Van Skèndel naar wereldsteden als Taipei, Amsterdam en Seoul. Winy Maas, afkomstig uit de Brabantse plaats Schijndel bereikt met zijn expertise – op het snijvlak van landschap, stedenbouw en architectuur – inmiddels de ganse wereld. ‘Ik heb een missie om die stad of die wereld van morgen vorm te geven’, stelt hij daarover halverwege Under Tomorrow’s Sky (70 min.). Dat is volgens hem een kwestie van optimisme. Want je construeert niets minder dan de toekomst.
Nu de wereldbevolking in de komende jaren onverminderd blijft groeien, is het zijn ambitie om de steden, waar al die mensen een plek moeten vinden, compact en leefbaar te houden. Daarvoor gebruikt Maas, die zich op de TU-Delft tevens bezighoudt met doceren en onderzoeken, termen als: humaner, ecologischer, groener, energetischer en gemengder. En om dat te realiseren is zowel idealisme als vechtlust nodig.
Beide eigenschappen worden mooi zichtbaar in deze film van Jan Louter, die Maas van de zomer van 2018 tot de winter van 2020 volgt, tijdens de realisatie van enkele grote projecten. Als hij moet laveren tussen zijn eigen ideeën, de wensen van de opdrachtgever en de omstandigheden ter plaatse. De Nederlander communiceert gemakkelijk met allerlei verschillende type mensen, kan soms ook flink op zijn strepen staan en is er daarnaast eerlijk over dat hij soms zijn verlies moet nemen.
Deze documentaire is, net als zijn hoofdpersoon, vooral gericht op de toekomst. De achtergrond van Winy Maas wordt niet of nauwelijks belicht. Geen terugblik op zijn jonge jaren in Schijndel bijvoorbeeld. Ook diens privéleven – als daar überhaupt ruimte voor is – blijft geheel buiten beschouwing. Louter concentreert zich volledig op het werk, waarmee zijn protagonist de wereld wil veranderen – of zeg maar gerust: verbeteren.
Maas’ ideeën voor de toekomst worden daarbij fraai geïncorporeerd in de metropolen van nu. Wat hij voor zijn geestesoog ziet, wordt zo ook voor gewone stervelingen zichtbaar. Under Tomorrow’s Sky biedt op die manier een boeiende blik in de groene en menselijke stad die Winy Maas voor ogen staat. Waarbij het natuurlijk altijd de vraag is, zo toont deze interessante film eveneens glashelder, of die daadwerkelijk zo gerealiseerd zal kunnen worden.
In het boek dat schrijver Jan Brokken in 1997 over hem schreef, heet hij Riki Marchena. In werkelijk is zijn naam Robert ‘Joy’ Hosé. Hij loopt nog altijd rond op Curaçao, trekkend met één been. Dakloos en verslaafd. Ooit was hij een ster op het eiland. Iemand met ‘een Muhammad Ali-achtige status’, de beste tafeltennisser van de Nederlandse Antillen.
In de driedelige serie De Droevige Kampioen (150 min.), gebaseerd op het gelijknamige boek van Brokken, probeert regisseur Sander Burger het tragische relaas van de Curaçaose sportlegende te vangen met een combinatie van docu en drama: interviews met jongere broer Sherman en klasgenoten en jeugdvrienden van Hosé en authentiek archiefmateriaal, vermengd met sfeervol verfilmde kerngebeurtenissen uit het leven van ‘Joy’, die wordt vertolkt door acteur Anton de Bies (waarvan de casting, of een re-enactment daarvan, ook is te zien in de serie).
Jan Brokken en zijn boek fungeren daarbij als verbindende factor. Brokken wordt zelf geïnterviewd, maar de auteur leest ook voor uit zijn boek. Daarvoor is hij in de huid gekropen van Robert Hosé. Brokken noemt hem alleen Riki Marchena en schrijft bovendien regelmatig – maar ook niet altijd – in de ik-vorm. Ook de andere sprekers lezen zo nu en dan voor uit dat boek. Via Riki hebben ze, bekent één van hen, beter zicht gekregen op Robert. De hoofdpersoon komt zelf dan weer niet aan het woord. Hij trekkebeent zo nu en dan even door het beeld en wast dan, op verzoek, een auto.
