The Golden Boy

HBO Max

Het verhaal van Oscar De La Hoya en zijn moeder Cecilia is natuurlijk onweerstaanbaar. Nadat zij al op 38-jarige leeftijd overlijdt aan de gevolgen van borstkanker, wil de jonge Amerikaanse bokser koste wat het kost zijn belofte aan haar gestand doen. Zij heeft hem gevraagd om voor haar de gouden medaille te winnen op de Olympische Spelen van Barcelona in 1992. En Oscar is bereid om zijn leven daarvoor te geven.

Als hij inderdaad met die felbegeerde plak huiswaarts keert, krijgt De La Hoya de bijnaam The Golden Boy (156 min.) toebedeeld. Een nieuwe held met een sprankelende glimlach en een aansprekend signatuurverhaal. Daarachter houdt zich echter nog een ander verhaal schuil, vertelt de voormalige topbokser uit East Los Angeles direct bij aanvang van deze tweedelige sportdocu van Fernando Villena.

De relatie met zijn moeder blijkt ook een rauw randje te hebben. Zij roept zeker niet alleen warme gevoelens op. Bovendien is de popster onder de boksers bepaald niet de ideale schoonzoon waarvoor hij enige tijd wordt gehouden. Eerder een soort Mexicaans-Amerikaanse variant op Douwe Bob, die voor een topsporter ook wel erg vaak de bodem van een fles bereikt – en bovendien een kwaaie dronk heeft.

Ideaal documentairemateriaal, zou je zeggen. Het eerste deel van dit tweeluik richt zich echter met name op De La Hoya’s opkomst als bokser, waarbij ook zijn dramatische gevechten met de Mexicaanse regerend wereldkampioen Julio César Chavez in 1996 hun plek opeisen. Pas in deel twee ruimt Villena meer ruimte in voor de schaduwzijden van zijn protagonist, die op eerste gezicht zo’n succesvol bestaan leidt.

Als er pikante foto’s van Oscar De La Hoya’s escapades met stripper Milana Dravnel in de openbaarheid komen, raakt hij ernstig in opspraak en begint ook zijn carrière langzaam op z’n eind te lopen. Zelf kijkt de prijsvechter in deze gedegen film met weinig tevredenheid terug. Het had zoveel meer kunnen worden, constateert ie met spijt in zijn stem. Als hij nu maar gewoon alles had gegeven.

En ook de ravage die hij heeft aangericht in zijn privéleven, met allerlei veronachtzaamde vrouwen en kinderen, zit hem duidelijk dwars. ‘De gouden jongen?’ sneert Oscar De La Hoya in deze film, waarmee hij duidelijk schoon schip wil maken. ‘Dat is niet meer dan klinkklare nonsens. Daar ben ik helemaal klaar mee. Het is tijd om te leven.’ Hij specificeert: ‘Het is tijd om in de realiteit te gaan leven.’

Een Amerikaanse Nachtmerrie

BNNVARA

Hoe zou de ideale true crimezaak eruit zien? Een maker stuit op een gerechtelijke dwaling, achterhaalt na allerlei dramatische verhaalwendingen, doodlopende onderzoekspistes en gigantische cliffhangers wat er werkelijk is gebeurd en pleit vervolgens zijn protagonist vrij, zodat die alsnog in vrijheid van de rest van zijn leven kan genieten? Zo eenvoudig en plooibaar is de werkelijkheid doorgaans echter niet, hoezeer sommige makers hem ook hun wil proberen op te leggen.

Ook Hans Pool zal misschien, toen hij zich zes jaar geleden in De Zaak Singh begon te verdiepen, héél even hebben gedacht dat hij de Nederlandse Errol Morris zou worden en dat Jaitsen Singh wellicht kon uitgroeien tot zíjn Randall Adams, de Amerikaan die door Morris werd vrijgepleit van moord in de true crime-klassieker The Thin Blue Line (1988). Pool is echter geen Amerikaanse amateurdetective die even snel en gemakkelijk wil scoren met Een Amerikaanse Nachtmerrie (internationale titel: The Singh Case, 235 min), maar een gelauwerde Nederlandse documentairemaker, met bijvoorbeeld een Emmy Award voor Bellingcat – Truth In A Post-Truth World op zak. Hij wil zich ook niet zomaar voor iemands karretje laten spannen – al is dat in deze gecompliceerde zaak bepaald geen sinecure. Hoe voorkom je bijvoorbeeld dat je aan de tunnelvisie gaat lijden die je bij de politie vermoedt? Of een instrument wordt van de aanklagers of verdediging?

