The Devil And Daniel Johnston

Ik herinner het me als de dag van gisteren: ‘I heard the Jews are having a pyjama party at the concentration camp.’ Hij zei ’t echt, tijdens een optreden op het Take Root-festival in Tilburg in 2002. De Amerikaanse singer-songwriter Daniel Johnston. Een dikkige wereldvreemde kerel, die zich met onvaste stem en onbeholpen gitaarspel door zijn eigen oeuvre worstelde. De Holocaust-grap vormde de anticlimax van een sowieso erg ongemakkelijk optreden, waarin hij ook nog verhaalde over een man die de doodstraf had gekregen vanwege een zelfmoordpoging.

Helemaal verbaasd over zijn ontregel(en)de gedrag konden concertgangers niet zijn. De wilde verhalen waren Johnston al vooruitgesneld. En die werden drie jaar later, in 2005, allemaal nog eens bevestigd, van een zeer persoonlijke context voorzien en met ongelooflijk veel verve uitgeserveerd in de overrompelende documentaire The Devil And Daniel Johnston (110 min.) van Jeff Feuerzeig. Het is een portret waarin de hoofdpersoon op alle mogelijke manieren aanwezig is (via zijn muziek, kunstprojecten, familiefilmpjes en archiefmateriaal), maar zelf niet wordt bevraagd. Dat is ook nauwelijks mogelijk.

Behalve een hele stoet liefhebbers en fans komen wel zijn betrokken vader, moeder, broer en zus aan het woord. Daniel zelf laat van zich horen via talloze audiocassettes die hij gedurende de jaren heeft gemaakt. Daarop stort hij zijn hart uit, gaat als een gek tekeer over Satan en legt tevens stiekem situaties in familiekring vast. ’Ik wil niet dat mijn zoon het lachertje wordt’, hoor je zijn moeder Mabel bijvoorbeeld tegen de jonge Daniel tieren. ‘Maar dat is wat je bent.’ De instabiele artistiekeling, gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis, blijkt al van jongs af aan het zorgenkindje van een gelovig gezin. Volgens zijn beste vriend David Thornberry noemde zijn moeder hem regelmatig een ‘unprofitable servant of the Lord’. Daniel zelf verbasterde dat op geheel eigen wijze dan tot ‘an unservicable prophet’.

Daniels beeld van de wereld komt gaandeweg steeds meer op gespannen voet te staan met de werkelijkheid van anderen. Op de plaatselijke kunstacademie ontmoet hij bijvoorbeeld de liefde van zijn leven Laurie Allen, die hij op camera braaf ‘I love you, Danny’ laat zeggen. Zij heeft echter geen idee van zijn gevoelens en al wel een vriendje. Meer heeft Daniel niet nodig om in een diepe depressie te raken. In zekere zin geniet hij, volgens zijn vriend David, echter ook van de ontstane situatie: met haar afwijzing heeft hij iets om zich diep ongelukkig over te voelen. Er zullen nog vele inzinkingen volgen, met de bijbehorende waanbeelden, paranoia en verplichte opnames – en onnavolgbare muziek en tekeningen.

Illustratief is een bizar optreden in de New Yorkse undergroundclub Piers Platter, waarbij Daniel het publiek laat meezingen met het bijzonder macabere lied Funeral Home: ‘Funeral home. Funeral home. Going to the funeral home. Got me a coffin, shiny and black. I’m going to the funeral and I’m never coming back.’ Met zulke ziel snijdende performances verwerft hij begin jaren negentig een cultstatus, zeker nadat Nirvana-zanger Kurt Cobain zich laat vereeuwigen met een Daniel Johnston T-shirt. Vanuit een psychiatrisch ziekenhuis onderhandelt de man zelf intussen met platenmaatschappijen. Tot een succesvolle carrière zal het echter nooit komen. Johnston blijft een figuur in de marge, die vanuit zijn ouderlijk huis een gestage stroom songs en tekeningen (die ook worden geëxposeerd en verkocht) op gang houdt.

‘Ik weet zeker dat Daniel straks naar de hemel gaat’, zegt één van de sprekers in deze bijzonder aangrijpende film. ‘Want in de hel is hij al geweest.’