Het is allemaal wat overdadig en voelt soms ook nodeloos gecompliceerd. ‘Hoe slecht was Riki.., of Robert, er toen aan toe?’ moet Sander Burger zelf ook even zoeken tijdens een vraag aan één van diens vrienden, over de jaren dat zijn hoofdpersoon helemaal verslingerd raakte aan drugs. Of is dat een bewuste ‘slip of the tongue’? Om te benadrukken dat Robert/Riki uiteindelijk vooral ook een personage is, waarmee de moderne historie van Curaçao en het laatste hoofdstuk van Nederlands koloniale avonturen uit de doeken kan worden gedaan. En een symbool van hoe de eilanders gaandeweg een soort zelfrespect verwierven.
Dat stukje vergeten geschiedenis wordt in deze wat onevenwichtige serie overigens fraai over het voetlicht gebracht. En ook het tragische levensverhaal van De Droevige Kampioen komt uiteindelijk netjes rond als de protagonist alsnog een plek inneemt in z’n eigen vertelling. Als een kampioen die helemaal niet droevig wil zijn.
Wat is het verhaal achter de mythe van de Curaçaose tafeltennislegende Robert Hosé? Aan de hand van interviews, archiefbeelden en nagespeelde scènes duiken we in zijn roerige leven. Kijk #Dedroevigekampioen elke vrijdag om 22.15 uur op #NPO2. pic.twitter.com/e2A3Co7u1t
Met hoeveel ze precies zijn weet niemand. Sommigen van hen hullen zich al tientallen jaren in stilzwijgen, anderen zijn simpelweg dood. Ruwe schattingen lopen uiteen van 25.000 tot 50.000. Zoveel vrouwen, meisjes en mannen zouden er begin jaren negentig zijn verkracht tijdens de oorlog in Bosnië en Herzegovina. Het was een onvervalste oorlogsdaad. De geweldplegers zorgden er soms zelfs voor dat onteerde vrouwen geen abortus konden ondergaan. Zodat er ook nog eens kinderen zouden komen…
Zeker vierduizend schijnen het er te zijn geworden. Al is maar een klein deel daarvan erkend. Sommige baby’s werden bij hun geboorte verdronken, andere direct in de steek gelaten. In There’s Still Someone In The Woods (52 min.) worden enkele van die kinderen geportretteerd. Ze zijn inmiddels halfweg twintig. Van Lejla is er bijvoorbeeld tragisch beeldmateriaal hoe ze als achttienjarige voor het eerst zichzelf ziet als baby. De Britse journalist Dan Damon filmde hoe ze hulpeloos op een stretcher lag. Achtergelaten. Hij zou haar later adopteren.
Lejla had destijds nog helemaal geen naam en haar biologische moeder, een moslima die was verkracht door een Servische man, weigerde om naar haar te kijken. ‘Ik wil dat kind niet’, zegt ze, onherkenbaar in beeld gebracht. Wie het kind wil, mag het wat haar betreft hebben. ‘Gelukkig is het geen zoon. Anders zou het een toekomstige vijand kunnen worden.’ Haar dochter probeert de bittere woorden van moeder weg te lachen. In de navolgende jaren zal ze toch contact met haar proberen te leggen. Want het bloed kruipt…
Het tragische relaas van oorlogskinderen zoals Lejla wordt in deze documentaire van Teresa Turiera-Puigbò Bergadà en Erol Ileri Llodella gepaard aan de getuigenissen van enkele vrouwen die destijds met bruut geweld werden overweldigd en die nu, ruim 25 jaar later, alsnog hun recht proberen te halen. Hun indringende getuigenissen zijn omkleed met onheilszwangere sequenties, die de naargeestige gebeurtenissen van toentertijd symboliseren.