De zaak leek in eerste aanleg, vanuit het verre Nederland, vast nog bedrieglijk simpel: Jaitsen Singh, een Surinaamse Nederlander die met zijn gezin ooit ‘The American Dream’ was gaan najagen, zit al sinds halverwege de jaren tachtig in een Amerikaanse cel als vermeende opdrachtgever van de moord op zijn vrouw Grace en stiefdochter Daphne. Onschuldig, welteverstaan. Singh zou erin zijn geluisd door een overijverige openbaar aanklager, die warm liep voor een politieke carrière en veel te graag wilde scoren, en een verslaafde crimineel, die in ruil voor strafvermindering bereid was om op te treden als kroongetuige. Maar is de werkelijkheid net zo simpel als het verhaal dat ervan kan worden gemaakt? Van de andere kant: het kan toch ook niet zo zijn dat Jaitsen Singh, zoals de aanklagers lijken te beweren, simpelweg een gewetenloze killer is, die een overval op zijn eigen huis heeft geënsceneerd en daarbij zijn eigen echtgenote en stiefkind heeft laten ombrengen?

Via Singhs Nederlandse advocate Rachel Imamkhan, die in de afgelopen jaren uitgebreid zijn onschuld heeft bepleit in Nederlandse media en vanaf het begin betrokken is geweest bij deze Nederlandse Making A Murderer, komt Hans Pool ook in direct contact met Jaitsen Singh zelf. Hij stelt dat zijn zaak, net als de veelbesproken dood van George Floyd, ’voor honderd procent puur op racisme gebaseerd is’. Zó eenvoudig zijn de beschuldigingen tegen hem echter zeker niet te weerleggen. Behoedzaam pelt Pool de verschillende lagen er vanaf, in de hoop zo bij de kern te komen. Hij neemt de kijker daarbij letterlijk mee in zijn onderzoek. In beeld, als de man die Singhs verleden doorwandelt en uiteindelijk zelfs voor het spreekwoordelijke true crimebord belandt. En via verbindende voice-overs, waarmee hij zijn bevindingen, gevoelens én twijfels deelt. Want waar de filmer ooit begon vanuit het idee dat zijn protagonist waarschijnlijk onschuldig vastzit, krijgt hij daarbij gaandeweg steeds meer vragen.

Een Amerikaanse Nachtmerrie blijft mede daardoor vijf afleveringen lang onverminderd boeien. Ook omdat Pool al zijn bronnen, achtergrondinformatie en ontdekkingen slim en gedoseerd uitserveert en er dus steeds een andere verhaallijn of -laag wordt blootgelegd. Elk nieuw stukje informatie plaatst wat je al denkt te weten over de twee moorden en de achtergronden daarvan in een nieuw perspectief. Een echte true crimezaak dus, die zich echter niet zomaar laat reduceren tot een hap-slik-weg misdaadverhaal. Daarvoor is De Zaak Singh te ingewikkeld en diffuus. Hans Pool wordt er bijna zichtbaar ‘sadder and wiser’ van en weerstaat tegelijkertijd de verleiding om al te gemakkelijke conclusies te trekken. Samen met productiemaatschappij Submarine is de filmmaker desondanks in een conflict verzeild geraakt over wat hij wel of niet wil, mag en kan vertellen. Via de rechter hebben Singh en zijn advocaat, vooralsnog tevergeefs, geprobeerd om uitzending van de serie te verhinderen.

Whores’ Glory

Kino Lorber

Ze bidden voor een goede dag. Lopen taakbewust naar binnen. Klokken daar in met een heuse prikkaart. Vrezen voor slappe business. Worden desondanks helemaal mooi gemaakt. Nemen daarna plaats in een soort vitrine. Krijgen net als alle andere poppetjes een nummer. Laten zich als exclusieve waar monsteren. Lachen intussen verleidelijk naar potentiële klanten. Worden enthousiast aangeprezen en ‘all-incusive’ aangeboden. Horen vervolgens hoe hun nummer officieel wordt omgeroepen. En stappen, nadat er bij een officiële kassier is afgerekend, met een gelukkige consument de lift in. Onderweg naar (maximaal twee uur) dagelijkse arbeid – of, voor de betaler, even heerlijk ontspannen.

