Time Trial

 

In het Ronde van Vlaanderen-museum te Oudenaarde kun je virtueel De Oude Kwaremont beklimmen en je intussen meten met de groten der wieleraarde. Op zijn best lukt het om even, heel even, aan te klampen. Voordat de man met de hamer de definitieve genadeklap geeft. De overweldigende documentaire Time Trial (82 min.) biedt een gelijksoortige ervaring; als kijker word je onderdeel van het peloton.

Dit betekent overigens niet dat je per definitie ook tot de groten der wieleraarde behoort. Het gros van de beroepsrenners rijdt vooral als pelotonvulling mee en hoopt tegen beter weten in op meer. Dat geldt ook voor de Schot David Millar, die in de nadagen van zijn carrière is aanbeland. Ooit, voor zijn schorsing vanwege dopingsgebruik, reed hij de pannen van het dak. Maar die glorieuze dagen liggen al lang en breed achter hem.

Dat is de context voor deze zinnenprikkelende film van Finlay Pretsell. Millar levert een bijna wanhopige strijd tegen zichzelf, de rest van het peloton én de (biologische) klok, die zijn bestaan als wielrenner stelselmatig begint te ondermijnen. Met de Nederlander Thomas Dekker, ook een voormalige dopingzondaar, als ploeggenoot aan zijn zijde spreekt Millar al zijn reserves aan zodat hij nog eenmaal de Tour de France mag rijden.

Om de kijker in het getergde lijf van de hoofdpersoon te persen en vanuit diens perspectief de koers te laten beleven, trekt Pretsell filmisch alles uit de kast; van spectaculaire cameravoering, waaronder een kleine go pro-camera op Millars gezicht tijdens een tijdrit en adembenemende point of view-beelden van een bergbeklimming, tot een zorgvuldig samengesteld geluidspalet, waarin de dwarse soundtrack van de Amerikaanse deejay en producer Dan Deacon echt het ritme en tempo van de koers vindt.

Time Trial probeert niet zozeer een lineair verhaal te vertellen, maar dwingt je tot een emotionele ontdekkingsreis door de wielersport, waarin je van kopman vrijwel ongemerkt kunt verworden tot knecht – een woord dat buiten de wielrennerij niet voor niets behoorlijk in onbruik is geraakt – of zelfs drager van de Rode Lantaarn. Gelouterd, en helemaal leeg getrokken, bereik je in de slipstream van Millar de eindstreep. En dan begint het gewone leven weer…

Demarrage

 

Jonge honden in veel te oude lichamen, constateert de bijna tachtigjarige Janus over het groepje maten waarmee hij driemaal per week op de fiets klimt. De Brabantse vrinden waren ooit met tien, maar hartproblemen en een beroerte later resteren er nog maar acht mannen in een wielertricot.

In Demarrage volgt Arno Kranenborg een van de vele groepjes oudere mannen die dagelijks, in weer en wind, het land doorkruisen. Intussen keuvelen ze over zichzelf, elkaar en het vrouwelijk schoon (‘lekker spek’) dat ze passeren en verbijten de pijntjes die komen met de jaren.

Zo nu en dan houden ze even halt voor een natje en een droogje of gaan ze op ziekenbezoek bij een oude fietsvriend. En als Jan het niet meer kan bijbenen, houdt een ander even halt en loodst hem weer richting peloton. Gewoon doodgewone mannen op de fiets dus, die we stiekem mogen bekijken en (vooral) beluisteren.

Veel meer heeft de alleraardigste documentaire eigenlijk niet om het lijf. Toch werkt ’t. Ook door de weelderige muziek waarmee die fietsavonturen zijn aangekleed. Alleen de regelmatig terugkerende bespiegelingen van verteller Janus voelen soms wat gekunsteld.

Demarrage (55 min.) is een ode aan mannenvriendschappen. Die hebben bij deze wielerclub ogenschijnlijk weinig om het lijf, maar samen kletsend, lachend en pedalerend houden de oudgedienden het onvermijdelijke einde nog even op afstand. ’Als je blijft fietsen’,  concludeert Toontje. ‘Dan ga je niet dood.’