Le Bus: Les Bleus En Grève

Netflix

Tijdens het wereldkampioenschap van 2010 in Zuid-Afrika barst de bom die al enkele jaren onder het Franse voetbalelftal ligt: nadat spits Nicolas Anelka uit de selectie wordt verwijderd, weigeren de andere spelers om te trainen. Zo escaleert een kwestie waarover in eigen land dan al kranten worden volgeschreven. Uiteindelijk druipt Frankrijk na de eerste ronde met de staart tussen de benen af. En de spelers krijgen de zwarte piet toebedeeld. De kwestie ligt echter een stuk genuanceerder, blijkt uit de fascinerende reconstructie Le Bus: Les Bleus En Grève (81 min.).

‘Deze leugen duurt al vijftien jaar’, zegt voormalig aanvoerder Patrice Évra. ‘Ik nam mijn verantwoordelijkheid en ik wil dat Raymond Domenech, de bondscoach, dat ook doet.’ En die blijkt inderdaad bereid tot een interview. Domenech heeft bovendien al die jaren een dagboek bijgehouden, dat de filmmakers Jérôme Fritel en Christophe Astruc nu in z’n geheel mogen inzien. En daarin maakt hij van zijn hart geen moordkuil. ‘Ik zag Pat Évra’, schrijft de geplaagde coach, die zijn eigen spelers soms als ‘klootzakken’ of ‘idioten’ omschrijft. ‘Hij kan maar beter zwijgen…’

Nauwgezet ontleden Fritel en Astruc met verder ook de spelers William Gallas en Bacary Sagna, Domenechs ex-partner Estelle Denis, perschef François Manardo, conditietrainer Robert Duverne en minister van Sport Roselyne Bachelot hoe de situatie rond het elftal, dat met kanonnen als Henry, Anelka en Ribéry een serieuze kanshebber voor de wereldtitel leek, steeds verder escaleert. De bom barst definitief na een aanvaring tussen Domenech en Anelka, tijdens de rust van de wedstrijd tegen Mexico. ‘Rot op, vuile klootzak!’ kopt de sportkrant L’Équipe.

Het is de vraag of Nicolas Anelka, die dan al de reputatie heeft van een enfant terrible, deze woorden ooit zo heeft uitgesproken. Zelfs Raymond Domenech kan zich dat niet herinneren. Feit is wel dat dit beeld zich zet in de media – en dat iemand binnen de groep deze informatie dus moet hebben gelekt naar een journalist. Al snel wordt het Franse team opgeslokt door een bijzonder onguur spelletje Wie Is de Mol?. Bij de buitenwacht domineert intussen het beeld van een stelletje verwende vedetten, dat nergens meer voor is te motiveren, zelfs niet voor een wereldtitel.

Als de spelers hun positie proberen te verduidelijken met een persverklaring, in de hoop de crisis te kunnen bezweren en het WK enigszins te redden, weigert perschef Manardo die echter voor te lezen. Daarna stapt de bondscoach zelf naar voren. ‘Ik dacht als eerste: ze hebben dit niet geschreven’, herinnert Raymond Domenech zich, met kenmerkend dedain. ‘Er staan geen spelfouten in.’ Terwijl het team op zijn bevel wacht in de spelersbus, leest hij de boodschap, die haaks staat op zijn eigen positie, echter met een stalen gezicht voor en is zijn ploeg reddeloos verloren.

Het tekent het dwarse karakter van de onorthodoxe coach, die dan al een tijd op voet van oorlog leeft met de Franse pers en die ook een flinke rol lijkt te hebben gehad in het ontstaan en ontsporen van het conflict. Domenech komt zo frontaal in botsing met de speler die hij zelf heeft laten debuteren bij Les Bleus en vervolgens tot aanvoerder heeft gebombardeerd, Patrice Évra. Als haantjes staan ze tegenover elkaar, in een gevecht waarbij zowel reputaties als de nationale trots sneuvelen.

Marlon Brando In Paradise

TVF / vrijdag 1 mei, om 20.30 uur, op NPO2 Extra

Als de Amerikaanse steracteur Marlon Brando (1924-2004) tijdens opnames voor de Hollywood-film Mutiny On The Bounty begin jaren zestig in de Stille Zuidzee stuit op het prachtige eiland Tetiaroa, weet hij direct: dit is de plek voor mij. Enkele jaren later koopt Brando het paradijselijke oord daadwerkelijk aan.

Het is de vervulling van een jeugddroom: als getroebleerde tiener droomde hij al regelmatig weg bij foto’s van Tahiti. De eilandengroep appelleert ook aan Brando’s geknakte ambitie om wetenschapper te worden en zo een bijdrage te kunnen leveren aan het behoud van de aarde. Het Frans-Polynesische koraaleiland Tetiaroa kan een thuishaven worden voor wetenschappelijke experimenten, bedreigde diersoorten en nieuwe vormen van toerisme (die al snel onbetaalbaar blijken).

