New Pigs On The Block

© Jimmy Kets / VPRO / vrijdag 15 mei, om 20.30 uur, op NPO2 Extra

Dit is een goed stel, hoor. Mia, Anja en Luc. De varkens hebben zich gedrieën gevestigd op een met schrikdraad afgezet stukje grond in de Belgische regio Gent, tussen een parkeerplaats en een spoorlijn. Het drietal – ongetwijfeld vernoemd naar twee hits, Mia en Anja, van de Gentse popgroep Gorki en hun zanger en songschrijver Luc De Vos (1962-2014) – is onderdeel van een sociaal buurtproject, Het Spilvarken. Ze leven van de voedseloverschotten van restaurants en winkels uit de buurt.

Daar worden de drie varkens enkele maanden van zeer dichtbij gadegeslagen door de Belgische fotograaf en filmmaker Jimmy Kets voor de documentaire New Pigs On The Block (66 min.). Mia, Anja en Luc zijn goed van elkaar te onderscheiden door de kleur van hun vacht: zwartwit, bruin en grijswit. Op het eerste oog lijken ze het ook goed voor elkaar te hebben op hun eigen kleine afgebakende terrein. Ze krijgen er alle gelegenheid om te dollen, te luieren en ruzie te maken (om eten, natuurlijk).

Kets probeert vanuit hun perspectief naar de wereld te kijken. Hij houdt zijn camera op ooghoogte. Rustig aanschouwen zijn hoofdpersonages bijvoorbeeld hoe een hondeneigenaar netjes de drol opruimt van zijn dier, zoeken genoeglijk elkaars gezelschap op of laten onbewogen de zoveelste trein passeren. Voor deze varkens, die naar verluidt veel slimmer zijn dan hun voorkomen doet vermoeden, is dat andere ‘intelligente’ wezen, de mens, niet meer dan een willekeurige passant.

Die manifesteert zich in deze observerende film in eerste instantie ook als een liefdevol en zorgzaam bijpersonage. Naarmate deze stadse tegenhanger van Viktor Kossakovskys Gunda (2020), een portret van een varken op een Noorse boerderij, vordert, dringt de mens zich echter steeds nadrukkelijker op een negatieve manier naar de voorgrond en wordt ook de afhankelijke en kwetsbare positie van Mia, Anja en Luc duidelijk. Ook hun onderlinge relatie verslechtert ondertussen zienderogen.

Met veel compassie legt Jimmy Kets dit proces vast en werkt zo toe naar een tamelijk bruut einde. De dieren waarmee het zo gemakkelijk identificeren bleek, leren de verraderlijkheid van de mens kennen. Dit was een goed stel, hoor.

Snoepjes

Canal+

Jack ‘Den Regelaar’ heeft, zoals ze dat in Brabant zeggen, ‘unne verrekeskop’. Niet dat de man zo’n dikke kop heeft – althans, niet dat we weten. De ‘XTC Kingpin’ heeft letterlijk een varkenskop op, zodat zijn anonimiteit is gewaarborgd. Vermoedelijk weten insiders uit het Brabantse criminele milieu desondanks direct wie hij is, want hij behoort tot de (voormalige) kopstukken van de lokale drugscriminaliteit. Die opereerde overigens bepaald niet alleen in de regio. Ooit was Jack goed voor zo’n miljoen pillen per week.

Zijn vakbroeder, Aad ‘De Kluiskraker’, ook al met ‘zonne verrekeskop’ op, was lid van de beruchte West-Brabantse York-bende, draaide eerst zijn hand niet om voor een bankoverval en zette daarna echt wereldwijd pillen af. En die werden gefabriceerd op het platteland, in pak ‘m beet paardenmaneges of struisvogelbedrijven of – vandaar die kop – varkensstallen. Want er was altijd wel een boer te vinden die een centje wilde bijverdienen – of die zich gedwongen voelde om ‘an offer you can’t refuse’ te accepteren.

In de vierdelige docuserie Snoepjes (176 min.), die kan worden beschouwd als de missing link tussen Amsterdam Narcos, De IRT Affaire, De Godfather Van Oss en Over Grenzen, laat Bart van den Aardweg leden van de Brabantse maffia leeglopen over hun ervaringen in de designer drugsbusiness, waar kerels met bijnamen zoals ‘De Man Op De Berg’, ‘De Zigeunerkoning’ en ‘De Commissionaris’ de toon zetten en een sleutelrol is weggelegd voor ‘De Gekke Professor’, chemicus Robert Hollemans.

