Au Bain Des Dames

Caviar Paris / Les Films de Nout

‘Beha aan, ouwe taarten’, staat er op een wand bij het strand van Marseille gekalkt. Joëlle reageert direct. De oudere Française trekt haar topje uit, steekt haar beide middelvingers in de lucht en roept demonstratief ‘fuck!’. De korte documentaire Au Bain Des Dames (30 min.), een joyeuze film van Margaux Fournier, kan beginnen. Even later liggen Joëlle en haar vriendinnen comfortabel aan het strand. Enkele van hen inderdaad, net als zij, zonder beha, topless.

Ze praten over mannen, over relaties en over seks. Zonder meel in de mond. Expliciet. Vulgair zelfs. Zoals we vrouwen op leeftijd eigenlijk niet meer hebben horen praten sinds Heddy Honigmanns O Amor Natural (1996). Joëlle houdt van stoere mannen, vertelt ze. Type Charles Bronson, Al Pacino of Robert De Niro. En Patrick Bruel, die wordt alsmaar knapper. Ze heeft overigens ook ervaring met vrouwen, vertelt Joëlle onbeschroomd op dat stukje strand dat helemaal van hen lijkt.

Geflirt wordt er ook, in het zonovergoten Marseille. ‘Ik zou hem wel lusten’, bekent Joëlle bijvoorbeeld over een plaatselijke Casanova, een man met een gebruind lijf in een flatterende zwembroek. ‘Een lekker stuk vlees.’ Is het bluf? ‘Honden geven mij de liefde die jullie mij niet geven’, klaagt een andere oudere Adonis, terwijl hij het hondje van één van de dames, in leeftijd uiteenlopend van grofweg zestig tot honderd, liefdevol aanhaalt. Hij gaat daarna tussen hen in liggen.

Fournier zet de verwikkelingen onder de zon aan met romantische muziek en schroomt ook niet om close-ups van de gebruinde oudere lichamen te tonen. Gaandeweg komt vanachter het gebabbel en de bravoure ook een kwetsbaardere kant van met name Joëlle tevoorschijn. De hekel die ze heeft gekregen aan haar eigen uiterlijk, bijvoorbeeld. ‘Ik kijk in de spiegel’ vertelt ze. ‘En spuug naar mezelf.’ En de relatie met haar ex-echtgenoot, die we nu toxisch zouden noemen.

Au Bain Des Dames is desondanks doordesemd van een onweerstaanbaar joie de vivre, van oude lijven met jonge geesten (of andersom), dat vertrouwen geeft in de toekomst, als menigeen z’n geest jong probeert te houden terwijl dat lichaam toch echt ouder wordt.

The Darkest Web

BBC

De beelden op het ‘dark web’, het onguurste hoekje van het internet, pakken iets van je af, stelt Greg Squire, een Amerikaanse speciaal agent die namens Homeland Security strijdt tegen de verspreiding van kinderporno. Maar ze geven je ook iets terug: brandstof om te gáán. Jagen op de mensen die kinderen misbruiken en de weerslag daarvan online plaatsen.

Squire deelt in The Darkest Web (84 min.) zijn eerste echte zaak: The Lucy Investigation. Onvermoeibaar blijven ze jacht maken op een man die jarenlang hetzelfde meisje misbruikt en de wanstaltige beelden daarvan deelt op duistere internetfora. Elk detail in het beeldmateriaal wordt uitgeplozen. Zonder resultaat. Totdat de agenten besluiten om de bakstenen in zijn slaapkamer te laten analyseren. Een medewerker van de Texaanse Acme Brick Company herkent de stenen direct, type Flaming Alamo, en kan zelfs het vermoedelijke afzetgebied daarvoor identificeren. Niet veel later kunnen Squire en zijn collega’s een verdachte inrekenen. Hij krijgt ruim zeventig jaar gevangenisstraf.

Met zulke verhalen zoekt Sam Piranty hetzelfde terrein op als de schokkende documentaire The Children In The Pictures (2022). Agenten van speciale units uit de Verenigde Staten, Portugal, Brazilië en Rusland worden gevolgd tijdens (undercover) operaties. Ze jagen bijvoorbeeld op Twinkle, de beheerder van de schmutzige website Babyheart. Als de Portugese agent Ricardo Vieira deze Twinkle op het spoor komt, valt hij direct zijn huis binnen en gaat op zoek naar de harde schijf van z’n computer. Die blijkt te zijn begraven in het bos. Viera documenteert ’t met z’n bodycam. Twinkle stond blijkbaar net op het punt om een weekendje weg te gaan met een ‘webvriend’ en enkele kinderen.

Behalve op hun werk richt Piranty zich in deze gestaalde documentaire ook op het effect dat dit heeft op de agenten. PTSS lijkt bijna onvermijdelijk. Zeker als je, zoals Greg Squire, zelf ook kinderen hebt. Hij moet leren leven met beelden, waaraan nooit meer valt te ontsnappen – al is het ook de vraag of hij ooit nog ander werk wil/kan doen. Want als geen ander weet Squire wat (of wie) er op het spel staat. In de slotscène wordt dit nog eens heel duidelijk tijdens een ontmoeting met een geanonimiseerde jonge vrouw: Lucy.