Het postume portret Marlo Brando In Paradise (52 min.) van Dirk Heth en Silvia Palmigiano behandelt ‘s mans filmcarrière – die resulteert in klassiekers zoals On The Waterfront, The Godfather en Apocalypse Now – vooral als een decor waarin zijn idealisme, sociale bewogenheid en milieubewustzijn tot volle wasdom kunnen komen. Hij is, in de woorden van zijn biograaf Susan Mizruchi (Brando’s Smile), de eerste ‘celebrity do-gooder’ – en daardoor ook bepaald niet onomstreden.

Als Brando in 1973 bijvoorbeeld weigert om de Oscar voor zijn rol als maffiabaas Don Corleone te accepteren en in zijn plaats een vertegenwoordigster van de Native Americans naar de uitreiking stuurt om de Amerikaanse filmindustrie te bekritiseren, wordt hem dat zeker niet door iedereen in dank afgenomen. Buiten Hollywood voelt Marlo Brando zich duidelijk meer senang. Op Tetiaroa kan hij de man zijn die hij diep in zijn hart wil zijn – ook al blijken niet al zijn ideeën levensvatbaar.

Toch leeft ‘s mans droom, ruim twintig jaar na zijn dood, daar nog altijd voort, getuige bijvoorbeeld The Tetiaroa Society en The Brando Resort. De drijvende krachten achter deze initiatieven, alsmede Brando’s dochter Rebecca, krijgen in deze aardige film over één van de meest uitgesproken mannen van Hollywoods gouden jaren dan ook de rol die doorgaans aan insiders van de filmbusiness is voorbehouden: het inkaderen van de held en op gepaste wijze lof over hem uitstrooien.

Één ding is zeker, stelt zijn voormalige personal assistant Avra Douglas nog: Marlon Brando sprak over zo ongeveer alles liever dan over acteren.

Trailer Marlon Brando In Paradise

Mutiny In Heaven: The Birthday Party

Pink Moon

De man zit al zichtbaar in de jongen verscholen. In de jeugdige wildebras Nick Cave van eind jaren zeventig – donker, woest en onstuimig – is al moeiteloos de gearriveerde performer van ruim veertig jaar later te herkennen, een man die met een enkel gebaar volgepakte zalen muisstil krijgt. Voordat het zover is, moet de Australische zanger alleen nog wel een heel hellehol aan Duivels uitdrijven.

Mutiny In Heaven: The Birthday Party (99 min.), een typische bandjesdocu van Ian White over Cave’s eerste groep en de voorloper daarvan, The Boys Next Door, reconstrueert ‘s mans jonge honden-jaren, als hij een gevaar lijkt voor elk publiek, de andere leden van The Birthday Party en zichzelf. Zijn (artistieke) ontwikkeling zal pas later tot volle wasdom komen in zijn eigen outfit, Nick Cave & The Bad Seeds, en dan ook voor een in alle opzichten gracieuze volwassenwording zorgen.

De tumultueuze carrière van The Birthday Party krijgt in 1980 z’n eerste grote zwieper als de ontaarde Aussies besluiten om hun geluk te beproeven aan de andere kant van de wereld. In Londen, één van de bastions van de internationale punk- en new wave-scene, moet het gaan gebeuren voor de bezeten frontman en zijn mannen. Niet veel later zijn ze volledig platzak, ernstig ondervoed en verslaafd aan heroïne, speed en andere geestverruimende of -beperkende middelen.

Met veel krachtig concertmateriaal, zwart-witte animaties en (oude) interviews met de bandleden, die verder doorgaans netjes buiten beeld worden gehouden, schetst White de ontwikkeling die zowat elk bandje dat ooit een band is geworden doormaakt: na magere beginjaren volgt de onvermijdelijke doorbraak, waarna de weelde van het succes (en zet dat hier gerust tussen aanhalingstekens: ‘succes’) toch niet blijkt te dragen en de al even onvermijdelijke implosie in gang wordt gezet.

In z’n korte bestaan (1977-1983) is The Birthday Party altijd een cultband gebleven. Te obscuur en destructief om de oversteek naar het grote publiek te maken – ook omdat Cave en de zijnen meteen een stok tussen hun eigen spaken staken als de machine even écht op gang dreigde te komen. Met hun ziedende postpunk, waarmee elk podium letterlijk dan wel figuurlijk werd afgebroken, bleven ze dus veroordeeld tot de fijnproevers – al gingen ze dus bepaald niet fijnzinnig te werk. 

Mutiny In Heaven is zeker vermakelijk, maar heeft in wezen weinig toe te voegen aan het al duizenden malen vertelde verhaal over stoute jongens die met hun schreeuw om aandacht, knetterende gitaren en ongegeneerde bewijsdrang wel eens even de wereld gaan veroveren en ergens onderweg zichzelf tegenkomen of tegen de lamp lopen. Het blijft toch vooral ‘gewoon‘ een bandjesdocu – al is het dan het bandje van Nick Cave, één van de onomstreden helden van de hedendaagse serieuze popmuziek.