Hun herinneringen zijn door Van den Aardweg omlijst met fraaie archiefbeelden en gereconstrueerde scènes en worden verder van kleur voorzien door hardcore-DJ Dano, feestorganisator Ilja Reiman, Roxy-portier Remco Doorn en Bhagwan-volgeling en XTC-therapeut Peter den Haring. De misdaadjournalisten Hessel de Ree en Jens Olde Kater, oud-officieren van justitie Monique Klinkenbijl en Cees Spierenburg en ex-minister van Justitie Winnie Sorgdrager zorgen voor context en tegenwicht.

Die is broodnodig. Anders waren de varkenskoppen en al die andere pillenboeren wellicht overgekomen als relatief onschuldige geinponems. Deze smeuïge miniserie maakt er echter geen geheim van: de Brabantse drugscriminaliteit mocht dan provinciaals overkomen, het was wel degelijk een internationaal vertakte business, die gepaard ging met geweld, ripdeals en liquidaties. En ter plaatse, in het beruchte dorp Sint Willebrord bijvoorbeeld, werd daarover zorgvuldig gezwegen. Omerta, juist.

Snoepjes toont nog maar eens ondubbelzinnig aan: Nederland – lees Brabant – deed (en doet) dienst als een internationaal zenuwcentrum voor de productie van en handel in synthetische drugs.

Nelson Het Minivarken

KRO-NCRV

‘Aan het eind van deze film ben ik volkomen terecht wereldberoemd’, beweert Nelson aan het begin van zijn ‘15 minutes of fame’. Zijn stem klinkt verdacht veel als Maarten van Rossem. En hij lijkt toch echt op een varken. Een minivarkentje, welteverstaan. Althans, dat was de bedoeling.

Nelson Het Minivarken (15 min.) woont in Werkendam, ‘een dorp met keurige mensen’. Hij heeft twee moeders: Angela en Annemarie. En die hebben weer twee zoons: Brandon en Jaydon. Zij zijn allemaal gek op hem. En dat vindt de hoofdpersoon zelf dan weer niet vreemd.

‘Eigenlijk ben ik een geniaal varken’, constateert Nelson enigszins zelfgenoegzaam, nadat hij heeft laten zien dat hij zelfstandig een koelkast kan openmaken. ‘Gek genoeg had ik altijd honger’, zegt hij erbij. Alsof ’t ook hem verbaast. En daarmee dient het drama van deze kostelijke jeugdfilm aan.

Dat begint met aangevreten speelgoedbeesten en zorgt uiteindelijk voor politie aan de deur. ‘Wat een klerezooi allemaal!’ Ze kijken Nelson al snel met de nek aan in Werkendam. ‘Daar heb je die mafkees ook weer’, roept een buurman als hij het ‘minivarken’ op straat tegenkomt. ‘Tjongejongejonge!’

Hij zorgt voor stank, zeggen ze. En als buitengewoon intelligent dier zal Nelson toch zelf ook wel beseffen dat persoonlijke hygiëne nou niet zijn meest in het oog springende eigenschap is? Als de buurt begint te klagen – want zo zijn ze – moet dit varkentje toch echt worden gewassen.

En dan bedenkt moeder Angela, ongetwijfeld ingefluisterd door regisseur Anneke de Lind van Wijngaarden, een list. Zoals er vast nog wel meer is gescript in deze hartveroverende docu voor jong en oud. Zodat iedereen gaat houden van die oude brombeer in dat jonge varkentjeslijf.

En niemand huisvarken Nelson, ook al gedraagt hij zich toch echt als een varken, nog kwijt wil.

M’n Beessie En Ik

Halal

Het is even proppen, maar dan heeft Frans, vernoemd naar kunstenaar Francis Bacon, in de openingsscène van M’n Beessie En Ik (77 min.) dan toch echt z’n plekje achter in de gele stationwagen gevonden. Eenmaal thuis, als hij gezellig met ‘eigenaar’ Kim op de bank zit, krijgt hij een lekker stukje fruit toegestopt. Het varken is zes jaar geleden bij haar, en haar toenmalige partner, ingetrokken. ‘We zien hem echt als onze dikke maat’, zegt ze. En hij heeft met zijn vaste routines ook wel wat weg van ‘een autistisch jongetje’.

