De Terugkeer Van Drs. P.

NTR

Hij is een representant van een verloren Nederland, waarin illustere mannen als Godfried Bomans, Wim Sonneveld en Gerard Reve uitbundig met de Nederlandse taal speelden: Heinz Polzer alias Drs. P. (1919-2015). Hij zou dit jaar honderd zijn geworden. Een gedistingeerde heer met een serieuze taalkronkel, die klassiekers als Veerpont (‘Heen En Weer’), Dodenrit en Knolraap En Lof, Schorseneren En Prei heeft nagelaten. Gezongen met die onvaste, uit duizenden herkenbare stem, boordevol speelse taal en met veel, heel veel, humor.

Intimi als P’s stiefzoon en ‘tovenaarsleerling’ Ivo de Wijs, zijn chauffeur en geluidstechnicus, cabaretier Erik van Muiswinkel (die ‘s mans liedjes zingt in de voorstelling Buigt Allen Mee Voor Drs. P.), vriend en dichter Jean Pierre Rawie en Polzers biograaf Michèl de Jong steken in De Terugkeer Van Drs. P. (56 min.) de loftrompet over de ondoorgrondelijke Polzer, die via archiefmateriaal, waaronder zijn hilarische media-optredens, aan een nieuwe generatie wordt voorgesteld.

Ze belichten in deze televisiedocu van Marcel Goedhart tevens de tragische kant van het afstandelijke heerschap, dat wars was van het tonen of uitspreken van emoties. Zijn privéleven, met een naar verluidt erg lastig huwelijk, schermde hij zoveel mogelijk af. Zelfs zijn beste vrienden kwamen bijvoorbeeld nooit bij hem thuis. Totdat hij zichzelf op hoge leeftijd langzaam maar zeker begon kwijt te raken. Zijn uitgever Vic van de Reijt kreeg op een gegeven moment maar liefst twee nieuwjaarskaarten, vertelt hij. En, wat misschien nog wel tekenender was: de tekst daarop rijmde niet eens.

De purist Polzer was langzaam maar zeker aan het vastlopen in de taal die volgens hem zo lenig was. Het einde dat hij zo had gevreesd (‘heel langzaam bederven’) vormt de vanzelfsprekende climax van deze boeiende film – al hadden de wazige, figuratieve beelden van jonge adepten die zogenaamd de aftakelende P. bezoeken en verzorgen achterwege kunnen blijven. De doctorandus, zijn absurdistische werk en de verhalen daarover leveren meer dan genoeg brandstof voor een interessant portret.

Filmmaker Frank van Osch maakte in 2006 eveneens een documentaire over Drs. P. Een aanvankelijk onwillige Heinz Polzer verleende daaraan tóch zijn medewerking. Drs. P, Niet Van Talent Gespeend is nog altijd te zien op de website 2doc.nl.

Robert Jan Stips – De Tovenaar Van De Nederpop

Bart Chabot leidt de hoofdpersoon van deze documentaire op geheel eigen wijze in: nee, hij is niet zo bekend als Barry Hay of Herman Brood, maar hij is de beste muzikant van de Nederlandse popscene, iedereen wil met hem werken en toch wordt-ie niet herkend op straat. Heeft u al door over welke Onbekende Nederlander de inmiddels dolenthousiaste Chabot het heeft? Gelukkig worden nu de usual suspects voorgesteld die de man in kwestie verder zullen duiden: Cesar Zuiderwijk, Henk Hofstede, Anton Corbijn, Rinus Gerritsen en Freek de Jonge. Stuk voor stuk hebben ze gewerkt met – tromgeroffel, doodse stilte, trompetgeschal! – Robert Jan Stips – De Tovenaar Van De Nederpop (59 min.).

In strandpaviljoen De Fuut in zijn thuisstad Den Haag tovert Stips aan een nieuwe plaat, waarmee hij wil voortborduren op het magische werk van zijn eerste bandje Supersister. Hij laat zich daarbij tevens ondersteunen door vroegere vrienden uit die vermaarde progrockgroep uit de sixties. Ook de ‘simpele rock & roll-muzikanten’ van enkele vooraanstaande vaderlandse bands melden zich voor de opnamesessies. Terwijl de oude kameraden elkaar begroeten en onder leiding van Stips samen gaan musiceren, loopt regisseur Marcel Goedhart de carrière van de multi-instrumentalist door: van Supersister via Golden Earring, Gruppo Sportivo, Sweet D’ Buster en The Nits naar Freek de Jonge.