A Story Of Bones

A Story Of Bones / VPRO

Iedereen op Sint-Helena kent het verhaal van Napoleon Bonaparte. De Franse generaal en dictator (1769-1821) sleet de laatste zes jaar van zijn leven op het eiland in de Atlantische oceaan, zo’n tweeduizend kilometer ten westen van Afrika. Zijn graf geldt nog altijd als een toeristische attractie. Maar wat weten de eilanders en hun bezoekers van de slaven die ooit op hun geboortegrond werden gedropt en die daar nog altijd zijn begraven? En stammen ze zelf misschien van hen af?

Op het eiland, onderdeel van het Verenigd Koninkrijk, zijn slachtoffers terecht gekomen van de zogenaamde ‘Middle Passage’, de gevaarlijke route waarmee in de afgelopen eeuwen ruim drie miljoen slaven van Afrika naar Amerika zijn gebracht. Toen de Britten in 1807 zelf stopten met slavenhandel, begonnen ze meteen schepen van andere mogendheden tegen te houden. Die werden doorgestuurd naar Sint-Helena. Zo zijn er zo’n 30.000 Afrikanen op de Britse kolonie beland.

Ruim vijfhonderd overlevenden kwamen in een depot terecht in Rupert’s Valley en leefden daar onder beroerde omstandigheden. Ze kregen de benaming ‘Bevrijde Afrikanen’, maar mochten nooit naar huis terugkeren, zo stellen Joseph Curran en Dominic Aubrey de Vere in de serene documentaire A Story Of Bones (94 min.). Naar schatting liggen er inmiddels zeker negenduizend lijken in de vallei, grofweg het dubbele aantal van de huidige populatie van het eiland.

Als ze een vliegveld gaan aanleggen op Sint-Helena, worden deze graven onderdeel van een politieke discussie. ‘Waarom hebben we een aanvoerweg dwars door een begraafplaats gebouwd?’ vraagt Annina Van Neel, een Namibische vrouw die zich opwerpt als een belangrijke stem in dat debat en de hoofdpersoon van deze documentaire wordt. ‘Ik hoop dat het antwoord niet zo eenvoudig is als: kleur. En dat die mensen daardoor minder belangrijk zijn en waarde hebben.’

Volgens de plaatselijke historicus Phil Mercury behoort zo’n houding echter tot de erfenis van het kolonialisme. ‘If you’re white, you’re alright’, zegt hij. ‘If you’re brown, stick around. If you’re black, step back.’ Sinds 2008 zijn er 325 lichamen geborgen door archeologen. Die worden nog altijd bewaard in het voormalige cellencomplex Pipe Store in Jamestown. ‘Dat is een gevangenis, geen rustplaats’, zegt een vrouw fel tijdens een informatiebijeenkomst voor de plaatselijke gemeenschap. 

‘Dit is veel meer dan een stapeltje oude botten’, stelt de gedreven lokale politicus Cruyff Buckley. De lichamen moeten opnieuw worden begraven en daarbij net zo zorgvuldig worden behandeld als Napoleon, vinden Van Neel en haar medestanders, die in contact komen met geestverwanten in de Verenigde Staten. Daar worden, getuige bijvoorbeeld een thematisch verwante film als Descendant, soortgelijke initiatieven genomen om in het reine te komen met de slavernijgeschiedenis.

Dit is een moeizaam en kwetsbaar proces, zo is ook in Nederland al gebleken, dat in deze film delicaat in beeld wordt gebracht. Annina Van Neel moet onderweg de nodige teleurstellingen incasseren. ‘Black Lives dón’t matter’, concludeert ze op een gegeven moment gefrustreerd. ‘End of story.’ En dan zet de strijdbare activiste zich toch weer schrap. Want dit project is groter dan zijzelf. En dat brengen Curran en Aubrey de Vere in A Story Of Bones zeer treffend over het voetlicht.

Don’t F**k With Cats: Hunting An Internet Killer

Netflix

Elke seriemoordenaar begint met het mishandelen van dieren. Los daarvan: je blijft met je poten van katten af, vindt Deanna Thompson (alias Baudi Moovan, op Facebook). En dus slaat de data-analiste uit Las Vegas direct aan als ze het filmpje ‘1 boy, 2 kittens’ spot. Een jongen stopt daarin twee poezen in een luchtdichte zak, die hij daarna vacuüm zuigt.

Als een soort dierenbeschermingsdependance van het online-onderzoekscollectief Bellingcat gaat ze met enkele andere computernerds uit haar speciale Facebook-groep, onder wie een geek met de schuilnaam John Green, op zoek naar de geheimzinnige dierenbeul, die steeds sadistische filmpjes en aanwijzingen over zijn eigen identiteit achterlaat.

