Vonnis

VPRO

Als geestelijk verzorger wil humanist Jacob gedetineerden een veilige ruimte bieden. Om in de penitentiaire inrichting, een verder heel harde, masculiene en gesloten omgeving, even hun ware gezicht te kunnen laten zien – ook aan zichzelf. Dat gezicht kan film- en theatermaakster Zorba Huisman overigens niet laten zien in Vonnis (48 min.), haar documentaire over hoe je in de gevangenis en na een delict mens blijft of (weer) wordt.

Tijdens persoonlijke gesprekken en groepssessies laat ze dus Jacob en zijn islamitische collega, imam Omar, zien. Als spiegel van de ziel van die ander, een geanonimiseerde man met een delict op hun geweten. Die moet dealen met schuld, verantwoordelijkheid, berouw, eenzaamheid en vergeving. Buiten de gevangenismuren hebben Jacob en zijn vakbroeders zich ook tot zulke persoonlijke thema’s te verhouden.

Tussendoor deelt hij zijn eigen worsteling als vader. Net als sommige gedetineerden dreigde hij zijn kind kwijt te raken. Huisman gebruikt dit persoonlijke relaas, sfeervol en van zeer nabij opgetekend, als anker voor een verder best afstandelijk beeldverhaal, dat met een wirwar aan ontboezemingen, die lijken na te echoën in het hoofd van de geestelijk verzorgers, en een uitgesproken soundtrack wordt ingekleurd.

Jacob nodigt z’n gesprekspartners uit tot bezinning: wat betekent het voor mij om in detentie te zijn? ‘Wat ik gedaan heb, vind ik heel erg slecht’, zegt één van de gedetineerden treffend. ‘Ik weet van mezelf dat ik ook een heel goed mens kan zijn. Maar ik voel me nu geen goed mens.’ Jacob en zijn collega Omar helpen hem en zijn lotgenoten met het vinden van een weg door dat doolhof van gevoelens.

Hoe ga je om met wie je zelf denkt te zijn, wat je inmiddels op je kerfstok hebt en hoe de buitenwereld daarnaar en naar jou kijkt? Het zijn grote levensvragen die in Vonnis worden opgeworpen, zonder dat er direct een pasklaar antwoord komt. Als dit überhaupt al bestaat…

Morderca Szyty Na Miarę

HBO Max

Het kan niet lang duren voordat de naam ‘Hannibal Lecter’ valt in de driedelige true crime-serie Morderca Szyty Na Miarę (internationale titel: Fit For A Killer, 145 min.). Dat doet ’t dus ook niet. Hooguit een minuut of vijf. En dan wordt de mysterieuze Poolse moordenaar, die eind jaren negentig de huid van zijn slachtoffer afstroopt, al vergeleken met de gestoorde killer uit The Silence Of The Lambs (1991). Zou de Hollywood-thriller als inspiratie hebben gediend voor de man die de 23-jarige studente Katarzyna Zowada op weerzinwekkende wijze van het leven heeft beroofd?

De verdenking valt al snel op voormalig geneeskundestudent Wlodymir Womaczko, die met het gezicht van zijn vader op wordt gesignaleerd. Uitroepteken. Zijn opa denkt in eerste instantie dat hij gewoon zijn zoon ziet, in plaats van zijn kleinzoon met een masker van mensenhuid op. Volgens Womaczko past deze daad in de cultuur van zijn ouders. Hij wil zo zijn minachting uitdrukken voor de man, die zijn moeder heel slecht zou hebben behandeld. Kat in het bakkie, zou je zeggen. Dit moet de verknipte moordenaar zijn – ook al ontkent hij zelf, nog steeds, in alle toonaarden dat hij ‘Kasia’ heeft vermoord.

De dader zal echter nog héél lang uit de handen van de politie blijven. Pas een kleine twintig jaar later belandt er een verdachte achter de tralies. Het duurt dan nog eens zeven jaar voordat er een vonnis wordt uitgesproken. Regisseur Rafael Skalski heeft de nietsvermoedende kijker tegen die tijd al vergast op duistere horrorbeelden en macabere bijzonderheden over het misdrijf. De man die daarvoor verantwoordelijk wordt geacht is bovendien opgetekend als een waanzinnige gek, met een ernstige vorm van godsdienstwaanzin, een verslaving aan de sportschool en diverse seksuele perversies.

In het mortuarium van het ziekenhuis, waar ie een tijdje werkte, zou hij een missverkiezing voor het mooiste vrouwelijke lijk hebben georganiseerd. Zo’n type. Een Poolse variant op Hannibal. Even geniaal als gek. Een ten diepste beschadigde figuur, zonder twijfel. ‘Soms moet je een kind berispen of zelfs een klap geven’, stelt zijn eigen vader Jozef, ongetwijfeld eufemistisch. Over zijn zoon zegt ie ook: ‘Ik was niet echt gehecht aan hem, maar hij draagt nu eenmaal onze achternaam.’ Met zo’n getroebleerde figuur moet ‘t, kortom, wel verkeerd aflopen – en met iedereen in zijn directe omgeving.

En dan draait Rafael Skalski de zaak om en plaatst al die onheilspellende signalen en gore details in een ander perspectief. Waarnaar hebben we gekeken en waarvan hebben we gegruweld? Tunnelvisie? Trial by media? Wie is de man die vanuit de schaduw meekijkt? Een Poolse variant op Dr. Jekyll & Mr. Hyde? Die zijn prooi als een slang beloert, zodat hij op een onbewaakt ogenblik kan toeslaan? Het verhaal dat tevoorschijn komt vanachter het misdrijf is net zo onrustbarend – al wordt het punt dat Skalski ermee wil maken enigszins vertroebeld door de vette vorm waarin hij z’n vertelling ook dan giet – en de implicaties van zijn eigen keuzes voor lieden die het niet meer kunnen navertellen.