‘Ik beloof je prachtige lichamen en goede service’, heeft een bedrijfsleider van The Fishtank in Bangkok die klant nog toegeroepen. Het eerste deel van het drieluik Whores’ Glory (119 min.) krijgt daarmee een onwerkelijk karakter. De wereld die doorgaans in de schemering blijft wordt hier vol in het licht gezet. Zonder schaamte presenteren de prostituees, hun pooiers en de hoerenlopers zich. Alsof het regulier werk is. Ómdat het regulier werk is – of daar tenminste verdacht veel op lijkt. En om het verhaal helemaal af te maken spenderen sommige meisjes (al) hun geld dan weer aan ‘barjongens’, die in een club op hen zitten te wachten en daar weer hun brood mee verdienen. Het lijkt een soort circulaire sekseconomie.

Vergeleken met het welhaast glamoureuze lopende bandwerk in Thailand gaat het er bij The City Of Joy in Bangladesh, de tweede pleisterplaats van deze film over het oudste beroep ter wereld van de Oostenrijkse documentairemaker Michael Glawogger, tamelijk ambachtelijk aan toe. De vrouwen zijn minder opgedirkt, ontvangen hun cliënten op een kamertje van een rudimentair bordeel en worden aangestuurd door een madam die zelf ook uit het vak komt en flink van leer kan trekken. Sommige van de werkende vrouwen zijn in werkelijkheid gewoon meisjes. Héél jonge meisjes. Véél te jonge meisjes zelfs. Die gewoon verhandeld worden. Soms zelfs door hun eigen moeder. Alleen aan orale seks doen ze niet. Dat is tegen hun geloof.

De meeste klanten lijken zich niettemin helemaal niet te schamen voor hun ‘hobby’. Terwijl hij een klant knipt, vertelt een jonge kapper bijvoorbeeld trots dat hij zeker één of twee keer per dag naar de dames van plezier gaat. ‘Zonder de rosse buurt van Faridpur zouden vrouwen niet op straat kunnen komen, zonder dat ze worden lastiggevallen’, zegt hij. ‘Mannen zouden zo geil zijn dat ze hen gewoon zouden verkrachten. Zonder die meisjes zouden ze zich vergrijpen aan koeien en geiten.’ In het bordeel zijn desondanks genoeg deerniswekkende taferelen op te tekenen. ‘Waarom moeten vrouwen zoveel lijden?’ vraagt één van de meiden zich bijvoorbeeld wanhopig af. ‘Is er echt geen andere manier voor ons?’

Voor het nóg grimmigere derde deel van deze bijna twee uur klokkende afdaling in de krochten van de seksindustrie, die wordt aangedreven door een indie-soundtrack met songs van onder andere PJ Harvey en CocoRosie, neemt Glawogger de wijk naar La Zona in het Mexicaanse grensstadje Reynosa, waar auto’s met potentiële klanten af en aan rijden om de markt te verkennen: schaars geklede vrouwen, die voor een luttel bedrag ieders stoutste dromen waarmaken. Levend in het hellehol tussen sekswerk, crack en – ook hier – God. ‘Ze hebben schrik voor die grote paal van mij’, pocht een man die roepend en wuivend rondrijdt in zijn auto. Morgen gaat hij helemaal los, zegt hij. Tegen de camera en tegen zichzelf, zo lijkt het.

Waarna deze somber stemmende film uit 2011, onderdeel van Michael Glawoggers World Of Work-trilogie, aanstuurt op een 18+-scène die werkelijk anti-sexy oogt en geen enkele opwinding te weeg brengt. Alleen ongemak, walging zelfs. En de vraag of dit wel in beeld moest – en of het misschien geënsceneerd is. Whores’ Glory is dan allang een deprimerende ervaring geworden, een kouwe film die in je botten gaat zitten. Over een liefdeloze wereld, boordevol werktuiglijke seks. En dat lijkt ook precies Glawoggers bedoeling.

Unveiled: Surviving La Luz Del Mundo

HBO

Het verhaal van een sekte lijkt doorgaans niet meer dan een invuloefening: … (1) werpt zich op als de onbetwiste leider van de … (2). Hij laat zich … (3) noemen, blijkt niemand minder dan de afgezant van … (4), eist absolute gehoorzaamheid en … (5), omringt zich met pure luxe (zoals bijvoorbeeld … (6), … (7) en – niet te vergeten – … (8)), straft ongenadig met de … (9) en claimt uit de groep opperdienaren met de naam … (10) natuurlijk alle aantrekkelijke jonge maagden voor zijn eigen gerief.

Het is in wezen dus onvermijdelijk dat de driedelige serie Unveiled: Surviving La Luz Del Mundo (190 min.) eveneens het vaste sjabloon van documentaires over sektes volgt. En zoals eerder pak ‘m beet Jim Jones, Bhagwan Sri Rajneesh, David Miscavige, Keith Raniere en Warren Jeffs van hun voetstuk werden gestoten – als ze daar niet allang aflagen – geldt dat nu voor Naasón Joaquin Garcia, de almachtige leider van La Luz Del Mundo. Ofwel: Het Licht van de Wereld.