Het resulteert in een schrijnende en soms ook wat onevenwichtige film, die de gevolgen van één brute oorlogsmisdaad, de ultieme vernedering van zowel de individuele persoon als de bijbehorende gemeenschap, in kaart brengt.
Grand Park in Los Angeles is bezaaid met stretchers. In de schemering kiezen allerlei mensen verwachtingsvol hun plek. Hen wacht een nacht als geen andere. Ze zijn getuige van een live-uitvoering van Sleep, een muziekstuk van ruim acht uur van de Duits-Engelse componist Max Richter (die naam maakte met soundtracks voor films/series als The Leftovers, Shutter Island en My Brilliant Friend). Slapen mag, maar hoeft niet. Luisteren – of beter: ondergaan – mag natuurlijk ook.
Max Richter’s Sleep (98 min.) is geen traditionele making of-docu waarin elke stap van de totstandkoming van dit bijzondere project wordt belicht en intussen automatisch een intiem portret ontstaat van de nucleus daarachter (en zijn vrouw en creatieve partner: de antropoloog, theatermaker en filmer Yulia Mahr). Tenminste, niet alleen. Deze film van Natalie Johns is tevens een poëtische verkenning van het fenomeen slaap, de werking van onze hersenen en mens zijn.
En een eerbetoon aan Richters meditatieve slaapsoundtrack, natuurlijk. Hij noemt die zelf overigens een protest tegen een wereld waarin we permanent ‘aan’ staan. Dat idee gaat gepaard met een weldadige beeldenstroom: verstilde panorama’s van een stad bij nacht, portretjes van enkele participanten en familievideo’s van de Richters en hun kinderen. Gezamenlijk vormen ze een – excuus: flauwe woordspeling op komst – droomvlucht.
Die kan worden beschouwd als een zusterfilm van de Nederlandse slaapdocumentaire In De Armen Van Morpheus. Deze documentaire gaat alleen niet uit van de individuele beleving, maar belichaamt de collectieve ervaring.
Preludes To Face The World, luidt de tagline voor deze korte documentaire van Maartje Bakers, die onlangs werd genomineerd voor een Gouden Kalf. Een beeldessay over vrouwelijkheid, aan de hand van de ochtendrituelen van zes verschillende vrouwen. Bakers observeert hen terwijl ze zich gereed maken om de wereld weer tegemoet te treden. Vanaf het moment dat ‘s ochtends de wekker gaat totdat ze zich uiteindelijk blootstellen aan andermans blik.
Kalm en aandachtig laat Personae (25 min.) hen zien in hun eigen domein, waar ze zich overgeven aan hun vaste gewoonten. Van ochtendmens transformeren de vrouwen, in de badkamer, aan de make-up tafel en bij de kledingkast, langzaam in een toonbare variant van zichzelf. Dat is een heel intiem proces, waarbij ze letterlijk veel van zichzelf laten zien. Van zowel hun persoonlijke ruimte als van hun lichaam. En waarbij ze ook heel nadrukkelijk naar zichzelf kijken. Niets zo indringend immers als The Female Gaze.
Gesproken wordt er verder niet. De camera, gesitueerd op een vaste plek, moet het werk doen, aan het begin en einde in de rug gedekt door doeltreffende muziek. Zo dwingt deze film om echt te kijken, in een poging om de vrouwen te zien voor wie ze werkelijk zijn. En daaruit komen onvermijdelijk vragen naar voren over wat vrouwelijkheid is en behoort te zijn en hoeveel vrouwen in zichzelf moeten investeren, teneinde de wereld te kunnen trotseren.
Staan we aan de vooravond van een terugkeer naar het ongebreidelde kapitalisme van de achttiende en negentiende eeuw, met een kleine aristocratie die leeft in weelde en het gewone volk dat omkomt van de honger? Deze zorg spreekt de Franse econoom Thomas Piketty nadrukkelijk uit bij de start van de boeiende documentaire Capital In The Twenty-First Century (102 min.), die is gebaseerd op zijn baanbrekende boek uit 2013. De eerste tekenen dienen zich volgens hem aan: groeiende ongelijkheid en, als een soort bliksemafleider daarvoor, toenemend nationalisme.
