Surplus: Terrorized Into Being Consumers

Om de wereld te redden moeten we terug naar het stenen tijdperk. Dat is min of meer de boodschap van antiglobaliseringsgoeroe John Zerzan, de onofficiële architect van het bijzonder ferme verzet tegen globalisering aan het begin van de 21e eeuw én de spil van deze activistische film uit 2003, waarin de wetten van marketing en reclame worden ingezet om een ándere boodschap over te brengen. Terug naar een wereld, zo luidt die, waarin wij als mensen niet meer worden gereduceerd tot zielloze slaven van het kapitalisme, als producent of als consument.

Dit thema wordt door regisseur Erik Gandini in Surplus: Terrorized Into Being Consumers (51 min.) weergaloos gevisualiseerd met videoclip-achtige beeldsequenties. Zo bouwt hij bijvoorbeeld rond een uitspraak van de Amerikaanse president George W. Bush na de aanslagen van 11 september 2001 een meeslepende clip. ‘We cannot let the terrorist achieve the objective of frightening the nation to the point where we don’t conduct business’, zegt Bush daarin. ‘Where people don’t shop.’

Op die manier schetst deze onweerstaanbaar ritmische film een ontluisterend beeld van het (ongebreidelde) kapitalisme, dat verder wordt ingekleurd met scènes rond een producent van levensechte sekspoppen, de maniakale presentaties van Microsoft-CEO Steve Ballmer en een negentienjarige Zweedse webdesigner, die dagelijks miljoenen door zijn handen laat gaan, van gekkigheid niet weet hoe hij zijn geld weer moet kwijtraken en zich vooral heel erg leeg voelt.

Als – overigens niet al te subtiel – contrast introduceert Gandini daarnaast de communistische heilstaat Cuba van Fidel Castro, volgens de leider zelf ‘het meest democratische land ter wereld’. Een natie zonder consumentisme en reclame bovendien, waar de met ijzeren hand geleide overheid probeert te voorzien in ieders basisbehoeften, maar consumeren om het consumeren echt uit den boze is.

Rice and beans, dat is het wel zo’n beetje, door de filmmaker vervat in alweer een swingende videoclip. Daarin vertelt een Cubaanse tiener over hoe ze haar ogen uitkeek in een Europese supermarkt en uiteindelijk bij de plaatselijke vestiging van McDonald’s het summum van westerse beschaving ontdekte: de Big Mac. Ze keerde moddervet terug in eigen land. ‘En heel mijn lijf bleef snakken naar meer.’ En naar muziek, films en ander entertainment.

Het is een wereld die wij inmiddels van binnen en buiten kennen. Waarin McDonald’s het succesvolste restaurant kon worden en Donald Trump president van de Verenigde Staten. Een wereld ook die we, zeker hier in het ‘vrije’ westen, als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. En die nu natuurlijk toch volledig ter discussie is komen te staan. Die context maakt van het briljant gemonteerde Surplus, dat de boodschap er met veel repetitie in(d)ramt, nog altijd een onontkoombare documentaire.

The Swedish Theory Of Love

Cinema Delicatessen

Hoe kan het dat in Zweden, één van de welvarendste landen van de wereld, de helft van de bevolking alleen leeft en een kwart zelfs alleen sterft? De Italiaans-Deense filmer Erik Gandini denkt in The Swedish Theory Of love (76 min.) een antwoord te hebben gevonden in een breed omarmd manifest over ‘de familie van de toekomst’ uit 1972. Het idee was toentertijd dat vrouwen zich los zouden maken van hun mannen en jongeren werden bevrijd van hun ouders. Traditionele familiestructuren moesten wijken voor volledige (economische) onafhankelijkheid.

In deze patchwork-achtige documentaire uit 2015 probeert Gandini vat te krijgen op het doorgeslagen individualisme dat daaruit volgens hem is voortgevloeid. ‘Iedereen gaat zijn eigen weg’, constateert een vrouw bijvoorbeeld somber, terwijl ze rondkijkt in de woonkamer van een man die een einde aan zijn leven heeft gemaakt. ‘Er is geen cement tussen ons.’ De vrouw heeft een beroep gekozen dat past bij zo’n samenleving: als een soort postume sociaal werker moet ze op zoek naar verwanten van mensen die (soms al enige tijd geleden) moederziel alleen zijn gestorven. De ‘onafhankelijke samenleving’, kortom, als een wereld waarin iedereen het zelf (moet) uitzoeken.

Gandini portretteert bijvoorbeeld mensen die in hun vrije tijd meedoen aan zoekacties naar verdwenen landgenoten en volgt vrouwen die zichzelf insemineren met sperma dat door een gespecialiseerd bedrijf netjes thuis wordt bezorgd. Je kunt het nog nét niet tot twee weken na ontvangst terugsturen, met daarbij de garantie dat je je geld terugkrijgt. Veel mensen denken dat geluk een leven zonder problemen inhoudt, stelt de hoogbejaarde Poolse socioloog Zygmunt Bauman niet voor niets. Echt geluk vereist volgens hem echter het overwinnen van tegenslag. ‘En dat gaat verloren als het comfort groeit.’ Zonder zulke uitdagingen is de individuele mens in Baumans ogen verloren. ‘Aan het eind van onafhankelijkheid wacht geen geluk’, stelt hij met gevoel voor drama aan het eind van deze docu. ‘Maar leegheid, zinloosheid en totale verveling.’