In 2015 verscheen er nog een lekker speelse korte film met de singer-songwriter, getiteld Hi, How Are You Daniel Johnston?, waarin geanimeerde versies van de jeugdige en oudere Daniel met elkaar in gesprek gaan en de filmmaker zelf, Gabriel Sunday, in enkele scènes een jonge Johnston speelt. Met bovendien een fraai nummer van Lana del Rey, Some Things Last A Long Time.

Kurt Cobain: Montage Of Heck

 

‘I hope I die before I get old’, beweerde de nog altijd springlevende Pete Townshend halverwege de jaren zestig in My Generation, het lijflied van de babyboom-generatie. De gitarist van The Who wordt deze week 73. Bij de man die ruim 25 jaar later het lijflied van de generatie X zou neerpennen, Smells Like Teen Spirit, eindigde het leven al op 27-jarige leeftijd. In 1994 voegde hij zich eigenhandig bij een club van opvallend jong gestorven pophelden.

Kurt Cobain, de man die met Nirvana hoogstpersoonlijk alternatieve rock naar MTV en het bijbehorende miljoenenpubliek bracht. Het boegbeeld van slackers in de hele wereld. En de ontheemde twintiger, een jongen nog, die worstelde met zichzelf, zijn plots verworven roem en het leven in het algemeen. In de fabuleuze biografie Kurt Cobain: Montage Of Heck(132 min.) komt regisseur Brett Morgen voorbij het stereotiepe beeld van De Getormenteerde Zanger, dat zo vaak van Cobain is geschetst, en slaagt hij erin om daarachter de kleine Kurt te vinden.

Daaraan liggen een aantal opvallende keuzes ten grondslag. Zo hanteert Morgen op het gebied van interviews stringent het ‘less is more’-principe. Waar voor de meeste popbiografieën een karrenvracht aan celebrities wordt ingevlogen, beperkt Morgen zich tot louter essentiële bronnen: Cobains moeder, vader, stiefmoeder, zus, ex-vriendin, weduwe Courtney Love en Nirvana-bassist Krist Novoselic. Zelfs Nirvana-drummer (en tegenwoordig boegbeeld van The Foo Fighters) Dave Grohl, die blijkbaar niet op tijd kon worden geïnterviewd, ontbreekt in de film. Door die scherpe keuze blijft rock & roll-bullshit achterwege en kan de film direct door naar de kern.

Bij de aankleding van zijn documentaire heeft hij zichzelf dan weer geen enkele beperking opgelegd. Met zichtbaar plezier maakt Brett Morgen – naast de gebruikelijke obligate popinterviews en enerverende concert- en studiobeelden – gebruik van Cobains dagboekfragmenten, brieven en naargeestige tekeningen, vertederende familiefilmpjes en speciaal voor de film gemaakte animaties (waarvan overigens niet iedereen gecharmeerd was). Die paart hij op virtuoze wijze aan Nirvana’s overbekende rocksongs, die daardoor van een extra dimensie worden voorzien. Alsof je ze voor het allereerst hoort. Dat lijkt me een verdienste op zich.

Uiteindelijk drijft Montage Of Heck echter op een klein menselijk verhaal: over een jongetje dat door allebei zijn ouders werd afgewezen en daarna met zijn ziel onder zijn arm, en het hart op de tong, door het leven moest. Het is maar al te goed voor te stellen dat in die door allerlei lichamelijke en psychische klachten geteisterde schreeuwzanger nog dat enthousiaste blonde menneke uit de Cobain-jeugdfilmpjes zat verstopt. Ergens onderweg is hij onherstelbaar beschadigd geraakt en de drang ontstaan tot zelfmedicatie – en, uiteindelijk, zelfdestructie.

Regisseur Brett Morgen, die onlangs een prachtige biografie maakte over een ander icoon, de beroemde primatologe Jane Goodall, slaagt erin om van het fenomeen Kurt Cobain weer een mens van vlees en bloed te maken. Terwijl hij in de laatste fase van zijn leven afglijdt in een heroïneverslaving, zet de zanger samen met zijn vrouw Courtney tegen beter weten in een kind op de wereld en blijft hunkeren naar zoiets als een traditioneel gezin. De uiteindelijke afloop staat al bijna 25 jaar vast en zindert desondanks nog wel even na.