Samen met vooraanstaande collega-economen, psychologen, historici en politicologen licht Piketty vervolgens de ontwikkeling van het kapitalisme door, de talloze pogingen om dat bij te sturen en de recente opkomst van de ‘Greed is good’-mentaliteit, waardoor er weer een ouderwetse samenleving van Haves, een kleine elite, en Have-nots, de rest van de bevolking, dreigt te ontstaan. In politieke termen: één dollar, één stem. In plaats van wat je zou verwachten in een goed functionerende democratie: één mens, één stem.
De bijbehorende winnaarsattitude wordt ook direct verinnerlijkt, zo toont een fascinerend experiment met het bordspel Monopoly aan. Door het opgooien van een munt wordt steeds bepaald welke van twee spelers allerlei voordeeltjes krijgt toebedeeld. Die geluksvogels gaan zich vervolgens binnen enkele minuten ook als winnaar gedragen. Ze verplaatsen hun pion met meer geluid, graaien vaker in de chipszak en beginnen hun opponent te kleineren. Na afloop geloven ze dat ze puur op basis van hun kwaliteiten hebben gewonnen. Niet als gevolg van stom toeval.
Het is niet moeilijk om die mentaliteit te ontwaren in de hedendaagse samenleving. In zowel individuele personen als ondernemingen. Met deze uitstekend gedocumenteerde film van Justin Pemberton, die is geïllustreerd met nieuwsbeelden, televisiefragmenten en scènes uit speelfilmklassiekers zoals Pride And Prejudice, Les Misérables en The Grapes Of Wrath, bepleiten Piketty en zijn mededenkers dan ook een beter gereguleerde vorm van kapitalisme, waaraan echt iedereen zijn steentje bijdraagt, bijvoorbeeld via het betalen van belasting.
Enig optimisme is daarbij op zijn plaats, meent hij. De menselijke geschiedenis toont volgens Piketty aan dat we altijd streven naar een samenleving met harmonie en samenhang. Daarvoor moet dan alleen de huidige ongelijkheid nog wel even worden bestreden.
Geel van buiten, wit van binnen. Een banaan dus. Zo noemt Pete Wu zichzelf en andere Chinees-Nederlandse jongeren. Ze zitten gevangen tussen de Chinese cultuur van hun ouders en de Nederlandse samenleving, waarbinnen ze zijn opgegroeid. Met verwachtingen en aspiraties als ieder ander, maar in de ogen van hun ouders voorbestemd om een andere banaan te huwen – en een ‘Chinees’ of snackbar over te nemen.
In Pete En De Bananen (58 min.), gemaakt met Willem Timmers, gaat Wu in gesprek met andere Chinees-Nederlandse jongeren over hun liefdesleven en de verwachtingen die zij daarbij ervaren vanuit de gesloten Chinese gemeenschap en de eisen die aan hen worden opgelegd door Nederlanders, voor wie wit en westers nog altijd de norm is (en probeer die maar eens niet te verinnerlijken).
Pete’s zoektocht brengt hem in contact met een jonge vrouw die haar niet-Chinese verloofde jarenlang verborgen hield voor haar vader en moeder, een succesvol Aziatisch model en een voormalige sekstelefoniste die zich specialiseerde in klanten met zogenaamde ‘yellow fever’ (en die eerder is geportretteerd in de documentaire Hallo Met Kyoko). Hij gaat verder voor het eerst op date met een andere Banaan en laat zich doorlichten door een (eveneens Aziatische) therapeute, ontmoetingen die soms nét iets te geconstrueerd aandoen.
Wu en Timmers omlijsten al die gesprekken met gestileerde geel gekleurde sequenties en stijlvolle synthmuziek. Waarbij Pete’s zeer persoonlijke voice-overs een verdiepende laag aanbrengen en echt inzicht geven in zijn zielenleven, dat onlosmakelijk verbonden is met zijn afkomst en de plek waar hij opgroeide. Een manier van zijn, waarbij geel en wit inmiddels volledig door elkaar lopen.