Frans is één van de opmerkelijke ‘huisdieren’ in deze tragikomische film van regisseur Johan Kramer (Keeper), waarin allerlei exotische exemplaren en hun baasje worden gepresenteerd: de Afrikaanse reuzenslak (Her Majesty) Nokia, kapper Vico’s coole sfinxen, influencerkat Zappa (met meer dan 100.000 volgers op Instagram), de zingende Titanic-hond Mikey van een kwetsbare tiener en Dog Dance-kampioen Kamatz en zijn menselijke danspartner Wollie. En, natuurlijk, de vreemdste diersoort van allemaal: de mensch.

De Beessies worden grondig gehumaniseerd. Ontdierlijkt ook. Of simpelweg ontvleest. En de mensen aan hun zijde respectvol geportretteerd. Want hoewel een buitenstaander bij de aanblik van de koppels een milde glimlach soms misschien nauwelijks kan onderdrukken, of zelfs even hardop moet lachen, probeert Kramer nooit te scoren ten koste van zijn personages. Hij beziet hen met compassie en begrip en maakt zo inzichtelijk welke rol deze partner, ouder of nakomeling in dierenvermomming speelt in hun leven.

M’n Beessie En Ik wordt daarmee een soort zusterfilm van Heddy Honigmanns Buddy, over de symbiotische relatie tussen hulphonden en hun baasje. Deze dieren openen de wereld van hun menselijke vrienden, zorgen ervoor dat zij zich geaccepteerd voelen en geven hen een gevoel van veiligheid. Johan Kramer registreert dit zeer gestileerd, met fraaie totalen en extreme close-ups, waarbij hij echt héél dicht op de vacht zit. Met bijzondere aandacht ook voor de dierlijke communicatie – het knorren, spinnen, kwispelen – waaruit de goede verstaander nog heel wat kan afleiden.

Tegen dat gevoel van volledige geborgenheid kan klaarblijkelijk weinig op. Zoals Wollie, die enige tijd geleden is gescheiden, het treffend uitdrukt: ‘Ik heb ooit een sleutelhanger gekocht. En die tekst vond ik zo mooi: Onvoorwaardelijke liefde, hoe ziet dat eruit? Voor mij heel eenvoudig: vier poten en een snuit.’

Gunda

Periscoop

Gunda (93 min.) ligt uitgeteld op haar zij. Ze is net te zien door een opening van de schuur. Minutenlang gebeurt er ogenschijnlijk niets. En dan kruipt er ineens een biggetje over het moedervarken heen. Nog één. En nog één. Twaalf in getal. De zoektocht naar de tepel kan beginnen. Het gevecht om melk. En daarna het leven.

De openingsscène voor deze nieuwe film van Victor Kossakovsky zet direct de toon: dit wordt een (vrijwel) mensloze film. Aandachtig observeert de vermaarde Russische regisseur hoe de zeug Gunda op een Noorse boerderij haar kroost grootbrengt. Ze worden gezoogd, gestimuleerd en zo nodig ook gecorrigeerd. Zodat ze zich straks kunnen redden te midden van de koeien, een eenbenige kip en die kolossale trekker.

Kossakovsky vangt die ontwikkeling met intieme shots in sprekend zwartwit, waardoor de dieren echt tot leven komen en zich kunnen ontwikkelen tot volwaardige filmpersonages, waaraan met gemak allerlei menselijke gedachten en gevoelens kunnen worden toegedicht. Tegelijkertijd is Gunda een compromisloze film die dwingt om aandachtig te kijken. Bankhangers, met één hand in de zak borrelnoten en een half oog op hun mobiele telefoon, haken onherroepelijk af. En snel ook, waarschijnlijk.

Deze documentaire vraagt aandacht en ausdauer en betaalt zich alleen dan uit. In onbetaalbare scènes, om te beginnen: de kip die stuit op een hek, koeienogen met de onvermijdelijke vliegen erin of Gunda happend naar regen. En, uiteindelijk, als een buitengewoon fraai eerbetoon aan de zegeningen van moeder natuur.