Het is geen opwekkende conclusie voor een film, die desondanks lekker vlot is gemonteerd, een gezonde dosis koddige muziekjes bevat en in het algemeen gewoon erg vermakelijk is. Tegenover de verweesde individuen in het hedendaagse Zweden (lees ook gerust: Nederland) plaatst Gandini bovendien, enigszins simplistisch, de Zweedse chirurg Erik Erichsen, die is verkast naar Ethiopië, daar het eenvoudige leven heeft (terug)gevonden en met zeer primitieve middelen zijn vak uitoefent, te midden van de mensen waarvoor hij werkt. Alsof een dergelijke manier van leven een oplossing zou bieden voor de ondraaglijke leegte van het onafhankelijke bestaan. Het lijkt me een even naïeve als aanlokkelijke gedachte.

Diezelfde Erik Erichsen is tevens de hoofdpersoon van Erik Gandini’s volgende documentaire. In The Rebel Surgeon uit 2017 wordt de arts geportretteerd tijdens zijn werk in Ethiopië. Hij helpt bijvoorbeeld een plaatselijk meisje met een afschuwelijk abces in haar mond, een aandoening die je na afloop van de film nog dagenlang blijft achtervolgen.

Videocracy

Het presidentschap van Donald Trump lijkt een typisch Amerikaans aangelegenheid: het onvermijdelijke resultaat van decennialange debilisering op de Amerikaanse (kabel)televisie en het internet. Als het maar beweegt, lawaai maakt en consternatie veroorzaakt, krijgt het ook oeverloos aandacht. Enter: The Donald, de man die zijn eigen mediapersonage is geworden en het leiderschap van zijn land heeft gereduceerd tot een soort real life equivalent van een echte reality show.

Trump staat echter bepaald niet op zichzelf en is zonder twijfel schatplichtig aan Silvio Berlusconi, de vastgoedmagnaat, mediatycoon, voorzitter van de voetbalclub AC Milan en voormalige president van Italië. In deze documentaire uit 2009 verbindt de Zweeds-Italiaanse filmmaker Erik Gandini de opkomst van Berlusconi met het ontstaan van commerciële televisie en de celebritycultuur die daarmee is verbonden. Waarin alles om uiterlijk vertoon draait, dat bovendien met alle mogelijke middelen, inclusief plastische chirurgie, in stand moet worden gehouden.

Videocracy (81 min.) is geen traditioneel portret van de populist, topondernemer en overjarige playboy Berlusconi, maar een exposé over de wereld die hem heeft voortgebracht en die hij zelf mede heeft gecreëerd. Gandini vindt daarin onvergetelijke personages. Talentmanager Lele Mora bijvoorbeeld, een goedlachse kerel in smetteloos wit met een onbeschaamde voorliefde voor de fascistische leider Mussolini. Of een geboren loser genaamd Riccardo Canevali. Hij wil kost wat het kost beroemd worden. En de louche paparazzi-fotograaf Fabrizio Corona, die er wel een héél opmerkelijk verdienmodel op nahoudt en daarmee zelf een B-ster wordt.

Gezamenlijk portretteren zij Berlusconi’s videocratie tevens als een absolute mannenwereld. Vrouwen (liever: meisjes) zijn er vooral om de heren te behagen. Ze moeten lange benen hebben, bereid zijn om hun kleren uit te trekken en – belangrijk! – altijd blijven lachen. Daarbij past een bepaald soort leider. Voor wie schaamte niet bestaat. Zo kon bijvoorbeeld ‘grab ‘em by the pussy’ voor Donald worden wat ‘bunga bunga’ ooit was voor Silvio: op het eerste oog een serieuze bedreiging voor zijn carrière, maar uiteindelijk vooral een bevestiging van ‘s mans onomstreden succesverhaal. Behalve geld, macht en status hebben mannen als Trump en Berlusconi nu eenmaal een soort onvervreemdbaar recht verworven op jonge, aantrekkelijke meisjes.

Met zijn tandpastasmile, grondig gerenoveerde hoofd en opzichtige haarimplantaten oogt Silvio, net als zijn zelfs nóg larger than life- evenknie Trump, in eerste instantie als een echte clown. Waarbij het lachen je gaandeweg, als de maatschappelijke schade duidelijk wordt, wel vergaat. Al is het tegelijkertijd vrijwel onmogelijk om niet te grinniken bij het potsierlijke campagnelied van Berlusconi’s partij Il Popolo Della Libertà, Meno Male Che Silvio C’è, dat Gandini als belangrijk plotpoint halverwege de film heeft geparkeerd: ‘Dank God, Silvio, dat je bestaat.’ Met zulke leiders en volgers dreigen echte komieken werkeloos en de wereld een levensechte parodie te worden.