Hele generaties zijn ermee opgegroeid: Fame. Eerst was er de film, toen een serie en tenslotte de musical. Het is de ultieme voorstelling over theatertalent dat klaar staat om het he-le-maal te gaan maken. Beter: vóór theatertalent dat klaar staat om het he-le-maal te gaan maken. Een ideale springplank naar een leven op het podium.
Ditmaal komen de aspirant-beroemdheden uit China. Ze studeren aan de Centrale Theateracademie in Beijing. Daar kom je natuurlijk niet zomaar binnen. Alleen de allerbesten worden toegelaten. En die zijn nu klaar om af te studeren, met de eerste voorstelling die wordt gemaakt in samenwerking met Broadway. The Road To Fame (57 min.) dus, vervat in een vermakelijke film van Hao Wu uit 2013.
Standaardverhaal zou je daarover in eerste instantie zeggen. De één haalt het wel, een ander niet. En tussen (het kleine) begin en (verplicht grootse) eind zit heel wat drama. Het pad dat moet eindigen met een staande ovatie begint alleen wel in een land dat jaren een strikte éénkindpolitiek heeft gevoerd. Met succes, zou je kunnen zeggen. Deze jongvolwassen behoren tot de eerste naoorlogse generatie die in relatieve welvaart is opgegroeid.
Én zonder broertjes of zusjes, dat ook. ‘Ze zijn allemaal enig kind’, constateert hoofd musicalopleiding Liu Hongmei. ‘Ouders en vier grootouders. Zes paar ogen op één enkel kind. Dus ze zijn heel erg verwend.’ Je zou ook kunnen zeggen: zij alleen moeten de onvervulde dromen van hun familie verwerkelijken. Of, bij de minder gefortuneerde gezinnen, zorgen voor een stabiel inkomen. En dat is bepaald geen sinecure in een land dat gebukt gaat onder jeugdwerkeloosheid.
Wie van hen een wereldster wordt? En wie voorbestemd is om zijn levensdagen te slijten als slecht betaalde zanger in het barcircuit? Vooralsnog gaat het om een plek in de zogenaamde A-selectie, met talenten die daadwerkelijk in de voorstelling mogen gaan spelen. De ingevlogen Amerikaanse regisseur is alleen niet enthousiast. ‘Puur verstand, geen gevoel’, constateert hij onderkoeld. Zijn collega beaamt: ‘Ja, dat leren ze hier niet.’
Er is dus daadwerkelijk nog een wereld te winnen voor deze ambitieuze jongelingen, die in deze gelaagde documentaire model staan voor een nieuwe generatie opgroeiende Chinezen.
‘So what?’, zegt Jack Burkman als filmmaker Andrew Rossi hem vraagt of nepnieuws negatieve consequenties heeft. ‘Je moet gewoon doen wat je moet doen.’ De politieke lobbyist was er enkele jaren geleden dan ook als de kippen bij om zijn steentje bij te dragen aan de verspreiding van een complottheorie rond de dood van Seth Rich. Deze onbekende medewerker van de Democratische partij zou rücksichtslos zijn geliquideerd omdat hij informatie over de campagne van Hillary Clinton wilde doorspelen aan WikiLeaks.
Complete onzin, dat weet Burkman zelf ook wel. Hij schaamt zich echter niet voor zijn duistere escapades en laat zich in deze film dan ook gewoon volgen als hij met de alt-right provocateur Jacob Wohl een nieuwe lastercampagne opzet. ‘Ik gebruik nepnieuws als een wapen omdat het nu eenmaal bestaat.’ Daarmee is Burkman een treffend voorbeeld van de hedendaagse handel in desinformatie, propaganda en kwaadaardige roddel die de centrale thematiek vormt van After Truth: Disinformation And The Cost Of Fake News (95 min).