Ook deze productie van Jennifer Tiexiera bestaat dus voor een belangrijk deel uit getuigenissen van enkele afvallige en inmiddels geëxcommuniceerde LLDM-leden, die de klok luiden over misstanden binnen de gemeenschap, zoals seksueel misbruik, pedofilie en mensenhandel. Behalve slachtoffer werden zijzelf vaak ook een soort dader, als onderdeel van een systeem dat jonge mensen opleidde om de Apostel Naasón in alles ter wille te zijn, óók als concubine.

De slotaflevering is opgebouwd rond de rechtszaak tegen de opperman van La Luz Del Mundo, waarbij vijf Jane Doe’s, uit veiligheidsoverwegingen geanonimiseerde vrouwen, een emotionele verklaring afleggen die zelfs de dienstdoende rechter niet onberoerd laat. Daarmee is echter niet gezegd dat ook zijn kerkgenootschap afstand neemt van Naasón Joaquin Garcia. Echte gelovigen zien soms nu eenmaal alleen datgene wat in hun geloof te pas komt. Ook dat is – in zekere zin – een invuloefening.

(1) Eusebio Joaquin (1926-1964), zijn zoon Samuel Joaquin Flores (1964-2014) of kleinzoon Naasón Joaquin Garcia (2014-)

(2) deze inmiddels vijf miljoen leden in meer dan vijftig landen tellende afsplitsing van de christelijke kerk

(3) de Apostel 

(4) God

(5) al je tijd, energie en geld

(6) een luxueus jacht

(7) een eigen stad

(8) een protserige tempel in Guadalajara, die wel wat weg heeft van een enorme bruiloftstaart 

(9) zweep, mes of de blote vuist

(10) The Unconditionals

In september 2023 is er overigens nóg een documentaire over La Luz Del Mundo uitgebracht: La Oscuridad De La Luz Del Mundo.

Narco Cultura

WNYC Studios

De statistieken zijn dodelijk:

2007: 320

2008: 1623

2009: 2754

2010: 3622

In de Mexicaanse grensgemeente Ciudad Juárez vloeit door de escalerende drugsoorlog steeds vaker bloed. Tegelijkertijd blijft de teller in El Paso, aan de andere kant van de Mexicaans-Amerikaanse grens, steken op vijf moorden per jaar. Daar lijkt die oorlog soms bijna een bron van vermaak. ‘Met een AK-47 maar zonder kogelvrij vest reed ik rond in mijn witte truck’, zingt Edgar Quintero, frontman van BuKnas de Culiacan, bijvoorbeeld geveinsd stoer. ‘Ik schoot er één neer. Mijn geweer schiet altijd raak. Met een goed oog en een goede hartslag vecht mijn school terug.’

Edgar schrijft op bestelling ‘narcocorrido’s’, typische Mexicaanse songs waarin de ‘helden’ van de karteloorlog worden bewierookt. Tijdens een optreden met zijn groep in El Paso laat hij doodleuk een bazooka zien. Waar doet die jullie aan denken? vraagt hij aan het verzamelde publiek, dat vervolgens hartstochtelijk meezingt: ‘Met een AK-47 en een bazooka op mijn schouder. Kruis mijn pad en ik hak je kop eraf. Wij zijn bloeddorstig, gek en moordlustig.’ Het is weer eens wat anders dan André Hazes – of La Bamba van Ritchie Valens. Een latino-variant op gangsterrap, zo je wilt.

Terwijl Edgar, als onderdeel van de zogenaamde Movimiento Alterado, vanaf de goede kant van de grens onbekommerd het kartelleven verheerlijkt, leeft forensisch onderzoeker Richi Soto daadwerkelijk te midden van die Narco Cultura (99 min.). Hij rijdt in deze grimmige film van Shaul Schwartz uit 2013 regelmatig met gillende sirene naar een plaats delict, waar achteloos een slachtoffer van de drugsoorlog is gedumpt. Als medewerker van de Mexicaanse justitie loopt Richi ook zelf gevaar – of zijn familieleden, want de drugskartels deinzen werkelijk nergens voor terug.