Voor hun online-speurtocht – die zich laat bekijken als een handleiding voor bijdetijdse amateurdetectives of -journalisten – stuiten ze al snel op een clip uit Catch Me If You Can, een speelfilm met Leonardo DiCaprio over een meesteroplichter die zijn achtervolgers steeds te slim af probeert te zijn. Als dat geen uitdaging is…

Hun queeste zal hen in de driedelige serie Don’t F**k With Cats: Hunting An Internet Killer (186 min.) van Mark Lewis naar de engste uithoeken van het internet en de menselijke geest leiden, in het spoor van bizarre personages als Jamsey Cramsalot Inhisass en Luka Magnotta. En dan moeten ze het lugubere filmpje ‘1 lunatic, 1 ice pick’ nog ontdekken…

Zo ontvouwt zich een superieur verteld true crime-verhaal, waarin verontruste burgers vanachter hun computer een hypermoderne klopjacht naar een gewelddadige narcist opzetten. Een soort Catfish 3.0, de spannendste docuserie van het jaar én een ongemakkelijk exposé over het huidige tijdsgewricht, waarin privacy eigenlijk niet meer lijkt te bestaan.

Dont Look Back

De jonge honden die in de jaren zestig stormenderhand de documentairewereld overnamen met hun mobiele camera- en geluidsapparatuur en het bijbehorende nieuwe docugenre, direct cinema, injecteerden ook hun eigen onderwerpen in die films. Popmuziek en documentaire gingen vanaf de swingin’ sixties een natuurlijk huwelijk aan, dat nog steeds standhoudt. Al piept en kraakt de verbintenis, die door de professionalisering van de popbusiness ook veel zouteloze promotiefilms heeft opgeleverd, zo nu en dan flink.

Dont Look Back (96 min.), een film uit 1967 waarin Bob Dylan in korrelig zwartwit wordt geobserveerd, geldt als het archetype van de tourfilm, een subgenre van de muziekdocu. In de navolgende halve eeuw zijn er talloze portretten gemaakt van artiesten of bands die floreerden, of juist verdwaald raakten, in de eindeloze, zichzelf repeterende rondgang langs concertzalen, kleedkamers, journalisten, superfans, groupies en afterparty’s. Met Meeting People Is Easy (1998), Grant Gees desolate verbeelding van een volledig verweesd ‘Radiohead on tour’, als absoluut hoogtepunt.

D.A. Pennebaker, één van de absolute direct cinema-pioniers, schetst in zijn volgportret van de jonge Dylan die Londen verovert, een minder dramatisch beeld: van een muzikant die de roem en aandacht ogenschijnlijk redelijk gemakkelijk van zich laat afglijden en oog houdt voor waar het hem om gaat. Tussen de optredens en interviews door wordt er bijvoorbeeld druk gemusiceerd in zijn hotelkamer. Terwijl Joan Baez een lied zingt, zoekt Dylan op een typemachine naar de bijbehorende woorden. Even later neemt hij zelf ook zijn instrument ter hand. Gezamenlijk prikken ze zo even een gaatje in de enorme zeepbel die rondom hem wordt opgeblazen.

In dat verband is een scène met Dylans manager Albert Grossman, een gesoigneerd heerschap dat eerder al hotelmedewerkers die het waagden om te klagen over lawaai vanuit Dylans hotelkamer op onbeschofte wijze heeft afgeblaft, eveneens verduiveld interessant. Samen met een Britse concertpromotor probeert hij op gehaaide wijze de BBC te verleiden om de gage voor enkele concerten van ‘zijn’ artiest te verhogen. Dat levert een fraai inkijkje op in het dagelijkse loven en bieden rond een gewild popproduct, dat je tegenwoordig nog maar zelden krijgt voorgeschoteld.

Ook verhelderend en ontluisterend tegelijk: de ontmoetingen van Dylan met een keur aan concertorganisatoren, would be-muzikanten en popjournalisten, die opzichtig hengelen naar zijn aandacht en goedkeuring en zo nu en dan ‘s mans toorn of afkeer over zich afroepen. Als een keizer tegen wil en dank wikt en beschikt de singer-songwriter, die een halve eeuw later de Nobelprijs voor de Literatuur zal ontvangen, met een enkele blik, besmuikte lach of messcherpe opmerking over zijn hovelingen.

Pennebakers zoekende camera, zowel naar de ideale verhaallijn als het juiste kader en de focus, schetst ondertussen een onopgesmukt en voor die tijd ongekend portret van een fenomeen dat tegenwoordig heel vertrouwd voelt: de muzikant als beroemdheid, opiniemaker en machtsfactor.

De openingsscène van Dont Look Back, het iconische beeld van Dylan die tekstkaarten laat zien tijdens Subterranean Homesick Blues, zou overigens de geschiedenisboeken ingaan als zo’n beetje de allereerste videoclip.