Illustratief is het relaas van James Alefantis, de eigenaar van pizzeria Comet Ping Pong in Washington, waar eind 2016 ineens een man met een doorgeladen geweer binnenstormde om ontvoerde kinderen te bevrijden. Alefantis was, zonder dat hij het doorhad, de centrale figuur geworden van Pizzagate, een samenzweringstheorie die via de riolen van het internet was opgeborreld naar een groot publiek. In de kelder van de pizzeria zouden George Soros en (alweer) Hillary Clinton stelselmatig kinderen misbruiken.
Sindsdien is de term ‘fake news’ gekaapt door Donald Trump, die onwelgevallige media of journalisten met die term wegzet en meteen door zijn supporters laat uitjouwen. Intussen zijn ook Democraten zich gaan bedienen van gefingeerde websites en -nieuws om hun Republikeinse tegenstrevers te slim af te zijn. Zo zoeken ze doelbewust het speelveld op van rechtse stokers als Sean Hannity, Jerome Corsi en InfoWars-boegbeeld Alex Jones, de man die bijvoorbeeld beweert dat de schietpartij op de Sandy Hook-basisschool volledig in scène is gezet.
Via zulke usual suspects schetst Rossi een ontluisterend beeld van een schemerwereld waarin de waarheid volledig ondergeschikt is geraakt is aan het eigen ideaal of – vooral – het eigen gewin. Een wereld die er in al zijn hard- en smerigheid altijd al was, maar die met name door de komst van sociale media, Mark Zuckerbergs Facebook voorop, en opgepookt door Poetins Rusland geheel nieuwe dimensies heeft gekregen.
Is het portret dat Davis Guggenheim in Inside Bill’s Brain: Decoding Bill Gates (157 min.) schildert van Microsoft-oprichter Bill Gates méér dan een alibi om de schijnwerper te zetten op enkele van ’s mans liefdadigheidsprojecten? Hij slaagt er weliswaar redelijk in om te vatten wat er omgaat in Gates’ hoofd, maar waar het hart van de oppernerd werkelijk van overslaat blijft ongewis.
Wat zijn zussen, echtgenote Melinda, vrienden, collega’s en mede-filantroop Warren Buffett in deze driedelige miniserie te berde brengen, komt in elk geval zelden écht onder de waterlijn. De hoofdpersoon zelf laat zich ook niet zomaar in z’n ziel kijken. En interviewer Guggenheim is er de man niet naar om met gestrekt been het gesprek in te gaan met Gates. Als hij met hem door het bos of de woestijn gaat wandelen, een terugkerend tafereel in de docu, houdt de filmmaker het vooral algemeen en gezellig. Met vragen die gemakkelijk zijn te omzeilen.
Tussendoor is er lekker veel ruimte – als je tenminste geïnteresseerd bent in ’s mans goede werken – voor enkele speerpunten van The Bill And Melinda Gates Foundation: schoon drinkwater en goede riolering in ontwikkelingslanden, een vaccin tegen polio, vrouwenrechten en de strijd tegen klimaatverandering. Loffelijke initiatieven, zonder twijfel, met ontegenzeggelijk ook maatschappelijke impact. Van een bolleboos die het hart (toch wel) op de goede plaats lijkt te hebben, dat ook. Maar niet per definitie het meest inspirerende basismateriaal voor een vlammende vertelling, die nog dagen nazindert.
Dat past ook wel bij de protagonist. Bill Gates is zonder twijfel een ontzettend gedreven vent, maar hij opereert tevens erg rationeel. Voor zijn huwelijk met Melinda streepte hij bijvoorbeeld op zijn slaapkamer de voor- en nadelen van trouwen tegen elkaar af op een whiteboard. Logisch, toch? Hij drukt zich in deze serie doorgaans ook weinig prikkelend uit. ‘Ongewoon’, noemt hij bijvoorbeeld de plotselinge dood van zijn jeugdvriend Kent Evans, die toch een vormende ervaring voor hem moet zijn geweest. En daarna is hij, wel zo praktisch, doorgegaan met zijn leven en carrière.
