, waarin zijn schrijfwerk een prominente plek krijgt en celebrities als Laura Linney en Ian McKellen de loftrompet over hem steken, soms wel wat scherper bevraagd mogen worden.

Hij oogt tegenwoordig als de gedistingeerde Republikeinse heer, die zijn conservatieve ouders ooit voor ogen moeten hebben gehad in de tijd dat hij, nog altijd stevig in de kast, een baantje had bij de rabiate homohater, senator Jesse Helms. Sindsdien is Maupin opgeschoven naar de andere kant van het politieke spectrum, naar homo-activisme. Toen het HIV-virus ongenadig huishield in de Amerikaanse homoscene en er, ook voor Armistead Maupin, geen weg terug meer was naar de bloeiperiode van San Francisco’s gaywijk Castro, die hij ooit zo treffend had opgetekend.