Het bevalt Robert Jan Stips wel, die rol in ‘de subtop’. Op die manier heb je als muzikant een langer leven, meent hij. Misschien is het ook een manier om enigszins op afstand te blijven, ga je als kijker denken. Zeker als je vervolgens zijn dramatische familieverhaal krijgt te horen (dat Goedhart ondersteunt met enkele fraaie geanimeerde scènes). Met name de relatie met zijn vader, die in zijn hart misschien ook kunstenaar had willen zijn, maar zijn dagen sleet als ambtenaar, speelt Stips nog altijd parten. ‘Het vaderschap heb ik zelf moeten uitvinden. En daar ben ik ook niet altijd even goed in’, zegt hij. ‘Ik vind het lastig om heel warm te zijn naar het gezin toe. Dat zou wel warmer kunnen.’ Zelfs in de muziek is dat zo, constateert hij. ‘Misschien maak ik daarom ook wel andersoortige muziek dan blues of liefdesliedjes.’

Met die muziek heeft hij niettemin vrienden voor het leven gemaakt, in de Nederlandse muzikantenscene, maar ook ver daarbuiten. Met de internationaal vermaarde fotograaf en filmregisseur Anton Corbijn bijvoorbeeld, die zich nog goed kan herinneren hoe hij in 1973 als middelbare scholier een fotoshoot mocht doen met de band waarvan hij al enkele jaren fan was. Als tegenprestatie, vertelt hij met hartverwarmend enthousiasme, stelde Corbijn alles in het werk om vele jaren later de Supersister-evergreen She Was Naked een plek te geven in zijn debuutfilm Control. En dat viel weer in goede aarde binnen de internationale progrockscene, waarbinnen de eerste band van Stips – Arjay voor zijn Amerikaanse fans – nog altijd een cultstatus heeft.

Zo ontvouwt zich een liefdevol portret van een gewaardeerde muzikant, die op een gracieuze manier ouder en grijzer is geworden (al zijn die strakblauwe kijkers gebleven). En daarbij neem je de wat gekunstelde barscène met Bart Chabot, die natuurlijk ook op gedragen toon een punt mag zetten achter de film, over waarom die nederpoptovenaar nooit een Bekende Nederlander is geworden maar voor lief. Zou het misschien kunnen – in de oren van Hay- en Brood-adepten klinkt dat wellicht ongeloofwaardig – dat Robert Jan Stips ‘gewoon’ prettig bescheiden is (gebleven) en ervoor kiest om vooral via zijn instrumentarium te spreken?

Mohammad & Jafar

2mei_Mohammad_en_Jafar_1993_©NTR

 

‘Je kunt de jongen wel uit het kamp halen, maar het kamp niet uit de jongen, zeggen ze hier’, stelt Marcel Goedhart halverwege zijn film Mohammad & Jafar (54 min.). Hij volgt al 25 jaar twee jongens uit Dheisheh, een Palestijns kamp nabij Bethlehem, op de door Israël bezette Westelijke Jordaanoever. Het kamp is intussen een soort stad geworden, Mohammad en Jafar mannen van tegen de veertig. Zo’n beetje alles is in die jaren veranderd. Behalve die ene droom.

Het verlangen om terug te keren naar hun geboortegrond, het dorp Sufla dat hun voorouders in 1948 onder druk van Israëlische troepen hebben moeten verlaten, is nooit gestorven en leeft inmiddels voort in de volgende generatie van Dheisheh. Via de levens van twee gewone mannen vertelt Goedhart zo het verhaal van een ontheemd volk dat met het aanstaande zeventigjarige bestaan van de staat Israël nog steeds hartstochtelijk hunkert naar zijn eigen land.

Hij volgt daarbij de werkwijze van Michael Apted in de legendarische Up-serie; met tussenpozen van enkele jaren bezoekt Goedhart de gematigde Mohammad en de van nature wat militantere Jafar en legt dan hun persoonlijke leven en ontwikkeling vast. In de montage snijdt hij heden en verleden door elkaar, zodat hun vroegere dromen botsen op de realiteit van vele jaren later. Tegelijkertijd laat hij zien of oude wonden zijn geheeld of nog elk moment kunnen worden opengereten.

Ooit beschouwden de twee oude vrienden zichzelf als strijders in de Intifadah. Met stenen als voornaamste wapen vochten ze tegen de bezetter. Voor hetzelfde geld waren ze allebei martelaar geworden. Een kwart eeuw later zijn ze allebei nog springlevend. Gehavend door diezelfde strijd, dat wel. Jafar spendeerde enkele jaren in een gevangenis, Mohammad verloor al op jonge leeftijd zijn vader. Door een Israëlische sluipschutter, zo weet hij zeker.

Nu wil Mohammad zelf vader worden. Jafar vreest intussen dat zijn zoon in zijn voetsporen zal treden. Zal hij uiteindelijk ook met de schrik vrij komen of toch eindigen als martelaar? Over een jaar of acht mag Marcel Goedhart daarover rapporteren in het volgende hoofdstuk van dit boeiende documentaire-feuilleton over twee heel gewone mannen, Mohammad en Jafar, in heel ongewone omstandigheden.