Ook opmerkelijk: over Bills geruchtmakende ruzie met mede-Microsoft-oprichter Paul Allen, die in 2018 overleed, komt zo ongeveer iedereen aan het woord. Behalve de hoofdpersoon zelf. Die houdt zijn kaken zoveel mogelijk op elkaar en laat zeker het achterste van zijn tong niet zien. Het is de makke van Inside Bill’s Brain dat hij daarmee wegkomt. Daardoor is dit drieluik, waarin Davis Guggenheim zelf als verteller alle zeilen moet bijzetten om de verschillende verhaallijnen te verbinden en zo nu en dan animaties gebruikt om delen van Gates’ leven te verbeelden, uiteindelijk een tamelijk zouteloze mixture van geautoriseerde biografie en op zichzelf best interessante goede doelen-televisie geworden.
Als The Family niet bestond, zouden complotdenkers het broederschap beslist hebben verzonnen. ‘Als Jezus Christus iets organiseert maakt Hij de organisatie onzichtbaar’, stelt de enigmatische leider Doug Coe, ‘de machtigste man in Washington waarvan je nog nooit hebt gehoord’, tijdens één van zijn weinige publieke optredens. ‘De maffia gebruikt ook zo’n soort organisatie.’ The Family, zo’n tachtig jaar geleden opgericht door een Noorse immigrant, is onder Coe’s bewind een zogenaamde non-organisatie geworden.
Hoewel de conservatief christelijke lobbygroep jaarlijks het prestigieuze National Prayer Breakfast organiseert, waarbij de Amerikaanse president en zo ongeveer alle politieke kopstukken acte de présence geven, proberen Coe en de zijnen koste wat het kost buiten beeld te blijven. Die geheimzinnigheid spreekt natuurlijk tot de verbeelding en wordt dus ingezet als het unique selling point van The Family (245 min.), een vijfdelige docuserie van Jesse Moss die is gebaseerd op twee boeken van Jeff Sharlet.
Deze Amerikaanse auteur woonde zelf als jongeling enkele jaren in Ivanwald, het huis van de nieuwe lichting Family-leden, en fungeert nu als verteller voor deze documentairereeks over het invloedrijke verbond. Sharlets persoonlijke ervaringen zijn in de eerste aflevering zelfs gedramatiseerd, waarbij de bekende karakteracteur James Cromwell de rol van Doug Coe voor zijn rekening neemt. Die scènes verhouden zich lastig tot het documentairedeel van de episode. In de rest van de serie blijven ze bovendien vrijwel achterwege.
Het vermeende sektarische karakter van het broederschap, dat er eigen huizen en discipelen op nahoudt, wordt verder ook nauwelijks uitgewerkt. Inhoudelijk piept en kraakt het wel vaker in The Family. De belofte dat het christelijke genootschap méér is dan een invloedrijke lobbygroep, die in alle stilte zijn belangen probeert te behartigen, zowel in eigen land als bij dubieuze regimes elders in de wereld, en daarbij vuile handen maakt, die daarna natuurlijk steevast in onschuld worden gewassen, wordt in elk geval nooit overtuigend ingelost. Losse flodders en eindjes te over, concrete voorbeelden van Bilderberg-achtige machinaties veel minder.
‘Fundamenteel ondemocratisch’, oordeelt Sharlet, een man die het drama bepaald niet schuwt, niettemin over The Family. Dat mag zo zijn, maar regisseur Moss slaagt er in deze serie niet in om de grootschalige samenzwering, die allerlei aluhoedjes vast al tijden op het spoor waren, écht aan te tonen. Een typisch geval van ‘overselling’. In de slotaflevering, waarin hij zelf een gebedsgroep gaat bezoeken, ineens serieus in gesprek wil over de beweegredenen van individuele familieleden en bovendien de link met Donald Trump probeert te leggen, raakt de filmmaker het spoor helemaal bijster. Kritische kijkers zijn dan allang afgehaakt.
