Bedlam

PBS

‘Budi-budi-boop!’, ratelt Johanna. ‘Ik hou van iedereen’, voegt ze eraan toe. ‘Budi-budi-boop! Mijn waarheid zal me vrijmaken.’ Een arts van de psychiatrische Eerste Hulp in Los Angeles probeert haar ondertussen vragen te stellen, maar de 23-jarige vrouw raast in een manisch tempo door. ‘Budi-budi-boop! Ik zag hoe Michael Jackson stierf. Budi-budi-boop. Ik ben niet wie ik ben, begrijp je wel?’

Medicatie wil Johanna echter niet. Als blijkt dat er echt niet met haar valt te praten, krijgt ze uiteindelijk, onder enige dwang, tóch een spuit toegediend. Die brengt haar even onder zeil. De jonge Amerikaanse vrouw is gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis en zit midden in een psychotische episode.

Een jaar later oogt dezelfde Johanna een stuk rustiger. Na een periode van in en uit het ziekenhuis is ze nu weer thuis. En flink aangekomen, dat ook. Waarschijnlijk als gevolg van de medicijnen die ze voorgeschreven heeft gekregen. Met die pillen is Joanna nu al enkele maanden gestopt, vertelt ze echter monter aan haar bezorgde vader.

Als de Amerikaanse filmmaker Kenneth Paul Rosenberg, zelf ooit opgeleid tot psychiater, haar weer een jaar later opnieuw thuis opzoekt, zijn de gevolgen daarvan direct zichtbaar: Johanna heeft zichzelf helemaal volgetekend met viltstift, haar woning is een bende en ze dendert weer in een nét iets te hoog tempo door de dag.

Het is een even pijnlijk als vertrouwd beeld, dat enkele malen terugkeert in de documentaire Bedlam (84 min.): van gewone mensen met een psychiatrische aandoening die even lijken op te krabbelen en dan toch weer een terugval hebben. Hun bipolaire stoornis of schizofrenie laat zich nooit definitief de kop indrukken.

In veel westerse landen belanden zulke ‘verwarde mensen’ tegenwoordig eerder op straat of in de cel dan op een plek waar ze echt worden behandeld, stelt Rosenberg. Hij plaatst dat in z’n historische kader: het sociale vangnet dat ooit was opgetuigd, is vanaf de jaren zeventig op een zodanige manier toegetakeld dat het tegenwoordig letterlijk levensgrote gaten bevat.

De filmmaker weet waar hij over praat: zijn eigen zus heeft tientallen jaren met ernstige psychiatrische problemen gekampt. En Rosenbergs gezin met haar. Dat familieverhaal verweeft hij in Bedlam best soepel met pogingen om de psychiatrische zorg te verbeteren en de lotgevallen van enkele doktoren en patiënten die hij gedurende enkele jaren geregeld heeft opgezocht met de camera.

Zoals Johanna, de verpersoonlijking van die bijzonder weerbarstige problematiek. ‘Wat het zo lastig maakt is dat je je een tijd behoorlijk normaal voelt’, zegt ze tegen het eind van de film, weer helemaal bij zinnen. ‘En dan ineens heb je een terugval.’

The Disciples – Een Straatopera

Een Amerikaanse documentaire over het maken van een opera met daklozen laat zich vooraf eenvoudig uittekenen: een uit het (hún) leven gegrepen verhaal. Gespeeld en gezongen door acteurs die eerst uit hun schulp moeten kruipen, daarna regelmatig hardhandig bij de les of tot de orde worden geroepen en uiteindelijk, als eigenlijk niemand het meer verwacht, zichzelf volledig ontstijgen. Met als bonus aan het eind, terwijl het ovationele slotapplaus wegsterft: het onvermijdelijke zelfrespect.

The Disciples: Een Straatopera (90 min.) is niet die film. Het is een documentaire over het maken van een voorstelling die speciaal voor de documentaire wordt gemaakt. Een voorstelling van Ramón Gieling, die is vervat in een documentaire van, juist, Ramón Gieling. Over het Droste-effect gesproken. Het is dan ook een weerbarstige film, met een hoofdrol voor de dramatisch getoonzette muziek van componist Boudewijn Tarenskeen. Een film ook, waarin fictie en non-fictie voortdurend worden verweven. Zodat je je als kijker afvraagt: wat is waar? Of had waar kunnen zijn?

‘De dakloze is een icoon van de onrechtvaardige samenleving’, vertelde Ramón Gieling onlangs aan De Filmkrant, over zijn samenwerking met het dak- en thuislozenkoor De Straatklinkers. ‘Ik voel me aangetrokken tot de levens van verloren zielen die de contradicties van het menselijk bestaan verbeelden.’ Hij modelleerde de film volgens eigen zeggen naar Los Olvidados, een speelfilm over een Mexicaanse jeugdbende van Louis Bunuel uit 1950, maar ook het levensverhaal van Jezus Christus en zijn apostelen is (natuurlijk) nooit ver weg.

Gieling volgt het repetitieproces en de uitvoering van de voorstelling en lardeert dit zo nu en dan met een fragment uit de beschadigde levens van de voornaamste spelers. De melodramatische opera zelf beslaat het leeuwendeel van de film. Daar moet je zin in hebben: grootse composities, vol overgave (maar niet per definitie zuiver of oorstrelend) ingezongen. In een Engels dat voor distantie zorgt en tegelijk, door het overduidelijk Nederlandse karakter van de uitvoering ervan, diepmenselijk maakt. Het is een film die tegen de haren instrijkt. Die je hogelijk fascineert – of die je echt moet uitzitten.