Gedurende de gehele documentaire alterneert Schwartz tussen de bittere realiteit van het desolate leven in de Mexicaanse grensstreek en de ‘cultuur’ – een parodie bijna, als het niet zo onsmakelijk was – die daarvan wordt gemaakt in de Verenigde Staten. ‘Het is goeie muziek, al ben ik tegen geweld’, zegt een jonge Amerikaanse vrouw in een sexy jurkje bijvoorbeeld, bij een optreden van de befaamde corrido-zanger Alfredo ‘El Komander’ Rios. Intussen houdt ze ferm een mitrailleur vast en benadrukt nog maar eens: ‘Het is heel erg wat er in Mexico gebeurt. Dus: stop het geweld.’

Truth is, tegelijkertijd, scarier than fiction: diezelfde karikaturale corrido’s, waardoor schoolmeisjes zomaar zeggen dat ze best een narco als vriendje willen hebben, gelden aan de andere kant van de grens, op het slagveld van de permanente drugsoorlog, inmiddels als een aankondiging of melding van alwéér een moord. Het normale leven raakt er volledig door ontspoord. Terwijl Richi Soto overweegt of hij toch maar naar de VS moet verkassen, maakt zijn tegenpool Edgar Quintero juist plannen om eens inspiratie op te gaan doen in de wereld waar al z’n songs zijn gesitueerd.

Het is de Narco Cultura in een notendop. Waar de drugsoorlog het leven van gewone rechtschapen Mexicanen ondraaglijk maakt, is die over de grens een bron van vermaak of inkomsten – of simpelweg een bijproduct van de niet te bevredigen behoefte aan narcotica.

Paper & Glue

MSNBC

Mensen willen gezien worden. Dat begrijpt fotograaf JR als geen ander. Ooit wilde hij, jongen met buitenlandse wortels uit een Parijse achterstandswijk, zichzelf ook laten zien. Hij sprayde zijn initialen op de meest onmogelijke plekken en begon dat proces vervolgens vast te leggen. En die foto’s, begeleid door graffiti, ging hij weer exposeren, gewoon op willekeurige muren in de stad.

Niet veel later volgde de behoefte om ook anderen, vaak lot- en leeftijdsgenoten, een gezicht te geven. Liefst levensgroot. Jongeren uit de banlieues bijvoorbeeld, die toentertijd letterlijk in brand stonden. Hij maakte ze los van alle stereotypen en liet ze zien zoals ze zichzelf zagen. Intussen vond hij ook zichzelf als straatkunstenaar: met Paper & Glue (94 min.) ging JR gigantische portretten maken voor in de openbare ruimte. Hij plakte ze op de muren en liet zijn helden floreren. Waarna wind en regen alle ruimte kregen en zij weer tot menselijke proporties werden teruggebracht.

Die modus operandi vormde al het uitgangspunt voor de heerlijke roadmovie Visages Villages (2017), waarin hij met de gevierde filmmaakster Agnès Varda door het Franse platteland reisde en gewone mensen tot iconische grootte opblies. Deze film gaat in wezen uit van hetzelfde principe en moet het bovendien zonder de chemie tussen de twee kunstenaars doen, maar is net zo onweerstaanbaar. ‘Iemand heeft ons gezien’, constateert Rosiete, een oudere vrouw uit de Braziliaanse favela Morro da Providencia, bijvoorbeeld geëmotioneerd als ze zichzelf op een muur terugziet.

En het is precies zo’n gevoel van (weer) mens zijn dat JR losmaakt in de gemeenschappen die hij bezoekt. Of het nu gedetineerden zijn van de Tehachapi-gevangenis in Californië, met wie hij een groepsportret voor op de binnenplaats maakt en die hij naar zichzelf laat kijken totdat ze weer een mens zien (verder uitgewerkt in de documentaire Tehachapi). Of de bewoners van de Mexicaans-Amerikaanse grensstreek, die hij confronteert met een enorm portret van het jongetje Kikito en daarna, aan beide zijden van het hek dat hen scheidt, trakteert op een picknick. Waarbij ze in een ontspannen atmosfeer weer even één kunnen zijn.

Zo onderscheidt JR zich bijvoorbeeld van zijn al even mediagenieke geestverwant Banksy, die net als hij is geworteld in graffitikunst en eveneens zijn eigen identiteit probeert te verhullen. JRs werk wordt nooit ironisch of cynisch, maar blijft altijd optimistisch. Dat zou je ook tegen kunnen hebben op deze door hemzelf geregisseerde positivoofilm, die is te beschouwen als één grote lofzang op de kunstenaar en zijn maatschappelijk betrokken werk. Maar een kniesoor, met wel erg weinig oog voor het goede in de mensch, die daarop let bij deze joyeuze, humane documentaire.