inschrijven De DocUpdate: helmutboeijen.substack.com
– Docent (Fontys Journalistiek, 2009-heden)
– Freelance-journalist voor diverse kranten, tijdschriften en websites. (1995-heden)
Gepubliceerd op/in o.a. De Correspondent, Nieuwe Revu, Brabants Dagblad, Oor, VPRO-gids, De Nieuwe Reporter, muziek.nl, VARA TV-Magazine, 3voor12, DVD Report, Participatie & Herstel en AVRO Televiziergids
Terug Naar Neerkant (documentaire uit 2011 over de band en commune CCC Inc., in première gegaan tijdens het Play-festival, tijdens het IDFA in Amsterdam, uitgezonden door Omroep Brabant en onder de titel CCC Inc. – Hippies In De Peel vertoond door de NTR in Het Uur Van De Wolf)
Oorlog Met De FIFA (documentaire uit 2010 over de campagne rond de Bavaria-Babes, die uitliep op een internationale rel met de FIFA, NOOIT UITGEZONDEN; EenVandaag maakte een radio- en televisiereportage over deze kwestie)
A Dutch Soldier’s Story (documentaire uit 2010 over een Nederlandse militair, die is uitgezonden naar Uruzgan, vertoond op Holland Doc en door alle regionale omroepen)
Laatste Kans (documentaire over de Marokkaanse voetballer Marouane Bouchti uit 2009, uitgezonden door alle regionale omroepen en geselecteerd voor het Film In Brabant-festival, vertoond tijdens het Scenecs-filmfestival 2010)
30 Jaar Gerard (documentaire over het dertigjarig jubileum van zanger Gerard van Maasakkers uit 2008, uitgezonden door Omroep Brabant, geselecteerd voor het Scenecs Festival in Amersfoort en uitgezonden door alle regionale omroepen)
De Liefde Blijft (opdrachtfilm over een dementerend echtpaar uit 2007, gemaakt samen met Marjolein van Poppel, in filmtheaters vertoond tijdens het Film In Brabant-festival)
My Name Is Luka (documentaire over de Ierse zanger Luka Bloom uit 2006, internationaal uitgebracht op dvd, aangekocht en uitgezonden door de Belgische televisiezender Canvas en de Australische televisiezender ABC en het digitale kanaal Cultura en geselecteerd voor het Indie Cam Festival in Toronto, het Womad-festival in Nieuw-Zeeland en het Scenecs Festival)
The Frames: It’s Just A Band (documentaire over de Ierse Oscar-winnaar Glen Hansard en zijn band The Frames uit 2005, aangekocht en uitgezonden door de VPRO en het digitale kanaal Cultura en vertoond op Nederlandse filmfestivals
Verder was ik één van de initiatiefnemers van, deed ik de interviews voor en was ik betrokken bij het concept, de ontwikkeling en montage van Kamp Vught In De Klas (winnaar Gold Camera en Silver Screen in de categorie educatie van het Internationale Amerikaanse Film en Video Festival in Los Angeles, winnaar Le Laurier De Bronze op het Internationale Film Festival van Le Creusot in Frankrijk en winnaar De Gouden Reiger 2008, de Nederlandse prijs voor opdrachtfilms).
Maker van documentaireseries (oa de 15-delige serie Oirschot-Uruzgan, uitgebracht als dvd-box en genomineerd voor een NL-Award 2009), reportages, docusoaps en items, inclusief (eind)redactie, regie, interviews, camera, geluid, selectie, montage en stagebegeleiding. Eindredacteur van het interactieve multimediaproject Boschveld 55, waarvoor enkele studenten journalistiek in een multiculturele wijk zijn gaan wonen, om van daaruit televisie-, radio- en internetreportages te maken.
Selectie van nieuwe onderwerpen voor het programma Lola da Musica, het leggen van contacten in binnen- en buitenland, maken van planningen, samenstellen van een filmcrew, interviewen van nationale en internationale artiesten, regisseren van programma’s en items, en monteren van uitzendingen over onder anderen AC/DC, The White Stripes, Monster Magnet, Dropkick Murphys, Bob Forrest, The Gourds, Fireside, Zen Guerrilla, Beef en Gorki.